Wijzigingen gemeentelijke Verordening Sociaal Domein 2024- Bijlage 1 Gewijzigde verordening
Tekst van het document
5.6 Mantelzorg 5.6.1 Ondersteuning mantelzorger [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven in een situatie waarin steeds toezicht nodig is, ondersteuning kunnen krijgen zodat zij in staat zijn om de mantelzorg vol te houden. 2. De ondersteuning kan inhouden dat de mantelzorg tijdelijk wordt overgenomen, zo nodig door een professional. We noemen dit respijtzorg. 5.6.2. Mantelzorgwaardering [Wmo] 1. De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking die wonen in onze gemeente. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantel-zorgwaardering is om een blijk van waardering aan de mantelzorgers te geven. 2. De mantelzorgwaardering kan bestaan uit een éénmalig geldbedrag per jaar, een attentie of een andere wijze van waardering, of een combinatie hiervan. 3. De gemeente zorgt voor voldoende informatie en voorlichting over de mantelzorgwaardering. 5.6.3 Voorwaarden mantelzorgwaardering [Wmo]
Een mantelzorgwaardering kan worden toegekend aan de inwoner die mantelzorg geeft en die geen betaalde hulp biedt aan de inwoner.
Hoofdstuk 6: De vorm van hulp
De hulp die de gemeente geeft is in principe ‘in natura’: de gemeente zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld hulp in de huishouding), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). Daarnaast kan de hulp in de vorm van geld worden gegeven (inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget.
In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen.
Kernwaarden:
De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is.
De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.
De zelfredzaamheid van de inwoner wordt versterkt.
De hulp wordt afgestemd op de inwoner.
6.1 Vormen van hulp [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet] De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt hulp in natura (een dienst of een product), in geld, in bruikleen of in eigendom, tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. In de toekenningsbeschikking wordt de vorm van de hulp vermeld.
6.2 Hulp in natura [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een maatwerkvoorziening de inwoner voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken. 2. De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een maatwerkvoorziening de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft. 3. De leverancier informeert de inwoner over alles wat van belang is om te weten over de dienst of het product.
6.3 Hulp in geld [Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet, Awb] 1. De inwoner die hulp van de gemeente krijgt ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. 2. De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen zes weken nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling 3. De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven, tenzij het doel van de betaling alleen maar op een andere manier kan worden bereikt. Dan kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon of een leverancier betalen. 4. De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering), als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. 5. De gemeente kan een besluit nemen om betalingen te doen, zonder dat de inwoner daar met een brief over wordt geïnformeerd, als bij de overboeking voldoende duidelijk wordt gemaakt waarom de betaling wordt gedaan.
6.4 Persoonsgebonden budget 6.4.1 Voorwaarden pgb [Jeugdwet, Wmo] 1. In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmo-hulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen. 2. De inwoner stelt een pgb-plan op. In dit pgb-plan is opgenomen: a. de motivatie waarom de beschikbare hulp in natura van de gemeente niet passend is; b. de beoogde uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de hulp georganiseerd wordt; c. op welke wijze de kwaliteit van de hulp is gewaarborgd; d. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in het aantal eenheden en het tarief. 3. De gemeente stelt nadere regels over het recht, de hoogte en voorwaarden voor het verkrijgen en het besteden van een pgb. 4. De gemeente kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat dat de regels in lid 3 niet worden nageleefd.
5. De gemeente weigert een pgb in de volgende situaties: a. de inwoner heeft geen volledig ingevuld pgb-plan overgelegd volgens het door de gemeente vastgestelde model; b. de inwoner weigert het pgb-plan desgevraagd met de gemeente te bespreken of verschijnt zonder geldige reden niet op de afspraak om het pgb-plan te bespreken; c. de inwoner, of, indien de inwoner jonger is dan 18 jaar, en één van diens ouders of voogden, heeft surseance van betaling aangevraagd of is failliet verklaard; d. voor de inwoner of, indien de inwoner jonger is dan 18 jaar, voor één van diens ouders of voogden, is de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard, of is een verzoek daartoe bij de rechtbank ingediend; e. de inwoner heeft zich niet gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen; f. naar het oordeel van de gemeente is onvoldoende aannemelijk dat met het persoonsgebonden budget zal worden voorzien in toereikende ondersteuning van goede kwaliteit; g. het ernstige vermoeden bestaat dat de inwoner problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget; h. de inwoner laat het beheren van het persoonsgebonden budget over aan de aanbieder die de ondersteuning levert of een persoon die werkzaam is bij of voor deze aanbieder; i.
de hulp wordt ingekocht bij een aanbieder, waarbij eerder fraude is geconstateerd of waarbij twijfels zijn over de integriteit van de aanbieder. j. het pgb is bedoeld voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door de gemeente op basis van de eisen die zijn opgenomen in het Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd van de VNG. 6.4.2 Pgb en hulp uit het sociale netwerk [Jeugd, Wmo] 1. Alvorens de inwoner een aanvraag doet voor een voorziening, wordt van hem verwacht dat hij een beroep doet op zijn eigen kracht, die van het gezin en het sociale netwerk. 2. Onder het sociaal netwerk wordt de informele hulpverlener verstaan, hieronder vallen onder andere ouders, familie, vrienden en kennissen van de budgethouder.
3. Geen pgb voor ondersteuning door het sociale netwerk mag worden ingezet, indien de persoon die de zorg wil verlenen hier naar verwachting niet in staat zal zijn. 4. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken via informele hulp voor zover er geen sprake is van daghulp of verblijf. 6.4.3 Hoogte en tarief persoonsgebonden budget Wmo [Wmo] 1. Het pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld pgb-plan inzake de besteding van het pgb; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltre ende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betre ende situatie goedkoopst passende beschikbare maatwerkvoorziening in natura; d. kan door de gemeente aangepast worden door een lager pgb-tarief te hanteren voor het betrekken van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van personen die behoren tot het sociale netwerk of zzp-ers. 2. Het bedrag van het pgb voor hulp bij het huishouden bedraagt maximaal: a.
100% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao. Hierbij vindt afstemming plaats op de tarieven van de Regeling dienstverlening aan huis; b. 87,50% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zzp-er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt; c. 87,50% van het van het tarief indien de zorg wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk. 3. Het bedrag van het pgb voor begeleiding bedraagt maximaal: a. 100% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao; b. 85% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zzp-er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt;
c. 50% van het tarief indien de zorg wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk. 4. Het pgb voor dagbesteding bedraagt maximaal: a. 100% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao; b. 85% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zzp-er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt; c. 50% van het tarief indien de zorg wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk. 5. Het pgb budget voor kortdurend verblijf bedraagt maximaal: a. 100% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao; b. 85% van het tarief als bedoeld in het eerste lid indien de inwoner een zzp-er of een zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt; c. 30% van het tarief indien de zorg wordt geleverd door een persoon uit het sociaal netwerk. 6. De tariefdi erentiatie, zoals omschreven in hoofdstuk 5 van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning ’s-Hertogenbosch 2022, is van toepassing. 7.
De hoogte van een pgb voor hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt maximaal de huur of de aanschafprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening, inclusief onderhoud, reparatie en verzekering, zoals die door de gemeente aan de aanbieder zou zijn verschuldigd. 8. De gemeente stelt op basis van de systematiek en tariefdi erentiatie genoemd in de leden 1 tot en met 7 nadere regels over het pgb en de tarieven vast. 6.4.4 Hoogte en tarief persoonsgebonden budget Jeugd [Jeugdwet] 1. Het pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld plan inzake de besteding van het pgb; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltre ende en kwalitatief goede hulp, van derden te betrekken;
c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betre ende situatie goedkoopst passende beschikbare maatwerkvoorziening in natura; d. kan door de gemeente aangepast worden door een lager pgb-tarief te hanteren voor het betrekken van diensten, en andere maatregelen van personen die behoren tot het sociaal netwerk of zzp-ers. 2. Het pgb bedraagt: a. de hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt maximaal 100% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende PGB-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. b. de hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. c. indien de budgethouder concreet en onderbouwd kan aantonen dat in zijn situatie het pgb-tarief niet toereikend is om passende ondersteuning in te kopen, kan in uitzonderlijke gevallen aanpassing plaatsvinden, passend bij de situatie. 3. De tarieven zoals bedoeld in lid 1 en 2 zijn vastgesteld in de nadere regels jeugdhulp 2021. 4. De gemeente kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte van een PGB wordt vastgesteld. 5.
Jaarlijks vindt indexering van de tarieven plaats conform de indexering van de tarieven voor zorg in natura. 6.4.5 Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk [Jeugdwet, Wmo] De in dit hoofdstuk genoemde pgb-tarieven voor hulp van een persoon uit het sociaal netwerk zijn niet lager dan het minimum uurloon inclusief vakantietoeslag, zoals bedoeld in de Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek.
6.4.6 Kwaliteitseisen voor formele hulp met pgb [Jeugd, Wmo] De kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning voldoet minimaal aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren. Zorgverleners die zorg verlenen die wordt betaald uit een pgb: a. staan ingeschreven staan in het handelsregister van de Kamer van Koophandel;
b. hebben adequaat opgeleid personeel in dienst; c. kunnen een recente VOG overleggen van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers); d. zijn verzekerd tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid; e. staan ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (Stichting Kwaliteitsregister Jeugd). 6.4.7 Verantwoording pgb [Jeugdwet, Wmo] 1. Als een inwoner hulp op maat in de vorm van een pgb krijgt, dan komen alleen de kosten van hulp die daadwerkelijk is geleverd ten laste van het pgb. 2. De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe, en voor welke kosten het pgb is besteed. Voor dat verslag kan de gemeente een formulier verplicht stellen.
6.5 Eigen bijdrage Wmo-voorzieningen 6.5.1 Kostprijs voorzieningen [Wmo] 1. De kostprijs van een voorziening in natura is gelijk aan de prijs waarvoor de gemeente de voorziening in natura betrekt van een aanbieder, inclusief de reparatie-, verzekerings- en onderhoudskosten. 2. De kostprijs van een pgb is gelijk aan het bedrag van het pgb. 3. De gemeente stelt nadere regels over (het bepalen van) de kostprijs, waarbij de kostprijs in afwijking van het eerste en tweede lid op een lager bedrag kan worden vastgesteld. 6.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen [Wmo] 1. De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorzieningen in natura, zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik maakt; 2. De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorzieningen in de vorm van een pgb gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, tot maximaal de kostprijs van de voorziening; 3. De inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. woningaanpassingen;
b. hulpmiddelen; c. vervoersvoorzieningen; d. hulp in de huishouding; e. individuele begeleiding; f. groepsbegeleiding; g. kortdurend verblijf. 4. De gemeente stelt nadere regels over de hoogte van de eigen bijdrage. 6.5.3 Geen eigen bijdrage bij minimum inkomen [Wmo] Voor maatwerkvoorzieningen is de inwoner die een bijdrageplichtig inkomen heeft lager dan 125% van het sociaal minimum geen eigen bijdrage verschuldigd.
Hoofdstuk 7: Inkomen en schulden
De gemeente heeft een financieel vangnet voor inwoners die te weinig inkomen en vermogen hebben om de dagelijkse kosten te betalen: een maandelijkse bijstandsuitkering. Deze inwoners en andere inwoners met een lastige financiële situatie kunnen bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen aanvragen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste extra’s geregeld. Voor een aantal extra’s wordt een inkomensgrens genoemd. Dit is geen harde grens, maar een uitgangspunt (kompas) bij het beoordelen van aanvragen. Inwoners die in een vergelijkbare financiële situatie zitten als inwoners met een inkomen onder de inkomensgrens, kunnen vaak ook geholpen worden. Dat beoordeelt de gemeente per situatie. Daarnaast geven we enkele basisregels voor de hulp die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem.
Kernwaarden:
De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.
Armoede en schulden proberen we zoveel mogelijk te voorkomen.
De zelfredzaamheid van de inwoner wordt versterkt.
De gemeente biedt een financieel vangnet.
We stemmen de hulp af op de inwoner.
We hebben extra zorg voor kwetsbare groepen.
Iedereen doet mee aan de samenleving.
7.1 Minimabeleid [PW, Wgs, Gemeentewet] In deze paragraaf wordt beschreven waar de gemeente rekening mee houdt bij het maken en uitvoeren van beleid om armoede en schulden in de gemeente te voorkomen en tegen te gaan. 1. De gemeente wil dat inwoners met een laag inkomen en een vermogen lager dan de grens genoemd in de wet hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving. De gemeente neemt maatregelen om armoede en schulden te voorkomen. 2. De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen. 3. De gemeente stimuleert initiatieven die zijn gericht op het bestrijden van armoede en het tegengaan van schulden. De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. 4. De gemeente legt in een beleidsplan vast hoe het minimabeleid voor een bepaalde periode ingevuld wordt. De gemeente geeft daarbij aan welke groepen kwetsbare inwoners op welke manier financieel worden ondersteund. 5. De gemeente richt het minimabeleid zo in, dat inwoners met een laag inkomen voldoende ondersteund worden en dat met het krijgen van betaald werk een armoedeval zoveel mogelijk wordt voorkomen. 6.
De gemeente zorgt ervoor dat voorzieningen die per maand of per jaar worden verstrekt, na afloop van die periode op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden. 7.2 Bijzondere bijstand [PW] 1. Bijzondere bijstand is een belangrijk hulpmiddel voor de gemeente om inwoners financieel te helpen. 2. De gemeente ondersteunt de inwoner met bijzondere bijstand binnen de regels van artikel 35 van de Participatiewet 3. De gemeente stelt nadere regels vast over bijzondere bijstand en de wijze waarop rekening wordt gehouden met eigen draagkracht uit inkomen of vermogen van de inwoner.
7.3 Individuele inkomenstoeslag [PW]
Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de individuele inkomenstoeslag bedoeld. De toeslag kan jaarlijks worden aangevraagd. Hier is beschreven voor welke inwoners de individuele inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden.
7.3.1 Begrippen [PW] Bij de individuele inkomenstoeslag van artikel 36 van de Participatiewet wordt verstaan onder: a. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; b. peildatum: datum waarop een persoon zich bij de gemeente meldt voor een aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag en aan de voorwaarden voldoet; c. referteperiode: ononderbroken periode van 36 maanden voor de peildatum. 7.3.2 Indienen verzoek [PW] Een verzoek voor een individuele inkomenstoeslag wordt ingediend via een aanvraagformulier met de bewijsstukken die nodig zijn.
7.3.3 Doelgroep [PW] 1. De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner die in de referteperiode een gemiddeld inkomen heeft gehad dat niet hoger is dan 125% van de toepasselijke bijstandsnormen in dezelfde periode. 2. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als aan deze inwoner in het jaar dat vooraf gaat aan de peildatum een maatregel is opgelegd omdat hij zich niet heeft gehouden aan een arbeids- of reintegratieverplichting als bedoeld in de Participatiewet en/of de deze verordening. 3. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als deze onderwijs volgt of in de referteperiode heeft gevolgd. Het gaat dan om onderwijs dat het Rijk bekostigt. 7.3.4 Hoogte van de toeslag [PW] 1. De individuele inkomenstoeslag is per kalenderjaar: a. € 417,- voor een alleenstaande; b. € 537,- voor een alleenstaande ouder;
c. € 596,- voor gehuwden of samenwonenden. 2. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht op inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt. 3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. 4. Deze bedragen worden jaarlijks per 1 januari aangepast aan de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek van de laatste maand oktober en naar boven afgerond op hele euro’s.
7.4 Bijdrage voor maatschappelijke activiteiten, het Welzijnsfonds [Gemeentewet] Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Inwoners met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan culturele, religieuze en andere maatschappelijke activiteiten.
7.4.1 Begrippen 1. Inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 en 33 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; 2. De peilmaand: de maand januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft. 3. De peildatum: de eerste dag van de maand januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft. 7.4.2 Doelgroep en activiteiten [Gemeentewet] 1. Om voor een bijdrage in aanmerking te komen moet de inwoner: a. op de dag van aanvraag ingeschreven staan in de Basisregistratie personen (BRP) van de gemeente, en b. in de peilmaand een inkomen hebben dat gelijk is aan of minder dan 125% van de voor hen toepasselijke bijstandsnorm zoals bedoeld in Hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 van de Participatiewet, en c. op de peildatum een bedrag aan vermogen hebben dat ligt beneden de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.
2. Inwoner komt tevens in aanmerking als er voldaan wordt aan het gestelde in het eerste lid onder a. en één van de hieronder genoemde voorwaarden. Hierop is de peildatum en peilmaand niet van toepassing; i.
Inwoner heeft een toelatingsbeschikking schulddienstverlening;
ii.
Inwoner beschikt niet over het Vrij Te Laten Bedrag zoals berekend volgens de Recofa-methode, of als gevolg van:
loonbeslag;
verrekening huur- en zorgtoeslag;
maximale afloscapaciteit die wordt ingezet ten behoeve van schuldeisers;
specifieke omstandigheden door schulddienstverlener omschreven;
3. De bijdrage is bedoeld voor: a. sportieve, culturele, politieke, religieuze en andere maatschappelijke activiteiten, die beogen het sociaal isolement te voorkomen of te doorbreken; b. abonnementen op kranten, tijdschriften, telefoon, internet en hiermee vergelijkbare uitgaven. 7.4.3 Bijdrage [Gemeentewet] 1. De bijdrage bedraagt maximaal € 235,- per kalenderjaar per gezinslid dat 18 jaar of ouder is. 2. De bijdrage voor een gezinslid dat op de peildatum 3 jaar of ouder is en jonger dan 18 jaar, bedraagt maximaal € 335,-. 3. Voor kinderen die op de peildatum jonger zijn dan 3 jaar wordt geen bijdrage verstrekt. 7.4.4 Aanpassing bedragen [Gemeentewet] 1. De maximale bijdrage per gezinslid bedoeld in artikel 7.5.3, eerste lid, wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek van de laatste maand oktober en naar boven afgerond op hele euro’s. 2. De maximale bijdrage voor een gezinslid bedoeld in artikel 7.5.3, tweede lid, is steeds € 100,- hoger dan de bijdrage bedoeld in artikel 7.5.3, eerste lid. 7.4.5 Aanvraag en toekenning [Gemeentewet] 1. De aanvraag om een bijdrage moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, of op een andere door de gemeente vastgestelde wijze.
2. De bijdrage dient te worden aangevraagd uiterlijk 10 januari volgend op het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. 7.4.6 Uitbetaling [Gemeentewet] 1. De gemeente betaalt de bijdrage nadat de aanvraag is toegekend. 2. De bijdrage voor volwassenen (18 jaar en ouder) wordt betaald in maart van het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan. 3. De bijdrage voor kinderen (tot en met 17 jaar) wordt betaald in juli van het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan. 4. Als de aanvraag wordt gedaan na de betaalmomenten genoemd in lid 2 en 3 dan volgt de betaling zo snel mogelijk. 7.4.7 Terugvordering [Gemeentewet] 1. Indien de inwoner onjuiste inlichtingen heeft verstrekt op basis waarvan aan hem ten onrechte de bijdrage is toegekend of indien inwoner desgevraagd de bewijsstukken niet overlegt waaruit blijkt dat hij de kosten waarvoor de bijdrage werd verstrekt, daadwerkelijk heeft gemaakt, of wanneer een onverschuldigde betaling aan hem is gedaan, vordert de gemeente de kosten van de bijdrage geheel of gedeeltelijk terug. 2. Bij de beoordeling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag, als bedoeld in het eerste lid, houdt de gemeente rekening met de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de inwoner. 3. Alvorens tot terugvordering over te gaan, wordt de inwoner in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 4.
Het horen van inwoner kan achterwege worden gelaten indien:
de vereiste spoed zich daartegen verzet;
de inwoner al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;
er sprake is van zeer ernstige gedragingen als bedoeld in artikel 8.2.9 van deze verordening.
5. Terugvordering van de kosten als bedoeld in het eerste lid van dit artikel vindt eerst plaats nadat de gemeente de eerder toegekende bijdrage bij een zelfstandig besluit heeft ingetrokken. 6. De gemeente vordert bij zelfstandig besluit vervolgens de bijdrage terug op grond van het bepaalde in artikel 6:203 Burgerlijk Wetboek.
7.4.8 Uitvoering [Gemeentewet] De gemeente kan ten behoeve van de uitvoering en controle nadere regels vaststellen.
7.5 Schuldhulpverlening [Wgs] De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. De gemeente kan daarnaast een inwoner een aanbod doen voor een gesprek nadat vanuit schuldeisers signalen zijn ontvangen. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen.
7.5.1 Samenwerking en toegang 1. De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen. 2. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden. 3. De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is. 4. De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft. 7.5.2 Schuldhulpverlening 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt. 2. In het plan, dat elke vier jaar door de raad wordt vastgesteld, wordt beschreven op welke wijze de gemeente de inwoner helpt bij het oplossen van schulden. 7.5.3 Belsistermijn Schuldhulpverlening De beschikking met de toelating tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet, heeft plaatsgevonden. 7.6 Zorgkosten [PW] 1. De gemeente biedt samen met zorgverzekeraar VGZ en CZ een collectieve zorgverzekering voor minima aan. Die verzekering bevat:
a. een lagere premie voor de basisverzekering en de aanvullende verzekeringen; en b. een bijdrage in de zorgpremie. 2. De inwoner die een inkomen heeft dat lager is dan 125% van de toepasselijke bijstandsnorm, en niet beschikt over meer vermogen dat de in de wet genoemde grens, kan deelnemen aan de collectieve zorgverzekering. 3. Onder inkomen wordt verstaan het inkomen zoals omschreven in artikel 7.5.1. 4. De gemeente stelt nadere regels vast over de hoogte van de premie en de bijdrage in de zorgpremie. Hoofdstuk 8: Afspraken tussen inwoner en gemeente
Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen.
Kernwaarden:
De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.
De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is.
De gemeente en de inwoner gaan respectvol met elkaar om.
De inwoner geeft de informatie die nodig is.
8.1 Hoe gaan we met elkaar om? 8.1.1 De rol van de gemeente [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb] 1. De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: a. Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk. b. De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek bij de gemeente of bij de inwoner thuis.
c. De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie. d. De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen. e. Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn. f. De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn. g. De gemeente respecteert de privacy van de inwoner. h. De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. i. De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp. 2. De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat niet getolereerd kan worden. De gemeente zorgt voor het volgende: a. De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: 1. zijn rechten en plichten; 2. wat er van hem wordt verwacht; 3. welk gedrag niet wordt geaccepteerd; 4. wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet wordt geaccepteerd; en 5. waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt. b.
De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren. c. De reactie van de gemeente op onacceptabel gedrag past bij: 1. de ernst van het gedrag; 2. de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en 3. de persoonlijke situatie van de inwoner. d. De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner
ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening, als deze gestopt is, zal voortzetten. 8.1.2 De rol van de inwoner [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb] 1. De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende: a. De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn probleem op te lossen. Dit noemen we eigen kracht. b. Als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem. c. De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is. 2. De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende: a. De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend. b. De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner. c.
De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.
8.2 Afspraken en verplichtingen 8.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner. 2. Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met: a. de ernst van het gedrag; b. de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en c. de persoonlijke situatie van de inwoner.
3. Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat op de volgende manier doen:
telefonisch;
schriftelijk;
via e-mail.
4. Het vragen om een mening van de inwoner hoeft niet als zich een situatie voordoet zoals beschreven in artikel 4:11 Awb. 8.2.2 Verjaring [PW, IOAW, IOAZ, Awb] De gemeente verlaagt de uitkering niet als het gedrag van de inwoner meer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden of als het gedrag hem niet te verwijten is.
8.2.3 Ingangsdatum en periode verlaging [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente verlaagt de uitkering met ingang van de kalendermaand na de maand waarin de gemeente het besluit tot verlaging aan de inwoner per brief bekend heeft gemaakt. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald of met een herzienings- of terugvorderingsbesluit. 2. De verlaging wordt voor een bepaalde tijd opgelegd. 3. In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging bij nieuwe uitkeringen opgelegd met ingang van de ingangsdatum van de uitkering. 4. Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. Dan zal de gemeente het overgebleven deel van de verlaging alsnog opleggen als de inwoner binnen 6 maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen. 8.2.4 Berekening verlaging [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner. 2. Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner.
8.2.5 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen [PW, Awb]
De gemeente verlaagt de uitkering één maand als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet voldoende nakomt. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm.
8.2.6 Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering één maand met 50% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag: a. het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak; b. het niet voldoende meewerken aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet; c. het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie; d. van de alleenstaande ouder, waarvan de onthe ing als bedoeld in artikel 9a, derde lid van de Participatiewet is ingetrokken: als de alleenstaande ouder uit houding en gedrag laat blijken geen gebruik te maken van een voorziening die de kans op werk vergroot. 2. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering één maand met 100% van de uitkeringsnorm als de inwoner onvoldoende probeert werk te vinden. 3. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering één maand met 50% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: a. het niet voldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening; b. het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken; c. het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie; d.
van de alleenstaande ouder, waarvan de onthe ing als bedoeld in artikel 9a, derde lid van de Participatiewet is ingetrokken: als de alleenstaande ouder uit houding en gedrag laat blijken geen gebruik te maken van een voorziening die de kans op werk vergroot. 4. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering één maand met 100% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: a. het niet voldoende proberen werk te vinden;
b. het niet aannemen van aangeboden werk; c. het niet behouden van werk. 5. Als de gemeente de IOAW- of IOAZ-uitkering tijdelijk of blijvend kan weigeren omdat de inwoner verwijtbaar werkloos is, dan wordt de uitkering niet met toepassing van het vierde lid verlaagd, maar tijdelijk of blijvend geweigerd. Het bedrag van de weigering is even hoog als het inkomen dat de inwoner zou hebben kunnen ontvangen als hij niet verwijtbaar werkloos was geworden of gebleven. 8.2.7 Stoppen verlaging [PW, Awb, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan de verlaging stoppen (niet uitvoeren) als uit houding en gedrag van de inwoner overduidelijk blijkt dat hij alsnog de verplichtingen nakomt. 2. De inwoner moet de gemeente zelf vragen om de verlaging te stoppen. Hij moet de vraag indienen binnen 14 dagen nadat het besluit om de uitkering te verlagen is genomen. 3. De gemeente neemt uiterlijk op de datum waarop de opgelegde verlaging eindigt een nieuw besluit op de vraag van de inwoner om de verlaging te stoppen. 8.2.8 Te weinig besef van verantwoordelijkheid [PW, Awb] 1. Als er sprake is van onverantwoord snel besteden van het vermogen wordt een verlaging van 20% van de toepasselijke bijstandsnorm opgelegd voor de periode dat eerder of langer uitkering is verstrekt dan redelijkerwijs nodig zou zijn geweest, met een maximum van 24 maanden. 2.
In overige gevallen wordt een verlaging wegens te weinig besef van verantwoordelijkheid voor zijn eigen levensonderhoud als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet afgestemd op het nadeel, uitgedrukt in een bedrag, voor de gemeente. 3. De verlaging op basis van het tweede lid wordt vastgesteld op: a. 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een nadeel voor de gemeente tot € 2000,-; b. 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een nadeel voor de gemeente vanaf € 2000,- tot € 4000,-; c. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een nadeel voor de gemeente vanaf € 4000,-. 4. De verlaging wordt vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand als er sprake is van door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid in de periode voorafgaand aan de bijstand.
5. In combinatie met de verlaging van het vierde lid is het mogelijk om bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken op grond van artikel 48, tweede lid onder b van de Participatiewet. 8.2.9 Zeer ernstig misdragen [PW, IOAW, IOAZ, Awb] De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt één maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm.
8.2.10 Niet nakomen van andere verplichtingen [PW, Awb] 1. De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet voldoende nakomt. 2. De verlaging is 20% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om: a. verplichtingen die gericht zijn op werk; b. verplichtingen in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt; 3. De verlaging is 50% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die zijn gericht op vermindering van de bijstand. 4. De verlaging is 100% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand. 8.2.11 Samenloop van gedragingen [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging. De grootste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan, en ook de duur die bij die verlaging hoort. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, dan wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd. 3.
Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, of een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, dan wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, of een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, dan wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij de omstandigheden van de inwoner naar het oordeel van de gemeente aanleiding zijn om de verlagingen op te leggen in achtereenvolgende maanden. 8.2.12 Herhaling (recidive) [PW, IOAW, IOAZ, Awb] De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de gemeente de eerdere verlaging vanwege dringende redenen van de inwoner heeft gewijzigd in € 0,-. Een verlaging op grond van artikel 8.2.5 kan maximaal 3 maanden worden toegepast.
8.2.13 Uitkeringsgerechtigden boven de pensioengerechtigde leeftijd met een uitkering via de SVB Als een inwoner een uitkering op grond van Participatiewet ontvangt van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) dan zijn de vorige artikelen niet van toepassing, maar is het maatregelenbeleid van de SVB van toepassing.
8.3 Terugvorderen uitkering Terugvordering en incasso [PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet] 1. De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet. De gemeente vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner. 2. Bij een klein bedrag kan de gemeente besluiten om dit niet terug te vorderen, als dit te veel tijd en geld kost. 3. Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoners een inkomen blijven houden dat past bij hun persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan of hoger dan de beslagvrije voet. 4. De gemeente stelt nadere regels vast over terugvordering en incasso.
8.4 Beëindigen en terugvorderen voorziening 8.4.1 Beëindiging voorziening [Jeugdwet, Wmo, Wgs, Gemeentewet]
1. De gemeente kan een besluit om een voorziening toe te kennen, herzien of intrekken als: a. de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en het verstrekken van de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de voorziening niet langer passend of nodig is; c. de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden; d. de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening; e. de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; f. het om een pgb gaat en het pgb niet binnen zes maanden na uitbetaling is gebruikt om een voorziening te betalen waarvoor het pgb is toegekend. 2. De gemeente kan een besluit om Wmo-hulp toe te kennen intrekken als de inwoner langer dan 13 weken verblijft in een Wlz-instelling of een instelling in het kader van de Zorgverzekeringswet. 8.4.2 Terugvordering voorziening [Wmo, Burgerlijk Wetboek, Gemeentewet] 1. Als de gemeente een besluit om een voorziening toe te kennen heeft ingetrokken omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan kan de gemeente de geldwaarde van de voorziening die ten onrechte is verstrekt, vorderen van de inwoner. 2.
Als de gemeente een besluit om een voorziening toe te kennen heeft ingetrokken, dan kan deze voorziening van de inwoner worden teruggevorderd als het om een product gaat dat in eigendom of in bruikleen is verstrekt. 3. Als de gemeente een besluit om een voorziening toe te kennen heeft ingetrokken, kan het ten onrechte betaalde pgb teruggevorderd worden. 8.4.3 Opschorten pgb [Jeugdwet, Wmo] De gemeente kan aan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als: a. de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;
b. de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die hoorden bij het ontvangen van het pgb; of c. de inwoner het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt.
8.5 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen? 8.5.1 Uitgangspunten [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet] Om de doelen van de wetten te bereiken, is het belangrijk, dat inwoners hun verplichtingen nakomen en dat de gemeente inwoners daarbij helpt. De gemeente doet dat door: a. professionele dienstverlening en een passende administratieve organisatie; b. begrijpelijke informatie aan de inwoner te geven over rechten en plichten; c. procedures zo in te richten, dat de kans op fraude wordt beperkt; d. inwoners met een bijstandsuitkering op een passende manier te begeleiden op weg naar betaald of onbetaald werk; e. samen te werken met andere organisaties, zoals UWV, maatschappelijke organisaties en andere gemeenten; f. inwoners die hun verplichtingen niet nakomen op een passende manier te sanctioneren. 8.5.2 Controle [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van: a. Huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet; b.
Heimelijke waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek of camera-observaties; c. Bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten; d. Signalen en tips van organisaties of particulieren; e. Andere passende onderzoeksmethoden.
2. De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt. 3. Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd. 4. Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt. 8.5.3 Voorkomen van fraude [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ] De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
8.5.4 Uitvoeringsplan en beleidsverslag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente legt in een uitvoeringsplan vast hoe de gemeente fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving). 2. In het uitvoeringsplan staat in ieder geval: a. wat de gemeente doet om fraude te voorkomen; b. wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting); c. welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en d. hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan. 3. De gemeente stelt na afloop van de periode waarvoor het uitvoeringsplan is bedoeld, een beleidsverslag vast. Daarin beschrijft de gemeente of de gestelde doelen voor dat jaar zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd. 8.5.5 Privacy [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op. Het gaat in ieder geval om protocollen voor de inzet van: a. Huisbezoeken. b. Buurtonderzoeken.
De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De gemeente maakt de protocollen openbaar. 2. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. 8.5.6 Gegevensverwerking [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ] De gemeente verwerkt alleen de persoonsgegevens die nodig zijn voor het bieden van ondersteuning of het inzetten van voorzieningen als bedoeld in deze verordening.
8.5.7 Toezichthouders [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Awb] De gemeente wijst een of meer ambtenaren aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
6. Vrijlating giften 1. Een gift is geld, een goed of een dienst welke een inwoner ontvangt en waarbij geen sprake is van een tegenprestatie, wederdienst of verplichting.
2. Giften tot het bedrag van € 1.800 per kalenderjaar worden vrijgelaten.
3. Voor giften geldt een meldingsplicht.
Hoofdstuk 9. Kwaliteit en aanbesteding
De diensten en producten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk en goed bruikbaar zijn. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten.
Kernwaarden:
Diensten en producten van de gemeente zijn kwalitatief goed en passend bij de behoefte van de inwoner.
De gemeente handelt professioneel en heeft oog voor de belangen van de inwoner.
We stemmen de hulp af op de inwoner.
De gemeente werkt e iciënt en doelgericht.
9.1 Kwaliteit [Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet] 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Dat betekent dat de maatwerkvoorziening: a. is afgestemd op de persoonlijke situatie van de inwoner; b. is afgestemd op andere vormen van ondersteuning en zorg; c. wordt geleverd door beroepskrachten die voldoen aan de professionele standaard; d. wordt geleverd door personen die beschikken over de competenties en vaardigheden die nodig zijn om de gevraagde dienstverlening uit te voeren; e. veilig, doeltre end, doelmatig en klantgericht wordt gerealiseerd; f. beantwoordt aan de stand van wetenschap en praktijk voor zover dit noodzakelijk of gebruikelijk is in de kring van beroepsgenoten en voortvloeiend uit de professionele standaard; g. voldoet aan alle kwaliteitseisen die voortvloeien uit de van toepassing zijnde weten regelgeving en dat de aanbieder dit ook controleerbaar maakt voor de gemeente. 2. De gemeente kan nadere regels vaststellen over welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3. De gemeente controleert of deze kwaliteitseisen door leveranciers worden nageleefd. 9.2 Inkoop en aanbesteding [Wmo] 1.
Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt de gemeente vast:
a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i.
een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en
ii.
de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.
2. De gemeente stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. De gemeente baseert de vaste prijs of de reële prijs, als bedoeld in het eerste lid, op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Hoofdstuk 10: Van oud naar nieuw
In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog goed werkt, wat de o iciële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.
Kernwaarden:
De gemeente handelt professioneel en heeft oog voor de belangen van de inwoners.
De gemeente werkt e iciënt en doelgericht.
De hulp wordt afgestemd op de inwoner.
10.1 Onderzoek naar de werking van de verordening [Gemeentewet] 1. De gemeente onderzoekt met enige regelmaat of de verordening voldoende bijdraagt aan de doelen die de gemeente wil bereiken. Om dat te kunnen nagaan verzamelt de gemeente systematisch informatie over alles wat van belang is om tot een goede evaluatie te komen. De gemeente houdt zich daarbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). 2. De gemeenteraad bespreekt een verslag van dit onderzoek en past de verordening aan als dat nodig is. 10.2 Uitvoeringsregels [Gemeentewet] De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet.
10.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) [Gemeentewet] 1. De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die bepaling een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald. 2. De gemeente kan, buiten de toepassing van deze verordening, maatwerk bieden om het gewenste resultaat voor de inwoner te realiseren. 10.4 Intrekken oude verordeningen [Gemeentewet] De Verordening Sociaal Domein 2024 Boxtel wordt ingetrokken per 1-1-2025.
10.5 Overgangsrecht [Gemeentewet]
1. Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft na 1 januari 2025 doorlopen. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen. 2. Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór 1 januari 2025 en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. 3. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór 1 januari 2025 geldt dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe. 10.6 Ingangsdatum en naam [Gemeentewet] 1. Deze verordening wordt genoemd: Gewijzigde Verordening Sociaal Domein 2024 gemeente Boxtel. 2. Deze verordening treedt in werking op de dag nadat deze op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, en werkt terug tot en met 1 januari 2025. Hoofdstuk 11: Begrippenlijst
In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst?
Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is.
Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik.
Ook staan er voor de duidelijkheid ook enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.
Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven.
Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor personen met een beperking én daadwerkelijk beschikbaar is én een passende bijdrage
aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie levert én financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.
Andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan een maatwerkvoorziening van deze verordening. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen.
Arbeidsinschakeling: aan het werk (kunnen) gaan.
Arbeidsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de arbeidsinschakeling of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet.