Verordeningen en regelingen gemeenteraad Boxtel - Bijlage 4 - Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2024 (1359143)
Tekst van het document
Verordening rechtspositie Raads-
en commissieleden gemeente Boxtel 2024
De raad van de gemeente Boxtel
gelezen het voorstel van het presidium van 24 september 2024;
gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97, 98, 99 van de Gemeentewet en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;
besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Boxtel 2024.
Artikel 1. Definitiebepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd.
b. steunfractielid: commissielid als bedoeld in artikel 82 van de Gemeentewet. c. griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet. d. raadslid: lid van de gemeenteraad. e. wet: Gemeentewet.
Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden De vergoeding voor de werkzaamheden als, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers wordt aan de raadsleden toegekend ongeacht het aantal gehouden of bijgewoonde vergaderingen.
Artikel 3. Steunfractieleden 1. Elke fractie heeft de mogelijkheid om maximaal 3 steunfractieleden aan te wijzen.
2. De artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing op steunfractieleden.
3. De steunfractieleden worden door de eigen fractie benoemd. De fractie controleert of de kandidaat voldoet aan de benoembaarheidseisen.
4. De steunfractieleden worden door de fracties aangemeld bij de griffie die hiervan een lijst bijhoudt. Het presidium wordt door de griffie op de hoogte gesteld van wisselingen.
5. De steunfractieleden worden voor de duur van de raadsperiode benoemd. 6. Het lidmaatschap van het steunfractielid eindigt als niet meer wordt voldaan aan de in artikel 3 lid 2 gestelde eisen, bij opzegging door het steunfractielid of bij opzegging door de voorzitter van de fractie die het steunfractielid heeft voorgedragen.
7. Het lidmaatschap van de steunfractieleden benoemd op voordracht van een
fractie die niet langer vertegenwoordigd is in de raad, vervalt van rechtswege.
8. De steunfractieleden krijgen een vergoeding per bijgewoonde In-gespreksavond conform artikel 3.4.1. van het rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
Artikel 4. Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissie 1. Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet wordt voor de duur van de activiteiten van die
commissie ten laste van de gemeente een toelage toegekend van €139,90 per maand.
2. Een raadslid dat lid is van een bijzondere commissie als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers wordt voor de duur van de activiteiten van de commissie een toelage toegekend van € 139,90 per maand.
Artikel 5. Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden 1. Voor reizen als bedoeld in artikel 3.1 van de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers en artikel 3.1.7 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers worden aan een raads- of commissielid vergoed: a. de kosten voor het gebruik van openbaar vervoer;
b. bij gebruik van een eigen vervoersmiddel het maximumbedrag dat door
een werkgever aan een werknemer per afgelegde kilometer onbelast kan worden verstrekt alsmede de parkeer- of stallingskosten, veerkosten en tolkosten;
2. Boetes en naheffingsaanslagen voor parkeren worden niet vergoed. 3. Als een raadslid of commissielid een functionele beperking heeft, kan een voor
de beperking geschikte vervoersvoorziening worden vergoed of ter beschikking worden gesteld.
4. De noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte werkelijke verblijfkosten die een raadslid of commissielid maakt in verband met reizen, gemaakt voor de uitoefening van de functie, worden ten laste van de gemeente vergoed.
Artikel 6. Verzekering raadsleden voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden Vervallen.
Artikel 7. Loopbaanoriëntatie raadsleden Vervallen.
Artikel 8. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden 1. Een raads- of commissielid dat wil deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van zijn functie als bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daartoe vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier.
2. Deze aanvraag gaat vergezeld van stukken met inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie.
3. De raad beslist op de aanvraag op basis van de overlegde stukken.
Artikel 9. Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak
Een commissielid wordt een vergoeding toegekend van 110% van de vergoeding waarop hij overeenkomstig artikel 3.4.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers aanspraak op maakt als:
a. het commissielid op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken en/of
b. het commissielid een vergoeding ontvangt die niet geacht kan worden in een
redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en/of de omvang van de door hem te verrichten arbeid.
Artikel 10. Informatie- en communicatievoorzieningen raads- en commissieleden 1. Een raads- of commissielid tekent een bruikleenovereenkomst wanneer hem ten laste van de gemeente voor de duur van de uitoefening van zijn functie
informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking worden gesteld bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.
2. Een raads- of commissielid levert na beëindiging van zijn functie de ter
beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de
gemeente. Overname van de informatie – en communicatievoorzieningen na schoning is mogelijk tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer.
Artikel 11. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel 1. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
2. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen,
tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.
Artikel 12. Betaling vaste vergoedingen Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de
Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers maandelijks plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering.
Artikel 13. Betaling en declaratie van onkosten 1. Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de
Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door:
a. betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur;
b. betaling vooruit uit eigen middelen. 2. Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om
bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.
3. Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen 30 dagen na
factuurdatum of betaling door raads- of commissieleden ingediend bij de griffier.
4. Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan
raads- of commissieleden binnen 30 dagen na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt.
Artikel 14. Intrekking oude verordening De Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden gemeente Boxtel 2019 wordt ingetrokken.
Artikel 15. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van het Gemeenteblad waarin deze verordening wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2024.
Artikel 16. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Boxtel 2024.
Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 15 oktober 2024
De gemeenteraad van Boxtel, de griffier,
de voorzitter,
I.H.M. Smits
R.S. van Meygaarden
Toelichting Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Boxtel 2024
ALGEMEEN DEEL
Wettelijke regelingen In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de
Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van raads- en commissieleden alsmede de financiële voorzieningen moet worden geregeld bij of
krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nadere regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt.
Hoofdlijnen gemeentelijke verordening In deze verordening zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
raadsleden en leden van gemeentelijke commissies zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de
Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniseringsen harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018), betreffende de
rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er wederom een
aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De overweging hierbij is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen,
tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast te leggen om
politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke regelingen af te wijken. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening.
Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang.
In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, ontvangen de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie
(in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen
en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Deze verordening vormt een (nadere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.
De arbeidsverhoudingen en fiscale positie Raadsleden en commissieleden hebben geen dienstbetrekking bij de gemeente. De
gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het
betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar
Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen
raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en
commissieleden opteren voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst.
Als de raads- en commissieleden en gemeente niet kiezen voor het fictief
werknemerschap, dan geldt dat de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als
inkomsten moeten worden verantwoord en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten
verantwoorden in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst door te geven middels een
formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden
gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan ook geen VAR-verklaring / Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente.
De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is niet van toepassing op raads- en commissieleden.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden
De hoogte van de raadsvergoeding is verplichtend bepaald op een vast bedrag per inwonersklasse. Vanaf de dag van beëdiging hebben de raadsleden recht op de
vergoedingen die verbonden zijn aan hun functie. Wat betreft de vergoeding voor de werkzaamheden is dit geregeld in artikel 3.1.1, eerste lid. De gemeenteraad kan op
grond van het vierde lid van artikel 3.1.1 bij verordening bepalen dat een deel van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitbetaald als presentiegeld. Het gaat om
maximaal 20% van de vergoeding. In een dergelijke verordening mag geen onderscheid worden gemaakt tussen de raadsleden: een presentievergoeding geldt dan voor alle
raadsleden. Deze bepaling kan bijvoorbeeld worden benut bij spookleden. Spookleden zijn volksvertegenwoordigers die wel zijn gekozen, maar die niet of nauwelijks
aanwezig zijn bij de vergaderingen of activiteiten van de desbetreffende gemeenteraad. Het raadslid kan de vergoeding niet weigeren en de gemeente is verplicht de
raadsvergoeding aan het raadslid over te maken op zijn of haar bankrekeningnummer. Het raadslid mag zelf (een deel van) de raadsvergoeding afdragen aan de politieke
partij, maar is in beginsel juridisch niet verplicht mee te werken aan een overdracht van (een deel van) zijn of haar raadsvergoeding. Een akte van cessie waarbij de
raadsvergoeding direct aan een politieke groepering wordt overgemaakt is juridisch
niet toegestaan. De reden hiervoor is dat het raadslid een onafhankelijke positie heeft en niet financieel afhankelijk mag zijn van de politieke groepering.
Artikel 3. Steunfractieleden Een steunfractielid wordt benoemd door de eigen fractie en kan deelnemen aan Ingespreksavonden, informatie-/uitwisselingsbijeenkomsten en trainingen van de raad. Het aantal steunfractieleden per fractie wordt gemaximeerd op 3 per fractie. In het
rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers staat dat een steunfractielid lid
is van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de wet en niet tevens raadslid is. In die hoedanigheid ontstaat recht op een vergoeding per bijgewoonde commissievergadering. De In-gespreksavonden vallen onder de
commissievergaderingen volgens artikel 82 van de wet. Ook krijgen steunfractieleden
toegang tot alle stukken, informatie- en communicatievoorzieningen en ondersteuning.
Artikel 4. Toelage lid onderzoekscommissie [en bijzondere commissie] van raadsleden Dit artikel betreft de toelagen voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Hiermee wordt gedoeld op de vertrouwenscommissie en de
onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet specifiek zijn omschreven. De
vaststelling dat er sprake is van een dergelijke bijzondere commissie, met deze
financiële gevolgen, moet bij verordening plaatsvinden. Daarbij moet gemotiveerd
worden dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk meerwerk is naast het
reguliere lidmaatschap van de gemeenteraad. Voor de hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde twee zware commissies wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de vertrouwenscommissie en anderzijds de onderzoekscommissie. Wat betreft de hoogte van de toelagen voor het lidmaatschap van de
vertrouwenscommissie geldt een vast (belast) bedrag van € 139,90 per maand. Voor de hoogte van de toelage voor het lidmaatschap van een bijzondere commissie geldt een
bedrag van maximaal € 139,90 per maand. Het bedrag wordt naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief,
ontvangen de leden geen toelage: niet de duur van het lidmaatschap is van belang, maar de duur van de activiteiten.
Voor Boxtel geldt dat de werkgeverscommissie voldoet aan de criteria van bijzondere
commissie. Het presidium heeft in 2019 aangegeven geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid een toelage toe te kennen aan deze commissie.
Artikel 5. Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden voor reizen In deze bepaling is bij verordening geregeld dat raads- en commissieleden een vergoeding van de reis- en verblijfkosten kunnen krijgen. Daaronder kunnen ook de
buitenlandse dienstreizen worden geschaard. De naar redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten voor dienstreizen in het buitenland, die door of vanwege de gemeente zijn georganiseerd komen ook voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding voor
noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is niet nader ingevuld en is een lokale aangelegenheid per gemeente. Omdat in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers verder geen eigen vergoedingsregeling is opgenomen, kan aansluiting worden gezocht bij de vergoedingsregelingen voor wethouders.
Artikel 6. Verzekering raadsleden voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden Raadsleden zijn vaak een significant deel van de werkweek voor de gemeenteraad bezig en kunnen daardoor vaak in hun hoofdfunctie minder pensioen opbouwen. Raadsleden hebben bovendien niet allemaal een hoofdfunctie in loondienst. In artikelen 3.1.9 is
daarom de grondslag gecreëerd om bij verordening te bepalen dat de raadsleden een
bedrag per jaar ontvangen ter hoogte van één maandbedrag van hun vergoeding voor
de werkzaamheden, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.
Het presidium heeft eerder aangegeven van deze mogelijkheid geen gebruik te willen maken. Daarmee komt dit artikel te vervallen.
Artikel 7. Loopbaanoriëntatie raadsleden Niet alle gemeenten hebben in dezelfde mate behoefte aan deze regeling. De grondslag voor deze regeling is daarom nog niet ingevoerd voor alle volksvertegenwoordigers,
maar alleen voor raadsleden van gemeenten groter dan 100.000 inwoners (artikel 3.1.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers). Dit artikel is dus niet van toepassing voor de gemeente Boxtel.
Artikel 8. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden Voor raads- en commissieleden is expliciet bepaald dat de kosten voor niet-
partijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht van de gemeente. Partijpolitieke
scholing komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer
scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is.
Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is
functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij
geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij.
Overigens kan de gemeente ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die lasten komen ten laste van de gemeente.
Er is ruimte voor lokale accenten. Op grond van het tweede lid kan de raad nadere
regels stellen voor de scholing van zijn leden. Deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld in een scholingsplan komen te staan. In dit plan kunnen procedureregels voor
individuele scholingsverzoeken worden opgenomen als ook regels over de hoogte van
de tegemoetkoming. Dit plan kan vervolgens als handvat dienen bij toetsing van individuele scholingsaanvragen. Het beoordelen van en/of fiatteren van scholingsaanvragen kan worden gemandateerd aan de griffier.
Artikel 9. Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak
De hoogte van de vergoeding voor leden van gemeentelijke commissies, die zijn
ingesteld op basis van artikel 82, 83 en 84 van de Gemeentewet zijn imperatief bepaald op een vast bedrag per inwonersklasse voor elke bijgewoonde vergadering van de
commissie. In bepaalde gevallen, zoals bij bijzondere deskundigheid en/of zwaarte
van de taak in de commissie, is het mogelijk om een hoger bedrag aan vergoeding per
vergadering toe te kennen dan bepaald in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het kan bijvoorbeeld gaan om een raadscommissie met een bijzondere opdracht die een hogere belasting kent voor één of meerdere commissieleden. Door het verordeningsvereiste kan op lokaal niveau een algemene en politieke afweging worden gemaakt.
Artikel 10. Informatie- en communicatievoorzieningen Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een
raadslid voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatieen communicatievoorzieningen ter beschikking. Ook commissieleden kunnen
aanspraak maken op ICT-middelen op grond van art. 3.4.4 Rechtspositiebesluit
decentrale politieke ambtsdragers. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone een computer en de daarbij behorende
(internet)abonnementen. Er mag slechts een één computer verstrekt worden. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer.
De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de
politieke ambtsdrager omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale
gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. Dit geeft de gemeente ook de mogelijkheid om dit ICT-middel te schonen.
Als het middel is geschoond, dan is het aan de gemeente of het dit desbetreffende ICTmiddel wil hergebruiken. Als dat niet zo is, dan kan de gemeente ambtsdragers de
mogelijkheid bieden het ICT-middel over te nemen. Dit overnemen is dus geen recht
van de ambtsdrager maar het gevolg van een keuze van de gemeente. In dit geval is er bereidheid het ICT-middel af te stoten. Een circulaire vereist in dat geval dat de
gemeente ervoor zorgt dat het ICT-middel door of namens de gemeente is geschoond met speciale software (conform Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO)).1 Verder dient de politieke ambtsdrager voor het overnemen van het ICT-middel op grond van de circulaire een vergoeding te betalen. Deze vergoeding dient gelijk te zijn aan de resterende waarde van het ICT-middel in het economisch verkeer.
Artikel 11. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de
Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze
door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de
financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt. Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot 1,2% fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen.
Artikel 12. Betaling vaste vergoedingen & artikel 13. Betaling en declaratie van onkosten
Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald moeten worden aan raads- en
commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kunnen deze artikelen uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de
gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt waarmee raads- en commissieleden gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Raads- en
1 Circulaire “overname ICT na ambtstermijn decentrale politieke ambtsdragers” 2022-0000173050, 29 maart 2022.
commissieleden declareren in beginsel hun kosten bij de griffier. Het vereiste om
bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.2
Stcrt. 7 december
2 Circulaire Introductie bij gemeenten van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (
2018, 68918) p.8.