Vaststelling bp Nieuwstraat Liempde, Bijlage 3 Bijlagenboek
Tekst van het document
De grondmonsters worden in het laboratorium gemengd. Alleen monsters met een zintuiglijk grote vergelijkbaarheid worden gemengd, waardoor het risico van verdunning van een eventuele verontreiniging geminimaliseerd wordt. De (meng)monsters van de bovengrond worden behandeld met florisil. Hiermee wordt een storend effect van mogelijk aanwezige humuszuur- en PAK-achtige verbindingen op de analyse van minerale olie geminimaliseerd. De (meng)monsters van de ondergrond worden niet onderzocht op de aanwezigheid van vluchtige aromatische en vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen indien deze stoffen in het grondwater worden bepaald.
Zowel van de boven- als van de ondergrond wordt een representatief grond(meng)monster geselecteerd waarvan het lutum- en organische stofgehalte in het laboratorium wordt bepaald. Deze gehalten worden gehanteerd bij de bepaling van de streef- en interventiewaarden van bovengenoemde parameters. Bij de analyses wordt gebruik gemaakt van de methoden zoals beschreven in de Nederlandse Normen en Praktijkrichtlijnen waaronder de BRL 2000 en AS3000
Bijlage 2 Inventariserend en veldonderzoek
Bestemmingsplan "Nieuwstraat" (vastgesteld)
53
Nieuwstraat (ong.) Liempde (gemeente Boxtel) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)
Rapport 348
N. de Vries, M. Soldaat & G. Aalbersberg
Liempde, Nieuwstraat (ong.), gemeente Boxtel Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O)
N. de Vries, M. Soldaat & G. Aalbersberg
Rapport 348
Colofon Liempde, Nieuwstraat (ong.), gemeente Boxtel Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO-O)
Een onderzoek in opdracht van BRO
Salisbury Archeologisch Rapport 348
N. de Vries, M. Soldaat & G. Aalbersberg
Beheer en plaats van documentatie Salisbury Archeologie b.v.
Versie 2.1, 6 april 2020 (concept)
Autorisatie — A.M. Bakker (Senior KNA-prospector)
Status bevoegd gezag—
SalisburyArcheologie bv Vestiging Noord-Nederland Vaart z.z. 7a 9401 GE Assen 085-3031540 www.salisburybv.nl info@salisburybv.nl
ISSN 2468-4538
(Gemeentelijk archeoloog)
Inhoud Inhoud
6
Administratieve gegevens
7
Locatiegegevens
8
Samenvatting resultaten
9
1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding voor het onderzoek Onderzoekskader Huidige en toekomstige situatie op de onderzoekslocatie Begrenzing onderzoeks- en plangebied Doel van het onderzoek Onderzoeksvragen
11 11 12 13 13 13
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Bureauonderzoek Gebruikte bronnen Aardwetenschappelijke gegevens Bekende archeologische waarden Historische waarden / bouwhistorisch onderzoek Bekende verstoringen Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel en advies
15 15 15 18 23 23 23
3.1 3.2
Resultaten veldonderzoek Beschrijving onderzoeksmethode Beschrijving onderzoeksresultaten
25 25 25
4.1 4.2 4.3
Conclusie en aanbevelingen Conclusies Beantwoording onderzoeksvragen Selectieadvies
27 27 27 28
2
3
4
Literatuur
29
Lijst van afbeeldingen
30
Lijst van tabellen
30
Lijst van bijlagen
30
Bijlage 1
31
Boorbeschrijvingen
Administratieve gegevens Projectnaam
Nieuwstraat (ong.) Liempde
Projectcode
20202734
Type onderzoek
Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend veldonderzoek (IVO-O)
OM-nummer
4813339100
Projectleider
N. de Vries Senior KNA Archeoloog
Contact
T: 085-3031540 M: 06-28378928 E: nynke.de.vries@salisburybv.nl
Opdrachtgever
BRO
Contact
N. van der Heijden Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T: (0)6 148 793 74 E: n.van.der.heijden@bro.nl
Bevoegde overheid
Gemeente Boxtel Markt 1 5281 AT Boxtel T: 0411-655911
Uitvoering onderzoek
maart en april 2019
Beheer en locatie documentatie
Salisbury Archeologie b.v. en e-depot
Illustraties
Auteur(s) tenzij anders vermeld
Medewerkers
N. de Vries
Salisbury Archeologie BV
27721491
M. Soldaat
Salisbury Archeologie BV
35497661
7
Locatiegegevens Projectnaam
Nieuwstraat (ong.) Liempde
Plaats
Liempde
Gemeente
Boxtel
Provincie
Noord-Brabant
Kaartblad
51B
Kadastrale gegevens
LDE02- E-2995
Centrumcoördinaten
153.994 / 397.842
Oppervlakte
Circa 882 m2
NAP-hoogte maaiveld
Circa 9,5 m +NAP
8
Samenvatting resultaten Aanleiding
Bestemmingsplanwijziging tbv nieuwbouw appartementen
Vraagstelling
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten? Welke consequenties zal voortgaande planuitvoering op de archeologische resten kunnen hebben? Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan dit bestaan?
Plangebied
zie afb. 1
Aardwetenschappelijke gegevens
Het plangebied ligt in het Brabantse zandgebied. Op de geomorfologische kaart is het plangebied gekarteerd als bebouwd gebied. Buiten de bebouwde kom staat een dekzandrug met of zonder oud bouwanddek weergegeven. Op het Actueel Hoogtebestand Nederland is te zien dat het plangebied op een dekzandrug langs een lager gelegen beekdal ligt.
Bekende archeologische waarden
Uit onderzoeken in de omgeving van het plangebied blijkt dat er veelal sprake is van een esdek op dekzand. De datering van het esdek is Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd.
Historische waarden
Vanaf vermoedelijk de twaalfde en dertiende eeuw zijn er gehuchten langs het dal van de Dommel ontstaan. Rond de bouwlanden ontwikkelde zich vervolgens een zogenaamd kransakkerdorp. In de zeventiende eeuw werden zes gehuchten onderscheiden in het dorp Liempde, namelijk De Bergh, Heselaar, Coestraat, Looyend, Vrillikhoven en Casteren. Bij het kruispunt van wegen tussen de gehuchten ontwikkelde zich in de loop van de tijd de huidige dorpskern. Op historische kaarten is het plangebied altijd onbebouwd, op bebouwing op aangrenzende perceel daargelaten. Het plangebied lijkt altijd als achtergebied bij bebouwing aan de Dorpsstraat of als bouwland in gebruik te zijn geweest.
Verwachting
Op basis van het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat in het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor de top van de pleistocene zandafzettingen, onder het esdek op circa 80-100 cm -mv. Hierin kunnen resten worden aangetroffen vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kunnen vooral resten worden verwacht die samenhangen met een mobiele leefwijze, zoals kort bewoonde kampjes. Vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen worden vooral resten verwacht die te maken hebben met een sedentaire leefwijze, bijvoorbeeld huizen, resten van agrarische activiteit en begravingsrituelen. Voor de periode Volle Middeleeuwen – Nieuwe tijd kunnen de resten in het esdek aanwezig zijn. Dit esdek dekt de oudere resten af. De resten kunnen bestaan uit sporen van landinrichting, akkerbouw en losse vondsten. Sporen van bebouwing worden niet verwacht op basis van de historische kaarten. Eventuele verstoring zal waarschijnlijk beperkt zijn tot de bovenste laag van het esdek. Vondsten en sporen kunnen worden verwacht vanaf maaiveld. De omvang van de mogelijk aanwezige archeologisch resten varieert sterk. Kampementen hebben over het algemeen een geringe omvang, terwijl nederzettingen vaak uit één of meerdere huizen bestaan.
Methode veldonderzoek
Er is een verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied, waarbij 6 boringen regelmatig verspreid over het plangebied zijn gezet. Alle boringen zijn gezet met een edelmanboor (7 cm Ø) tot een diepte van 0,75 – 1,25 m beneden maaiveld. De posities van de boringen zijn ingemeten met behulp van een meetlint ten opzichte van de bebouwing; de maaiveldhoogtes zijn bepaald aan de hand van het AHN3. Het opgeboorde materiaal is met de hand onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De boringen zijn beschreven 9
conform de NEN 5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB 2.0). De boringen zijn digitaal beschreven. Resultaten veldonderzoek
Tijdens het veldwerk is een bodemopbouw aangetroffen van esdek op dekzand. Slechts in één van de boringen is een restant van een B-horizont aangetroffen, in de overige boringen ligt het esdek direct op de C-horizont van het dekzand. De onderste 5 cm van het esdek laten tekenen van verploeging zien. De top van het dekzand is niet meer intact in het plangebied aanwezig. Deze is bij de aanleg van het esdek en door verploeging verstoord geraakt. Een vondstlaag uit de periodes Laat-Paleolithicum t/m Vroege Middeleeuwen wordt daarom niet meer in het plangebied verwacht. De relatief ondiepe sporen uit het Laat-PaleolithicumMesolithicum zullen vermoedelijk ook niet meer in het plangebied aanwezig zijn. Voor deze periodes wordt de archeologische verwachting bijgesteld naar laag. Dieper ingesneden sporen uit de periodes Neolithicum – Nieuwe tijd kunnen wel nog in het plangebied aanwezig zijn. In één van de boringen is een mogelijk spoor aangetroffen tot op 1 m beneden maaiveld, met een vermoedelijke datering tussen de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De hoge verwachting voor archeologische resten uit de periodes Neolithicum t/m Nieuwe tijd blijft daarom in stand.
Selectieadvies en aanbevelingen
Op basis van de resultaten van het hier gerapporteerde onderzoek adviseert Salisbury Archeologie om in het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren. Onder het aangetroffen esdek is alleen nog sprake van een mogelijk archeologisch sporenniveau. Het booronderzoek heeft aangetoond dat een eventuele vondstlaag is verdwenen door het aanleggen van het plaggendek en daarmee verband houdende landbouwactiviteiten. Aangezien sporen niet met zekerheid opgespoord kunnen worden met een karterend booronderzoek heeft een proefsleuvenonderzoek de voorkeur als vervolgstap binnen de AMZ-cyclus. Het doel van dit proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Het vervolgonderzoek zal moeten aantonen of er sprake is van een vindplaats en de aard, omvang en datering hiervan vaststellen. Vanwege de geringe omvang van het plangebied (ca. 882 m2) wordt geadviseerd om, wanneer er sprake is van een behoudenswaardige vindplaats, in overleg met opdrachtgever en bevoegd gezag door te starten naar een definitieve opgraving om kosten te besparen en de doorlooptijd te verkorten. Met betrekking tot de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Boxtel.
10
1 Aanleiding voor het onderzoek 1.1
Onderzoekskader
In opdracht van BRO heeft Salisbury Archeologie b.v. een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O, verkennende fase) uitgevoerd met betrekking tot het plangebied Nieuwstraat (ong.) in Liempde (gemeente Boxtel, afb. 1). Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Liempde, en is momenteel in gebruik als tuin bij de woning aan de Dorpsstraat. De tuin wordt afgesplitst en er wordt een appartementencomplex gerealiseerd. Hiervoor dient een bestemmingsplanwijziging te worden aangevraagd. Op de beleidskaart van de gemeente Boxtel valt het plangebied geheel binnen een zone met “Archeologie waarde 3”, wat overeenkomt met een hoge archeologische verwachting. In dit gebied dient, voorafgaand aan ingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm -mv, archeologisch onderzoek plaats te vinden.1 De voorgenomen plannen hebben een omvang van in ieder geval 508 m2, waardoor een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1) en het archeologiebeleid van de gemeente Boxtel. Het onderzoek is uitgevoerd in maart en februari 2020.
Afb. 1. Ligging plangebied en globale begrenzing onderzoeksgebied (bron:pdok.nl)
1
Van de Water & Kortlang, 2013.
11
Afb. 2. Uitsnede van de gemeentelijke beleidsadvieskaart (bron: gemeente Boxtel).
1.2
Huidige en toekomstige situatie op de onderzoekslocatie
Op dit moment is het plangebied in gebruik als tuin bij een woning aan de Dorpsstraat. De tuin wordt afgesplitst en in het plangebied wordt een appartementencomplex met fietsenstalling, parkeerplaatsen, en gemeenschappelijke ruimte gerealiseerd. De verstoringsdiepte is nog niet bekend. De te verstoren oppervlakte bedraagt in ieder geval 508 m2.
12
Afb. 3. Voorlopig planontwerp (bron: BRO).
1.3
Begrenzing onderzoeks- en plangebied
begrenzing plangebied In dit rapport wordt een onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Met het plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de plannen van de opdrachtgever betrekking hebben. Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische resten worden verstoord door de voorgenomen ingrepen. begrenzing onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied omvat het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te verkrijgen van de eventueel aanwezige archeologische waarden. Het onderzoeksgebied is veelal groter dan het plangebied en verschilt al naar gelang het te onderzoeken aspect. In dit onderzoek is een straal van circa 500 m rond het plangebied genomen, wat neerkomt op de dorpskern van Liempde.
1.4
Doel van het onderzoek
Het doel van het bureauonderzoek is het verkrijgen van inzicht in bekende en te verwachten archeologische waarden in en in de omgeving (onderzoeksgebied) van het plangebied. Op basis van de verkregen informatie wordt een archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied opgesteld. Hierin wordt beschreven of er archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn in het plangebied, wat de potentiële aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de gespecificeerde verwachting.
1.5
Onderzoeksvragen
Voor het bureau- en inventariserend onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: ▪
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen?
▪
Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten? 13
▪
Welke consequenties zal voortgaande planuitvoering hebben op (eventueel) aanwezige archeologische resten?
▪
In welke mate stemmen de resultaten van het booronderzoek overeen met de verwachtingen uit het bureauonderzoek?
▪
Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan dit bestaan?
14
2 Bureauonderzoek 2.1
Gebruikte bronnen
Voor het bureauonderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: ▪
Actueel hoogtebestand Nederland (AHN, http://www.ahn.nl)
▪
De bodemkaart van Nederland (https://zoeken.cultuureelerfgoed.nl)
▪
De geomorfologische kaart van Nederland (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl)
▪
De archeologische monumentenkaart (AMK: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl)
▪
Provinciaal en/of landelijk beleid
▪
Gemeentelijk beleid
▪
Bonneblad 1900 (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl)
▪
Historisch kaartmateriaal (http://www.topotijdreis.nl)
▪
Google Earth (https://www.google.nl/intl/nl/earth/)
▪
Ondergrondgegevens (https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens)
▪
Verstoringen (http://www.bodemloket.nl)
▪
Kadastrale Minuut (http://zoeken.cultureelerfgoed.nl)
▪
Kadastrale gegevens (https://www.kadaster.nl)
2.2
Aardwetenschappelijke gegevens
De overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9.700 jaar voor Chr.) kenmerkte zich door een sterke klimaatsverbetering. Natuurlijke erosie- en sedimentatieprocessen werden hier door steeds verder ingedamd en beperkten zich tot de actieve rivier- en beekdalen. Het verbeterde klimaat resulteerde in een constantere wateraanvoer en verminderde sedimentlast, waardoor de rivieren en beken veranderden van een vlechtend- in een meanderend systeem met één hoofdgeul. Enkele kilometers ten noorden van de gemeente Boxtel liet de Maas haar invloed gelden en zette riviersedimenten af die de dekzanden afdekken. Verder zuidelijk waren de belangrijkste landschapsvormende waterlopen echter de Dommel en Essche Stroom. Deze beken volgden de smeltwaterdalen die tijdens het Pleistoceen in de lemige sedimenten gevormd waren. In haar dal meanderde de Dommel er lustig op los en zette daarbij op beperkte schaal beekzand en -leem af in de directe omgeving van de stroomgeul. Deze kleinschalige fluviatiele afzettingen behoren tot de Formatie van Boxtel, laagpakket van Singraven.2 De toenemende vernatting en vegetatie in de loop van het Holoceen leidden er ook toe dat in slecht ontwaterde gebieden veengroei plaatsvond. Zo komt plaatselijk in enkele oude meanders van de Dommel veen voor en zijn veel uitblazingsbekkens met veen opgevuld.
Ten noorden van de gemeente Boxtel komt in het dal van de Essche Stroom op vrij uitgebreide schaal veen voor. Het veen wordt evenals de holocene beekafzettingen gerekend tot de Formatie van Boxtel, laagpakket van Singraven. Op de hogere droge delen van het landschap, zoals de dekzandruggen vond bodemvorming plaats. Hoewel de natuurlijke processen in het Holoceen geleidelijk ingeperkt werden, nam de invloed van de mens als vormende factor in het landschap steeds verder toe, met name sinds de introductie van de landbouw. Aanvankelijk werden alleen de vruchtbaarste gronden voor de landbouw gebruikt, maar ook de overige zogenaamde ‘woeste gronden’ vormden een wezenlijk deel van het landbouwkundig systeem. Zij werden onder meer gebruikt om het vee te laten grazen, hout te kappen en plaggen te steken. Met name vanaf de Late Middeleeuwen werd door een steeds intensiever gebruik op den duur het natuurlijk herstelvermogen van de vegetatie op de woeste gronden overschreden.
In dat geval degradeerden bossen tot heidevelden en in het extreemste geval ontstonden kale zandvlakten waar de wind weer vrij spel had op de bodem.3 Als gevolg van de groeiende bevolking waren de middeleeuwse boeren genoodzaakt meer voedsel te produceren en om de vruchtbaarheid van de akkers op peil te houden werden op grote schaal plaggen gestoken en vermengd met mest uit de potstal ter bemesting op de akkers gebracht. Ook dit resulteerde 2 3
Schokker et.al., 2003. Stiboka, 1972.
15
uiteindelijk in een aanpassing van het reliëf, doordat geleidelijk het maaiveld van de akkers werd opgehoogd met een zogenaamd plaggendek (of esdek). De plaggenbemesting en daaraan gerelateerde zandverstuiving gingen door totdat eind 19e eeuw de kunstmest werd uitgevonden. Vanwege de beperkte ouderdom komen in de recente stuifzanden geen of slechts zwak ontwikkelde bodems voor.4 Op de geomorfologische kaart is het plangebied gekarteerd als bebouwd gebied. Exacte gegevens ten aanzien van de geomorfologie zijn niet beschikbaar. Buiten de bebouwde kom ligt een dekzandrug met of zonder oud landbouwdek. Deze kan geëxtrapoleerd worden naar het plangebied. Het plangebied lijkt dan ook te liggen op een dekzandrug met of zonder landbouwdek (kaartcode 3K14, afb. 4). Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is te zien dat het plangebied op een dekzandrug langs een lager gelegen beekdal ligt (AHN3, afb. 5).
Afb. 4. Uitsnede van de geomorfologische kaart met het plangebied en de directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl).
4
Stiboka, 1985.
16
Afb. 5. Het plangebied en omgeving op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3, gefilterd; bron: https://www.ahn.nl).
Afb. 6. Uitsnede van de bodemkaart met het plangebied en directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). 17
Volgens de bodemkaart van Nederland ligt het plangebied in een bebouwd gebied en is er geen exacte bodembeschrijving beschikbaar. Wanneer buiten de bebouwde kom gekeken wordt, is het waarschijnlijk dat het plangebied ligt op hoge zwarte enkeerdgronden (kaartcode zEZ23, afb. 6). Zwarte enkeerdgronden zijn gronden met een bovengrond die dikker is dan 50 cm. Deze is wat zwarter van kleur en een beetje loodzandachtig. Voor de potstalmest die hierin verwerkt is zijn waarschijnlijk heideplaggen gebruikt. Aangezien het plangebied op een dezandrug is, heeft hier zeer waarschijnlijk bodemvorming plaatsgevonden. Mogelijk is onder het esdek nog een oorspronkelijke podzolbodem aanwezig.5 De grondwatertrap is niet gekarteerd.
2.3
Bekende archeologische waarden
Gemeentelijke beleidskaart Op de beleidskaart van de gemeente Boxtel valt het plangebied geheel binnen een zone met “Archeologie waarde 3”, wat overeenkomt met een hoge archeologische verwachting. In dit gebied dient, voorafgaand aan ingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm -mv, archeologisch onderzoek plaats te vinden.6 In het bestemmingsplan is de voorwaarde opgenomen dat er geen ingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm -mv mogen plaatsvinden zonder vooronderzoek. Archeologische waarden Als onderdeel van het bureauonderzoek zijn de AMK (archeologische monumentenkaart)-terreinen, archeologische waarnemingen en eerder uitgevoerd onderzoek (onderzoeksmeldingen) in het onderzoeksgebied geïnventariseerd (afb. 7). De AMK-terreinen, de bekende archeologische waarnemingen en de onderzoeksmeldingen zijn geraadpleegd via ARCHIS 3.7 Archeologische monumenten (AMK-terreinen) Het plangebied ligt in AMK-terrein 16852. Het betreft het terrein met de oude dorpskern van Liempde met middeleeuwse bewoning voor 1250. Op de AMK-Noord Brabant zijn historische stads- en dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen.
De selectie en begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 16de-eeuwse (Van Deventer) en vroeg 20e-eeuwse kaarten (Bonnebladen). Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van Laat Middeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. De bewoning in de Vroege en Volle Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) kan een meer dynamisch karakter gehad hebben en de plaats en grens van deze bewoning hoeft niet per se samen te vallen met die van de latere bewoning.
De Bakker 1966. Bestemmingsplan Liempde, 17-12-2013 7 https://archis.cultureelerfgoed.nl 5 6
18
Afb. 7. AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondstlocaties (bron: ARCHIS 3). Onderzoekslocaties en waarnemingen Binnen het plangebied zijn geen onderzoeksmeldingen of vondstmeldingen bekend, maar in het onderzoeksgebied zijn 11 onderzoeksmeldingen en 6 vondstmeldingen bekend, waarvan één onderzoeksmelding aangrenzend aan het plangebied. Onderzoeksmeldingen Zaaknummer 2354398100 betreft een bureau- en booronderzoek uitgevoerd door RAAP in 2012. Uit het bureauonderzoek blijkt dat er een hoge verwachting voor resten vanaf het Paleolithicum geldt. In het verkennend booronderzoek is de bodemopbouw zoals voorspeld bevestigd. Tijdens karterend onderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Het plangebied is vrijgegeven.8 Zaaknummer 3984434100 betreft een bureauonderzoek uitgevoerd door BAAC in 2016. Op basis van het bureauonderzoek is een middelhoge verwachting vastgesteld voor resten vanaf het Neolithicum t/m de Volle Middeleeuwen. Er is vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding aanbevolen.9 Zaaknummer 4682435100 betreft een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd in 2019 door Aeres Milieu. Op basis van het bureauonderzoek is een middelhoge verwachting opgesteld voor resten vanaf het Paleolithicum t/m de Nieuwe tijd. Op basis van het booronderzoek kan worden gesteld dat deze verwachting kan worden gehandhaafd.
Het verwachtte esdek is deels aanwezig evenals een onderliggende podzolbodem. Er is vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven geadviseerd.10 Vansweevelt 2012 De Boer 2016. 10 Vroomans en Hagens 2019 8 9
19
Zaaknummer 2031288100 betreft een booronderzoek. Het rapport is niet beschikbaar. Zaaknummer 4718934100 betreft een proefsleuvenonderzoek. Het betreft het CARE project van de universiteit van Amsterdam. Dit is een publiekswetenschappelijk project, waarbij met buurtbewoners de lokale archeologie bestudeerd wordt. Op afb. 7 vallen alle kleine ovalen onder dit project. Er zijn vierkante meters uitgegraven en onderzocht door vrijwilligers. Zaaknummer 4006010100 betreft een bureau- en booronderzoek uitgevoerd in 2016. Voor de perioden Paleolithicum – Romeinse tijd geldt op basis van het bureauonderzoek een middelhoge verwachting. Voor de periode Middeleeuwen – Nieuwe tijd een hoge verwachting. Op basis van het booronderzoek blijkt dat er een verstoord dek van 90-120 cm dik aanwezig is. De verstoring reikt tot in de top van de C-horizont. De verwachting voor alle perioden is bijgesteld naar laag. Er is geen vervolgonderzoek aanbevolen. 11 Zaaknummer 2319073100 betreft een bureau- en booronderzoek uitgevoerd door IDDS in 2011. Op basis van het bureauonderzoek geldt voor alle perioden een verwachting. Op basis van het booronderzoek blijkt dat de bodem tot in de C-horizont verstoord is bij bouw- en sloopactiviteiten in de 20ste eeuw.
Vervolgonderzoek is niet aanbevolen.12 Zaaknummer 2412677100 betreft een proefsleuvenonderzoek naar aanleiding van de plannen om nieuwe woningen te bouwen. Uit het proefsleuvenonderzoek blijkt dat de bodem in de eerste sleuf nagenoeg compleet verstoord is door moestuinactiviteiten. In de tweede sleuf is het grootste deel van de sleuf op een oude verkavelingssloot gelegd, die terug te vinden is op historisch kaartmateriaal. Overige sporen stammen uit de 19 e eeuw en worden niet behoudenswaardig geacht. Het plangebied is vrijgegeven voor de ontwikkelingen.13 Zaaknummer 3973531100 betreft een archeologische begeleiding uitgevoerd door Vestigia. Tijdens de archeologische begeleiding zijn onder de te benaderen objecten of in de aangelegde ontgravingen geen archeologische sporen of vondsten aangetroffen die verband houden met menselijke bewoning. Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat het plangebied diep is verstoord. Vestigia adviseert dan ook om de archeologische verwachting van het plangebied bij te stellen tot ‘laag’ en voor verdere ontwikkelingen vrij te geven.14 Zaaknummer 2384757100 betreft een bureau- en booronderzoek uitgevoerd door BAAC. Op basis van het bureauonderzoek kan verstoring van het esdek niet worden uitgesloten, er geldt een hoge verwachting voor alle perioden.
Op basis van het booronderzoek blijkt dat er inderdaad een intact esdek aanwezig is en de hoge verwachting gehandhaafd kan blijven.15 Zaaknummer 2485261100 betreft een bureau- en booronderzoek uitgevoerd door Vestigia in 2015. In het bureauonderzoek is een hoge verwachting voor alle perioden vastgesteld. Op basis van het booronderzoek blijkt dat het esdek nog intact is. Archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van begeleiding is aanbevolen. 16 Tabel 1. Onderzoeksmeldingen (ARCHIS3) Zaakwaarneming
Plaats
Toponiem
Uitvoerder
Type onderzoek
2354398100
Liempde
RAAP Archeologisch Adviesbureau
ABO
3984434100
Liempde
BAAC BV
ABU
4682435100
Liempde
Aeres Milieu
ABO
3224394100
Liempde
particulier
NDE
4006010100
Liempde
Aeres Milieu
ABO
2319073100
Liempde
Witte School
particulier
ABO
2412677100
Liempde
Raadhuisplein 2
VUhbs archeologie
APP
2384757100
Liempde
BAAC BV
ABO
3973531100
Liempde
Vestigia BV
ABE
Kerkakker
Van Diepen en Van der Veen 2018 Horn en Moerman, 2011 13 Van Kampen, 2013. 14 Klerks en Weerheijm 2015 15 Voeten 2013 16 Weerheijm, Klerks en Schrijvers, 2015 11 12
20
Zaakwaarneming
Plaats
Toponiem
Uitvoerder
Type onderzoek
2992905100
Liempde
particulier
NXX
3227529100
Liempde
particulier
NDE
3241322100
Liempde
Hezelaarsche Akkers Hezelaarsche Akkers Hof te Liempde
particulier
IAR
2031288100
Liempde
ABO
4718934100
Liempde
Instituut voor Toegepast Historisch Onderzoek Universiteit van Amsterdam
2485261100
Liempde
De Tip
Vestigia BV
ABO
2962408100
Liempde
Heuvelstraat
ABO
3277311100
Liempde
Hezelaarsche Akkers
Instituut voor Toegepast Historisch Onderzoek particulier
APP
NDE
Tabel 2. Archeologische vondsten (bron: ARCHIS3) zaakidentificatie
materiaal
complex
datering
2957232100
vuursteen, steker
Niet te bepalen
Paleo-Neo
2992905100
vuurstenen Bijl
Depot
VNeoA-LNeoB
3241322100
Grondspoor
Versterking onbepaald
ME-NT
2962408100
Keramiek, metaal, vuursteen Gouden dukaat
Akker/ niet te bepalen
Meso-IJz-NT
Niet te bepalen
Nieuwe tijd
3277311100
Samenvattend is de kans erg groot dat er in het plangebied een intact esdek aanwezig is, wat mogelijk oudere resten die tot het Paleolithicum kunnen dateren afdekt.
Afb. 8. Het plangebied op een uitsnede van de kadastrale minuut 1811-1832. Het plangebied ligt in de rode cirkel (bron: http://zoeken.cultureelerfgoed.nl). 21
Afb. 9. Het plangebied op een kaart uit 1900 (bron: http://www.topotijdreis.nl/).
Afb. 10. Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1950 (bron: https://www.topotijdreis.nl)
22
Afb. 11. Het plangebied op een topografische kaart uit 1990 (bron: http://www.topotijdreis.nl).
2.4
Historische waarden / bouwhistorisch onderzoek
Vanaf vermoedelijk de twaalfde en dertiende eeuw zijn er gehuchten langs het dal van de Dommel ontstaan. De eerste vermelding van Liempde (of Lymde en Linden, zoals de naam van het dorp ook wel is geschreven) dateert uit het begin van de 14e eeuw. Rond de bouwlanden ontwikkelde zich vervolgens een zogenaamd kransakkerdorp. In de zeventiende eeuw werden zes gehuchten onderscheiden in het dorp Liempde, namelijk De Bergh, Heselaar, Coestraat, Looyend, Vrillikhoven en Casteren. Bij het kruispunt van wegen tussen de gehuchten ontwikkelde zich in de loop van de tijd de huidige dorpskern. Op historische kaarten is het plangebied altijd onbebouwd, op bebouwing op aangrenzende perceel daargelaten. Het plangebied lijkt altijd als achtergebied bij bebouwing aan de Dorpsstraat of als bouwland in gebruik te zijn geweest.
2.5
Bekende verstoringen
Binnen het plangebied zijn geen saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan. In Dinoloket is een boring aan de straat ten zuidwesten van het plangebied bekend. De boring stamt uit 1943. De bodemopbouw bestaat hier uit zand met leemlagen, en is gezet tot 56 m -mv. Een archeologische beschrijving is niet beschikbaar.
2.6
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel en advies
Op basis van het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat in het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor de top van de pleistocene zandafzettingen, onder het esdek op circa 80-100 cm -mv. Hierin kunnen resten worden aangetroffen vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kunnen vooral resten worden verwacht die samenhangen met een mobiele leefwijze, zoals kort bewoonde kampjes. Vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen worden vooral resten verwacht die te maken hebben met een sedentaire leefwijze, bijvoorbeeld huizen, resten van agrarische activiteit en begravingsrituelen. Voor de periode Volle Middeleeuwen – Nieuwe tijd kunnen de resten in het esdek aanwezig zijn. Dit esdek dekt de oudere resten af. De resten kunnen bestaan uit sporen van landinrichting, akkerbouw en losse vondsten. Sporen van bebouwing worden niet verwacht op basis van de historische kaarten. Eventuele verstoring zal 23
waarschijnlijk beperkt zijn tot de bovenste laag van het esdek. Vondsten en sporen kunnen worden verwacht vanaf maaiveld. De omvang van de mogelijk aanwezige archeologisch resten varieert sterk. Kampementen hebben over het algemeen een geringe omvang, terwijl nederzettingen vaak uit één of meerdere huizen bestaan. De archeologische verwachting dient te worden getoetst door middel van het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase). Hierbij worden 6 boringen verspreid over het plangebied gezet. De boringen dienen te worden gezet tot 30 cm in de C-horizont van het dekzand. Het is niet bekend of het archeologisch relevante niveau intact in het plangebied aanwezig is. Dit dient door middel van het booronderzoek te worden aangetoond.
24
3 Resultaten veldonderzoek 3.1
Beschrijving onderzoeksmethode
Conform het advies in § 2.8 is een verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied, waarbij 6 boringen regelmatig verspreid over het plangebied zijn gezet (zie afb. 12). Alle boringen zijn gezet met een edelmanboor (7 cm Ø) tot een diepte van 0,75 – 1,25 m beneden maaiveld. De posities van de boringen zijn ingemeten met behulp van een meetlint ten opzichte van de bebouwing; de maaiveldhoogtes zijn bepaald aan de hand van het AHN3.17 Het opgeboorde materiaal is met de hand onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals baksteenpuin, houtskool en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB 2.0).18 De boringen zijn digitaal beschreven (zie bijlage 1).
Afb. 12. Resultaten van het booronderzoek.
3.2
Beschrijving onderzoeksresultaten
Op basis van de verkennende boringen zijn de volgende lagen en pakketten onderscheiden en van boven naar beneden beschreven. Verstoring
17 18
https://ahn.arcgisonline.nl/ Bosch, 2008.
25
In boring 4 is vanaf het maaiveld tot 0,3 m beneden maaiveld een verstoring aangetroffen. Het gaat om een sterk rommelige laag van geel zand met donker grijsbruine vlekken. Esdek In de overige vijf boringen is vanaf het maaiveld tot 0,45 – 0,75 m beneden maaiveld een pakket van matig humeus, zwak siltig, zeer fijn zand waargenomen. Dit pakket is geïnterpreteerd als esdek. In de top van het esdek heeft zich een doorwortelde bouwvoor ontwikkeld. In de bouwvoor is grind aanwezig dat ook aan het maaiveld in het gehele plangebied zichtbaar is. In het esdek zijn spikkels baksteen, houtskoolspikkels en enkele kleine stukjes steenkool aangetroffen. De onderste 5 cm van het esdek is vermengd met het onderliggende gele dekzand, vermoedelijk ten gevolge van ploegen. Dekzand Het esdek gaat met een abrupte overgang over op grijsgeel, zeer fijn, zwak siltig zand. Dit zand is geïnterpreteerd als dekzand. De top van het intacte dekzand ligt op 0,45 tot 0,75 m -mv (8,94 tot 9,02 m +NAP). In boring 2 is in de top van het dekzand een restant van een humeuze B-horizont van 5 cm dik aangetroffen. De laag is sterk vermengd met delen van het esdek en met geel dekzand. In de overige boringen is geen podzolbodem meer aanwezig in de top van het dekzand, hier gaat het esdek direct over in de C-horizont. Vermoedelijk is de oorspronkelijke podzolbodem opgenomen in het esdek.
Mogelijk spoor In boring 5 is op 0,45 tot 1 m beneden maaiveld een laag met donker grijsbruin, zwak siltig, zeer fijn, matig humeus zand met enkele gele vlekken en spikkels baksteenpuin en steenkool waargenomen. Gezien de gevlekte vulling, de inclusies van baksteen spikkels en steenkool en de einddiepte van de laag gaat het hier mogelijk om een archeologisch spoor met een vermoedelijke datering tussen de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De laag ligt direct onder een laag van het esdek en snijdt in tot in de C-horizont van het dekzand.
Archeologische verwachting Op basis van het bureauonderzoek is een hoge archeologische verwachting opgesteld voor de top van het dekzand. Hierin kunnen resten voorkomen uit het Laat-Paleolithicum t/m de Vroege Middeleeuwen. Uit het booronderzoek blijkt dat de top van het dekzand niet meer intact in het plangebied aanwezig is. Van de oorspronkelijke podzolbodem is slechts één van de boringen een restant aangetroffen. Deze is bij de aanleg van het esdek en door verploeging verstoord geraakt. Een vondstlaag uit de periodes Laat-Paleolithicum t/m Vroege Middeleeuwen wordt daarom niet meer in het plangebied verwacht. De relatief ondiepe sporen uit het LaatPaleolithicum- Mesolithicum zullen vermoedelijk ook niet meer in het plangebied aanwezig zijn. Voor deze periodes wordt de archeologische verwachting bijgesteld naar laag. Dieper ingesneden sporen uit de periodes Neolithicum – Nieuwe tijd kunnen wel nog in het plangebied aanwezig zijn, en door de afdekking met het esdek in goede staat verkeren. Resten uit de Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd werden op basis van het bureauonderzoek in het esdek verwacht. Het booronderzoek wijst uit dat het esdek inderdaad aanwezig is. Ook is er een mogelijk spoor uit deze periodes aangetroffen. De hoge verwachting voor archeologische resten uit deze periodes blijft daarom in stand.
26
4 Conclusie en aanbevelingen 4.1
Conclusies
Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van Liempde en ligt op een dekzandrug. Naar verwachting komt in de ondergrond een esdek voor. Op basis van het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat in het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor de top van de pleistocene zandafzettingen, onder het esdek op circa 80-100 cm -mv. Hierin kunnen resten worden aangetroffen vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kunnen vooral resten worden verwacht die samenhangen met een mobiele leefwijze, zoals kort bewoonde kampjes. Vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen worden vooral resten verwacht die te maken hebben met een sedentaire leefwijze, bijvoorbeeld huizen, resten van agrarische activiteit en begravingsrituelen. Voor de periode Volle Middeleeuwen – Nieuwe tijd kunnen de resten in het esdek aanwezig zijn. De resten kunnen bestaan uit sporen van landinrichting, akkerbouw en losse vondsten. Sporen van bebouwing uit de Nieuwe tijd worden niet verwacht op basis van de historische kaarten. Eventuele verstoring zal waarschijnlijk beperkt zijn tot de bovenste laag van het esdek. Vondsten en sporen kunnen worden verwacht vanaf maaiveld. Tijdens het veldwerk is een bodemopbouw aangetroffen van esdek op dekzand.
Slechts in één van de boringen is een restant van een B-horizont aangetroffen, in de overige boringen ligt het esdek direct op de C-horizont van het dekzand. De onderste 5 cm van het esdek laten tekenen van verploeging zien. De top van het dekzand is niet meer intact in het plangebied aanwezig. Deze is bij de aanleg van het esdek en door verploeging verstoord geraakt. Een vondstlaag uit de periodes Laat-Paleolithicum t/m Vroege Middeleeuwen wordt daarom niet meer in het plangebied verwacht. De relatief ondiepe sporen uit het Laat-Paleolithicum- Mesolithicum zullen vermoedelijk ook niet meer in het plangebied aanwezig zijn. Voor deze periodes wordt de archeologische verwachting bijgesteld naar laag. Dieper ingesneden sporen uit de periodes Neolithicum – Nieuwe tijd kunnen wel nog in het plangebied aanwezig zijn. In één van de boringen is een mogelijk spoor aangetroffen tot op 1 m beneden maaiveld, met een vermoedelijke datering tussen de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De hoge verwachting voor archeologische resten uit de periodes Neolithicum t/m Nieuwe tijd blijft daarom in stand.
4.2
Beantwoording onderzoeksvragen
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Bij het verkennend booronderzoek is een bodemopbouw aangetroffen van esdek op dekzand. In één van de boringen is een restant van een B-horizont aangetroffen, in de overige boringen gaat het esdek direct over op de C-horizont van het dekzand. In boring 5 is een mogelijk spoor aangetroffen dat insnijd vanuit het esdek. In één van de boringen is een verstoring aangetroffen tot 0,3 m beneden maaiveld, verder zijn er geen verstoringen aangetroffen in het plangebied. Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten? Tijdens het veldonderzoek is een esdek met hierin steenkool, houtskool en puinspikkels aangetroffen. Dit wijst op agrarisch gebruik van het plangebied in de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Ook is een mogelijk spoor uit deze periodes aangetroffen. De aanwezigheid van oudere resten onder het esdek, in het dekzand is op basis van het booronderzoek niet uit te sluiten. Welke consequenties zal de uitvoering van het plan hebben op (eventueel) aanwezige archeologische resten? Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor de periodes Laat-Paleolithicum t/m Nieuwe tijd. Resten uit het Laat-Paleolithicum t/m de Vroege Middeleeuwen worden in de top van het dekzand verwacht.
Aangezien de top niet meer intact aanwezig is, wordt er geen vondstlaag uit deze periodes meer verwacht. Sporen die dieper insnijden kunnen wel nog in het dekzand aanwezig zijn. Resten uit de periodes Late Middeleeuwen t/m Nieuwe tijd worden in het esdek verwacht. Deze blijkt in het plangebied aanwezig te zijn. Indien archeologische resten voorkomen binnen het plangebied dan kunnen deze verstoord raken door de plannen. Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan dit bestaan? Voor de aanbevelingen zie hieronder.
27
4.3
Selectieadvies
Op basis van de resultaten van het hier gerapporteerde onderzoek adviseert Salisbury Archeologie om in het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren. Onder het aangetroffen esdek is alleen nog sprake van een mogelijk archeologisch sporenniveau. Het booronderzoek heeft aangetoond dat een eventuele vondstlaag uit de periodes Laat-Paleolithicum – Volle Middeleeuwen is verdwenen door het aanleggen van het plaggendek en daarmee verband houdende landbouwactiviteiten. Aangezien sporen niet met zekerheid opgespoord kunnen worden met een karterend booronderzoek heeft een proefsleuvenonderzoek de voorkeur als vervolgstap binnen de AMZ-cyclus. Het doel van dit proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Het vervolgonderzoek zal moeten aantonen of er sprake is van een vindplaats en de aard, omvang en datering hiervan vaststellen. Vanwege de geringe omvang van het plangebied (ca. 882 m2) wordt geadviseerd om, wanneer er sprake is van een behoudenswaardige vindplaats, in overleg met opdrachtgever en bevoegd gezag door te starten naar een definitieve opgraving om kosten te besparen en de doorlooptijd te verkorten. Met betrekking tot de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Boxtel.
28
Literatuur Boer, de. E.A.M., 2015, Gemeente Boxtel. Plangebied Raashuisplein te Liempde. Archeologish Bureauonderzoek. BAAC Rapport V-15.0262, ’s-Hertogenbosch. Bosch, J.H.A., 2008: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1 Op basis van de Standaard Boor Beschrijvingsmethode versie 5.2. (Deltares-rapport | 2008-U-R0881/A.) Deltares, Utrecht. Diepen, van, L., Veen, van der, V., 2018, Rapport Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, door middel van boringen. Vendelstraat te Liempde. Aeres Milieu projectnummer AM16224, Roermond. Horn, M., Moerman, S., 2011, Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (door middel van boringen), verkennend en karterende fase. Witte School, Liempde. Gemeente Boxtel. Becker en Van de Graaf projecetnummer 23730910/45356, Noordwijk. Kampen, van, J., 2013, Sporen van een achtererf uit de negentiende eeuw aan het Raadhuisplein te Liempde, gemeente Boxtel. Zuidnederlandse Archeologische notities 303, VUhbs, Amsterdam. Klerks, K., Weerheijm, W.J., 2015, Archeologische begeleiding van het explosievenonderzoek ten behoeve van de aanleg van een waterbuffer bij De Tip te Liempde, gemeente Boxtel. Vestigia rapport V1332, Amersfoort. Vansweevelt, J., 2012, Plangebied Koolhof te Liempde, gemeente Boxtel; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en karterend booronderzoek. Raap-notitie 4180, Weesp. Vos, P.L.
& S. de Vries, 2013: 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Deltares, Utrecht. Voeten, D.F.A.E., 2013. Gemeente Boxtel. Plangebied Raadhuisplein 2 te Liempde. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (verkennend fase). BAAC rapport V-12.0346, ’s-Hertogenbosch. Vroomans, M.A.K., Hagens, D., 2019, Rapport Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, door middel van boringen. Zonneweide Oost-Kerkweide te Liempde, Gemeente Boxtel. Aeres Milieu projectnummer AM19101, Roermond. Water, A.E.M., van de & F.P. Kortlang, 2013: Nota gemeentelijk archeologiebeleid Boxtel. De implementatie van de Wet op de archeologische monumentenzorg in het gemeentelijke beleid. (ArchAeO-rapport 1101). ArchAeO, Eindhoven. Weerheijm, W.J., Klerks, K., Schrijvers, R., 2015, Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de aanleg van een waterbuffer bij De Tip te Liempde, gemeente Boxtel. Ruimtelijk advies op basis van bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. Vestigia rapport V1283, Amersfoort. Geraadpleegde websites webadres
laatst bezocht op
https://archisarchief.cultureelerfgoed.nl
17-3-20
https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens
17-3-20
https://www.dinoloket.nl/nomenclator-ondiep
17-3-20
https://www.google.com/intl/nl/earth/
17-3-20
https://zoeken.cultureelerfgoed.nl
17-3-20
http://www.ahn.nl
17-3-20
http://www.pdok.nl
17-3-20
29
http://www.topotijdreis.nl
17-3-20
Lijst van afbeeldingen Afb. 1. Afb. 2. Afb. 3. Afb. 4. Afb. 5. Afb. 6. Afb. 7. Afb. 8. Afb. 9. Afb. 10. Afb. 11. Afb. 12.
Ligging plangebied en globale begrenzing onderzoeksgebied (bron:pdok.nl) ................................................... 11 Uitsnede van de gemeentelijke beleidsadvieskaart (bron: gemeente Boxtel). ..................................................... 12 Voorlopig planontwerp (bron: BRO). ...................................................................................................................................... 13 Uitsnede van de geomorfologische kaart met het plangebied en de directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). ........................................................................................................................................ 16 Het plangebied en omgeving op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3, gefilterd; bron: https://www.ahn.nl). ....................................................................................................................................................................... 17 Uitsnede van de bodemkaart met het plangebied en directe omgeving (bron: https://zoeken.cultureelerfgoed.nl). ........................................................................................................................................ 17 AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondstlocaties (bron: ARCHIS 3). .......................................................
19 Het plangebied op een uitsnede van de kadastrale minuut 1811-1832. Het plangebied ligt in de rode cirkel (bron: http://zoeken.cultureelerfgoed.nl). ................................................................................................................ 21 Het plangebied op een kaart uit 1900 (bron: http://www.topotijdreis.nl/). ........................................................... 22 Het plangebied op een uitsnede van de topografische kaart uit ca. 1950 (bron: https://www.topotijdreis.nl) ........................................................................................................................................................ 22 Het plangebied op een topografische kaart uit 1990 (bron: http://www.topotijdreis.nl). ............................... 23 Resultaten van het booronderzoek. ........................................................................................................................................ 25
Lijst van tabellen Tabel 1. Tabel 2.
Onderzoeksmeldingen uit ARCHIS 3 ...................................................................................................................................... 20 Archeologische vondsten (ARCHIS 3) .................................................................................................................................... 21
Lijst van bijlagen Bijlage 1. Boorbeschrijvingen……………………………………………………………………………………………………………………………….. 31
30
Bijlage 1 textuur code Z… …s1
omschrijving zand licht siltig
kleur code br ge
omschrijving bruin geel
gr l… d…
grijs licht donker
aard grens code ge
omschrijving geleidelijk
ab
abrupt
Boorbeschrijvingen mediaan zandfractie code zf
omschrijving zeer fijn
planten code wo1 wo2
humus/grind code g1 g2 h1
omschrijving licht grindig matig grindig licht humeus
vlekken code ge grge
h2
matig humeus
dgrbr dge
omschrijving enkele wortels veel wortels
omschrijving gele vlekken grijsgele vlekken donker grijsbruine vlekken donker gele vlekken
interpretatie code
omschrijving
overige bestanddelen
bv esd dza
bouwvoor esdek dekzand
code pu1 hk1
31
omschruiving enkele puinspikkels enkele houtskoolspikkels
bovengrens aard boring (mv) dikte gr 1 0 30 30 40 ge 70 5 ge 75 25 ge 100 2 0 20 20 15 ge 35 10 ab 45 5 ab 50 25 ge 75 3 0 20 20 30 ge 50 5 ge 55 25 ab 80 4 0 30 30 15 ab 45 5 ge 50 40 ab 90 5 0 15 15 25 ge 40 60 ge 100 25 ab 125 6 0 15 15 55 ab 70 5 ge 75 25 ge 100
kleur dgrbr dgrbr brgr lgrge
lithologie z z z z
bijmenging 1 s1 s1 s1 s1
mediaan zandfractie zf zf zf zf
diversen humusgehalte grindgehalte lithologie vlekken horizont h2 g2 h2 h1 ge C
dgrbr dgrbr dgr dbr grge
z z z z z
s1 s1 s1 s1 s1
zf zf zf zf zf
h2 h2 h2 h2
dgrbr dgrbr dgrbr grge
z z z z
s1 s1 s1 s1
zf zf zf zf
h2 h2 h2
ge dgrbr dgrbr grge
z z z z
s1 s1 s1 s1
zf zf zf zf
dgrbr dgrbr dgrbr grgr
z z z z
s1 s1 s1 s1
zf zf zf zf
h2 h2 h2
dbr dgrbr dgrbr dge
z z z z
s1 s1 s1 s1
zf zf zf zf
h2 h2 h2
g1
plantenresten wo2
overige bestanddelen
wo2 grge ge
pu1 B C wo2 pu1 hk1
pu1 hk1
ge C dgrbr
h2 h2
pu1 ge C g2
wo2 pu1 pu1 steenkool
ge C g1
wo1 pu1 steenkool dge C
32
interpretatie bv esd esd dza bv esd esd dza dza bv esd esd dza xx esd esd dza bv esd spoor? dza bv esd esd dza
33
34
Bijlage 3 Stikstofonderzoek
88
Bestemmingsplan "Nieuwstraat" (vastgesteld)
notitie
projectnaam AERIUS-berekening Nieuwstraat ong. Liempde datum 1 augustus 2023 projectnummer P02330 opdrachtgever particulier Opgesteld door MvDn
1. Inleiding
meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel moge-
Het voornemen bestaat om 8 appartementen te realiseren aan de
lijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kun-
Nieuwstraat in Liempde. Het plangebied ligt aan de Nieuwstraat in de
nen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet
kern Liempde, gemeente Boxtel. Het betreft een tuin behorende bij de
natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten be-
woning Dorpsstraat 9. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 1.765
vat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken.
m2, het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is ca. 900 m 2. Het
Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoorde-
perceel staat kadastraal bekend als LDE02 - E – 2995.
lijkheid vast te leggen, die eenieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.
2. Wettelijk kader Natura 2000-gebieden
Doorwerking plangebied
Wettelijk kader
Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat
Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuur-
aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura
gebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna,
2000-gebied betreft de ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en ligt op circa
door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelricht-
4,9 kilometer ten westen van het plangebied. Zie figuur 1.
lijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied in-
Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zo-
standhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats
als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de
vastgesteld. Conform artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming is
afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uit-
het verboden om projecten of andere handelingen te realiseren of te
gesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een
verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Na-
8 appartementen betreft, kan een significante toename aan stikstofde-
tura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats
positie tijdens de bouwfase en gebruiksfase op omliggende Natura
van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect
2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden
kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Ver-
uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositiebereke-
der geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plan-
ning benodigd.
nen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura
Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam +31 (0)20 506 19 99 info@bro.nl www.bro.nl
2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1 Wet natuurbescherming). Voor alle Natura 2000-gebieden geldt verder, op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden. Dit houdt onder
1/6
3. Het planvoornemen Initiatiefnemer is eigenaar van het perceel Dorpsstraat 9 te Liempde. Op het perceel staat een gemeentelijk monument, het betreft een vrijstaande woning met de voorgevel gericht richting de Dorpsstraat, achter de woning ligt een grote tuin van circa 35 meter diep. Het perceel grenst met de achtertuin aan de Nieuwsstraat. Initiatiefnemer is voornemens het perceel te splitsen en in de achtertuin een appartementencomplex met 8 appartementen in drie bouwlagen te ontwikkelen die ontsloten wordt op de Nieuwstraat. De beoogde doelgroep voor de appartementen zijn ouderen. Achter het gebouw wordt tevens een berging en gemeenschappelijke ruimte gerealiseerd.
4,9 kilometer
4. AERIUS-berekening Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase géén rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In de bijlagen is de door AERIUS gegenereerde rapportage voor de aanlegfase en gebruiksfase opgenomen. In het voorliggende document worden de ingevoerde gegevens kort toegelicht. Aanlegfase Het planvoornemen betreft de ontwikkeling van 8 appartementen ter hoogte van de Nieuwstraat ong. (achter Dorpsstraat 9) te Liempde. Op
Figuur 1: Ligging van het projectgebied ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden (bron: Natura 2000 Network Viewer)
dit moment is het plangebied in gebruik als tuin. Met de ontwikkeling wordt een complex gerealiseerd met in totaal 8 appartementen en wordt voorzien in de benodigde parkeergelegenheid. Bij het planvoornemen wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof. Deze emissie is berekend. Het bouwproces neemt
AERIUS-berekening Nieuwstraat ong. Liempde
2/6
naar verwachting minder dan een jaar in beslag voor de bouwfase. Er is
Verkeer sloop, bouw en aanleg
uitgegaan van het bouwjaar 2024.
Ten behoeve van de herontwikkeling vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. De totale
(Mobiele) werktuigen
verkeersgeneratie is weergegeven in tabel 2. De bewegingen zijn over
Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld
de aanliggende wegen gemodelleerd, waarbij 100% van de bewegingen
gebruik van mobiele werktuigen bij bouw van een verblijfsgebouw van
in twee richtingen zijn ingevoerd tot de nabijgelegen gebiedsontslui-
soortgelijke grootte. Het brandstofverbruik is berekend aan de hand van
tende wegen. Deze lijnbronnen lopen over de Nieuwstraat in noordelijke
de volgende formule uit het “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS
en zuidelijke richting, waarvan vervolgens het verkeer opgaat in het
Calculator 2022” (januari 2023, BIJ12):
heersend verkeersbeeld. Hierbij zijn dus meer bewegingen gemodelleerd dan daadwerkelijk plaats gaan vinden, waardoor onzekerheid over
Tabel 2 Bouwverkeer aanlegfase Bouwverkeer
Verkeersgeneratie in totaal (jaar)
Bedrijfsbusjes (licht verkeer)
420
Middelzwaar verkeer
36
Zwaar vrachtverkeer
36
Gebruiksfase
de richting van de bewegingen wordt opgevangen. Voor meer informatie De nieuwbouw zal gasloos worden ontwikkeld. Deze bebouwing zorgt
verwijzen we u naar de bijgevoegde AERIUS calculator. Hierin is “B” het brandstofverbruik in [L/u], volgens de relatie op basis
dan ook niet voor een emissie van stikstof. Wel zorgen nieuwe apparte-
van het AUB rapport van TNO2 en is “Pmax” het maximale vermogen van
Conclusie
menten voor verkeersgeneratie. De toename van de verkeersgeneratie
het werktuig [kW]. Voor de inzet van mobiele werktuigen is gerekend
Het rekenresultaat is niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. De aanlegfase zorgt
zorgt zodoende voor een stikstofemissie. Er is er voor de gebruiksfase is
met Stageklasse V die ten tijde van de realisatie gemiddeld 5 jaar oud
dan ook niet voor negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Hoewel
uitgegaan van het rekenjaar 2024.
zijn. De mobiele werktuigen op diesel zullen allemaal worden voorzien
de berekening uitkomt, kan er bij uitvoering gekozen worden om mobiele
van 6% AdBlue om de stikstofdioxide (NOx) uitstoot te verlagen. Zie
werktuigen elektrisch in te zetten om de stikstofdepositie verder te redu-
De toevoeging van 8 appartementen zorgt voor een toename van de
hiervoor tabel 1 en bijgevoegde AERIUS- rapportage.
ceren.
verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Voor de berekening is gebruik gemaakt van de CROW-381 publicatie. Er is uitgegaan van koopappartementen in het middensegment in het centrum van een
Tabel 1 Mobiele werktuigen aanlegfase Werktuig
Bouwjaar
Brandstof
weinig stedelijk gebied. De verkeersgeneratie per woning in het centrum Vermogen
Draai-
Brandstof-
Tot. brandstof-
AdBlue (liters
Totale emis-
Totale emis-
van een weinig stedelijk gebied bedraagt minimaal 5,4 en maximaal 6,2.
(kW)
uren
verbruik per
verbruik
per jaar)
sie (kg NOx/j)
sie (kg NH3/j)
Aan de hand van de maximale normd bedraagt de verkeersgeneratie voor 8 appartementen 49,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
uur1
Verreiker
1 2
va 2019
Diesel
80
30
8.14
245
17
0.4
0.058
1938
116
11.3
0.5
Graafmachine
va 2019
Diesel
140
140
13.84
Mobiele kraan
va 2019
Diesel
140
135
13.84
1868
112
10.8
0.4
Betonwagen/ -pomp
va 2019
Diesel
300
180
29.04
5227
314
29
1.3
Er zijn 50 lichte verkeersbewegingen als lijnbron over de aanliggende wegen gemodelleerd, waarbij 100% van de bewegingen in twee richtingen zijn ingevoerd tot de dichtstbijzijnde gebiedsontsluitende weg. Hierbij is dus meer ingevoerd dan feitelijk plaats zal vinden, waardoor onenigheid over richting ruimschoots wordt opgevangen. Eveneens zijn er
Berekend aan de hand van formule uit hoofdstuk 8.4 van: BIJ12 in opdracht van RIVM, ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2022’ (januari 2023), p. 44. Ligterink et al., 2021. ‘AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen’. TNO_2021_R12305, p. 26
AERIUS-berekening Nieuwstraat ong. Liempde
3/6
twee voertuigbewegingen per etmaal voor zwaar vrachtverkeer toegevoegd welke betrekking heeft op het ophalen van bijvoorbeeld vuilnis. Voor meer informatie verwijzen we u naar de bijgevoegde AERIUS-rapportage. Conclusie Het rekenresultaat met de ingevoerde verkeersbewegingen is niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. De gebruiksfase zorgt dan ook niet voor negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.
5. Resultaten en conclusie Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij de gebruiksfase en de aanlegfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.
AERIUS-berekening Nieuwstraat ong. Liempde
4/6
Bijlage 1 - AERIUS stikstofberekening aanlegfase
AERIUS-berekening Nieuwstraat ong. Liempde
5/6
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: