Vaststelling bp Nieuwstraat Liempde, Bijlage 1 Plantoelichting en planregels
Tekst van het document
Bestemmingsplan Nieuwstraat Liempde 23 mei 2025
Bestemmingsplan Nieuwstraat, Liempde Gemeente Boxtel Vastgesteld
Rapportnummer:
P02330_5
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0757.BP07Nieuwstraat- VST1
Datum:
22 mei 2025
Projectteam BRO:
MvDn, TAu, TSc
Concept:
april 2020, mei 2020, juli 2020, november 2020, april 2021
Voorontwerp:
--
Ontwerp:
4 december 2023
Vaststelling: Bron foto kaft:
Gemeente Boxtel
BRO Hoofdvestiging Willemsplein 2 5211 AK ‘s-Hertogenbosch T +31 (0)73 208 91 55 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 3 5 5
2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgestane ontwikkeling
6 6 7
3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
9 9 11 13
4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Akoestiek (wegverkeerslawaai) 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Geur agrarisch 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid 4.8 Ecologie 4.9 Bodem 4.10 Water 4.11 Archeologie 4.12 Cultuurhistorie 4.13 Duurzaamheid 4.14 M.e.r.-plicht
16 16 17 18 19 20 21 22 23 25 26 29 31 32 32
5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemene opzet 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de bestemmingen 5.4 Toelichting op de regels
34 34 34 34 35
Inhoudsopgave
1
6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid
37 37
6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
37 37 37
6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Inspraak
38 38 38
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Bodemonderzoek Bijlage 2: Inventariserend en veldonderzoek Bijlage 3: Stikstofonderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5: Omgevingsdialoog Bijlage 6: Nota van Zienswijzen
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is eigenaar van het perceel Dorpsstraat 9 te Liempde. Op het perceel staat een gemeentelijk monument, het betreft een vrijstaande woning met de voorgevel gericht richting de Dorpsstraat, achter de woning ligt een grote tuin van circa 35 meter diep. Het perceel grenst met de achtertuin aan de Nieuwsstraat. Initiatiefnemer is voornemens het perceel te splitsen en in de achtertuin een appartementencomplex met 8 appartementen te ontwikkelen die ontsloten wordt op de Nieuwstraat. De beoogde doelgroep voor de appartementen zijn ouderen. Op het perceel is het bouwen van appartementen niet mogelijk omdat het gedeelte van het perceel in het vigerende bestemmingsplan ‘Liempde’ geen bouwvlak heeft. Derhalve is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan betreft het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied. Er wordt aangetoond dat het initiatief haalbaar is en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de Nieuwstraat in de kern Liempde, gemeente Boxtel. Het betreft een tuin behorende bij de woning Dorpsstraat 9. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 1.765 m 2, het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is ca. 900 m 2. Het perceel staat kadastraal bekend als LDE02 - E – 2995. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven op de volgende afbeeldingen. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.
Hoofdstuk 1
3
Figuur 1.1 Ligging en begrenzing plangebied (Bron: Google Maps)
Hoofdstuk 1
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan In het vigerende bestemmingsplan ‘Liempde’, vastgesteld door de gemeente Boxtel op 17 december 2013, heeft het plangebied de enkelbestemming “Gemengd”. Het perceel heeft ter hoogte van de bestaande woning een bouwvlak, het gedeelte van het perceel waar initiatiefnemer voornemens is appartementen op te richten heeft geen bouwvlak. Daarnaast geldt de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 3”. Binnen de bestemming “Gemengd” zijn verschillende functies mogelijk, waaronder ook wonen. Echter heeft het betreffende gedeelte van het perceel geen bouwvlak waardoor er in het plangebied geen woningen mogen worden opgericht. De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Een aanvrager omgevingsvergunning dient een archeologisch te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. Met uitzondering van ontwikkelingen met een bruto oppervlakte van ten hoogste 250 m 2 en/of een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,4 meter onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
Figuur 1.2 Vigerend bestemmingsplan plangebied (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 1
5
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is momenteel in gebruik als achtertuin bij de woning aan de Dorpsstraat 9 te Liempde en grenst aan de Nieuwstraat. De Nieuwstraat en Dorpsstraat zijn historische wegen in Liempde. De planlocatie ligt centraal in de (oude) dorpskern van Liempde. De kern kent een open wegenstructuur op ruitvormig kruispatroon met karakteristieke driehoekige pleinen, veelal met klinkerbestratingen. Aan de Nieuwstraat grenst de planlocatie aan een groen perkje en ten noorden van het plangebied zijn aan de Nieuwstraat de appartementen ‘de Witte School’ gerealiseerd. Aan de noordoostzijde en de zuidzijde grenst het plangebied voornamelijk aan vrijstaande woningen en tweekappers. Het plangebied is in de huidige situatie onverhard.
Figuur 2.1 Foto plangebied aangeduid met een rode lijn
Hoofdstuk 2
6
2.2 Voorgestane ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens om een appartementencomplex met acht appartementen te realiseren aan de Nieuwstraat in Liempde. Het betreffen 2 goedkope (sociaal), 3 middeldure en 3 dure appartementen. Voor de verkoopprijzen van de 2 goedkope woningen en 3 middeldure woningen wordt aangesloten bij de landelijke normen. Prijspeil 2025 zijn deze prijzen als volgt: sociale koop: € 280.000 middeldure koop: € 405.000 De uiteindelijke prijs wordt vastgesteld op het moment van verkoop van de appartementen (cf. de dan geldende landelijke normen). Het te ontwikkelen appartementencomplex sluit qua goot- en bouwhoogte en stijl aan bij de nieuwbouw van de appartementen ‘de Witte School’, wat is gelegen ten noorden van het plangebied (zie figuur 2.1). Rondom het perceel komen groene erfafscheidingen. In Liempde is er behoefte aan woningbouw, met name voor ouderen is er onvoldoende woonruimte beschikbaar in de huidige woningvoorraad. Het is de bedoeling om de afscheiding met het appartementencomplex ‘Witte School’ te verwijderen, zodat er ook een verbinding via de Witte School met de Kloosterhof ontstaat. Op deze manier worden de bereikbaarheid van ouderenvoorzieningen en ontmoetingsmogelijkheden geoptimaliseerd en is sprake van een eenduidige bouwmassa en leefruimte aan de Nieuwstraat.
Tevens wordt er een gezamenlijke fietsenberging met het appartementencomplex ‘Witte School’ gerealiseerd. Hiervoor zijn tussen initiatiefnemer en Woonstichting JOOST (eigenaar van appartementencomplex ‘Witte School’) aparte afspraken gemaakt. Initiatiefnemer en Woonstichting JOOST ruilen 50 m2 achter het woonhuis aan de Dorpstraat tegen 40 m2, zie de intekening in figuur 2.2. De huidige fietsenberging wordt verplaatst, waarbij een berging terugkomt van circa 80 m2 zoals is ingetekend. De kosten van de fietsenberging en de groene afscheiding zijn voor initiatiefnemer. De fietsenberging zal worden gerealiseerd voor het bouwproject start.
Figuur 2.2 Grondruil Woonstichting JOOST en initiatiefnemer ingetekend
Hoofdstuk 2
7
In het plangebied worden 9 parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein, deze worden haaks op de Nieuwstraat gepositioneerd. De parkeerplaatsen zijn uitsluitend voor bewoners en bezoekers van het appartementencomplex en dus niet openbaar. De parkeerplaatsen worden identiek aangelegd aan de parkeerplaatsen voor de Witte School. Het laatste stuk van de parkeerplaatsen, grenzend aan de weg, blijft in eigendom van de gemeente maar mag wel als parkeerplaats worden ingericht. Aanvullend zijn er in het openbaar gebied aanwezige parkeerplaatsen beschikbaar voor bezoekers / bewoners van het appartementencomplex. Het bestaande voetpad dat vanaf de Witte School richting het plangebied loopt, wordt doorgetrokken als rolstoelvriendelijk voetpad over het plangebied, het eigendom wordt vervolgens overgedragen aan de gemeente. Onderstaande figuur 2.3 geeft een impressie van de functionele indeling van het plangebied.
Figuur 2.3 Concept inrichtingsplan
Hoofdstuk 2
8
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid Nationale omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2024, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Welke op 11 september 2020 naar de Tweede Kamer gestuurd is. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Welke zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes zijn: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Doorwerking plangebied De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is.
Hoofdstuk 3
9
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Dit plan voorziet in het realiseren van 8 woningen (appartementen). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.
Op basis van geldende jurisprudentie geldt dat in het geval van woningbouwlocaties sprake is van een stedelijke ontwikkeling vanaf 12 woningen. Het plan voorziet met 8 woningen dan ook niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4). Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is niet van toepassing. Een toetsing aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk. Het initiatief heeft geen verdere verstedelijking tot gevolg, zodat geconcludeerd kan worden dat het initiatief past binnen het streven naar duurzaam ruimtegebruik.
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
10
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De provincie wil het gesprek over stedelijke ontwikkeling dat in de afgelopen decennia werd gedomineerd door de vraag: ‘wat moeten we nog toevoegen’, ombuigen naar het gesprek over: ‘welke opgave en kansen liggen er in het bestaand stedelijk gebied en de bestaande gebouwenvoorraad?’ Duurzame verstedelijking De toenemende verschillen binnen Brabant maken het des te belangrijker om op het niveau van het daily urban system goed samen te werken en keuzes te maken. Het daily urban system is het gebied waarin een inwoner zich dagelijks verplaatst vanwege werk, voorzieningen en sociale contacten. Uitbreiding van het bestaande stedelijk gebied in steden en dorpen is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag.
Herbestemmen is het nieuwe bouwen: Als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied. Hier liggen interessante kansen voor het toekomstbestendig maken van het stedelijk gebied en ook voor het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen en voor woningbouw! De komende 10 jaar ligt er een forse woningbouwopgave (ca 120.000 woningen), daarna loopt de woningbouwopgave in omvang terug. Dat betekent dat we komende 10 jaar dé kans hebben om de kwaliteit van het stedelijk gebied op orde te brengen en de leegstand aan te pakken. We brengen met onze partners de transformatiepotenties in beeld en onderzoeken gezamenlijk hoe we deze opgaven kunnen aanpakken. We dragen bij aan de realisering van grote, complexe transformatieopgaven. Met onderhavig planvoornemen wordt gebruik gemaakt van een locatie om in het bestaand stedelijk gebied plangebied nieuwe, toekomstbestendige woningen te realiseren. Er is derhalve sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en het plan past binnen het gedachtegoed van herstructurering van het bestaand stedelijk gebied.
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld, deze is in april 2022 geactualiseerd en in augustus 2023 voor de laatste keer geconsolideerd. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de
Hoofdstuk 3
11
Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied Het plangebied is in de Interim Omgevingsverordening aangeduid als ‘stedelijk gebied’ en ‘landelijke kern’. Onderstaande artikelen uit de Interim Omgevingsverordening zijn van toepassing op de voorgestane ontwikkelingen binnen het plangebied. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 - Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 - Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c.
geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. De meest recente Regionale Woondeal Noordoost-Brabant dateert van maart 2023 en is ook ondertekend door gemeente Boxtel. Het Rijk en de provincie Noord-Brabant hebben in oktober 2022 afspraken gemaakt over het provinciale aandeel in de Nationale opgaven. Het provinciaal aandeel is 130.600 woningen. Voor Boxtel is aangegeven dat er een behoefte is aan 1.810 woningen tot 2030 Door de geringe harde plancapaciteit (38% van de behoefte) kan worden geconcludeerd dat in Boxtel een aanzienlijke behoefte aan nieuwe woningen bestaat. Het plan past binnen de regionale woningbouwopgaven. Plannen die herstructurering, transformatie en inbreiding betreffen, dienen doorgang te vinden. Voorliggend plan voorziet zowel in een transformatie naar een woongebied als een inbreiding waarbij woningen binnen het bestaande stedelijk gebied worden gerealiseerd. Het appartementencomplex wordt op een inbreidingslocatie ontwikkeld. Er is derhalve sprake van zorgvuldig en efficiënt ruimtegebruik.
In de planuitwerking wordt rekening gehouden met duurzaamheid en energietransitie. Daarnaast moet de ontwikkeling voorzien in een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving, deze onderwerpen worden behandeld in hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten. De voorgestane ontwikkeling is in overeenstemming met de regels uit de Interim Omgevingsverordening.
Hoofdstuk 3
12
3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Verfrissend Boxtel In juli 2011 heeft de gemeenteraad van Boxtel de Structuurvisie Verfrissend Boxtel voor het gemeentelijk grondgebied vastgesteld. Hierin wordt een integrale visie gegeven op de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De visie bestaat ten eerste uit een Atlas, hierin wordt een inventarisatie van het huidige beleid gemaakt en een beschrijving van het huidige Boxtel gegeven. Vervolgens is een analyse gemaakt op vier integrale thema’s: wonen en leven, beleven, ondernemen en verbinden. Daaropvolgend zijn een agenda, welke de belangrijkste vraagstukken bevat, en een bedrijfsplan gemaakt. De vier thema’s vormen de rode draad van de visie. In het thema ‘wonen en leven’ wordt een voorwaardenkaart voor aangenaam leven geschetst, in het thema ‘beleven’ wordt een troevenkaart van Boxtel gegeven, in het thema ‘ondernemen’ wordt een kansenkaart voor vitaliteit geschetst en in het thema ‘verbinden’ wordt een vervlechtingskaart van duurzame relaties gegeven. In de structuurvisie wordt de nadruk gelegd op de ligging van Boxtel en de omringende dorpen in het Nationale Landschap Het Groene Woud. Beide entiteiten zijn onmiskenbaar aan elkaar gekoppeld, het wonen en werken kunnen daar direct van profiteren. Ondanks de wenselijke verschillen tussen de bebouwde kommen en het buitengebied, wordt juist ook gezocht naar overeenkomsten.
Hierbij wil de gemeente Boxtel de omgeving niet grondig in aanzien veranderen, maar de bestaande sterke punten van de gemeente beter benutten. Hiertoe worden in de structuurvisie onder andere een aantal concentratiegebieden aangegeven waar de voor de visie belangrijke projecten worden geplaatst. De woonomgeving in Boxtel is gevarieerd. De opgave voor het woningaanbod is te komen tot meer differentiatie en variatie. Onder andere via het organiseren van goed verspreide zorgvoorzieningen. De woningvraag in Boxtel leidt niet tot grootschalige uitbreidingen, maar eerder tot ‘afronden’ (met kleinschalige uitbreidingen) en ‘inbreiden’ en herstructureren. De leefomgeving kan nog beter worden benut, onder andere door de openbare ruimte direct in te richten op het wonen. Doorwerking plangebied De structuurvisie richt zich met name op nieuwe woningbouwlocaties. Het programma voor Liempde dient een flexibele mix te zijn van transformatielocaties en kleinschalige uitbreidingen aan de randen van de kern, als afronding van die kern. Deze ontwikkeling voorziet in een inbreiding aan de Nieuwstraat in de vorm van een appartementencomplex en draagt bij aan de differentiatie en variatie van de woningvoorraad.
Boxtel 2020, duurzaam en dynamisch centrum in het Groene Woud In deze strategische visie (29 juni 2009) is aangegeven in welke richting Boxtel zich in de periode 2010-2020 verder wil ontwikkelen. In de titel staat dat het document voor de periode 2010 - 2020 is vastgesteld. Toch is dit nog steeds de visie die de gemeente Boxtel momenteel gebruikt. De strategische visie is verwoord in zes ambities. De ambities zijn ondersteund in de vele gesprekken die hebben plaatsgevonden en moeten worden voortgezet. De zes ambities zijn: 1. Boxtel blijft voorop met duurzaamheid. 2. Boxtel ontwikkelt toerisme en recreatie tot een volwaardige bedrijfstak. 3. Boxtel versterkt zijn positie als werkgelegenheidsgemeente. 4. Boxtel werkt aan een sterk centrum. 5. Boxtel is ook in 2020 een prima woongemeente. 6. Boxtel heeft een modern bestuur.
Hoofdstuk 3
13
Deze ambities zijn toegelicht in zes hoofdstukken. Voor dit bestemmingsplan is ambitie vijf van belang. In de navolgende alinea wordt deze ambitie nader toegelicht. Boxtel, een prima woongemeente Tot 2020 groeit de eigen bevolking van Boxtel nog met 700 inwoners tot een totaal van 30.900. Voor deze groei alleen zijn ongeveer 300 woningen nodig. Een veel groter aantal, plusminus 900 woningen, is nodig om de nog steeds doorgaande gezinsverdunning op te vangen. De gemiddelde woningbezetting bedroeg in 2008 namelijk 2,47 en zal dalen naar ongeveer 2,30 in 2020. Voor de eigen bevolking zijn er dus opgeteld zo'n 1.200 woningen nodig. Doorwerking plangebied Deze ontwikkeling in het centrum van Liempde is een inbreiding van 8 appartementen. Met dit bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de woonbehoefte in gemeente Boxtel. In Liempde is er behoefte aan woningbouw, met name voor ouderen is er onvoldoende woonruimte beschikbaar in de huidige woningvoorraad, deze ontwikkeling voorziet daarin en past binnen deze strategische visie. Programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg 2023-2027 Op 4 juli is de visie ‘Samen Bouwen aan een Thuis in Boxtel; Programma volkshuisvesting en wonenwelzijn-zorg Boxtel 2023-2028’ vastgesteld. De juiste woning voor de juiste doelgroep op de juiste plek en op het juiste moment.
Dat is een groot maatschappelijk vraagstuk en dat vraagt om meer regie vanuit de gemeente. Boxtel wil meer passende en betaalbare woningen toevoegen aan het woningbouwprogramma. Dat is nodig om tegemoet te komen aan de vraag vanuit eigen inwoners en dan met name (koop)starters, mensen met een bescheiden of middeninkomen, de snelgroeiende groep oudere inwoners en aandachtsgroepen met een urgente woonvraag. Het programma vervangt de Woonvisie 2016-2025. De gemeente zet hiermee de koers uit voor de ontwikkeling van het wonen in Boxtel, Esch, Lennisheuvel en Liempde. Als gemeente schetsen we de toekomst van het wonen in onze kernen. De kernen van Boxtel hebben elk een eigen sociale structuur en woningmarktpositie. Nieuw woonbeleid voor de gemeente gaat dan ook niet alleen over de gemeente als geheel, maar ook over de opgave in de afzonderlijke kernen, en in de kern Boxtel over de wijken. Het gemeentebestuur wil meer regie voeren om maatschappelijke knelpunten op te lossen en kansen te benutten. De woningbehoefte in Boxtel groeit de komende jaren verder. Dit vraagt om goed na te denken over de positionering van Boxtel. Uit de woningmarktanalyse blijkt dat vooral starters en ouderen moeilijk een passende woning vinden in de gemeente Boxtel. Er is aanvullend behoefte aan betaalbare koopwoningen, huurwoningen en woningen toegankelijk voor ouderen.
Verder zijn er binnen de gemeente verschillen tussen de wijken en dorpen. Enkele wijken in Boxtel hebben veel sociale huur. Huisvesting van kwetsbare groepen concentreert zich hier. Ook zijn dit wijken met doorgaans minder veerkracht. Andere wijken, en vooral de kleine kernen, hebben juist weinig sociale huur. Deze wijken en kernen zijn daarmee verhoudingsgewijs minder toegankelijk voor lage inkomens en kwetsbare groepen. De leefbaarheid in de kernen Esch, Lennisheuvel en Liempde staat potentieel onder druk. Voorzieningen lijken gestaag te verdwijnen. Inwoners waarderen echter het wonen in deze kernen als bovengemiddeld leefbaar. Vraag is hoe woningbouw in deze kernen ervoor kan zorgen dat jongeren en jonge gezinnen hier kunnen worden vastgehouden, temeer daar woningen in deze kleine kernen relatief duur zijn.
Hoofdstuk 3
14
1) Een passend en betaalbaar huis: Een passend en betaalbaar huis: Mensen die in Boxtel willen wonen, hebben in alle kernen kans om een bij hun inkomen en levenssituatie passende woning te vinden, door doorstroming of toevoeging van woningen. Daarbij is er binnen de gemeente solidariteit tussen wijken en dorpen ten aanzien van de sociaal-maatschappelijke opgaven als de huisvesting van migranten en mensen met een psychische kwetsbaarheid. Inspelen op de woningbehoefte: Voorzien in de woningbehoefte door extra groei om eigen inwoners kansen te bieden en als kans voor een kwalitatieve doorontwikkeling van Boxtel en zijn kernen. Vernieuwende creatieve woonvormen: Vergroten variatie in nieuwe woonvormen en ruimte bieden aan snelle creatieve woonoplossingen om in te spelen op de veranderende vraag. 2) Wonen met welzijn en zorg Wonen-welzijn-zorg voor langer zelfstandig werken: Inwoners met ondersteunings- of zorgvraag kunnen in iedere kern wonen en passende ondersteuning en zorg ontvangen. Uitgangspunt is inzet op de dimensies van positieve gezondheid door sociale netwerken, beweging, ontmoeting, basisvoorzieningen (nabij of thuisgebracht), toegankelijke omgeving en woningen. Een thuis voor iedereen: Een thuis voor iedereen door mensen mee te laten doen in de samenleving en passende huisvesting te bieden.
3) Duurzaam wonen in wijken en dorpen Leefbare wijken en dorpen: In de dorpen blijven door nieuwbouw mogelijkheden voor een gevarieerde bevolkingsopbouw als maximale borging van de aanwezige voorzieningen en leefbaarheid. Duurzaam wonen: De woningvoorraad en de woonomgeving zijn duurzaam volgens de ambities uit de gemeentelijke Transitievisie Warmte, het uitvoeringsprogramma warmtetransitie en het klimaatakkoord. Toetsingskader woningbouw Woningbouwinitiatieven worden getoetst aan de gemeentelijke beleidsambities en de gemeente stuurt op het wenselijke programma per kern. Vanuit het programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg richt de gemeente zich op programmatische toetsingscriteria. Dit toetsingskader geldt voor woningbouwplannen waar op 1 augustus 2023 nog geen anterieure overeenkomst is gesloten en/of waar nog geen vastgesteld bestemmingsplan of omgevingsplan voor is. Het kader geldt ook voor plannen waar (na anterieure overeenkomst) aanpassing van de plannen aan de orde is, om daarmee kansen te benutten om de woningbouw meer in lijn te krijgen met de doelen uit dit programma. Doorwerking plangebied Het woningbestand in Liempde bestaat grotendeels uit vrijstaande en halfvrijstaande woningen op ruime percelen, het aandeel woningen voor kleine huishoudens is klein.
Met onderhavige planontwikkeling worden er 5 kleinere (2 goedkope (sociaal) en 3 middeldure) appartementen opgericht, en drie grotere appartementen. De nieuwe appartementen zijn bedoeld voor kleinere huishoudens en gericht op ouderen. De woningen worden levensloopbestendig en liggen nabij voorzieningen in Liempde (< 500 meter). In Liempde is er behoefte aan woningbouw, waaronder voor ouderen. Met het realiseren van 8 appartementen wordt vraaggericht gebouwd. Er worden gewenste en geschikte woningen gebouwd wat bijdraagt aan een leefbare en aangename (woon)omgeving. Voor onderhavige ontwikkeling geldt dat er al een anterieure overeenkomst is gesloten daarom hoeft er niet getoetst te worden aan programmatische toetsingscriteria. In de anterieure overeenkomst zijn afspraken vastgelegd over o.a. typologie en prijs. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief in lijn is met de woonvisie.
Hoofdstuk 3
15
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een gewijzigde verkeers- en parkeersituatie tot gevolg hebben. De toegenomen verkeersgeneratie mag echter niet leiden tot significant negatieve gevolgen voor de omliggende wegen. De omgeving mag geen onevenredige overlast ervaren door een toegenomen verkeers- en parkeerdruk. Doorwerking plangebied Verkeer Bij nieuwe ontwikkelingen dient de verkeersgeneratie in beeld te worden gebracht. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de gemiddelde parkeernormen en kencijfers in de publicatie “Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” uitgegeven door het CROW (381). Er is uitgegaan van koopappartementen in het middensegment in het centrum van een weinig stedelijk gebied. De verkeersgeneratie per woning in het centrum van een weinig stedelijk gebied bedraagt minimaal 5,4 en maximaal 6,2. Aan de hand van het gemiddelde van deze verkeersgeneratie (5,8) bedraagt de verkeersgeneratie voor 8 appartementen 46,4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit is geen flinke toename, de Nieuwstraat en de lokale infrastructuur kan een dergelijke toename aan verkeersbewegingen gemakkelijk verwerken. Parkeren In de gemeente Boxtel geldt de nota “Parkeernormen Gemeente Boxtel Binnen de bebouwde kom”, zoals vastgesteld d.d. 20 maart 2007.
Hierin zijn parkeernormen opgenomen voor woningen en ook specifiek voor appartementen. In de zone ‘rest bebouwde kom’ geldt voor een appartement groter dan 60 m2 (‘woning midden’) een norm van 1,8 pp/woning en voor een appartement kleiner dan 60 m 2 (‘woning goedkoop’) een norm van 1,5 pp/woning. Met onderhavige planontwikkeling worden er 5 appartementen < 60 m2 gerealiseerd. Hiervoor bedraagt de parkeerbehoefte 7,5 (5*1,5). Daarnaast worden er nog 3 appartementen > 60 m 2 gerealiseerd. Hiervoor bedraagt de parkeerbehoefte 5,4 (3*1,8). In totaal leidt dit tot een parkeerbehoefte van 12,9 parkeerplaatsen. In het inrichtingsplan zijn 9 parkeerplaatsen ingetekend. Het zijn privé parkeerplaatsen uitsluitend voor bewoners en bezoekers van het appartementencomplex. Aanvullend stelt de gemeente 4 reeds in het openbaar gebied aanwezige parkeerplaatsen beschikbaar ten behoeve van realisatie van het plan. Uit een parkeerdrukmeting van gemeente Boxtel (d.d. november 2023) blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied 17 openbare parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Voor dit parkeeronderzoek wordt verwezen naar: https://experience.arcgis.com/experience/4207d93c520e43949806c8e0c7bec854 Hiermee voldoet het plan aan het in de gemeente Boxtel gehanteerde parkeerbeleid. Daarnaast is het autogebruik van senioren over het algemeen ook lager.
Dit blijkt onder andere uit cijfers van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid2. Om deze reden wordt de parkeeroplossing zoals opgenomen in het inrichtingsplan en de openbare ruimte als voldoende geacht.
2
‘Het wijdverbreide autobezit in Nederland’, Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM), Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, februari 2022
Hoofdstuk 4
16
Het aantal te realiseren parkeerplaatsen is daarnaast vastgelegd in de anterieure overeenkomst. Het realiseren van voldoende parkeergelegenheid is ook geborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels. De 9 parkeerplaatsen binnen het plangebied worden haaks op de Nieuwstraat gepositioneerd. De parkeerplaatsen zijn uitsluitend voor bewoners en bezoekers van het appartementencomplex en dus niet openbaar. De parkeerplaatsen worden identiek aangelegd aan de parkeerplaatsen voor de Witte School. De huidige parkeerstrook wordt hier in zoverre dus praktisch verlengd richting het zuiden. Het laatste stuk van de parkeerplaatsen, grenzend aan de weg, blijft in eigendom van de gemeente maar mag wel als parkeerplaats worden ingericht. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.2 Akoestiek (wegverkeerslawaai) In het kader van dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai. In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals (bedrijfs)woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Alle omliggende wegen kennen een snelheidsregime van 30 km/h, wat betekent dat deze wegen niet hoeven te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting ten gevolge van deze wegen wel onderzocht. Om een afweging te kunnen maken is wel aansluiting gezocht bij de Wet geluidhinder en is dat toetsingskader dus ook gehanteerd voor deze wegen. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling worden er nieuwe woningen toegevoegd. Het plan is niet gelegen binnen de geluidzone van wegen. Wel is het plan gelegen in de nabijheid van verscheidene wegen met een snelheidsregime van 30 km/h. Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd.
Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies vermeld. Nieuwstraat In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 62 dB, zonder aftrek artikel 110g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 57 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeven ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd. Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Echter om een acceptabel
Hoofdstuk 4
17
woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen wordt geadviseerd om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. De woningen worden vanuit het Bouwbesluit onvoldoende beschermd. Het Bouwbesluit gaat er vanuit dat wegen waar 30 km/uur gereden mag worden zo weinig verkeer hebben dat geluid geen probleem is en een standaard gevel voldoende bescherming biedt. De Nieuwstraat is met bijna 3.000 motorvoertuigen per dag echter een drukkere 30 km/uur weg. Hierdoor bedraagt de geluidbelasting op de gevels van de aan de straatzijde gelegen appartementen 62 dB. Dit is ruim boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Een standaard gevel houdt minimaal 20 dB tegen. Het gewenst binnen niveau bedraagt 33 dB. Geluidbelastingen hoger dan (33 +20) 53 dB vragen dus om extra maatregelen. In dit geval is een geluidwering nodig van maximaal (62-33) 29 dB. Om een goed binnenklimaat van de woningen te waarborgen is in de regels bij het bestemmingsplan opgenomen dat er dient te worden voldaan aan een binnenniveau van 33 dB. Uitvoeringseis – Geluidluwe gevel Het betreft een locatie met een hoge geluidbelasting. Er dient aangetoond te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Vanwege de hoge geluidbelasting op de gevels dient het merendeel van de woningen te beschikken over een geluidluwe gevel. Het appartementencomplex is nog niet nader uitgewerkt.
De achtergevel van het gebouw is geluidluw (lager dan 48 dB). Bij de indeling van het appartementencomplex wordt rekening gehouden dat een woning beschikt over tenminste één geluidluwe gevel. De eis dat een geluidluwe gevel aanwezig is bij een woning is opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de regels bij het bestemmingsplan. Hiermee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dorpsstraat, Vlasspreistraat, Heesterbos, Oude Dijk Er is sprake van wegen met een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de wegen wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden wanneer er getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder.
4.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriele regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. ‘Niet In Betekenende Mate’ De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op
Hoofdstuk 4
18
een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Doorwerking plangebied Wanneer sprake is van minder dan 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg wordt de toename in verslechtering van de luchtkwaliteit gezien als ‘niet in betekende mate’. Geconcludeerd wordt dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Wel moet aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) In onderstaande tabel (tabel 4.1) zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Dit aspect zorgt dan ook niet voor belemmeringen.
Meetpunt
NO2 μg/m3 PM10 μg/m3
221673 221674 221675 221676 221713 221714 Norm
12.5 12.6 12.6 12.6 12.6 12.7 40
17.2 17.2 17.2 17.2 17.1 17.1 40
PM10 overschrijdingsdagen 6.1 6.1 6.1 6.1 6.1 6.1 35
PM2.5 μg/m3 10.2 10.2 10.2 10.2 10.2 10.2 25
Monitoringsjaar 2021 2021 2021 2021 2021 2021
Tabel 4.1: Achtergrondwaarden (Bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit)
4.4 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
3
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
19
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Doorwerking plangebied In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’.
Het plangebied bevindt zich in het centrumgebied van de dorpskern Liempde, waar van oudsher een menging van functies is. Rondom het plangebied komen verschillende functies voor. Met dit bestemmingsplan worden woningen mogelijk gemaakt. Dit zijn milieugevoelige objecten. Het plangebied is omringd door de bestemmingen ‘Gemengd’ en ‘Wonen’. Binnen de bestemming ‘Gemengd’ zijn gemengde functies toegestaan zoals detailhandel (niet zijnde een supermarkt), bedrijven in milieucategorie 1 en 2, maatschappelijke voorzieningen en wonen. Het zijn passende functies in een dorpskern / gemengd gebied. De functie wonen past in het karakter van het gemengd gebied. Naast het plangebied is een bedrijf in milieucategorie 1 en 2 mogelijk. In een gemengd gebied geldt voor milieucategorie 1 een richtafstand van 0 meter en voor milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 10 meter. Feitelijk is hier uitsluitend een nutsvoorziening mogelijk. Het valt niet te verwachten dat dit een belemmering oplevert voor de functie wonen. Vice versa vormt de functie wonen geen belemmeringen voor omliggende functies en/of bedrijven gezien er in de huidige bestemming ‘Gemengd’ ook reeds woningen zijn toegestaan. Er bestaan geen belemmeringen vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering.
4.5 Geur agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Hoofdstuk 4
20
Doorwerking plangebied Rondom de kern Liempde zijn een aantal verschillende intensieve veehouderijen gelegen. Gezien de ligging en de omvang van de veehouderijen in de omgeving kan worden gesteld dat aan de afstandseisen en aan de norm voor de voorgrondbelasting zal worden voldaan. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de geurgevoelige objecten. Het woon- en leefklimaat wordt inzichtelijk gemaakt middels de achtergrondbelasting, ofwel cumulatieve geurbelasting van alle aanwezige veehouderijen, in een gebied. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het projectgebied betrokken. Figuur 4.1 toont een uitsnede van de geurkaart van de ODZOB. Op deze kaart is de achtergrondbelasting, veroorzaakt door de aanwezigheid van intensieve veehouderijen, opgenomen in odour units per kubieke meter (OUE/m3). Als bronnenbestand is een export van de Kernregistratie Dierenverblijven Brabant opgenomen (juni 2023). Het plangebied is wit omcirkeld. De achtergrondbelasting bedraagt 03 OUE/m3. Dat komt overeen met een zeer goed woon- en leefklimaat.
De ontwikkeling zal niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, er zijn immers bestaande woningen gelegen tussen de veehouderijen en het plangebied die een belemmerende werking kunnen hebben. Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Figuur 4.1 Uitsnede kaart Achtergrondbelasting Geur juni 2023 (bron: Odzob)
4.6 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om er voor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven.
Hoofdstuk 4
21
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Boxtel Het doel van de Beleidsvisie externe veiligheid (2010) is duidelijkheid verschaffen aan burgers en bedrijven over de wijze waarop de gemeente omgaat met het ruimtelijke scheiden van risicovolle activiteiten en kwetsbare objecten. Er wordt in de visie invulling gegeven aan de omgang met risiconormen en richtlijnen voor drie verschillende gebiedstypen: risicoluw gebied; gemengd gebied en intensief gebied.
Hoofdstuk 4
22
Doorwerking plangebied De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de nationale risicokaart geïnventariseerd. Een uitsnede van de risicokaart staat in figuur 4.2, het plangebied is rood omcirkeld.
Figuur 4.2: Ligging plangebied in de risicokaart (Bron: risicokaart.nl)
In de in de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen aanwezig. De A2 ligt op 1,1 kilometer ten westen van het plangebied, hiermee valt het plangebied niet in het invloedsgebied van deze weg. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor de uitvoering van onderhavig initiatief.
4.8 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Doorwerking plangebied Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.
Hoofdstuk 4
23
Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft de ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en ligt op circa 4,9 kilometer ten westen van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 8 appartementen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is vervolgonderzoek gedaan in de vorm van een AERIUS-berekening. De volledige berekeningen zijn opgenomen als bijlagen bij deze toelichting. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’.
Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Het plangebied ligt eveneens niet binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 650 meter ten noordoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming); Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming); Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming).
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied en omgeven door voornamelijk woningen en diverse gemengde en maatschappelijke functies. Het plangebied is momenteel braakliggend terrein en vrij van begroeiing, zie figuur 4.3. Het plangebied vormt dan ook geen geschikt leefgebied voor vleermuis- of vogelsoorten. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een appartementencomplex op een locatie die reeds geschikt is voor wonen. Binnen het plangebied zijn geen zwaarder beschermde soorten vaatplanten en grondgebonden zoogdieren en amfibieën te verwachten. Daarnaast is het voorkomen van vissen, amfibieën (voortplantingswater), reptielen en overige ongewervelden (zoals bijv. zeldzame dagvlinders en libellen) binnen het plangebied uit te sluiten, vanwege de afwezigheid van geschikt habitat. Negatieve effecten voor deze soortgroepen zijn op voorhand uitgesloten met in acht name van de zorgplicht. Er is geen reden om aan te nemen dat het aspect flora en fauna
Hoofdstuk 4
24
(soortenbescherming) een belemmering zou kunnen vormen voor de haalbaarheid van onderhavig planvoornemen.
Figuur 4.3: Huidige situatie plangebied
Er zal in ieder geval gehandeld worden volgens de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op basis van bovenstaande, met inachtneming van de zorgplicht voor (incidenteel) aanwezige individuen, wordt geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
4.9 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Doorwerking plangebied Er is door Lycens een verkennend bodemonderzoek (conform NEN 5740) en een analyse van asbest in de bodem (conform NEN 5707) uitgevoerd voor het plangebied. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke consequenties kunnen hebben voor de geplande bestemmingsplanwijziging en de geplande herinrichting van de locatie. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.