Vaststelling bp De Ruiting 3, 3a, 4, 4a, 5 en 7 (1299851)- Bijlage 2b8 bij toelichting Aanvullend natuuronderzoek buurtschap De Ruiting (NAW).pdf
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 364141 Referentienummer: Datum: 29-09-2021
Aanvullend natuuronderzoek Buurtschap De Ruiting Onderzoek voorkomen kleine marterachtigen en vleermuizen
Definitief
Buurtschap De Ruiting Esch
Sweco Zernikestraat 17 5612 HZ Eindhoven Postbus 1265 5602 BG Eindhoven
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V.
Jody Ettema
Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
M +31 6 53 99 74 18
Verantwoording Titel
Aanvullend natuuronderzoek Buurtschap De Ruiting
Subtitel
Onderzoek voorkomen kleine marterachtigen en vleermuizen
Projectnummer
364141
Referentienummer Revisie
D1.0
Datum
29-09-2021
Auteur
Jody Ettema
E-mailadres
jody.ettema@sweco.nl
Gecontroleerd door
Gijs Meijer
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Maarten Mouissie
Paraaf goedgekeurd
2 (10)
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................. 4
1.1
Aanleiding en doel ................................................................................................... 4
1.2
Leeswijzer ................................................................................................................ 4
2
Ligging en beschrijving planvoornemen ............................................................ 4
2.1
Ligging ..................................................................................................................... 4
2.2
Beschrijving deellocaties ......................................................................................... 5
2.3
Voorgenomen gebiedsontwikkeling ......................................................................... 5
2.3.1
Deellocatie De Ruiting 3/3a...................................................................................................6
2.3.2
Deellocatie De Ruiting 4........................................................................................................7
2.3.3
Deellocatie De Ruiting 5........................................................................................................7
2.3.4
Deellocatie De Ruiting 7........................................................................................................8
3
Onderzoeksmethodiek .......................................................................................... 8
3.1
Opzet onderzoek vleermuizen ................................................................................. 8
3.2
Opzet onderzoek kleine marterachtigen ................................................................ 10
4
Resultaten onderzoek en effectanalyse ............................................................ 11
4.1
Resultaten vleermuisonderzoek ............................................................................ 11
4.1.1
Deellocatie 3/3a ..................................................................................................................11
4.1.2
Deellocatie 4/4a ..................................................................................................................12
4.1.3
Deellocatie 7 .......................................................................................................................12
4.2
Effectanalyse vleermuizenonderzoek .................................................................... 13
4.3
Resultaten onderzoek kleine marterachtigen ........................................................ 14
4.4
Overige waargenomen soorten ............................................................................. 15
5
Conclusie .............................................................................................................. 15
5.1
Vleermuizen ........................................................................................................... 15
5.2
Kleine marterachtigen ............................................................................................ 15
5.3
Overige beschermde soorten ................................................................................ 15
Geraadpleegde literatuur .................................................................................................... 17
3 (10)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding en doel Buurtschap De Ruiting is voornemens om viertal samenhangende locaties aan De Ruiting te Esch, gemeente Haaren te herontwikkelen. Ten behoeve van de herontwikkeling dient het vigerende bestemmingsplan te worden gewijzigd. Crijns rentmeesters BV te Someren begeleidt de initiatiefnemers bij de te doorlopen ruimtelijke procedure. In het kader van de Wet natuurbescherming is op 12 januari 2021 door Lomans Ecowork een Quickscan Flora en Fauna opgesteld. Uit de Quickscan blijkt dat er mogelijk vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in de te verbouwen westelijke schuur aan De Ruiting 4 te Esch. Ook op de locaties De Ruiting 3/3a, en 7 waar kleine bijgebouwtjes gesloopt worden, zijn vleermuisverblijfplaatsen in betreffende schuren niet op voorhand uitgesloten. Met de verbouw- en sloopwerkzaamheden gaan mogelijk vleermuisverblijfplaatsen op alle locaties verloren en worden verbodsbepaling van art. 3.5 lid 4 overtreden. Alle aangrenzende deellocaties van de gebiedsontwikkeling vormen in meer of mindere mate geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen als bunzing, wezel en hermelijn. Mogelijk gaan vaste rust- en voortplantingsplaatsen verloren met de beoogde herontwikkeling en worden verbodsbepaling uit art. 3.10 1a en 1b overtreden.
Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/uitsluiten van aanwezigheid van bovengenoemde beschermde soorten/soortgroep die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. En op welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van deze soorten/soortgroep. 1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de ligging van planlocatie en het planvoornemen nader beschreven. Vervolgens volgt in hoofdstuk 3 de gehanteerde onderzoeksmethodiek voor voorliggend onderzoek gevolgd door de onderzoeksresultaten in hoofdstuk 4. Tevens volgt in dit hoofdstuk de effectanalyse van het planvoornemen voor beschermde soorten. Tot slot worden in hoofdstuk 5 de te nemen maatregelen nader beschreven.
2
Ligging en beschrijving planvoornemen
2.1 Ligging Het plangebied van de gebiedsontwikkeling ligt aan de westzijde van Esch, gemeente Boxtel en ten westen van de Essche stroom. De omgeving van De Ruiting kenmerkt zich door open agrarische percelen, (voormalige) intensieve veehouderijen, landschappelijk ingerichte percelen met vrijstaande woningen en natte natuur. Het plangebied omvat een viertal aangrenzende locaties aan De Ruiting.
4 (10)
Figuur 1.1 Ligging deellocaties gebiedsontwikkeling De Ruiting. 2.2 Beschrijving deellocaties De Ruiting 3/3a is onderverdeeld in twee deellocaties. Ter plaatse van De Ruiting 3 bevindt zich een historisch herenhuis met bijgebouwen, en op 3a is een vakantiewoning aanwezig. Het perceel is ingericht met veel groen- en landschappelijke elementen. Ten oosten van de bebouwing bevindt zich een voormalige visplas. De Ruiting 4/4a betreft een voormalige intensieve veehouderij met een bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen, een Vlaamse schuur en aanliggende agrarische percelen. Rondom de bebouwing bevinden zich grasveldjes en opgaand groen als boomsingels en solitaire bomen. Op het adres De Ruiting 5 is sprake van een voormalig rundveebedrijf. De bebouwing bestaat uit een langgevelboerderij en een veldschuur. Het aanliggende terrein bestaat uit graslandpercelen en enkele bomenrijen. De locatie De Ruiting 7 omvat de kern van de bestaande natuur in de Natte natuurparel en is aangemerkt als ‘Landgoed’. De bebouwing bestaat uit en cultuurhistorische boerderij met bijgebouwen omgeven door veel groen als houtwallen, bomenrijen en solitaire bomen. Ten oosten en zuiden liggen extensieve graslandpercelen met een poel en in de zuidoosthoek tegen de meander bevindt zich een moerasbosje.
2.3 Voorgenomen gebiedsontwikkeling In het kader van de herinrichting van de Essche stroom zijn een achttal deelprojecten opgesteld voor het gehele stroomgebied. Eén van de deelprojecten betreft kom Esch- De Ruiting en omvat o.a. de hermeandering van de Essche stroom, hermeandering van de Kleine Aa en verandering van de aansluiting op de Essche stroom, aanleg van kades bij de kom van Esch in combinatie met een vispassage, hoogwatergebieden en realisatie van nieuwe natuur. Het plangebied De Ruiting sluit zowel aan de oost- als aan de zuidzijde aan op de Essche stroom. In figuur 2.1 is de totale voorgenomen gebedsontwikkeling gevisualiseerd.
5 (10)
Figuur 2.1 Impressie integrale inrichtingsschets gebiedsontwikkeling De Ruiting. Voor de gronden is een integraal ontwikkelingsplan opgesteld waarbij behalve functionele wijzigingen, het accent zal liggen bij natuurontwikkeling en verbetering van het landschap. In de navolgende paragrafen is per deellocatie de bestaande situatie en de beoogde ontwikkeling beschreven met vervolgens een foto-impressie om een indruk te krijgen van de huidige inrichting. 2.3.1
Deellocatie De Ruiting 3/3a
Bestaande situatie De locatie De Ruiting 3 en 3a is onderverdeeld in twee deellocaties. Deze terreinindeling is gericht op het verbeteren van de natuurwaarden ter plaatse. Ter plaatse van De Ruiting 3 is een historisch herenhuis met bijgebouwen aanwezig binnen de woonbestemming. Binnen de recreatieve bestemming van De Ruiting 3a bevindt zich een recreatiewoning. Rondom het historische herenhuis is de tuin ingericht met veel opgaand groen, plantenborders, rondom de vakantiewoning liggen graspercelen omzoomd met hagen en struiken. De perceelsgrenzen zijn deels afgebakend met bomenrijen en stroken beplanting. Ten oosten van de bebouwing ligt een voormalige visplas.
6 (10)
Beoogde ontwikkeling De beoogde ontwikkeling betreft de herbestemming van de vorm van de vigerende woonbestemming waarbij de educatieve nevenactiviteit, de reeds vergunde bed & breakfast in een vrijstaand bijgebouw en in de woning, planologisch wordt verankerd. De achtergelegen gronden worden natuurlijk ingepast, passend bij de landschappelijke en hydrologische situatie ter plaatse. Tevens wordt de mogelijkheid geboden om een niet permanent natuurterrein te realiseren ten behoeve van natuureducatie. 2.3.2
Deellocatie De Ruiting 4
Bestaande situatie Ter plaatse van De Ruiting 4/4a was tot voor kort een intensieve veehouderij aanwezig. De locatie omvat enkele agrarische percelen met een groot oppervlak en bebouwing omzoomd met bomenrijen en overige groenstructuren. De bebouwing bestaat uit een bedrijfswoning met bijbehorende bed & breakfast, enkele reeds gesloopt stallen, een werkschuur met naastgelegen mestsilo (voorheen) ten behoeve van de varkenshouderij, een Vlaamse schuur en een klein kapelletje. Beoogde ontwikkeling De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van de veehouderij (reeds uitgevoerd), herinrichting van de bestaande werkschuur en de omzetting naar een gemengde bestemming ten behoeve van een zorgboerderij, wonen en natuur. Daarbij wordt de huidige bedrijfswoning met B&B omgezet naar een reguliere burgerwoning als nevenactiviteit. De bestaande Vlaamse schuur wordt in gebruik genomen als bedrijfswoning bij de beoogde zorgfunctie in de vorm van een zorgboerderij ter plaatse. De thans aanwezige ondersteunende horeca in de Vlaamse schuur wordt verplaatst naar de te handhaven werkschuur achter op het perceel. De gehele terreininrichting wordt gericht op natuurbeleving. Het nieuwe plan wordt landschappelijk ingepast met o.a. inpassing van bomenrijen, boomgroepjes, struwelen, solitaire bomen, bloemrijke graslanden en er zullen enkele poelen worden aangelegd.
Ook zullen extra natuurmaatregelen in de vorm van kunstmatige verblijfplaatsen voor vleermuizen (doelsoort) en vogels worden gerealiseerd. Ter bevordering van de migratie van de ree worden geen afrasteringen met prikkeldraad aangelegd. 2.3.3
Deellocatie De Ruiting 5
Bestaande situatie Aan De Ruiting 5 bevindt zich een voormalig rundveebedrijf. De bebouwing bestaat uit een langgevelboerderij en een veldschuur met bijbehorende tuin en erfbeplanting. Alle stallen zijn inmiddels gesloopt en de vergunning voor de veehouderij is ingetrokken. De beoogde ontwikkeling betreft de gedeeltelijke omzetting van de huidige agrarische bestemming met bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning en gedeeltelijk naar bedrijfswoning ten behoeve van de beoogde recreatie ter plaatse. Daarbij zal de bestaande veldschuur worden aangepast en het voormalige stalgedeelte van de langgevelboerderij worden verbouwd tot een woning met logies. Ook zal hierbij een bijgebouw worden opgericht. Daarnaast worden ter plaatse vakantieappartementen en een horecapaviljoen met terras beoogd. De gehele terreininrichting zal gericht zijn op natuurbeleving. Zo wordt o.a. een boomgaard aangelegd met een bloemrijk grasland, groensingels, een laan, diverse
7 (10)
hagen en bomenrijen. Verder worden er nieuwe sloten gegraven en bestaande sloten gedempt. 2.3.4
Deellocatie De Ruiting 7
Bestaande situatie De locatie De Ruiting 7 omvat de kern van de bestaande natuur in de Natte Natuurparel en is aangemerkt als landgoed onder de Natuurschoonwet 1928 (NSW). Bestemmingsplanmatig wordt aan de locatie tevens de aanduiding ’landgoed’ toegevoegd. De locatie bestaat uit een cultuurhistorisch waardevolle boerderij met bijgebouwen gelegen in een landschappelijk ingerichte tuin. Ten oosten en aan de zuidzijde bevinden zich agrarische percelen, een bomenrij, boomgroepjes en een poel. Ten behoeve van de herontwikkeling zal de cultuurhistorische boerderij puur planologisch worden gesplitst in twee woonéénheden, waarbij eveneens de vergunde bed & breakfast wordt verankerd binnen de woonbestemming. Daarnaast zal het bouwvallige paardenstalletje/opbergruimte worden gesloopt en vervangen door een nieuwe stal en wordt een schuur opgericht voor landbouwmachines voor de bewerking van omliggende gronden. Aan de rand van de huidige ponyweide zal een deel van de randbeplanting worden verwijderd. De terreininrichting is gericht op het verhogen van de natuur- en belevingswaarde van het landgoed. Het landgoed zal ingericht worden met wandelpaden, de bestaande poel wordt vergroot tot een natuurplas en een tweede waterpartij zal worden aangelegd ter vervanging van de diepe sloot ter plaatse.
Verder worden landschapselementen zoals een boomgaard, hagen, boomgroepjes, bomenrijen en struwelen aangeplant en zullen natuurgraslanden worden ingezaaid en als zodanig in de toekomst worden beheerd.
3
Onderzoeksmethodiek
3.1 Opzet onderzoek vleermuizen Uit het verkennend natuuronderzoek blijkt dat zich enkele te amoveren of verbouwen bebouwing binnen het plangebied bevinden, die mogelijk een functie hebben als voortplantings- en/of rustplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Het onderzoek omvat de volgende aandachtspunten: • De Ruiting 3/3a; Op het terrein bevindt zich een klein laag bijgebouwtje met een pannendak, houten dakbeschot, houten boeiboorden en gepotdekselde planken gevels. Alhoewel tijdens de Quickscan door Lomans Ecowork geen sporen zijn aangetroffen, kan niet worden uitgesloten dat het gebouwtje verblijfsfuncties vervult voor vleermuizen. Met name tussen spleten en kieren achter boeiboorden, gepotdekselde gevels en tussen pannen en dakbeschot kunnen vleermuisverblijfplaatsen niet zondermeer worden uitgesloten. Nader onderzoek is noodzakelijk om de aanwezigheid van verblijfplaatsen te bepalen. • De Ruiting 4/4a; Achter op het terrein bevindt zich de te verbouwen werkschuur, welke is opgetrokken uit een deels bakstenen muur met een dichte spouw deels houten gepotdekselde planken en houten boeiboorden. De boeiboorden en dakrand bieden mogelijk een verblijfsfunctie voor vleermuizen. Nader onderzoek is noodzakelijk om de aanwezigheid van verblijfplaatsen in de werkschuur te bepalen.
• De Ruiting 7; Het te slopen paardenstalletje met bergruimte heeft een golfplaten dak met deels dakbeschot van eternietplaat met grote gaten. De gevels bestaan deels uit houten planken en een deel van de gevel bestaat uit gepotdekselde schaaldelen. Het is niet uit te sluiten dat vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in
8 (10)
het schuurtje. Nader onderzoek is noodzakelijk om de aanwezigheid van verblijfplaatsen te bepalen. Het vleermuizenonderzoek is uitgevoerd conform het vigerende vleermuisprotocol (NGB, versie 2021). Hierbij is de benodigde onderzoeksinspanning geleverd om een mogelijke functie van het plangebied voor vleermuizen vast te stellen met nadruk op het vaststellen van verblijfplaatsen in te amoveren/verbouwen bebouwing. Gedurende diverse veldbezoeken is de benoemde bebouwing en directe omgeving geïnventariseerd op functioneel gebruik door vleermuizen. Inventarisaties zijn uitgevoerd door 1 onderzoeker tijdens gunstige weersomstandigheden met een heterodyne batdetector, voorzien van time expansion (type: Petterson ultrasound D240x) met opnameapparatuur. Tevens is gebruik gemaakt van een warmtecamera (type Pulsar Helion XP38). Voorafgaande aan ieder veldbezoek zijn potentiële invliegopeningen naar achterliggende verblijfplaatsen visueel geïnspecteerd op aanwezigheid van sporen die duiden op gebruik. In tabel 3.1 is het overzicht weergegeven van de inventarisatiemomenten van de veldbezoeken, de mogelijk aanwezige functie en weersomstandigheden. Alle veldbezoeken zijn uitgevoerd door Jody Ettema, een ter zake kundig ecoloog van Sweco Nederland BV uitgevoerd (zie kader).
Ter zake kundig Onder een ecologisch deskundige wordt binnen de kaders van de Wet natuurbescherming een persoon verstaan die aantoonbare kennis en ervaring heeft op het gebied van soort specifieke ecologie doordat deze: · op HBO- of universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie, en/of; · als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en/of werkzaam is voor een terrein beherende organisatie; · zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soorten monitoring en/of -bescherming. Tabel 3.1 Datum
Dagdeel
Tijd
Doel(en)
Weer
20-05-2021
Avondbezoek
20:49 – 23:49
Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied De Ruiting 4/4a (werkschuur voorzijde e.o.)
22° C, droog, bewolkt, 2 Bft
24-05-2021
Avondbezoek
20.40 – 0.12
Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied De Ruiting 7
19° C, droog, bewolkt, 2 Bft
25/05/2021
Ochtendbezoek
02:24 – 05:24
Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied Ruiting 3
16,6° C, droog, half bewolkt, 3 Bft
27-05-2021
Avondbezoek
20.56 – 0.09
Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied De Ruiting 4/4a (werkschuur achterzijde e.o.)
18° C, droog, half bewolkt, 2 Bft
10-06-2021
Avondbezoek
21:16 – 0:28
Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied De Ruiting 4/4a (werkschuur voorzijde e.o.)
18° C, droog, bewolkt, 1 Bft
9 (10)
21-06-2021
Avondbezoek
21.12 – 0.37
Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied De Ruiting 7
17° C, droog, bewolkt, 2 Bft
22-06-2021
Ochtendbezoek
02:43 – 06:11
Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied De Ruiting 4 (werkschuur achterzijde e.o.)
13,6° C, droog, bewolkt, 1 Bft
28-06-2021
Ochtendbezoek
03:38 – 06:21
Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied De Ruiting 3
10,6° C, droog, bewolkt, 1 Bft
05-07-2021
Ochtendbezoek
03:38 – 06:19
Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied De Ruiting 5
10,6° C, droog, bewolkt, 1 Bft
12-07-2021
Avondbezoek
21.34 – 0.38
Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied De Ruiting 7
17° C, droog, bewolkt, 1 Bft
15-07-2021
Avondbezoek
21.37 – 0.52
Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied De Ruiting 3
19° C, droog, half bewolkt, 1 Bft
30-08-2021
Avondbezoek
20.30 – 1.30
Verblijfplaatsen en foerageergebied De Ruiting 3, 4/4a, 5 en 7
11° C, droog, half bewolkt, 0 Bft
20-09-2021
Avondbezoek
20.45 – 1.00
Verblijfplaatsen en foerageergebied De Ruiting 3, 4/4a, 5 en 7
7° C, droog, half bewolkt, 0 Bft
3.2 Opzet onderzoek kleine marterachtigen Uit de Quickscan blijkt dat een functie van het plangebied als (essentieel) leefgebied voor kleine marterachtigen, zoals bunzing, wezel, hermelijn en steenmarter niet kon worden uitgesloten. Hierdoor is uitvoering van soort specifiek onderzoek naar deze soortgroep noodzakelijk geacht. Er is onderzoek naar kleine marterachtigen uitgevoerd conform de Handreiking Kleine Marters van provincie Noord-Brabant. Deze stelt dat aangenomen kan worden dat er geen leefgebied voor marterachtigen aanwezig is, als er tijdens een onderzoeksinspanning van minimaal zes weken binnen in de periode maart tot en met augustus, of in twaalf weken buiten deze periode, geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Op basis van de grootte van het plangebied is, rekening houdend met verschillende deellocaties, conform de Handreiking Kleine Marters, bepaald hoeveel en welke camera’s nodig zijn om de verschillende kleine marterachtigen te kunnen vaststellen. Er is gekozen voor de inzet van acht Struikrovers en twee Mostella’s met in ieder een vergelijkbaar type camera, strategisch geplaatst op de meest kansrijke locaties binnen het plangebied. Rond de vooraf in beeld gebrachte plekken is in het veld naar geschikte schuilplekken voor bunzing, steenmarter, wezel en hermelijn gezocht.
Geschikte schuilplaatsen zijn bijvoorbeeld houtstapels, rommelige hoeken en vegetatie met dikke strooisellaag op markante plekken (bijvoorbeeld rondom schuurtjes bij takkenrillen en bosschages). Vervolgens zijn de cameravallen neergezet in de nabijheid van geschikte schuilplaatsen. Met name de te amoveren/verbouwen bebouwing is op een drietal momenten visueel geïnspecteerd op sporen (zoals schijt-, krab-, en vraatsporen) van kleine marterachtigen die duidden op het gebruik van bebouwing en terrein als leefgebied. Naast het onderzoek met camera’s is gebruik gemaakt van bekende verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2021). Bij het gebruik van waarnemingen uit de NDFF is rekening gehouden met de juridische houdbaarheid van gegevens (3-5 jaar). Oudere waarnemingen van bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel zijn gebruikt om een beeld te geven van de ecologische potenties van onderzoeksgebied. In figuur 3.1 zijn de locaties van geplaatste cameravallen weergegeven. Deze zijn geplaatst op 26 april 2021, gecontroleerd op 6 mei en vervolgens op 10 juni 2021 opgehaald. Bij
10 (10)
terugkomst zijn de camera’s uitgelezen en de beelden geanalyseerd. Per locatie zijn de (eventuele) marterachtigen genoteerd waarbij een inschatting is gemaakt van het aantal dieren. Daarnaast zijn alle overige waargenomen soorten (m.n. zoogdieren en vogels) vastgelegd.
Figuur 3.1 Locaties geplaatste Struikrovers (blauwe stippen) en Mostella’s (blauwe stippen). Deellocatie 4/4a is niet betrokken bij het onderzoeksgebied vanwege reeds eerder uitgevoerd onderzoek (Lomans, 2020) naar het voorkomen van kleine marterachtigen.
4
Resultaten onderzoek en effectanalyse
4.1 Resultaten vleermuisonderzoek In de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar nauwelijks waarnemingen van vleermuizen uit het onderzoeksgebied ingevoerd. In 2014 zijn een rosse vleermuis en gewone dwergvleermuis waargenomen. Nadien zijn geen waarnemingen bekend uit het plangebied. 4.1.1 Deellocatie 3/3a Tijdens het vleermuisonderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de te amoveren schuur. Ook in het ruimere onderzoeksgebied zijn geen zomer- en/of kraamverblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Er zijn tevens geen zwermende of invliegende vleermuizen vastgesteld. Tijdens verschillende ochtend- en avondrondes zijn diverse vleermuizen foeragerend aangetroffen op het terrein van de betreffende deellocatie. Diverse reeds aanwezige vleermuiskasten aan de woning zijn geïnspecteerd om een indruk te krijgen van aanwezige soorten, echter zijn hierin geen dieren aangetroffen, danwel sporen gevonden die duiden op recent gebruik. Met de name de aanwezige erfbeplanting en veelal hoog opgaande groene aankleding van deellocatie De Ruiting 3/3a vormen een functioneel jachtgebied voor de watervleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone/grijze grootoorvleermuis. De aan de oostzijde gelegen visplas vormt een goed ontwikkeld functioneel foerageergebied voor de watervleermuis. Het is zeer aannemelijk dat de plas met structuurrijk oeverbeplanting
11 (10)
essentieel leefgebied vormt voor de soort. Er zijn met name tijdens de voorjaar- en zomerperiode regelmatig vijf tot tien watervleermuizen foeragerend vastgesteld op en rondom de visplas. Op de open delen van het terrein zijn tevens een drietal foeragerende laatvliegers vastgesteld en een enkele kortdurende waarneming van een gewone/grijze grootoorvleermuis. Tussen de boomkronen langs de noordzijde van het terrein wordt steevast gefoerageerd door een zestal gewone dwergvleermuizen. De aanwezige houtwal fungeert daarbij als vliegroute voor watervleermuizen en gewone dwergvleermuizen tussen verblijfplaatsen buiten het onderzoeksgebied en het jachtbiotoop op de visplas. 4.1.2 Deellocatie 4/4a Tijdens het vleermuisonderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de te verbouwen werkschuur. Er zijn geen zwermende of invliegende vleermuizen vastgesteld of gedrag waargenomen dat duidt op functioneel gebruik van de werkschuur op het terrein. Tijdens het onderzoek in het voorjaar en zomer zijn enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen en een enkele laatvlieger foeragerend aangetroffen ter hoogte van de houtwal langs de noordwest grens van het terrein. De houtwal biedt dekking en geschikt jachtbiotoop voor de gewone dwergvleermuis, welke wisselend gebruik maken van deze houtwal.
Vliegroutes ontbreken, de houtwallen langs de noord- en zuidzijde van de deellocatie vormen geen netwerkverbinding in het landschap voor vleermuizen. De houtwallen eindigen na ca 150 meter vanaf de weg (De Ruiting), waardoor enige aansluiting op andere landschapselementen ontbreekt. 4.1.3 Deellocatie 7 Tijdens het onderzoek in het voorjaar en zomer zijn foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen langs de bosschages aan de noordzijde. De te amoveren paardenstal is onderzocht op aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Deze zijn echter niet aangetroffen. Tijdens het najaar is een enkele gewone dwergvleermuis waargenomen foeragerend rondom een appelboom in naastgelegen weiland. Een groot deel van de deellocatie omvat open terrein, waardoor voor vleermuizen een beperkte oppervlakte functioneel leefgebied aanwezig is. Dit is merkbaar aan het ontbreken van waarnemingen van foeragerende vleermuizen. Tevens ontbreken geschikte lijnvormige structuren die vleermuizen kunnen geleiden als vliegroute tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. In figuur 4.1 zijn de waarnemingen van vleermuizen weergegeven tijdens het onderzoek. hierbij
12 (10)
Figuur 4.1 Waarnemingen vleermuizen binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied met waarnemingen (stippen) van foeragerende gewone dwergvleermuizen (licht blauw), laatvliegers (donkerblauw), watervleermuizen (geel) en een enkele waarneming van een grootoorvleermuis (groen). De lichtblauwe pijlen zijn functionele vliegroutes van de gewone dwergvleermuis. 4.2 Effectanalyse vleermuizenonderzoek Door vanuit verschillende strategisch gekozen posities de deellocaties en dan met name de te amoveren/verbouwen bebouwing te onderzoeken, konden mogelijke in- en uitvliegende vleermuizen goed worden geobserveerd. Posities zijn voorafgaande aan de start van de uitvoering bepaald en op iedere locatie afgestemd. Er zijn echter geen rust- en voortplantingsverblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld binnen de te amoveren/verbouwen bebouwing binnen het onderzoeksgebied. Derhalve zijn ook geen nadere vervolgstappen noodzakelijk en is een ontheffingsplicht inzake de Wet natuurbescherming niet van toepassing. Uit het vleermuizenonderzoek blijkt wel dat het onderzoeksgebied delen omvat die functioneel leefgebied van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en de gewone/grijze grootoorvleermuis vormen. De deellocaties De Ruiting 4/4a en 7 bieden beperkt functioneel leefgebied voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger.
Beide soorten zijn incidenteel foeragerend op beide terreinen waargenomen. Het betreft hooguit 2 tot 3 individuen die veelal kortstondig foeragerend zijn waargenomen. Hetgeen is te verklaren doordat het areaal geschikt jachtbiotoop beperkt is tot randbeplanting en smalle houtwallen met gebrek aan structuur en variatie. Tevens kenmerken beide deellocaties zich het open karakter met weinig dekking. Het is aannemelijk dat met de voorgenomen gebiedsontwikkeling met voornemens tot aanplant van diverse landschapselementen, waaronder bomenrijen, houtwallen, hagen, poelen en natuurlijke graslanden het aandeel functioneel leefgebied wordt vergroot. Het buurtschap De Ruiting richt zich op een gebiedsontwikkeling dat een versterking van de aanwezige natuur- en landschapswaarden gaat opleveren. Het behoud van functioneel leefgebied voor de watervleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone/grijze grootoorvleermuis heeft daarbij de benodigde aandacht.
13 (10)
Op deellocatie De Ruiting 3/3a vigeert grotendeels al als functioneel leefgebied voor vleermuizen. De aan de oostzijde gelegen visplas vormt een goed ontwikkeld functioneel foerageergebied voor de watervleermuis. Het is zeer aannemelijk dat de plas met structuurrijk oeverbeplanting essentieel leefgebied vormt voor de soort. Deze plas blijft met het planvoornemen haar functie behouden. Het te slopen schuurtje vormt geen functionele verblijfplaats. Deze kan gesloopt worden zonder dat dit leidt tot aantasting van omliggende essentiële verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. De (sloop)werkzaamheden kunnen overdag worden uitgevoerd, waardoor ook eventuele verstoring door toepassing van licht wordt voorkomen. 4.3 Resultaten onderzoek kleine marterachtigen Van de 10 camera’s zijn ruim 8.500 opnames gemaakt en geanalyseerd. Er zijn verschillende soorten waargenomen, waaronder egels, bosmuizen, bruine ratten en winterkoning. In onderstaande paragrafen zijn de resultaten van het onderzoek beschreven ion relatie tot de doelsoorten. Tijdens het camera onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan van bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter. Tevens zijn er geen sporen aangetroffen die duiden op structureel gebruik van de deellocaties als leefgebied door deze soorten. Op een afstand van ca.
600 meter tot het onderzoeksgebied is in 2018 een doodgereden bunzing vastgesteld (NDFF 2011 - 2021) langs de Haarenseweg. Overige waarnemingen van de bunzing ontbreken binnen een straal van enkele kilometers tot het plangebied over de afgelopen 10 jaar. Op basis van het uitgevoerde onderzoek door Sweco en bekende verspreidingsgegevens wordt verwacht dat de bunzing alleen lokaal voorkomt in de omgeving. Ook uit het onderzoek op deellocatie De Ruiting 4/4a door Lomans (2020) blijkt dat leefgebied van de bunzing ontbreekt, ondanks de aanwezigheid van geschikt biotoop voor de soort. Uit bestaande gegevens uit het NDFF (2011 – 2021) blijkt tevens dat de hermelijn niet in het plangebied of de directe omgeving is waargenomen. De dichtstbijzijnde waarnemingen zijn afkomstig van de Kampina op een afstand van meer dan tien kilometer tot het plangebied. Daarnaast zijn diverse waarnemingen bekend uit het Bossche Broek ten zuiden van ’sHertogenbosch op een vergelijkbare afstand. Gelet op het ontbreken van waarnemingen, aanwezigheid van beperkt geschikt biotoop wordt verwacht dat de hermelijn niet of alleen zeer lokaal voorkomt in natte terreindelen binnen het onderzoeksgebied en in de directe omgeving.
De hermelijn is een schaarse soort binnen de provincie Noord-Brabant met een beperkt en selectief biotoop, welke hoofdzakelijk bestaat uit de nattere terreindelen binnen en rondom natuurgebieden. Het terrein rondom de visplas aan De Ruiting 3/3a vormt zeer geschikt biotoop. Deze ligt echter wel wat geïsoleerd van overige natte gebieden in de omgeving zoals de Halse Beemden ten noorden van Esch. Op basis van het camera onderzoek door Sweco blijkt tevens dat de soort ter plaatse niet voorkomt. Ook uit het onderzoek op deellocatie De Ruiting 4/4a door Lomans (2020) blijkt dat leefgebied van de hermelijn ontbreekt. Op een afstand van 1.500 meter tot het onderzoeksgebied is in 2020 een doodgereden wezel vastgesteld (NDFF 2011 - 2021) langs de Witvensedijk. Op een vergelijkbare afstand is tevens in 2013 een dood exemplaar aangetroffen langs de Essche stroom ter hoogte van landgoed Eikenhorst. Het is aannemelijk dat de wezel lokaal voorkomt in de omgeving. De Ruiting is van oudsher herkenbaar aan het wat meer kleinschalige landschap. Door schaalvergroting van agrarische bedrijven en toename van openheid in het landschap, is het aannemelijk dat soort minder prominent aanwezig is geworden. Het voorkomen binnen het onderzoeksgebied is uitgesloten op basis van het uitgevoerde onderzoek en
14 (10)
beschikbare verspreidingsgegevens. Het is te verwachten dat met de aanleg van verschillende landschapselementen (zoals hagen, bomenrijen, natuurlijke graslanden en poelen) een toename van geschikt biotoop ontstaat met een mogelijke toekomstige hervestiging van de soort. Uit beschikbare gegevens zijn geen waarnemingen van de steenmarter bekend uit het onderzoeksgebied. De meeste nabije waarneming van een steenmarter betreft een waarneming uit het bosgebied Sparrenrijk ten oosten van Esch op een afstand van minimaal 1,5 kilometer. Het is aannemelijk dat de steenmarter lokaal voorkomt in de omgeving van Esch. Het voorkomen binnen het onderzoeksgebied is echter uitgesloten op basis van het uitgevoerde onderzoek en het ontbreken van verspreidingsgegevens. Het is te verwachten dat met de aanleg van verschillende landschapselementen (zoals hagen, bomenrijen, natuurlijke graslanden en poelen) een toename van geschikt biotoop gaat ontstaan en hervestiging te verwachten is. 4.4 Overige waargenomen soorten Naast de onderzochte soorten is gelet op overige beschermde soorten die mogelijk een raakvlak kunnen hebben met het planvoornemen. Hierbij is vastgesteld dat de te verbouwen werkschuur op deellocatie De Ruiting 4/4a een jaarrond beschermde rustplaats vormt voor de Kerkuil.
De functionaliteit als rustplaats bleek uit de nadere inspectie die is uitgevoerd op aanwezigheid van kleine marterachtigen in en rondom de werkschuur. De mogelijke aanwezigheid van de soort is niet gebleken uit het verkennend natuuronderzoek door Lomans (2021). Echter, gelet op het nadere onderzoek naar de rustplaats, is het aannemelijk dat de kerkuil nog niet lang aanwezig is. Dit berust op aanvullend onderzoek naar de soort. Hiervoor is in bijlage 1 een korte memo voor opgenomen. Uit de memo blijkt dat ontheffingsplicht inzake de Wet natuurbescherming vanwege het aantasten en opzettelijk verstoren van een jaarrond beschermde rustplaats van de kerkuil.
5
Conclusie
5.1 Vleermuizen Tijdens het vleermuisonderzoek zijn vier vleermuissoorten aangetroffen; gewone dwergvleermuis, watervleermuis, gewone/grijze grootoorvleermuis en laatvlieger. Deze soorten zijn alleen foeragerend en langs vliegroutes aangetroffen. Op essentiële foerageergebieden en vliegroutes worden echter geen negatieve effecten verwacht. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aangetroffen in de te amoveren of herinrichten bebouwing. In de huidige situatie is slechts beperkt verlichting aanwezig en in de toekomst zal dit naar verwachting enigszins toenemen. Indien rekening wordt gehouden met de toepassing van verlichting zijn negatieve effecten op vleermuizen te voorkomen. De voorgenomen gebiedsontwikkeling kan met het oog op leefgebied voor vleermuizen doorgang vinden vanuit de Wet natuurbescherming. 5.2 Kleine marterachtigen Tijdens het onderzoek naar kleine marterachtigen zijn geen bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter aangetroffen. Er worden met de voorgenomen gebiedsontwikkeling geen negatieve effecten op essentieel leefgebied van betreffende soorten verwacht. Verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen in de te amoveren of herinrichten bebouwing. 5.3 Overige beschermde soorten Zoals beschreven in paragraaf 4.4 en bijlage 1 is binnen de werkschuur op deellocatie De Ruiting 4/4a een rustplaats van de kerkuil vastgesteld. Gelet op de voornemens voor het
15 (10)
verbouwen van de werkschuur, zijn negatieve effecten door aantasting en verstoring onvermijdelijk. Hetgeen leidt tot overtreding van verbodsbepalingen inzake de Wet natuurbescherming en de noodzakelijke ontheffingsplicht. Om de voorgenomen verbouwing te kunnen uitvoeren dient een ontheffingsaanvraag te worden opgesteld en geldt inachtneming van het nemen van passende maatregelen om effecten tijdig te kunnen ondervangen. U dient rekening te houden met een formele doorlooptijd van 20 weken voor het doorlopen van de ontheffingsprocedure, evenals het tijdig nemen van mitigerende maatregelen. Het strekt de aanbeveling om hiervoor een begeleidend deskundig ecoloog in te schakelen.
16 (10)
Geraadpleegde literatuur BERGERS, P.J.M., 1997a. Kleine zoogdieren inventariseren: het kan efficiënter. Zoogdier 8(3): 3-7. BERGERS, P.J.M., 1997b. Kleine zoogdieren inventariseren: Betrouwbaarheid en ruimtelijke dynamiek. Zoogdier 8(4): 15- 19. BERGERS, P.J.M., M. LA HAYE, 1999. Kleine zoogdieren betrouwbaarder inventariseren. De Levende Natuur 101(2): 52-58. BEUSEKOM, R. VAN, HUIGEN P., HUSTINGS F., DE PATER, K. & THISSEN J. (RED.), 2005. Rode Lijst van Nederlandse broedvogels. Tirion uitgevers B.V., Baarn. BOUWENS, S., 2017. Handreiking kleine marterachtigen in relatie tot soortbescherming, Provincie Noord-Brabant, Zoogdiervereniging, Nijmegen. BOUWENS, S., 2017. Handreiking Kleine Marterachtigen in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging in opdracht van Provincie Noord-Brabant. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. DIJK A.J. VAN & A. BOELE, 2011. Handleiding SOVON Broedvogel‐ onderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. GRIMMBERGER, E., 2001. Gids van de Vleermuizen van Europa. Tirion, Baarn. NATUURLIJKE ZAKEN, 2017. Kleine marters, ecologie en bescherming. Natuurlijke zaken, Heiloo. RUD NHN, 2017.
Wezel, Hermelijn en Bunzing beschermd in Noord-Holland, Handreiking bescherming en onderzoek kleine marterachtigen. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. ZOOGDIERVERENIGING VZZ, 2007. Basisrapport voor de Rode Lijst zoogdieren volgens Nederlandse en IUCN-Criteria, VZZ rapport 2006.027. 2e herziene druk, Zoogdiervereniging VZZ, Arnhem
17 (10)
Bijlage 1
Memo onderzoek kerkuil
18 (10)
Memo Onderwerp: Aanwezigheid jaarrond beschermde rustplaats kerkuil Projectnummer: 364141 Referentienummer: Datum: 29-09-2021
Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Naast de onderzochte soorten (vleermuizen en kleine marterachtigen) is gelet op het voorkomen van overige beschermde soorten die mogelijk een raakvlak kunnen hebben met het planvoornemen. Hierbij is vastgesteld dat de te verbouwen werkschuur op deellocatie De Ruiting 4/4a een jaarrond beschermde rustplaats vormt voor de Kerkuil. De functionaliteit als rustplaats bleek uit de nadere inspectie die is uitgevoerd op aanwezigheid van kleine marterachtigen in en rondom de werkschuur. De mogelijke aanwezigheid van de soort is niet gebleken uit het verkennend natuuronderzoek door Lomans (2021). Om een beter beeld te krijgen van de functie van de werkschuur voor de kerkuil en de noodzaak voor ontheffingsplicht is voorliggende memo opgesteld.
Toelichting onderzoek en effectanalyse 2.1
Aanvullend onderzoek en verspreidingsinformatie
2.1.1 Aanvullend onderzoek Het planvoornemen voor gebiedsontwikkeling van De Ruiting is middels is middels een verkennend natuuronderzoek door Lomans (2021) getoetst de noodzaak voor soort specifiek onderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake is van aantasting en verstoring van rust- en/of voortplantingsplaatsen van de kerkuil en nadere vervolgstappen niet noodzakelijk zijn. Op basis van het aantreffen van de kerkuil is een plan van aanpak voor nader onderzoek uitgezet. Vanaf de aanvang van het aanvullend onderzoek naar vleermuizen en kleine marterachtigen is de werkschuur aan de deellocatie De Ruiting 4/4a periodiek geïnspecteerd op het gebruik van de kerkuil. Dit houdt in, dat in de periode eind april tot half september een vijftal inspecties hebben plaatsgevonden, gespreid over de betreffende periode. Hierbij is o.a. gekeken naar de frequentie van aanwezigheid aan de hand van braakballen, schijtsporen en ruiveren). De inspanning wijkt daarmee enigszins af van het protocollair onderzoek naar de Kerkuil, doch geeft een goed beeld van het structureel gebruik. Immers, de onderzoeksinspanning had de intentie om het structurele gebruik in beeld te krijgen en niet om vast te stellen of de soort aanwezig is. Vanaf het eerste moment van aantreffen van de kerkuil zijn krijtsporen en braakballen geïnventariseerd.
De braakballen zijn verwijderd om een beter beeld te krijgen van de frequentie en duur waarmee de kerkuil aanwezig is. 2.1.2 Aanvullende verspreidingsinformatie Als aanvulling op het onderzoek heeft recent bureauonderzoek plaatsgevonden. In lijn met het Kennisdocument Kerkuil zijn diverse bronnen geraadpleegd, waaronder het NDFF,
Sweco Zernikestraat 17 5612 HZ Eindhoven Postbus 1265 5602 BG Eindhoven
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Jody Ettema
M +31 6 53 99 74 18 jody.ettema@sweco.nl 1 (4)
beschikbare verspreidingsatlassen, onderzoeksrapporten uit de omgeving en is contact opgenomen met de regionale uilenwerkgroep via het Brabants Landschap. Op basis van beschikbare informatie blijkt dat in het verleden (2019) zich voorafgaande aan de sloop van enkele veestallen aan De Ruiting 2b, waarschijnlijk ter plaatse een rustplaats van de kerkuil bevond. Aansluitend op de sloop zijn een tweetal kerkuilkasten geplaatst in de omgeving, waaronder een kerkuilkast aan De Ruiting 3 te Esch en de Koolwijksestraat 1 te Haaren. Beiden locaties liggen geografische gezien aan weerszijden van de werkschuur aan De Ruiting 4/4a, zoals ook is te zien in figuur 2.1. Uit gegevens blijkt, dat beide nestkasten vooralsnog niet in gebruik zijn genomen als rust of voorplantingslocatie. Overige waarnemingen van kerkuilen uit de omgeving zijn het vaststellen van een kerkuil aan de Witvensedijk richting Vught in 2019 en een waarneming op de Leunisdijk richting Boxtel in hetzelfde jaar. Verder is een jong dood exemplaar gevonden in de schooltuin achter de basisschool Willibrordus in februari 2021. Tevens is bekend dat de kerk van Esch jarenlang een rustplaats is geweest voor de soort. 2.1.3 Verspreidingsbeeld Uit broedgegevens) uit de periode 2019-2020 blijkt dat een territoriale bezetting van kerkuilen ontbreekt in de omgeving van Buurtschap De Ruiting.
Van de bekende nestkasten rondom De Ruiting 4/4a zijn geen succesvolle broedpogingen of aanvullende territoria bekend sinds plaatsing van kasten in augustus en oktober 2019. Kerkuilen in de omgeving van Esch hebben echter in verder van de locatie af gelegen kasten zeer succesvol gebroed in hetzelfde jaar. In 2020 waren de resultaten aanzienlijk minder succesvol. Het verspreidingsbeeld van de kerkuil toont aan, dat deze met name wordt bepaald door geplaatste nestkasten met broedparen en veelal individuen met een eigen territorium. 2.1.4 Huidig leefgebied De omgeving van De Ruiting 4/4a is geschikt als leefgebied voor kerkuil door de ligging in halfopen cultuurlandschap met beschikking over open schuren, open velden, houtwallen en bosjes. De werkschuur vormt een rustplaats die in 2021 voor een reeds langere aangesloten periode in gebruik is als rustplaats. De mogelijkheden voor een broedlocatie is aanwezig in de werkschuur, doch aanwijzingen die duidden op paarvorming of broedpogingen zijn niet vastgesteld. Tevens is de werkschuur meerdere malen grondig visueel geïnspecteerd op nestbouw en aanwezigheid van jongen. De kerkuil is tweemaal territorium indicerend (roepend) vastgesteld tijdens het vleermuisonderzoek ter plaatse. De gemiddelde grootte van een territorium van de soort betreft een straal van 800 meter tot naburige territoria.
Hierdoor is het aannemelijk dat de geplaatste kerkuilkasten aan De Ruiting 3 en de Koolwijksestraat 1 in 2019, zich binnen het territorium van de huidige verblijfplaats en aanwezige kerkuil in de werkschuur aan De Ruiting 4/4a bevinden, zoals weergegeven in figuur 2.1. Het leefgebied van de soort omvat de ruige slootkanten, hagen, bosje, houtsingels en extensief beheerde graslanden in de omgeving. In de omgeving van de rustplaats zijn deze met name rondom De Ruiting te vinden. Op het terrein aan De Ruiting 4/4a zelf is dit beperkt door het rommelige karakter, ruige slootkanten en een tweetal houtwallen.
2 (4)
Figuur 2.1 Locatie rustplaats kerkuil (gele stip) aan De Ruiting 4/4a ten opzichte van beschikbare nestkasten (groene stippen). 2.2
Effectanalyse
2.2.1 Individueel Op grond van deze beschikbare informatie blijkt dat aanwezigheid van de kerkuil in de werkschuur vermoedelijk het individu betreft, dat afkomstig is van de voormalige rustplaats aan De Ruiting 2b. Er zijn geen aanwijzingen die duiden op de aanwezigheid van een broedpaar ter plaatse, danwel in de directe omgeving. Met de voorgenomen verbouwing van de werkschuur is het aannemelijk dat de jaarrond beschermde verblijfplaats haar functionaliteit verliest als gevolg van de voorgenomen verbouwingswerkzaamheden evenals het toekomstige gebruik als recreatieve ruimte. Hierdoor zal sprake zijn van een toename van verstoring rondom de werkschuur, hetgeen zal leiden tot het verlaten van de rustplaats. De omgeving van de kerkuil zal gefaseerd worden omgevormd tot een meer natuurlijke situatie. Met het landschapsplan wordt ingezet op een aanzienlijke uitbreiding met verschillende landschapselementen. De voorgenomen ingreep zal hierdoor met name leiden tot vergroting van beschikbaar leefgebied van de kerkuil. Negatieve effecten vanuit de ingreep hebben dus louter effect op de aanwezige rustplaats in de werkschuur. Rust- en voorplantingsplaatsen van de kerkuil zijn jaarrond beschermd indien deze van essentieel belang zijn voor de soort.
Op grond van artikel 3.1 lid 2 Wet natuurbescherming geldt voor het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten van vogels, een ontheffingsplicht.
3 (4)
2.2.2 Populatieniveau De landelijke staat van instandhouding van de kerkuil is gunstig met een toenemende trend in aantal (SOVON). Uit het onderzoek is gebleken dat de werkschuur aan De Ruiting 4/4a in gebruik is als roestplaats voor de kerkuil. Door de beschikbaarheid van minimaal twee alternatieve verblijfplaatsen binnen het territorium, evenals het uitvoeren van de passende maatregelen blijft de beschikbaarheid van rustplaatsen gewaarborgd. Gelet op de voornemens voor vergroting van het leefgebied van de kerkuil is tevens geen sprake van essentiële afname van functioneel leefgebied. Hierdoor is geen sprake van negatieve invloed op de huidige staat van instandhouding.
Maatregelen 3.1 Mitigerende maatregelen om schade te voorkomen/beperken In principe worden de effecten van de ingreep op volledig gemitigeerd met het planvoornemen tot vergroting van het leefgebied voor de soort, waardoor er geen sprake is van lokale effecten op de soort. De gebiedsontwikkeling vormt derhalve geen bedreiging voor de lokale gunstige staat van instandhouding van de kerkuil. De mitigerende maatregelen zijn erop gericht om de effecten op het aantasten en opzettelijk verstoren van de aanwezigheid zoveel mogelijk in te perken. Hiertoe worden voorafgaand en tijdens de ontwikkelingen mitigerende maatregelen getroffen. De praktische uitvoering van de te treffen mitigerende maatregelen worden voorafgaand aan de werkzaamheden gecommuniceerd in de vorm van een ecologisch werkprotocol. Eventuele bepalingen met betrekking tot de ontheffing worden eveneens in dit nog op te stellen werkprotocol verwerkt. Activiteiten die de rustplaats van de kerkuil beïnvloeden worden in principe niet uitgevoerd in de periode februari-juli. De mitigerende maatregel betreffende het werken buiten de kwetsbare periode beperkt zich tot het wegnemen van de rustplaats en optimaliseren van leefgebied buiten de kwetsbare periode. Mitigerende maatregelen tijdens de ontwikkeling zijn met name gericht op de correcte uitvoering van de werkzaamheden om overlast voor de kerkuil te minimaliseren.
Daartoe wordt tijdens de ontwikkeling gewerkt aan de hand van een ecologisch werkprotocol. In dit ecologisch werkprotocol worden de voorwaarden met betrekking tot de werkzaamheden opgenomen alsmede de te nemen stappen in geval van een onverhoopte calamiteit. Door het werken aan de hand van een ecologisch werkprotocol kunnen allerlei risico’s tijdens de ontwikkeling worden verkleind.
Conclusie De voorgenomen gebiedsontwikkeling leidt tot de aantasting en opzettelijke verstoring van een functionele rustplaats van de kerkuil, hetgeen kan leiden tot overtreding van verbodsbepalingen inzake de Wet natuurbescherming. Zekerheidshalve dient een ontheffing te worden aangevraagd, gelet op de noodzaak tot aantasting en opzettelijke verstoring. Middels de inzet van mitigerende maatregelen kunnen effecten tot een minimum worden beperkt.
4 (4)