MEMO Hekkelman Advocaten - analyse Omgevingsplan de Laar - Nieuw Laar SMG
Tekst van het document
MEMO AAN VAN DATUM BETREFT
: : : :
Edwin Verbruggen & Lianne van der Aa Rachid Benhadi (Hekkelman Advocaten N.V.) 20 december 2023 St. Michielsgestel/Omgevingsplan Nieuw Laar jp analyse
1.
Vraagstelling
1.
De gemeenteraad van St-Michielsgestel moet a.s. donderdag een bestemmingsplan vaststellen. Dit bestemmingsplan maakt naast woningbouw ook de uitbreiding van twee veehouderijen mogelijk. Het betreft het omgevingsplan Laar Nieuw Laar. Mogelijk dat de raad besluit om de uitbreidingen van de twee veehouderijen uit het voorgelegde bestemmingsplan te knippen. Concreet betekent dat dan een deel van het plangebied uit de verbeelding wordt geknipt, zodat de uitbreiding van de veehouderijen geen doorgang kan hebben, maar de woningbouw wel doorgezet kan worden.
2.
In dat kader rijzen zijn er mogelijk twee risico’s, namelijk: het risico dat de Afdeling tot de conclusie komt dat met het uit het bestemmingsplan uitknippen van de veehouderijen er geen sprake is van een logische begrenzing van de plangrens. • het tweede risico wat ik zie is dat de Afdeling tot de conclusie komt dat er sprake is van een wezenlijk ander plan. Het bestemmingsplan wordt immers aanzienlijk gewijzigd ten opzichte van het ontwerp. •
3.
De relevante uitspraken stip ik hierna aan.
2.
Jurisprudentieanalyse
2.1. Planbegrenzing 4.
Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de raad beleidsruimte toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 1
5.
De planbegrenzing wordt door Afdeling in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, onder de omstandigheid dat de gronden die buiten de grenzen van het bestemmingsplan zijn gelaten – zodanig ruimtelijk samenhangen – met de gronden in het plangebied, dat de gemeenteraad deze gronden in het plan had moeten betrekken. Dit is volgens de Afdeling het
1 Zie in dat kader bijv. AbRS 18 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:118 r.o. 5.1 en 29
november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4422, r.o. 9.1.
Pagina 2
geval indien de betreffende gronden noodzakelijk zijn voor de realisatie van bestemmingen binnen het plangebied of voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bestemmingsplan. Ook de planologische mogelijkheden op de buiten het plan gelaten gronden zijn hierbij relevant. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling uit een uitspraak van 6 december 2017, (ECLI:NL:RVS:2017:3350). Ik wijs in dat kader op de volgende relevante overwegingen van de Afdeling: “2. [appellante] richt zich tegen de beslissing van de raad om haar perceel [locatie] in Borgercompagnie buiten het plan te laten. Zij wijst erop dat het ontwerpplan nog wel voorzag in een regeling voor het agrarisch bedrijf dat zij op dit perceel exploiteert. Vanwege bezwaren van omwonenden heeft de raad het perceel echter buiten het plan gehouden vanwege twijfels over de legaliteit van het bedrijf. [appellante] betoogt dat het bedrijf echter legaal aanwezig is, zowel gelet op de beheersverordening "Buitengebied Veendam" als de verleende milieuvergunningen. 2.1. De raad stelt dat sinds 25 juli 2016 handhavend wordt opgetreden tegen het bedrijf van [appellante] vanwege overtreding van de omgevingsvergunning milieu. Dit laat volgens de raad ruimte voor gerede twijfel aan het uitgangspunt dat het bedrijf ter plekke legaal gevestigd is.
Als de uitkomsten van het handhaven duidelijk zijn, zal een besluit worden genomen over de bestemming van het perceel van [appellante], aldus de raad. 2.2. Artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening luidt: "De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied." 2.3. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 2.4. Niet in geschil is dat het perceel van [appellante] is gelegen in het buitengebied van Veendam en, anders dan in het ontwerpplan, buiten het voor het buitengebied vastgestelde plan is gelaten. Het perceel wordt geheel omsloten door gronden die wel in het plan zijn opgenomen.
De raad heeft geen omstandigheden gesteld die een dergelijke planbegrenzing uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening rechtvaardigen. Het door de raad genoemde handhavend optreden is in dit verband niet van belang, omdat dat betrekking heeft op het al dan niet naleven van de voorschriften van de omgevingsvergunning milieu door het bedrijf. Bij de vaststelling van het plan had de raad de planologische aanvaardbaarheid van het bedrijf op die locatie moeten beoordelen en op basis daarvan voor het bedrijf moeten voorzien in een planologische regeling. Door dit na te laten heeft de raad het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3.1,
Pagina 3
eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening. 3. Het beroep is gegrond. De Afdeling zal de raad opdragen een nieuw besluit te nemen. Daarbij geldt het volgende. In beginsel dient legaal bestaande bebouwing en legaal bestaand gebruik als zodanig in het bestemmingsplan te worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale bouwwerk en/of het bestaande legale gebruik onder het overgangsrecht worden gebracht, mits de raad aannemelijk maakt dat het bouwwerk en/of het gebruik binnen de planperiode wordt verwijderd en/of beëindigd. Met het overgangsrecht wordt immers beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen.”.2 (onderstreping mijnerzijds, RB).
6.
Tevens wil ik wijzen op de volgende relevante passage uit de bij de voorgaande uitspraak geschreven noot van Olierook: “2. De jurisprudentie met betrekking tot planbegrenzing is casuïstisch. Zo diende bijvoorbeeld een vanwege de geprojecteerde verbreding van een weg noodzakelijke fietsstraat eveneens in het plangebied opgenomen te worden, omdat deze fietsstraat planologisch nog niet was toegestaan (ABRvS 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:744). Ook mocht een tracé, waarvoor een dubbelbestemming ten behoeve van de aanleg van leidingen in het plan was opgenomen, niet onderbroken worden omdat niet was uitgesloten dat hierdoor planologische beperkingen zouden ontstaan op het perceel dat door deze onderbreking buiten het plangebied lag (ABRvS 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2261). De volgende omstandigheden betekenen op zichzelf dan weer niet dat sprake is van ruimtelijke samenhang: de gronden hebben dezelfde eigenaar (ABRvS 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2948), de gronden behoren tot één bedrijf (ABRvS 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1648), de gronden behoren tot één inrichting (ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:734), de gronden zijn als één gebied aangewezen waarop artikel 7a van het BChw van toepassing is (ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1304) en de betreffende gronden zijn omringd door gronden die wel deel uitmaken van het plangebied (vgl.
ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7605 en ABRvS 28 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM2637) 3. Het komt ook voor dat een gemeenteraad in het (voor)ontwerpbestemmingsplan bepaalde gronden binnen het plangebied had opgenomen, maar later besluit deze gronden buiten de planbegrenzing te laten. De gemeenteraad dient deze beslissing deugdelijk te motiveren. Het uit het plangebied schrappen van bepaalde gronden om een inhoudelijke discussie hierover te ontwijken, is niet zonder meer toegestaan. Een aanhangig beroep tegen een met vrijstelling verleende bouwvergunning, betekent bijvoorbeeld niet dat de gronden waarop de ontwikkeling is voorzien zonder ruimtelijke onderbouwing buiten het plan mogen worden gelaten (vgl. ABRvS 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:666). Ook het feit dat onderhandelingen over het toekomstig gebruik nog gaande zijn, is geen ruimtelijk relevant argument wanneer niet is gebleken dat het huidig toegestane gebruik ongewenst is (vgl. ABRvS 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2212). Wanneer de gemeenteraad voornemens is om tijdens de planperiode een
2 AbRS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3350.
Pagina 4
onteigeningsprocedure te doorlopen, is de enkele stelling dat hij het gebruik van de te onteigenen gronden niet nogmaals onder het overgangsrecht wil brengen eveneens niet voldoende om de gekozen planbegrenzing te motiveren (vgl. ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:900).”.3
7.
Voor de volledigheid en ter illustratie wijs ik tevens op een uitspraak van de Afdeling waarbij er niet een zodanige ruimtelijke samenhang bestond dat de betreffende gronden van om die reden in het plan opgenomen hadden moeten worden. Ik wijs op de volgende overwegingen van de Afdeling uit een uitspraak van 26 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4222): “6. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte het bestaande bedrijventerrein Drechthoek I uit het plan heeft gelaten, omdat er zodanige samenhang tussen de gronden bestaat dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van daaraan toe te kennen bestemmingen niet afzonderlijk kan worden beoordeeld. 6.1. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het ontwerpplan bestond het plangebied uit de gronden van het bestaande bedrijventerrein Drechthoek I en de gronden in het plangebied. De gronden van het bestaande bedrijventerrein Drechthoek I zijn bij de vaststelling van het plan buiten het plangebied gelaten. Volgens de raad heeft het plangebied een ontwikkelingsgericht karakter en is het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein Drechthoek I conserverend van aard.
Wegens een te groot verschil in parkeernormen heeft de raad ervoor gekozen het bedrijventerrein Drechthoek I uit het plan te laten. De Afdeling is van oordeel dat er tussen de gronden van het bedrijventerrein Drechthoek I enerzijds en de gronden in het plangebied anderzijds niet een zodanige ruimtelijke samenhang bestaat dat de gronden van het bedrijventerrein Drechthoek I om die reden in het plan opgenomen hadden moeten worden. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt.”.4 (onderstreping mijnerzijds, RB).
2.2. Wijziging ten opzichte van het ontwerp 8.
De Afdeling stelt niet snel vast dat een bestemmingsplan dat is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan, een ‘wezenlijk ander plan’ is. In de regel zijn de afwijkingen naar aard en omvang niet zodanig groot dat sprake is van een wezenlijk ander plan. Dit is zo wanneer het ontwerpplan en het vastgestelde plan in de kern nog steeds betrekking hebben op dezelfde ontwikkeling en/of de wijzigingen slechts een klein deel van het plangebied beslaan. Dit betekent dat als de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan niet van dien aard zijn dat ze leiden tot een wezenlijk ander plan, de wettelijke procedure niet opnieuw hoeft te worden doorlopen.
3 AbRS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3350, m.nt. S.T.J. Olierook. 4 AbRS 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4222.
Pagina 5
9.
Ik wijs gelet op het voorgaande ter illustratie bijvoorbeeld op de volgende overwegingen van de Afdeling uit een uitspraak van 26 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2033): “9. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan ten onrechte gewijzigd is vastgesteld zonder de wettelijke procedure uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) opnieuw te doorlopen, aangezien het plan door de wijziging wezenlijk is veranderd ten opzichte van het ontwerp. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren hiertoe aan dat het voornemen was om het achterste deel van het plangebied op een slinkse wijze te betrekken bij de woningbouwontwikkeling van "Het Achtererf". Gelet hierop is volgens hen sprake van een compleet ander plan dan het ontwerp dat ter inzage is gelegd. Dit volgt volgens [appellant sub 1] uit het raadsvoorstel van 28 mei 2019 en uit de nota van zienswijzen. 9.1. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vaststaat dat de raad in dit geval het plan gewijzigd heeft vastgesteld.
Ten opzichte van het ontwerpplan is de plantoelichting op een aantal punten gewijzigd, er is een bijlage bij de plantoelichting gevoegd en het plangebied op de verbeelding is verkleind. De bestemming en het aantal voorziene woningen is ten opzichte van het ontwerpplan niet gewijzigd. De aangebrachte wijzigingen acht de Afdeling naar aard en omvang niet zo groot dat dient te worden geoordeeld dat een wezenlijk ander plan voorligt. De raad heeft erop gewezen dat voor de woningbouwplannen van "Het Achtererf" een aparte bestemmingsplanprocedure zal worden doorlopen. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het ontwerpplan opnieuw ter inzage had moeten worden gelegd. Het betoog faalt.”.5 (onderstreping mijnerzijds, RB).
10.
Onder bepaalde omstandigheden komt de Afdeling echter wel tot het oordeel dat er sprake van wijzigingen die niet kunnen worden gekwalificeerd als van ondergeschikt belang of als wezenlijk ander plan. Desalniettemin zijn er maar weinig uitspraken te vinden waarin dit wordt aangenomen.
11.
Ik wijs in dat kader op de volgende overwegingen van de Afdeling uit een uitspraak van 24 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:396): “8. Avebe stelt dat het besluit van 28 november 2019, waarbij het plan opnieuw, gewijzigd, is vastgesteld, in strijd met artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) ten onrechte niet is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het betreft volgens Avebe in dit geval geen wijziging van ondergeschikte aard. Evenmin wordt met de wijziging tegemoetgekomen aan de zienswijzen of de beroepsgronden van Avebe. De raad stelt zich op het standpunt dat geen wezenlijk ander bestemmingsplan ontstaat, maar volgens Avebe heeft de raad hiermee
5 AbRS 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2033.
Pagina 6
miskend dat de wijzigingen voor Avebe ingrijpend zijn. De wijzigingen betreffen een verandering van de bestemming van een gebied met een omvang van 15,3 ha, terwijl het Avebe-terrein 37 ha groot is en de geluidruimte ten opzichte van het oorspronkelijke plan nog eens is verminderd, aldus Avebe. 8.1. De raad stelt dat het besluit van 28 november 2019 geen besluit is als bedoeld in artikel 3.9a van de Wro. Dat artikel gaat over de vaststelling van een uitwerkings- of wijzigingsplan. Dat is hier niet aan de orde. De raad stelt dat hij op grond van artikel 3.1 van de Wro bevoegd is tot gewijzigde vaststelling van een bestemmingsplan en dat artikel 6:19 van de Awb niet vereist dat geheel of gedeeltelijk aan bezwaren van een appellant wordt tegemoetgekomen. Of een herstelbesluit nodig is, kan volgens de wetgever (Kamerstukken II 2007/08, 31 546, 3) tijdens een procedure naar voren komen op basis van eigen onderzoek en/of door de bestuursrechter geconstateerde gebreken, maar vooral naar aanleiding van een ingediend beroepschrift dat op fouten wijst. Dat is volgens de raad in dit geval aan de orde. De raad stelt zich op het standpunt dat in dit geval sprake is van ondergeschikte wijzigingen, dan wel wijzigingen die niet leiden tot een wezenlijk ander plan.
De raad wijst daartoe op uitspraken van de Afdeling van 6 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2891, en 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:888. Volgens de raad is geen sprake van een wezenlijk ander plan, omdat de bestaande vergunningen en mogelijkheden zijn ingepast. Avebe is geen eigenaar meer van de gronden waarop dit plan een zonnepark toestaat, zodat Avebe hiervan geen beperkingen zal ondervinden. Indien de Afdeling anders oordeelt, verzoekt de raad om dat gebrek met artikel 6:22 van de Awb te passeren. 8.2. Het besluit van 28 november 2019 behelst niet het uitoefenen van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht als bedoeld in artikel 3.6 van de Wro, zodat artikel 3.9a van de Wro niet van toepassing is. Het besluit strekt ertoe om het plan met toepassing van artikel 3.1 van de Wro opnieuw, gewijzigd, vast te stellen, Zoals hiervoor werd overwogen dient het besluit te worden gekwalificeerd als een vervangend besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Een bestuursorgaan dient in beginsel een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb dat strekt tot wijziging of vervanging van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor te bereiden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb indien het oorspronkelijke besluit met toepassing van die afdeling is voorbereid. Hierop zijn naar het oordeel van de Afdeling uitzonderingen mogelijk.
De raad kan na de vaststelling van het bestemmingsplan alsnog besluiten tot een aanpassing van het plan zonder dat afdeling 3.4 opnieuw behoeft te worden toegepast, mits deze aanpassing naar aard en omvang niet zodanig groot is dat een wezenlijk ander plan wordt vastgesteld. Verder wordt als uitzondering aangenomen de situatie dat het besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb wijzigingen van ondergeschikte aard bevat die de raad zonder dat de tegen het ontwerpplan ingediende zienswijzen daartoe aanleiding gaven, in het plan wil doorvoeren (vergelijk onder meer de uitspraak van 22 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV6546).
Pagina 7
8.3. De Afdeling stelt vast dat het besluit van 28 november 2019 onder meer meebrengt dat de gronden waar het zonnepark gerealiseerd wordt en waar zich het voormalige kantoor van Avebe bevindt, in plaats van de bestemming "Bedrijventerrein - industrie" de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "geluidzone - industrie" krijgen. De raad beoogt hiermee te bewerkstelligen dat de kavels niet langer tot het gezoneerde industrieterrein behoren. Avebe heeft onweersproken gesteld dat deze wijzigingen een verandering van de bestemming van een gebied betreffen met een omvang van 15,3 ha. Ook wordt de bouwhoogte van overige andere bouwwerken aangepast van 10 naar 40 meter. Nog daargelaten of de aanpassingen naar aard en omvang niet zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan wordt vastgesteld, betreft het naar het oordeel van de Afdeling geen wijzigingen van ondergeschikte aard die de raad zonder dat de tegen het ontwerpplan ingediende zienswijzen daartoe aanleiding gaven, in het plan wil doorvoeren. Er bestaat dan ook grond voor het oordeel dat afdeling 3.4 van de Awb opnieuw had moeten worden toegepast. Het betoog slaagt.”.6 (onderstreping mijnerzijds, RB).
12.
Ook wil ik wijzen op de volgende overwegingen van de Afdeling uit een uitspraak van 1 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV2460) waarin de Afdeling bepaalde dat er sprake was van een wezenlijk ander plan: “2.1. Het plan maakt de ontwikkeling van een natuurbegraafplaats in het Kerkebos van de Heilig Landstichting planologisch mogelijk. De bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden van dit bos dienen behouden te blijven. De raad heeft met dit plan beoogd een extensieve begraafplaats mogelijk te maken waarbij, in tegenstelling tot een reguliere begraafplaats, weinig graven per hectare komen. 2.2. Bij het bestreden besluit heeft de raad het plan gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Binnen het plandeel met de bestemming "Bos", dat vrijwel het gehele plangebied omvat, heeft de raad bij de vaststelling van het besluit een functieaanduiding "specifieke vorm van bos natuurbegraafplaats" (hierna: "sbo-nbp") opgenomen. Deze functieaanduiding is gelegd over het gehele plandeel met uitzondering van een strook van maximaal 15 meter rond de aan de Cenakelweg gelegen woningen. Voorts maakt het plan bebouwing ten behoeve van de natuurbegraafplaats mogelijk. 2.3. [appellanten] bestrijden het plan voor zover het gewijzigd is vastgesteld ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan.
Zij wensen de vaststelling van het plan conform het ontwerpbestemmingsplan. [appellanten] betogen ten eerste dat het plan niet op de wettelijk voorgeschreven wijze tot stand is gekomen. Zij voeren aan dat ten onrechte niet de mogelijkheid is geboden zienswijzen naar voren te brengen over een ontwerp van dit gewijzigde plan. Dit had volgens hen wel gemoeten nu de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan niet van ondergeschikte aard zijn. 2.3.1. De raad stelt dat de gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp is gebleven binnen de grenzen van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). De
6 AbRS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:396.
Pagina 8
natuurbegraafplaats is een extensieve begraafplaats die het hoofdkarakter van de bestemming "Bos", zoals reeds opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan, overeind heeft gelaten, zodat de wijziging van ondergeschikte aard is, aldus de raad. Voorts heeft de raad aan [appellanten] gelegenheid geboden om een standpunt omtrent de wijziging naar voren te brengen. Verder stelt de raad bij de voorbereiding van zowel het ontwerpbestemmingsplan als bij de gewijzigde vaststelling overleg te hebben gevoerd met betrokken bestuursorganen en diensten. 2.3.2. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing en kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de raad naar voren brengen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraken van 3 juli 2002 in zaak nr. 200106150/1 en van 15 juni 2011 in zaak nr. 200904454/1/R3) kan de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. (…) 2.3.4.
De Afdeling overweegt dat de wijziging betrekking heeft op vrijwel het gehele plangebied en een oppervlakte heeft van ongeveer vier hectare. Voorts beperkt noch de begripsbepaling van de natuurbegraafplaats in artikel 1, lid 1.25, van de planregels, noch enige andere bepaling in de planregels, de mogelijkheden van de begraafplaats tot slechts een extensieve begraafplaats, mede gelet op de omstandigheid dat de begripsomschrijving geen objectieve criteria bevat die toegepast kunnen worden bij de beantwoording van de vraag of sprake is van afbreuk aan cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden. Verder strekt de mogelijkheid die artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, van de planregels voor bebouwing geeft zich uit over de gehele bestemming "Bos" en niet slechts ter plaatse van de functieaanduiding "sbo-nbp", zodat bebouwing mogelijk is tot op de perceelsgrens van de woningen aan de Cenakelweg. De Afdeling ziet derhalve aanleiding voor het oordeel dat de afwijking van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot is dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld. Het plan is derhalve in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3.8, eerste lid, van de Wro.”.7 (onderstreping mijnerzijds, RB).
7
AbRS 1 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2460.