CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Herstelbesluit bestemmingsplannen Woongebied Hamsestraat-Roderweg en Woonwerkkavels Hamsestraat- Bijlage 4 Toelichting en planregels bp Woonwerklocatie

Raadsvergadering Boxtel 16 april 2024, gemeente boxtelBij agendapunt: Herstelbesluit bestemmingsplannen Woongebied Hamsestraat-Roderweg en Woonwerkkavels Hamsestraat24.254 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen ne-

Hoofdstuk 4

27

men, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt.

De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:  Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt.  Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan.  Wat schoon is moet schoon blijven.

We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar MiddenBrabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij:  van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied;  van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied;

Hoofdstuk 4

28

van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Provincie Het beleidskader is opgenomen in de Brabantse Omgevingsvisie. Het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening in verband met de Omgevingswet die in werking gaat treden. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. Gemeente De gemeente Boxtel heeft haar gemeentelijke water- en rioleringsbeleid voor de jaren 2020-2024 vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP). In het VGRP zelf is vastgelegd wat onder dit instrument moet worden verstaan, namelijk: “een strategische beleidsnota waarin op hoofdlijnen de visie van het gemeentebestuur voor de komende planperiode is neergelegd met betrekking tot aanleg en beheer van het rioleringssysteem. Het VGRP is een verplicht planinstrument volgens de Wet Milieubeheer”2. In het VGRP wordt ten aanzien van de strategie voor hoe om te gaan met hemelwater aangesloten bij het beleid van waterschap De Dommel. Er wordt expliciet benoemd dat het uitgangspunt bij ontwikkelingen hydrologisch neutraal ontwikkelen is. In de kern betekent dat dat hemelwater dat op daken en verhardingen valt niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater.

In lijn met wat waterschap De Dommel heeft opgenomen in de Tweede partiële herziening Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater dient voor de behandeling van hemelwater de waterkwantiteitsrits doorlopen te worden. Deze ‘rits’, bestaande uit vijf stappen, is al eerder in deze paragraaf vermeld. Gelet op de geohydrologische omstandigheden hanteert de gemeente Boxtel het uitgangspunt dat perceeleigenaren in nieuw- en herbouwsituaties – wat zoveel inhoud als bij uit- en inbreidingen – hun hemelwater altijd redelijkerwijs zelf kunnen verwerken. Meer specifiek houdt in dat aan een bergingseis van 60 mm/24 uur moet worden voldaan. Pas vanaf die grens wordt van perceeleigenaren in nieuw- en herbouwsituaties niet meer verwacht dat ze hemelwater redelijkerwijs zelf kunnen verwerken. In tegenstelling tot wat in de Keur het geval is hanteert de gemeente Boxtel een ondergrens van 250 m2 in plaats van 500 m2 als minimale toename in verharding vanaf wanneer compensatie moet plaatsvinden. In specifieke gevallen, zoals in bestaan stedelijk gebied en/of lokaal minder geschikte geohydrologische omstandigheden kan van het door de gemeente vastgestelde richtlijnen worden afgeweken. Door Aeres Milieu is een waterparagraaf opgesteld.

Dit waterparagraaf is opgenomen in bijlage 7 bij dit bestemmingsplan De waterparagraaf is opgesteld voor zowel de woonwerklocatie Hamsestraat als de woonlocatie Hamsestraat-Roderweg. De ambitie is een nieuwe landschappelijke structuur te ontwikkelen op basis van de karakteristiek van Liempde en het Scheekenlandschap alswel de historie van het gebied zelf. Hierin wordt een robuust watersysteem ingepast die het hemelwater verwerkt (watermachine). De gebiedsvisie vormt de integrale onderlegger voor de verschillende ontwikkelingen in het gebied. Een nieuw bebouwings- en ontsluitingslint tussen de Hamsestraat en de Roderweg deelt het gebied in twee woondelen: Dorpswonen grenzend aan de kern van Liempde en Landschappelijk wonen aan het Scheekenlandschap. Het 2

VGRP (2020-2024), p. 43.

Hoofdstuk 4

29

Landschappelijk Wonen omvat woningen om een gezamenlijk erf met een omliggende houtwal. De verdere natuurontwikkeling zuidelijk (EVZ Groote Waterloop) wordt in dit planvoornemen buiten beschouwing gelaten. Het verkavelingsplan van de woonwerkkavels langs de Hamsestraat is herijkt tot 4 woonwerkkavels met een andere structuur. Door deze wijziging zullen er minder directe inritten op de Hamsestraat ontsloten worden waardoor de bomenlaan en bestaande B-watergang minder onderbroken zullen worden. In de tabel zijn de veranderingen betreffende de huidige en toekomstige verharde oppervlakken binnen het plangebied samengevat. De oppervlakken zijn bepaald op basis van de luchtfoto en bovenstaande kavelindeling. Voor de woon-werkkavels aan de Hamsestraat zijn concretere gegevens bekend. Voor de woonkavels is uitgegaan van circa 300 m 2 bebouwing (woning en bijgebouw). Per bedrijfsperceel is een maximaal bebouwingspercentage (woning en bedrijf) van 50% toegestaan waarbij uitgegaan wordt van een bijhorend bouwwerk van maximum 150 m² per bedrijfswoning. Verder is rekening gehouden met 60 m2 overige verharding. Voor de woonlocatie is een verhardingspercentage van 60-90% aangehouden voor de bouwvelden afhankelijk van het aantal wooneenheden en de kavelgrootte. Voor de wegen en het parkeren is vooralsnog uitgegaan van een gesloten verharding met enig groen.

Tevens is rekening gehouden met eventuele verhardingen (paden, speeltuigen,…) binnen de bestemming Wonen buiten het opgenomen bouwvlak. Dit overzicht van de bepaalde toekomstige verhardingen is opgenomen in bijlage 2 van de Waterparagraaf.

Tabel 4.1: Overzicht toekomstig verhard oppervlak binnen het plangebied van de woonwerklocatie Hamsestraat en de woonlocatie Hamsestraat-Roderweg (Bron: Waterparagraaf, Aeres Milieu)

Uit de tabel is af te leiden dat door de voorgenomen planontwikkeling het totaal verhard oppervlak in de toekomst circa 37.258 m2 zal bedragen. Bij de nieuwbouw wordt een gescheiden stelsel aangelegd. Door te voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden zal de afgekoppelde afstromende neerslag niet of zeer gering verontreinigd zijn. Binnen natuurgebied De Scheeken vinden nog maatregelen plaats ten behoeve van het vernatten van het gebied. De uitvoering hiervan is voorzien in 2024. Aangezien het plangebied nog deels binnen de beschermingszone gelegen is, zouden er uitstralingseffecten mogelijk kunnen zijn vanuit de Natte Natuurparel tot binnen het plangebied met een hogere GHG tot gevolg. Deze effecten zijn vooralsnog niet nader bekend. Bij het vooroverleg met het waterschap is aangegeven dat een grondwaterstandsverhoging tot 30 cm niet onrealistisch is. Dit is relevant voor benodigde ophogingen (en dus kosten en haalbaarheid) van het plan. Hierop dient men reeds te anticiperen. Middels een grondwaterstudie, samenhangend met de maatregelen bij de Groote Waterloop en Natuurparel De Scheeken, kan nader inzicht verkregen worden in de toekomstige grondwaterstanden.

Om te voldoen aan de ontwateringsdiepte van 0,7 meter bij wegen en het bouwpeil bij de panden van 30 cm hoger dan de toekomstige wegen in het plangebied is vooralsnog een wegpeil van circa 9,8 m +NAP geadviseerd en voor de vloerpeilen minimaal 10,1 m +NAP. Voor de tuinen is een maaiveldhoogte van circa 9,6 m +NAP geadviseerd. Het gebruik van kruipruimtes ter plaatse wordt afgeraden. Hiervan kan afgeweken worden

Hoofdstuk 4

30

maar dan is een nadere onderbouwing met een langdurige meetreeks wenselijk geacht. De neerslag in het toekomstig woongebied kan zonder beperkingen via (mol)goten of ondergrondse lijnafwatering naar een aan te leggen hemelwatervoorziening of de ‘watermachine’ afstromen. In het stelsel dienen voorzieningen getroffen worden om zand en bladeren af te vangen. Voor het totaal verhard oppervlak dient ter plaatse minimaal circa (37.258m 2 x 60 mm=) 2.235 m3 hemelwater verwerkt te worden. Hieronder zijn de inpassingmogelijkheden en aandachtspunten opgenomen waarmee rekening gehouden dient te worden bij de verdere planuitwerking. In eerste instantie wordt gestreefd naar een groene, robuuste planinrichting waarbij het dicht verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt wordt (groene tuinen en inrichting openbare ruimte, open bestrating en/of infiltratie op eigen perceel,…). Voorts kan hemelwater op eigen initiatief hergebruikt worden voor bijvoorbeeld besproeiing van de tuin. Op de bijgebouwen kunnen eventueel groendaken toegepast worden waardoor de piekafvoer afneemt (afhankelijk van de beeldkwaliteit en het onderhoudsaspect). De ambitie is om het afgekoppelde hemelwater vast te houden en te infiltreren via een getrapte en vertraagde afvoer nabij de woonpercelen.

Al het schone hemelwater kan verzameld worden middels een watergang of duiker richting de voorgenomen in te passen ‘watermachine’ in zuidelijke richting tussen de toekomstige bouwvelden.

Figuur 4.3: Globale verwerkingswijze hemelwater

Hoofdstuk 4

31

Het opgevangen hemelwater van de woningbouwontwikkeling kan en zal tussen de bouwvelden ingepast worden in de bestemming Natuur. Dit gebeurt zichtbaar en bovengronds. Door de benodigde ophoging bij de woningen voor voldoende ontwateringsdiepte is ter plaatse van het groot onverhard oppervlak nabij de bouwvelden voldoende verwerkingsmogelijkheid aanwezig. Dit kan bijvoorbeeld via een vloeiweidesysteem of een fijnmazig slotensysteem met beperkte diepte en natuurlijke oevers waardoor het water tevens gezuiverd wordt alvorens het deels infiltreert of in de Groote Waterloop uitstroomt. Naast waterretentie wordt hierbij gedacht aan recreatief medegebruik als natuurlijk spelen en een laarzenpad. Hierbij wordt rekening gehouden met de gecombineerde wensen en eisen vanuit groen, landschappelijke inrichting en spelen. Een oppervlak van 14.000 m 2 x 16-18 cm volstaat voor de benodigde waterberging. Deze ruimte is ruimschoots beschikbaar in het planvoornemen (circa 4,5 ha wordt bestemd als Natuur). Op onderstaande afbeelding is de globale verwerkingswijze opgenomen. De nadere invulling van de maaiveldprofilering en invulling van de watermachine wordt later in samenwerking met de gemeente en het waterschap gedetailleerd opgesteld in relatie met de EVZ Groote Waterloop.

Voor het afvalwater van de bouwvelden dient een separaat DWA-stelsel aangelegd te worden met een eigen rioolgemaal dat het verzamelde afvalwater dan verpompt naar de RWZI. Door de bouw van circa 111 woningen bedraagt de totale toekomstige hoeveelheid afvalwater naar verwachting circa 3,3 m3/uur (circa 33 m3/dag). Voor de rioolaansluiting dient ten tijde een aanvraag bij de gemeente Boxtel ingediend te worden. Op basis van het huidige schetsontwerp vinden wijzigingen plaats in het oppervlaktewater. Er wordt geen primair oppervlaktewater gedempt. De centrale B-watergang wordt circa 25 meter verlegd naar het westen in het groen. Bij de verlegging van de centrale B-watergang dient rekening gehouden te worden met de bestaande afvoer vanaf de Hamsestraat. Vooralsnog is geen rekening gehouden met een toekomstige scheiding van het gemeentelijk stelsel van Liempde. Indien ten tijde noodzakelijk blijkt, kan de bestaande duiker en/of de B-watergang oostelijk gecompenseerd worden zodat hierdoor geen verhoogd risico op wateroverlast ontstaat. Verder zal de B-watergang nabij de Hamsestraat plaatselijk aangepast worden (aanleg inritten en eventueel verbreden) en de zuidelijk binnen het plangebied gelegen B-watergang wordt afgebogen zodat de bestaande afvoer behouden blijft. De oost- en zuidelijk gelegen B-watergangen worden door het planvoornemen niet gewijzigd.

De overige C-watergangen kunnen zonder watervergunning gedempt worden. Door de bestaande hoge grondwaterstanden, de toekomstige ophoging voor de woonontwikkeling en de ligging van de bouwvelden met tussenin groen waarin hemelwater verwerkt wordt en de B-watergangen gecompenseerd worden, is er geen nadelig effect door deze dempingen te verwachten. Middels de waterparagraaf is een inzicht verkregen in de mogelijke gevolgen en knelpunten ten behoeve van het bestemmingsplan. Door hiermee rekening te houden, wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. Voor de verdere planuitwerking zijn enkele aandachtspunten aanwezig:  Ten behoeve van de hoge grondwaterstanden dienen de toekomstige wegen en woonkavels opgehoogd te worden. Bij voorkeur stroomt het hemelwater bovengronds naar de aan te leggen hemelwatervoorziening. Door de benodigde ophoging voor de nieuwbouw kan bovengrondse afvoer middels greppels eenvoudig ingepast worden. Het afschot en de stromingsrichtingen zijn afhankelijk van de indeling op de kavels en het landschappelijke inpassing.  Afhankelijk van de uiteindelijke ophoging en samenstelling van dit pakket wordt geadviseerd om piekgrondwaterstanden i.v.m. de slechte bodemdoorlatendheid van de bestaande bodem af te vangen middels een drainageleiding met overstort op het GHG-peil naar de vloeivelden.

Hoofdstuk 4

32

Er dient rekening gehouden te worden met de bestaande hemelwaterduiker tussen de Roderweg nummers 30 en 32 richting naar de centraal door het plangebied gelegen B-watergang. Uit overleg van de gemeente blijkt dat met deze wil laten vervallen en de bestaande afvoer is oostelijke richting te verleggen.

4.4 Bodem Bij de verkenning van de mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Voor Boxtel is door de gemeenteraad op 21 december 2011 een bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Op de bodemkwaliteitskaart is de actuele kwaliteit van de bodem in de regio en de gemeente Boxtel weergegeven. Het plangebied voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse Landbouw en Natuur (achtergrondwaarden AW 2000). De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor realisatie van een woonwerklocatie. In de Nota bodembeleid wordt tevens vermeld dat de geldigheid van een bodemonderzoek van een onverdachte locatie wordt gesteld op 5 jaar. Hiervan mag, al dan niet met onderzoek, gemotiveerd afgeweken worden. Voorwaarde is wel dat de inrichting en/of het gebruik van de locatie sinds de uitvoering van het bodemonderzoek niet zijn veranderd. Er zijn in de loop der jaren diverse bodemonderzoeken uitgevoerd voor verschillende delen van het plangebied. Dit onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. Onderzoek De volgende bodemonderzoeken zijn uitgevoerd: 

Verkennend bodemonderzoek Hamsestraat te Liempde, Lankelma 26 augustus 2019;

Verkennend bodemonderzoek Roderweg / Hamsestraat te Liempde, Lankelma, 22 augustus

 

2019; Verkennend bodemonderzoek Hamsestraat, Liempde, 19 januari 2022; Nader bodemonderzoek Hamsestraat, Liempde, 19 januari 2022.

Conclusie Middels de uitgevoerde bodemonderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de geplande bestemmingswijziging. Wat betreft het aspect bodem zijn geen belemmeringen voor de uitvoering van onderhavig initiatief.

4.5 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van de ontwikkeling van nieuwe woningen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of

Hoofdstuk 4

33

overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstanden-lijsten in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstypen De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-publicatie zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Omgevingstype plangebied Aan de oostzijde van en langs de Hamsestraat zijn twee typen bestemmingen beoogd, namelijk vier woonwerkkavels aan de zuidzijde en woonkavels aan de noordzijde.

De woonwerkkavels (gelegen binnen het plangebied van dit bestemmingsplan) aan de zuidzijde worden aangemerkt als het gebiedstype ‘gemengd gebied’, omdat de woonwerkkavels direct grenzen aan het bestaande bedrijventerrein Daasdonk en zelf ook voorziet in werken. De woonkavels (bestemmingsplan woonlocatie Hamsestraat-Roderweg) aan de Hamsestraat, die direct ten noorden van de woonwerkkavels zijn gelegen, worden eveneens aangemerkt als ‘gemengd gebied’. Deze woonkavels grenzen aan twee zijden aan werken, namelijk het bestaande bedrijventerrein Daasdonk (werken) en de woonwerkkavels. De noordelijke woonkavels (bestemmingsplanwoonlocatie Hamsestraat-Roderweg) aan de Hamsestraat worden aangemerkt als het omgevingstype rustige woonwijk, omdat de woonkavels direct grenzen aan bestaande woonbestemmingen. Ook voor de rest van het plangebied van het bestemmingsplan woonlocatie Hamsestraat-Roderweg geldt dat sprake is van het omgevingstype rustige woonwijk. In figuur 4.4 is de verdeling grafisch weergegeven.

Hoofdstuk 4

34

Figuur 4.4 aanduiding gemengd gebied (rood aangeduid en ligt in het bestemmingsplan Woonlocatie) en het paarse deel (is het plangebied van dit bestemmingsplan). Overige gronden binnen het plangebied bestemmingsplan Woonlocatie zijn aangeduid als rustige woonwijk

Beoordeling Tabel 4.2 geeft een overzicht van de richtafstanden van de bedrijven per milieuaspect voor omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden zijn, conform de VNG publicatie, gemeten op de randen van het bouwvlak. Uit de beoordeling blijkt dat de richtafstanden van enkele bedrijven, voor het milieuaspect geluid reiken tot over de grens van het plangebied. Voor het aspect geluid wordt hiervoor verwezen naar het akoestisch onderzoek industrielawaai (zie later in deze paragraaf). De overige aspecten (geur, gevaar en stof) worden onderstaand per bedrijf beschouwd voor de volgende omliggende bedrijven: 1. Hamsestraat 14; 2. Hamsestraat 16 A/B, Liba Capers; 3. Hamsestraat 16C; 4. Garagebedrijf H.A. van Oorschot, Roderweg 35; 5. Roderweg 38, glastuinbouw3; 6. Schoren 2, Van Nunen Bouw en Van Nunen Design. 3

Momenteel ligt het bestemmingsplan ‘Roderweg 38-40, Liempde’ ter inzage. Het voornemen is om hier woningbouw te ontwikkelen. De glastuinbouwbestemming verdwijnt in dat geval.

Hoofdstuk 4

35

Tabel 4.2: Richtafstanden omliggende bedrijven tot aan woonwerklocatie Naam bedrijf

1

Toegestaan: handel in en repara-

Adres

Richtafstand bij type gemengd gebied (meter)

Feitelijke afstand (m)

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Hamsestraat 14

0

10

50

0

35

Hamsestraat

0

10

50

0

30

Hamsestraat 16C

10

10

10

10

55

tie van personenauto's en lichte bedrijfsauto's met autoplaatwerkerij (categorie 3.2) 2

Liba Campers B.V.

16A/B 3

Toegestaan: bedrijf tot categorie 2

4

Garagebedrijf H.A. van Oorschot

Roderweg 35

0

10

50

0

240

5

Glastuinbouw

Roderweg 38

0

0

10

0

300

6

Van Nunen Bouw en Van Nunen

De Schoren 2

0

10

50

0

32

Design

Geconcludeerd kan worden dat de richtafstanden van de omliggende bedrijven voor de aspecten geur, stof en gevaar niet over het plangebied heen reiken. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de betreffende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van de planontwikkeling en dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van geur- en/of stofhinder of gevaar als gevolg van deze bedrijfsmatige activiteiten. Onderzoek akoestiek industrielawaai Er is door Cauberg-Huygen een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidniveaus vanwege de omliggende bedrijven op woningen binnen twee plangebieden, die in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen:  Bestemmingsplan Woonlocatie Hamsestraat-Roderweg te Liempde.  Bestemmingsplan Woonwerklocatie Hamsestraat te Liempde. Omdat het akoestisch onderzoek is uitgevoerd voor beide plangebieden is in beide bestemmingsplan dezelfde samenvatting opgenomen. Voor de conclusies per plangebied, de overwegingen met betrekking tot bronmaatregelen, overdrachtsmaatregelen en maatregelen bij de ontvanger wordt verwezen naar bijlage 11. Doel van het onderzoek is het beoordelen van de ruimtelijke/akoestische inpasbaarheid van de voorgenomen ontwikkelingen.

Voor de beoordeling van de akoestische inpasbaarheid van de voornomen ontwikkelingen binnen voormelde plangebieden is de werkwijze gehanteerd conform de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering: 1. Wanneer de VNG-richtafstanden tussen de inrichtingen en de nieuwe woningen in beide plangebieden gerespecteerd worden, dan mag volgens de systematiek aangenomen worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Verder onderzoek is niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 4

36

2. Het realiseren van woningen op kortere afstand dan de richtafstanden is mogelijk indien de geluidbelasting voor de representatieve bedrijfssituatie ter plaatse van de woningen in rustige woonwijk danwel gemengd gebied voldoet aan de richtwaarden uit tabel 4.3. 3. Wanneer bij stap 2 niet aan de richtwaarden uit tabel 4.3 voldaan kan worden, dan kan de gemeente ter plaatse van de woningen een hogere geluidbelasting voor de representatieve bedrijfssituatie toestaan tot de richtwaarden uit tabel 4.4. Bij deze afweging dient ook de cumulatieve geluidbelasting van de aanwezige geluidbronnen beschouwd te worden. 4. Wanneer niet aan de richtwaarden uit tabel 4.4 voldaan wordt, dan is inpassing van de beoogde ontwikkeling slechts mogelijk, indien: a) grondig onderzoek wordt verricht, waarvoor b) een onderbouwing en motivering wordt gegeven, waarin c) cumulatie met andere geluidbronnen betrokken wordt. Tabel 4.3: Richtwaarden overeenkomstig stap 2 voor respectievelijk ‘ rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’ [dB(A)]

Beoordelingsgrootheid

Dagperiode

Avondperiode

Nachtperiode

(07:00 – 19:00)

(19:00 – 23:00)

(23:00 – 07:00)

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L Ar;LT)

45

40

35

Maximaal geluidniveau (LAMax)

70

65

60

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L Ar;LT)

50

45

40

Maximaal geluidniveau (LAMax)

70

65

60

Rustige woonwijk Directe hinder

Gemengd gebied Directe hinder

Tabel 4.4 Richtwaarden overeenkomstig stap 3 voor respectievelijk ‘ rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’ [dB(A)]

Beoordelingsgrootheid

Dagperiode

Avondperiode

Nachtperiode

(07:00 – 19:00)

(19:00 – 23:00)

(23:00 – 07:00)

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L Ar;LT)

50

45

40

Maximaal geluidniveau (LAMax)

70*

65*

60*

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L Ar;LT)

55

50

45

Maximaal geluidniveau (LAMax)

70*

65*

60*

Rustige woonwijk Directe hinder

Gemengd gebied Directe hinder

Toelichting *: exclusief de bijdrage ten gevolge van arriverend en vertrekkend verkeer

Uit stap 1 is gebleken dat niet voldaan wordt aan de richtafstanden. Daarom is aansluitend akoestisch onderzoek uitgevoerd. Voor het onderzoek zijn geluidmetingen uitgevoerd en is in overleg met de inrichtinghouders de representatieve bedrijfssituatie vastgesteld. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat niet voldaan kan worden aan de richtwaarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit stap 2 danwel de verruimde richtwaarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit stap 3. Voorts zijn de maximale geluidniveaus vanwege de bestaande bedrijven op de nieuwe woningen hoger dan de grenswaarden.

Hoofdstuk 4

37

Daarom is stap 4 doorlopen. Daartoe is eerst per inrichting beschreven welke activiteiten bepalend zijn voor de overschrijding bij de nieuwe woningen en of, en zo ja, welke doeltreffende danwel doelmatige maatregelen getroffen kunnen worden. Ter bevordering van een goed woon- en leefklimaat zijn er verschillende maatregelen getroffen. De kavels gelegen aan de westzijde dicht bij de bedrijven zijn uitgevoerd als woonwerkkavels. Daarnaast zijn er verschillende kavels ‘omgeklapt’ om voldoende afstand te waarborgen. Bij het bepalen van maatregelen heeft het treffen van voorzieningen aan de bron van het geluid de voorkeur boven voorzieningen in de overdracht van geluid en (gevel)voorzieningen bij de ontvanger. Daaruit is het volgende gebleken: Hamsestraat 16, garagebedrijf H.A. Van Oorschot  Geen aanvullende geluidbeperkende maatregelen bij het bedrijf.  Vanwege toereikende geluidisolerende eigenschappen volgens Bouwbesluit 2012, geen aanvullende bouwkundige voorzieningen bij de nieuwe woningen.  Maatwerkvoorschriften (de maatwerkvoorschriften zijn vanwege de geluidisolerende eigenschappen aanvaardbaar te achten). Vooralsnog wordt een 5 dB verruiming van de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit gezien als het maximum voor het vast te stellen maatwerk. o Of de activiteit, welke voor een overschrijding zorgt, uitsluiten van toetsing.

o Of voor het maximaal geluidniveau tot 65 dB(A) in de nachtperiode voor de nieuwe woningen in:  Bestemmingsplan Woonlocatie Hamsestraat-Roderweg (beoordelingspunten 41, 42, 43 en 45).  Bestemmingsplan Woonwerklocatie Hamsestraat (beoordelingspunt 39). Hamsestraat 16A/B, Liba Campers B.V.  In het kader van BBT wordt in de avondperiode de overheaddeur in de oostgevel gesloten gehouden, behoudens het direct doorlaten van personen en/of goederen. Met deze BBT-maatregel wordt het bedrijf niet onevenredig benadeeld.  Opnemen voorwaardelijke verplichting in de planregels ter plaatse van de beoordelingspunten (37, 38 en 39), teneinde te borgen dat bouwkundige voorzieningen aan de gevels getroffen worden en in stand worden gelaten, zodanig dat het binnenniveau van het maximaal geluidniveau ten hoogste 50 dB(A) in de avondperiode en 45 dB(A) in de nachtperiode bedraagt.  Maatwerkvoorschriften (de maatwerkvoorschriften zijn vanwege de geluidisolerende eigenschappen aanvaardbaar te achten). Vooralsnog wordt een 5 dB verruiming van de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit gezien als het maximum voor het vast te stellen maatwerk. o Of de activiteit, welke voor een overschrijding zorgt, uitsluiten van toetsing.

o Of voor het maximaal geluidniveau tot 70 dB(A) in de avond- en nachtperiode voor de nieuwe woningen in:  Bestemmingsplan Woonlocatie Hamsestraat-Roderweg (beoordelingspunten 11, 40, 41,en 42).  Bestemmingsplan Woonwerklocatie Hamsestraat (beoordelingspunten 01, 37, 38 en 39). Hamsestraat 16C, Clown Snoepy / Schellekens Events B.V.  In het kader van BBT wordt het gebruik van de bladblazer in de dagperiode beperkt van 1 uur naar 45 minuten. Met deze BBT-maatregel wordt het bedrijf niet onevenredig benadeeld.

Hoofdstuk 4

38

Opnemen voorwaardelijke verplichting in de planregels ter plaatse van de beoordelingspunten (01 en 37), teneinde te borgen dat bouwkundige voorzieningen aan de gevels getroffen worden en instand worden gelaten, zodanig dat het binnenniveau van het maximaal geluidniveau 45 dB(A) in de nachtperiode bedraagt. Maatwerkvoorschriften (de maatwerkvoorschriften zijn vanwege de geluidisolerende eigenschappen aanvaardbaar te achten). Vooralsnog wordt een 5 dB verruiming van de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit gezien als het maximum voor het vast te stellen maatwerk. o Of de activiteit, welke voor een overschrijding zorgt, uitsluiten van toetsing. o Of voor het maximaal geluidniveau tot 66 dB(A) in de nachtperiode voor de nieuwe woningen in:  Bestemmingsplan Woonwerklocatie Hamsestraat (beoordelingspunten 01 en 37).

De Schoren 2, Van Nunen Bouw en Van Nunen Design.  In het kader van BBT wordt het gebruik van de bladblazer in de dagperiode en de avondperiode uitgesloten. Daarvoor in de plaats wordt overgaan gegaan op gebruik van alternatieve (handmatige) werkzaamheden, zoals vegen danwel harken. Met deze BBT-maatregel wordt het bedrijf niet onevenredig benadeeld.  Ingeval het beëindigen van staalbewerking op het buitenterrein, vanwege de omvang van het staalwerk niet mogelijk is en dus buiten moet plaatsvinden, zijn maatwerkvoorschriften noodzakelijk. Vooralsnog wordt een 5 dB verruiming van de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit gezien als het maximum voor het vast te stellen maatwerk.  Of de activiteit, welke voor een overschrijding zorgt, uitsluiten van toetsing.  Of voor het maximaal geluidniveau tot 71 dB(A) in de dagperiode en 74 dB(A) in de avondperiode voor de nieuwe woningen in:  Bestemmingsplan Woonlocatie Hamsestraat-Roderweg (beoordelingspunt 10).  Bestemmingsplan Woonwerklocatie Hamsestraat (beoordelingspunten 01, 37, 38 en 39).

 Opnemen voorwaardelijke verplichting in de planregels ter plaatse van de beoordelingspunten (01, 37, 38 en 39), teneinde te borgen dat bouwkundige voorzieningen aan de gevels getroffen worden en in stand worden gelaten, zodanig dat het binnenniveau van het maximaal geluidniveau 55 dB(A) in de dagperiode en 50 dB(A) in de avondperiode bedraagt. Ondanks voornoemde maatregelen bij bestaande bedrijven, teneinde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen bij de nieuwe woningen, blijft bij elk van de vier bestaande bedrijven sprake van een overschrijding van de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer bij de bestaande (bedrijfs)woningen. Dit staat echter de vaststelling van beide bestemmingsplannen niet in de weg. Voor beoordeling van het akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen is inzicht gegeven in de cumulatie van alle geluidbronnen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de methode Miedema. Hieruit is gebleken dat de milieukwaliteitsmaat voornamelijk goed is. Evident is dat ter plaatse van die woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Zoals uit figuur 4.5 blijkt zijn de meeste objecten met een verhoogde milieukwaliteitsmaat gelegen in gemengd gebied. In een dergelijk gebied is een hogere milieukwaliteitsmaat toegestaan en passend voor die omgeving.

In het bijzonder merken we op dat de milieukwaliteitsmaat (tamelijk slecht) passend is voor de vier woonwerkeenheden, omdat sprake is van een gecombineerde functie. Voor al deze objecten is derhalve sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De objecten die gelegen zijn binnen het gebied rustige woonwijk én waarbij sprake is van een verhoogde milieukwaliteitsmaat is eveneens

Hoofdstuk 4

39

sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Immers, die woningen ondervinden geluideffecten van de doorgaande verkeerswegen, waarvoor reeds een nadere afweging is gemaakt vanuit de Wet geluidhinder.

Figuur 4.5 Grafische weergave cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van industrielawaai

Gelet op het voormelde is in beide plangebieden sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.6 Geurhinder In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied. Dit verspreidingsmodel geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Rgv. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Voorgrondbelasting en achtergrondbelasting De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt ‘voorgrondbelasting’ genoemd. Met behulp van verspreidingsmodellen kan de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten worden berekend. De achtergrondbelasting wordt gevormd door de geurbelasting van alle veehouderijen samen. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het plangebied betrokken. Als vuistregel geldt dat de achtergrondbelasting maatgevend is wanneer deze meer dan het dubbele bedraagt van de voorgrondbelasting.

Hoofdstuk 4

40

Gelet op de totale geuremissie en de afstand tot het plangebied is de veehouderij aan Hamsestraat 5 maatgevend voor de voorgrondbelasting. De geuremissie is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. Vergunningen Hamsestraat 5 Op 1 augustus 2022 is voor het bedrijf Hamsestraat 5 een omgevingsvergunning 1e fase verleend. Deze 1e fase ziet op de activiteit milieu en op de activiteit gebiedsbescherming (toestemming Wnb Provincie/VVGB). De vergunning treedt pas in werking zodra ook de andere onlosmakelijk verbonden activiteiten worden vergund in een ‘2 e fase vergunning’. Dat is in ieder geval nog de bouwactiviteit. De vergunning is dus nog niet in werking. Dit betekent dat we op dit moment (ook) nog moeten uitgaan van de nu bestaande, inwerking zijnde vergunde situatie, namelijk een veranderingsvergunning van december 2018.

Omdat veehouderijen op voldoende afstand van het plangebied zijn gelegen kan worden gesteld dat ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogst berekende voorgrondbelasting op een bouwvlak binnen het plangebied bedraagt in de verschillende situaties 3,2 ouE/m3 tot 4,1 ouE/m3. Deze waarden voor de voorgrondbelasting komt overeen met een goed en redelijk goed woon- en leefklimaat. Een gedeelte van het plangebied ligt binnen de geurcontour van 3,0 ouE/m3 van de veehouderij aan Hamsestraat 5. Uit de uitspraak ABRvS 200900801/1/R3 van 7 oktober 2009 blijkt dat als de (op basis van de Wgv of een geurverordening) geldende geurnorm of afstand wordt overschreden hieruit niet per definitie volgt dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit deze en uit latere jurisprudentie blijkt dat het bevoegd gezag kan afwegen of een bepaald woon- en leefklimaat acceptabel is voor de gewenste ontwikkeling. In alle jurisprudentie komt onder andere naar voren dat bij de afweging ook de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) moet worden betrokken. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het plangebied betrokken.

Op basis van Kernregistratie dierverblijven (KRD) van de provincie Noord-Brabant zijn de relevante veehouderijen geselecteerd en zijn de totale geuremissie en de overige (algemene) parameters voor de geurberekeningen bepaald. De hoogst berekende waarde voor de achtergrondbelasting van 5,6 ouE/m 3 komt overeen met een goed woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat ten aanzien van de achtergrondbelasting is gelijk aan het woon- en leefklimaat dat op grond van de Wgv aanvaardbaar wordt geacht. Als vuistregel geldt dat de achtergrondbelasting maatgevend is wanneer deze meer dan het dubbele bedraagt van de voorgrondbelasting. Dat is hier niet het geval. De voorgrondbelasting is voor deze situatie maatgevend voor het woonen leefklimaat. Conclusie Ter plaatse van het hoogst belaste punt op de rand van een bouwvlak binnen het plangebied:  wordt voldaan aan de afstandseis van 100 meter;  de voorgrondbelasting op zijn hoogst bedraagt: o 3,5 ouE/m3 (18 december 2018 vergunde situatie) o 4,1 ouE/m3 (18 december 2018 maximaal planologische situatie) o 3,2 ouE/m3 (18 december 2018 vergunde situatie) o 3,5 ouE/m3 (18 december 2018 maximaal planologische situatie)  de achtergrondbelasting op zijn hoogst op zijn hoogst 5,6 ouE/m 3 bedraagt.

Hoofdstuk 4

41

Figuur 4.6: Achtergrondbelasting

Er is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, omdat:  Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van de afstanden.  Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van de voorgrondbelasting.  Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van de achtergrondbelasting.  Omdat uitgegaan is van de maximale planologische mogelijkheden van de maatgevende veehouderij kan worden gesteld dat de geursituatie in de toekomst niet zal verslechteren.  De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om voor (delen van) haar grondgebied aangepaste geurnormen vast te stellen in een gemeentelijke verordening. Voor geurgevoelige objecten binnen een bebouwde kom (in een concentratiegebied) kan een geurnorm worden vastgesteld binnen de bandbreedte van 0,1 ouE/m 3 tot 14,0ouE/m3. Kennelijk kan in sommige situaties een voorgrondbelasting van 14,0 ouE/m 3 nog aanvaardbaar worden geacht. De hoogst berekende voorgrondbelasting van 3,5 of 4,1 ouE/m3 (maximaal planologische situaties) past ruim binnen de bandbreedte die de Wgv biedt bij het vaststellen van een aangepaste geurnorm.  De meest geurbelaste woningen bevinden zich aan de zuidelijke rand van de te realiseren bebouwde kom, direct grenzend aan het agrarische gebied.

Het gebied kan worden gezien als een overgangsgebied tussen de kern van Liempde en het agrarische gebied daaromheen. Gezien de ligging direct aan het agrarische gebied kan de gemeente overwegen een (enigszins) hogere geurbelasting en daarmee een (enigszins) lager niveau van bescherming voor de te realiseren woningen aanvaardbaar te achten.  De geurbeoordeling heeft betrekking op de meest geurbelaste (zuidelijke) bouwvlakken binnen het plangebied. Verderop in het plangebied (meer noordelijk) worden lagere geurbelastingen berekend en is het woon- en leefklimaat beter.  De toekomstige bewoners van de te realiseren woningen kunnen de aanwezigheid van de veehouderijen meenemen in hun overweging zich op die plaats te vestigen. De geursituatie is in dit

Hoofdstuk 4

42

rapport inzichtelijk gemaakt en kan een onderdeel vormen in de besluitvorming van de toekomstige bewoners.

4.7 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven.

4.8 Akoestiek wegverkeer In het kader van dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai. In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals (bedrijfs)woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Door Cauberg-Huygen is onderzocht wat de geluidsbelasting is ter plaatse van het plangebied. Er is één onderzoek uitgevoerd voor zowel dit bestemmingsplan als het bestemmingsplan Woonlocatie Hamsestraat-Roderweg. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven voor wat betreft wegverkeerslawaai. In deze paragraaf is alleen de conclusie opgenomen, voor de complete rapportage en onderzoeksgegevens wordt verwezen naar bijlage 12. Conclusie De plangebieden van dit bestemmingsplan en de Woonlocatie Hamsestraat-Roderweg liggen ingesloten tussen de Hamsestraat (westzijde), Roderweg (noordzijde) en de Grote Waterloop (zuidzijde).

De plangebieden liggen binnen de bebouwde kom van Liempde en binnen de geluidzone van de Roderweg en Hamsestraat (beide wegen hebben buiten de bebouwde kom een 60 km/u gedeelte). Gezien het plangebied van dit bestemmingsplan gedeeltelijk is gelegen binnen de geluidzone gelegen van de Hamsestraat (linker plaatje figuur 4.7), is een akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai en een toetsing aan de eisen uit de Wet geluidhinder noodzakelijk. De overige wegen Roderweg (30 km/u gedeelte), Hamsestraat (30 km/u gedeelte), Dazingstraat en de Oude Postbaan zijn 30 km/u wegen hebben geen geluidzone volgens de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wel noodzakelijk de invloed van de nabijgelegen 30 km/uur wegen inzichtelijk te maken. De geluidbelastingen vanwege wegverkeer zijn berekend conform de Standaard Rekenmethode II uit bijlage III van het ‘Reken- en meetvoorschrift geluid 2012’. De berekende geluidbelastingen ten gevolge van wegverkeerslawaai (Roderweg) zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Voor stedelijke wegen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en maximale ontheffingswaarde van 63 dB.

Hoofdstuk 4

43

Figuur 4.7: Omvang geluidzone (60 km/u gedeelte) Roderweg: rood en Hamsestraat: oranje/bruin (Bron: Akoestisch onderzoek wegverkeer, Cauberg-Huygen)

De geluidbelasting vanwege de Hamsestraat, Danzingstraat en Oude Postbaan voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting vanwege de Roderweg bedraagt ten hoogste 58 dB en overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, zie figuur 4.7, maar ligt buiten het plangebied van onderhavig bestemmingsplan (rechter plaatje figuur 4.7). De gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle verkeerswegen zonder aftrek bedraagt maximaal 63 dB. Die berekende waarde is daardoor niet hoger dan de ten hoogste toelaatbare grenswaarde, die volgens de Wgh aanvaardbaar is voor woningen in binnenstedelijk gebied. Aangezien het hier de gecumuleerde geluidbelasting betreft én zonder aftrek van 5 dB ingevolge artikel 110g Wgh, wordt de gecumuleerde geluidbelasting aanvaardbaar geacht. Effect geluidbelasting ter plaatse van bestaande woningen Er is beoordeeld wat het effect is van de komst van de nieuwe woningen op de geluidbelasting ter plaatse van een aantal omliggende, bestaande woningen. Hierbij zijn woningen aan de Hamsestraat en Roderweg beschouwd. Alleen ter plaatse van de voorgevel van de woning aan de Hamsestraat 4 is een geluidtoename berekend die als hinderlijk kan worden aangemerkt. De geluidbelasting in de toekomstige situatie bedraagt 55 dB Lden (zonder aftrek), de geluidtoename bedraagt 1,7 dB.

Voor de voorgevel geldt het volgende:  De voorgevel bestaat op de begane grond uit een erker van een woonkamer. Op basis van het internet zijn in deze erker geen te openen ramen. Voorts heeft de woonkamer in andere gevels te openen ramen of deuren, ter plaatse van die gevels treedt geen hinderlijke geluidtoename op.

Hoofdstuk 4

44

Op de eerste verdieping is de voorgevel een schuin dak. Op basis van het internet zijn in het schuine dak geen te openen ramen. De kamer achter dit schuine dak heeft een zijgevel met een te openen raam. Ter plaatse van die zijgevel is een geluidtoename berekend, maar deze wordt niet als hinderlijk aangemerkt.

Gelet op de afwezigheid van te openen ramen of deuren in de voorgevels van de woonvertrekken van de woningen aan de Hamsestraat 4, de mogelijkheid om in andere gevels geveldelen te openen, en de vrijwel gehele woonoriëntatie richting de tuin, wordt geconcludeerd dat de hinderlijke geluidtoename enkel buiten plaatsvindt en die niet binnen de woonvertrekken kan worden ervaren. Om die reden is de geluidtoename aanvaardbaar. Bij de overige onderzochte (12) woningen zijn geen hinderlijke geluidtoenamen berekend.

4.9 Verkeer en parkeren Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een gewijzigde verkeers- en parkeersituatie tot gevolg hebben. De toegenomen verkeersgeneratie mag echter niet leiden tot significant negatieve gevolgen voor de omliggende wegen. De omgeving mag geen onevenredige overlast ervaren door een toegenomen verkeers- en parkeerdruk. Verkeer Om negatieve effecten op de verkeersdrukte in de omgeving te voorkomen, moet gekeken worden naar de toekomstige verkeersgeneratie van het plan. De verkeersgeneratie is worst case bepaald met behulp van de CROW Publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeergeneratie’. Hierbij is aangesloten bij de verkeersgeneratie van werkgebieden zoals opgenomen in tabel 5 en 6 van de publicatie. Tabel 4.5 geeft een weergave van de gehanteerde verkeersgeneratie kentallen. Categorie CROW

Gemengd gebied

Lichtverkeer (bewe-

Middelzwaar verkeer (bewegin-

Zwaar verkeer (bewegin-

gingen/ha)

gen/ha)

gen/ha)

128

12,3

17,7

Tabel 4.5 Verkeersgeneratie

Voor de 4 woonwerkkavels (oppervlakte van 5.100 m 2) is sprake van een totale verkeersgeneratie van maximaal 80 (licht verkeer 65, middelzwaar verkeer 6 en zwaar verkeer 9) verkeersbewegingen per etmaal. De verkeersgegevens van de omliggende wegen zijn aangeleverd door het BBMA (Brabant Brede Model Aanpak), in beheer van de provincie Noord-Brabant. Aangereikt zijn de gegevens voor het prognosejaar 2040 en in onderstaande tabel zijn de etmaalsintensiteiten opgenomen. De Hamsestraat is een gebiedsontsluitingsweg met een maximale snelheid van 30 km/uur. De etmaalsintensiteit op de Hamsestraat bedraagt respectievelijk 1.153 en 400 motorvoertuigen/etmaal (2040).

Hoofdstuk 4

45

Tabel 4.6 Verkeersgegevens (Bron Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Cauberg-Huygen)

Gezien de vormgeving en het gebruik van de Hamsestraat kan de Hamsestraat het extra verkeer verwerken. Parkeren Op grond van het beleidsdocument Parkeernormen Gemeente Boxtel (vastgesteld in 2007) wordt op het moment dat een concrete bouwaanvraag wordt ingediend een parkeereis vastgesteld. Doordat de nieuwbouwwoningen waarschijnlijk gefaseerd gerealiseerd worden, kunnen op het moment van realiseren de parkeernormen afwijken van de parkeernormen die op dit moment gelden. De bouwaanvragen van de woningen dienen getoetst te worden aan de parkeernormen die op dat moment zijn vastgesteld in de parkeernormennota. De parkeereis die voor dit plan geldt is opgenomen in de regels bij dit bestemmingsplan. Hier is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat bij de bouw van de woningen voldaan moet worden aan het op dat moment geldende parkeerbeleid. Het parkeren is hiermee voldoende geborgd. De parkeernormen voor woondoeleinden, zoals vastgesteld door de gemeente Boxtel in het beleidsdocument Parkeernormen, zijn in onderstaande tabel weergeven. Tabel 4.8 geeft de parkeernormen voor bedrijven. Categorie

Omschrijving

Norm (per woning)

Aandeel

Woning duur

Vrijstaand, 2-onder-1-kap, bungalow

Centrum

Rest kom

bezoek

1,5

2,0

0,3

Woning midden

Rijtjes, appartement >60 m2

1,4

1,8

0,3

Woning goedkoop

Appartement <60 m2

1,3

1,5

0,3

Zorgwoning

Zelfstandig wonen

1,3

1,5

0,3

Zorgwoning

Beschermd of verzorgd wonen

0,6

0,6

60%

Kamerverhuur

Studentenwoningen

0,4

0,2

0,2

Tabel 4.7: Parkeernormen woondoeleenheden gemeente Boxtel, vastgesteld 20-03-2007

Hoofdstuk 4

46

Norm (per 100m2 BVO)

Aandeel

Centrum

Rest kom

bezoek

2,0

3,0

20%

Zonder baliefunctie

1,5

1,7

5%

Arbeidsextensieve/ Bezoekersex-

Loods, opslag, groothan-

0,5

0,8

5%

tensieve bedrijven

del, transportbedrijf

Arbeidsintensieve / bezoekersex-

Industrie, garagebedrijf,

1,7

2,5

5%

tensieve bedrijven

laboratorium, werkplaats

Arbeidsextensieve/ bezoekersin-

Showroom

1,0

1,6

35%

Categorie

Omschrijving

(Commerciële) dienstverlening

Kantoren met baliefunctie

Kantoren

tensieve bedrijven Tabel 4.8: Parkeernormen bedrijven gemeente Boxtel, vastgesteld 20-03-2007

Het uitgangspunt voor het gebied is “Rest kom”. Uitgaande van deze cijfers zijn de benodigde parkeerplaatsen voor onderhavige ontwikkeling berekend. Categorie

Omschrijving

Aantal

Norm

Type pp

Woning duur

Vrijstaand 2^1kap,

4

2

Eigen terrein

Ntb

Ntb

Eigen terrein

Aandeel

Parkeerplaatsen

bezoek

benodigd

1,2

8

Ntb

Ntb

bungalow Werken

Per oppervlakte norm

Totaal

4

8

Tabel 4.9: Benodigde parkeerplaatsen

De parkeerplaatsen voor de werkfuncties zijn afhankelijk van het type en de omvang van bedrijven en zullen op eigen terrein worden gerealiseerd. Voor de woningen zijn 8 parkeerplaatsen benodigd. De parkeerplaatsen bijbehorende de woningen zullen ook op eigen terrein worden gerealiseerd. Er kan worden geconcludeerd dat er wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente Boxtel.

4.10 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid (waarbij wel sprake moet zijn van een zorgvuldige belangenafweging en rekening moet worden gehouden met het (toekomstige) Besluit gevoelige bestemmingen): a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Hoofdstuk 4

47

In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Er zijn immers alleen categorieën van gevallen aangewezen, waarvan aannemelijk is dat de toename van de concentraties in de betreffende gevallen niet de 3% grens overschrijdt. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. De Regeling NIBM geeft vooralsnog invulling aan de volgende categorieën:  woningbouw- en kantoorlocaties, alsmede een combinatie daarvan;  Inrichtingen. Hieronder vallen landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen. Veehouderijen van beperkte omvang zijn nog niet in de Regeling NIBM opgenomen, dit zal op een later moment wel gebeuren. Daarnaast is een voorschrift gereserveerd voor defensie-inrichtingen, maar hieraan is nog geen invulling gegeven. Met betrekking tot woningen is het volgende opgenomen:  1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg;  3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2). Geconcludeerd wordt dat met plan niet meer dan 1.500 woningen worden ontwikkeld en niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit’. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. Daarnaast moet gekeken worden of sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit.

Dit kan worden beoordeeld op basis van achtergrondwaarden van fijnstof en stikstof. Hieronder zijn de achtergrondwaarden bij de dichtstbijzijnde toetspunten (aan de Roderweg ten noorden van het plangebied) weergegeven uit de NSL-monitoringstool. Geconcludeerd wordt dat de waarden ruim onder de normen liggen, waarmee sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de woningen in het kader van de luchtkwaliteit. Id

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM10 overschrijdingsdagen

PM2.5 μg/m3

Jaar

221703

16.5

18.1

6.3

11.1

2020

221704

16.6

18.1

6.3

11.1

2020

221705

16.3

18.1

6.3

11.1

2020

221706

16.4

18.1

6.3

11.1

2020

Norm

40

40

35

25

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen voor dit plan.

4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico (dat aan activiteiten verbonden is) voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkom en en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met

Hoofdstuk 4

48

gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere LPG-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, vaarwegen) en buisleidingen (onder andere aardgas en brandbare vloeistoffen). De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Structuurvisie buisleidingen, het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid (meer personen toevoegen aan een gebied) kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het groepsrisico bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.

In de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen of transportroutes gelegen, zie figuur 4.8.

Figuur 4.8:Risicokaart Nederland met globale aanduiding plangebied (bron: Atlas Leefomgeving)

Hoofdstuk 4

49

Conclusie In de in de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen of transportroutes gelegen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor de uitvoering van onderhavig initiatief.

4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een milieueffectrapport nodig. Doorwerking plangebied Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage 11. Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden.

De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

Hoofdstuk 4

50

5.

JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Algemene opzet Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting Een planbeschrijving, beleidsverantwoording en een toets aan de relevante milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De regels De regels geven aan wat de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn binnen het plangebied. Uitgegaan is van de standaarden, die de gemeente hanteert. De verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen en aanduidingen weergegeven, zoals beschreven wordt in paragraaf 5.2 en 5.3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=3946d4da-5b17-40c4-9860-88cce792a375