BP Woongebied Hamsestraat Roderweg en bestemmingsplan Woonwerkkavels- Bijlage 1 Toelichting en planregels
Tekst van het document
Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is. De Regeling NIBM geeft vooralsnog invulling aan de volgende categorieën: woningbouw- en kantoorlocaties, alsmede een combinatie daarvan; Inrichtingen. Hieronder vallen landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen. Veehouderijen van beperkte omvang zijn nog niet in de Regeling NIBM opgenomen, dit zal op een later moment
Hoofdstuk 4
49
wel gebeuren. Daarnaast is een voorschrift gereserveerd voor defensie-inrichtingen, maar hieraan is nog geen invulling gegeven. Met betrekking tot woningen is het volgende opgenomen: 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg; 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2). Geconcludeerd wordt dat met plan niet meer dan 1.500 woningen worden ontwikkeld en niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit’. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. Daarnaast moet gekeken worden of sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Dit kan worden beoordeeld op basis van achtergrondwaarden van fijnstof en stikstof. Hieronder zijn de achtergrondwaarden bij de dichtstbijzijnde toetspunten (aan de Roderweg ten noorden van het plangebied) weergegeven uit de NSL-monitoringstool. Geconcludeerd wordt dat de waarden ruim onder de normen liggen, waarmee sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de woningen in het kader van de luchtkwaliteit. Id
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
221703
16.5
18.1
6.3
11.1
2020
221704
16.6
18.1
6.3
11.1
2020
221705
16.3
18.1
6.3
11.1
2020
221706
16.4
18.1
6.3
11.1
2020
Norm
40
40
35
25
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen voor dit plan.
4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico (dat aan activiteiten verbonden is) voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere LPG-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, vaarwegen) en buisleidingen (onder andere aardgas en brandbare vloeistoffen). De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Structuurvi sie buisleidingen, het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden geno-
Hoofdstuk 4
50
men. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid (meer personen toevoegen aan een gebied) kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het groepsrisico bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. In de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen of transportroutes gelegen, zie figuur 4.8.
Figuur 4.8: Risicokaart Nederland met globale aanduiding plangebied (bron: Atlas Leefomgeving)
Conclusie In de in de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen of transportroutes gelegen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor de uitvoering van onderhavig initiatief.
Hoofdstuk 4
51
4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een milieueffectrapport nodig. Doorwerking plangebied Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage 11. Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden.
De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Hoofdstuk 4
52
5.
JURIDISCHE PLANOPZET
5.1 Algemene opzet Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting Een planbeschrijving, beleidsverantwoording en een toets aan de relevante milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De regels De regels geven aan wat de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn binnen het plangebied. Uitgegaan is van de standaarden, die de gemeente hanteert. De verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen en aanduidingen weergegeven, zoals beschreven wordt in paragraaf 5.2 en 5.3.
5.2 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding zijn de enkelbestemmingen ‘Groen’, ’Natuur’ ‘en ‘Woongebied’ opgenomen. Verder zijn enkele specifieke aanduidingen opgenomen en is de situering van de bebouwing gereguleerd met bouwvlakken, in combinatie met de bouwregels. Tevens zijn enkele dubbelbestemmingen opgenomen.
5.3 Toelichting op de bestemmingen Groen Binnen het plangebied zijn enkele zones bestemd als ‘Groen’. Dit betreft een groenvoorziening nabij de zuidelijke ontsluiting van het woongebied op de Hamsestraat, een groenstrook centraal in het plangebied, waar de hoofdontsluiting zich splitst in tweeën, alsmede een groenstrook tussen twee woonkavels aan de Hamsestraat. De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen met bijbehorende voorzieningen, zoals water, bermen en beplanting, paden en speelvoorzieningen. Binnen de bestemming mogen nutsvoorzieningen worden gebouwd, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Natuur Het zuidelijk deel van het plangebied, ten zuiden van de nieuwe ontsluitingsweg, wordt grotendeels groen ingericht volgens de gebiedsvisie, die aan de ontwikkeling ten grondslag ligt. Er worden twee
Hoofdstuk 5
53
woongebieden gerealiseerd, die aan drie kanten worden omgeven door groen. Tussen de twee woongebieden komt een ‘groene long’. De gronden rondom de woongebieden zijn bestemd als ‘Natuur’. Deze bestemming wordt het best passend geacht bij de beoogde inrichting van het gebied, die voorwaardelijk verplichtend in de bestemming ‘Woongebied’ is voorgeschreven (zie hierna). Deze gronden zijn bestemd voor behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden, water en groenvoorzieningen. Bijbehorende functies, zoals recreatief medegebruik en paden, zijn hierbij toegestaan. Dit maakt het mogelijk om een overgang naar het woongebied te realiseren. Binnen de bestemming mogen enkel voorzieningen van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. Woongebied De rest van het plangebied is bestemd als ‘Woongebied’. De bestemming is flexibel en kaderstellend in opzet, waarbij de inrichtingseisen met name in de bouwregels op perceel niveau zijn bepaald. Daarnaast is de hoofdontsluitingsstructuur van het woongebied, met twee ontsluitingen op de Hamsestraat en één op de Roderweg, met een aanduiding op de verbeelding weergegeven.
Gebruik De gronden met de bestemming ‘Woongebied’ zijn bestemd voor: wonen in een woning, al dan niet in combinatie met een beroep aan huis onder nadere voorwaarden; ontsluitingswegen met maximaal 2x1 rijstrook, alleen ter plaatse van de hierboven al benoemde aanduiding ‘ontsluiting’; tuinen en erven; woonstraten; voet- en fietspaden, stoepen; in- en uitritten, brandgangen; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen, bermen en beplanting; speelvoorzieningen; waterlopen, waterpartijen en waterberging; voorzieningen van algemeen nut. Middels een afwijkingsbevoegdheid is een bedrijf aan huis onder voorwaarden toegestaan. Ter plaatse van de twee woongebieden ten zuiden van de ontsluitingsweg is de aanduiding ‘specifieke vorm van woongebied – woonerf’ opgenomen. Beide gebieden worden rondom een centraal onbebouwd erf ontwikkeld. Binnen deze gebieden moet een groenvoorziening van voldoende omvang worden gerealiseerd, wat in de planregels is vastgelegd. Beide gebieden worden met één aansluiting op de hoofdontsluitingsweg verbonden. Aan het inrichten in gebruik nemen van het woongebied is een voorwaardelijke verplichting gekoppeld, die inhoudt dat tijdig de ruimtelijke kwaliteitsverbetering binnen de aangrenzende bestemming ‘Natuur’ gerealiseerd moet worden en in stand moet worden gehouden.
Ook is een voorwaardelijke verplichting voor het realiseren van voldoende waterberging opgenomen. Bouwen Het woongebied is opgedeeld in diverse bouwvlakken. Dit betreft relatief ruime bouwstroken, die op het stedenbouwkundig plan zijn gebaseerd en de hoofdprincipes vastleggen, maar op perceelsniveau ruimte bieden voor nadere uitwerking. Hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken moeten binnen
Hoofdstuk 5
54
deze bouwvlakken worden gebouwd. Per bouwvlak geldt een maximum aantal woningen. Ook het totale maximale aantal woningen (112) is vastgelegd. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, die het mogelijk maakt om beperkt te schuiven met woningaantallen (maximaal één extra per veld). Hierbij is het gestelde totale maximumaantal altijd van toepassing. Per bouwvlak is aangegeven welk(e) type(n) woning(en) toegestaan zijn (vrijstaand, twee-aaneen/geschakeld, aaneengebouwd en/of rug aan rugwoningen). Op de verbeelding zijn tevens de maximale goot- en bouwhoogte van de hoofdgebouwen aangegeven. Voor bijbehorende bouwwerken is in de bouwregels een erfbebouwingsregeling opgenomen. Tevens zijn afzonderlijke regels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voor nutsvoorzieningen gesteld. Aan de Hamsestraat is één zone aangewezen op de verbeelding, waar geen bebouwing is toegestaan, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen tot 1 meter hoog. Ook vergunningsvrij bouwen is hier uitgesloten.
5.4 Toelichting op de overige regels Hieronder volgt een toelichting op hoofdstuk 1, 3 en 4 van de regels. Hoofdstuk 1. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van bouwwerken te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hoofdstuk 3. Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze regel is verplicht overgenomen uit het Bro (art. 3.2.4.) en is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel is een parkeerregeling opgenomen. Parkeren dient te geschieden op eigen terrein met inachtname van de normen als beschreven in paragraaf 4.10 van deze toelichting.
Algemene aanduidingsregels Aan de noordzijde van het plangebied is de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – wegverkeer’ opgenomen. Dit betreft de zone waar de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder vanwege het wegverkeer op de Roderweg wordt overschreden. Binnen deze zone gelden nadere eisen aan het oprichten van nieuwe woningen. Hieraan moet bij verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen worden voldaan. Voornaamste eis is dat er ten minste één geluidluwe gevel moet zijn bij iedere woning.
Hoofdstuk 5
55
Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan een omgevingsvergunning tot afwijken kan worden verleend. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Ook is een regeling opgenomen voor zend- en ontvangen/of sirenemasten. Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarbij een wijzigingsbevoegdheid kan worden toegepast. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht De overgangsregeling is overgenomen uit het Bro (art. 3.2.1 en 3.2.2). Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel Deze regel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Hoofdstuk 5
56
6.
HAALBAARHEID
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1 Financieel 6.1.1 Uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de verschillende initiatiefnemers. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. De ontwikkeling is hiermee financieel uitvoerbaar. 6.1.2 Kostenverhaal Aangezien in voorliggend geval het kostenverhaal is vastgelegd door middel van anterieure overeenkomst tussen gemeente en de initiatiefnemer, kan de vaststelling van een exploitatieplan achterwege blijven.
6.2 Maatschappelijk 6.2.1 Inspraak De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. In het kader van onderhavig bestemmingsplan vindt geen inspraak plaats. Er heeft wel een voorontwerpbestemmingsplan Woonwerklocatie Hamsestraat ter inzage gelegen in 2016 (vanaf 28 oktober 2016). Dit voorontwerpbestemmingsplan is toegezonden aan Waterschap en de provincie Noord-Brabant. Er zijn 10 inspraakreacties ontvangen, waaronder 8 identieke. Naar aanleiding van de inspraak is de verkaveling aangepast. In het kader van de op te stellen gebiedsvisie Hamsestraat-Roderweg is gekeken naar de verkaveling van de percelen aan de Hamsestraat in relatie tot de verkaveling van het woongebied Hamsestraat-Roderweg. Dit heeft tot een gewijzigde verkaveling van de percelen aan de Hamsestraat geleid. De verkaveling volgens de gebiedsvisie ligt ten grondslag aan dit ontwerpbestemmingsplan woonlocatie Hamsestraat-Roderweg.
Hoofdstuk 6
57
6.2.2 Overleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. De reacties zijn in het plan verwerkt. 6.2.3 Omgevingsdialoog Met een omgevingsdialoog wordt getoetst hoe bewoners uit de directe omgeving van het plangebied aankijken tegen de voorgenomen ontwikkelingen. Deze omgevingsdialoog zal plaatsvinden in het kader van de bestemmingsplanprocedure. De omgevingsdialoog wordt gehouden met de bewoners en/of eigenaren van de in de buurt van het plangebied gelegen bedrijven en woningen. In het proces om te komen tot een gebiedsvisie voor het gebied Hamsestraat-Roderweg in Liempde is een groot aantal stakeholders betrokken, waaronder grondeigenaren, initiatiefnemers van kavels aan de Hamsestraat, omwonenden en belangengroeperingen. Met het Dorpsberaad Liempde heeft regelmatig afstemming plaatsgevonden over de ontwikkelingen van de woningbouwlocatie en de gebiedsvisie.
Op 5 april 2016 is de klankbordgroep Hamsestraat-Roderweg opgericht door het Dorpsberaad en de gemeente Boxtel. Deze klankbordgroep wordt gevormd door grondeigenaren in het gebied, omwonenden, woningbouwstichting Joost, de Natuurwerkgroep Liempde en de Ouderen in Regie. Het Dorpsberaad Liempde informeert en betrekt de klankbordgroep bij de ontwikkeling van de woningbouwontwikkelingen. Op 19 juni 2019 is een eerste concept van gebiedsvisie gepresenteerd aan de klankbordgroep. Daarnaast is de gebiedsvisie tot stand gekomen in nauw overleg met de provincie Noord-Brabant, waterschap de Dommel en de Natuurwerkgroep Liempde. Het woningbouwprogramma is gedeeld in het regio-overleg wonen Noordoost Brabant-West. Op 25 juni 2019 heeft er een brede inloopbijeenkomst in Liempde plaatsgevonden, waarin de inwoners van Liempde hun inbreng hebben gegeven op de concept-gebiedsvisie. De reacties zijn meegenomen en afgewogen in het kader van het opstellen van de definitieve gebiedsvisie. De gemeenteraad is tussentijds over de voortgang van de woningbouwontwikkeling en van de gebiedsvisie geïnformeerd. Tijdens een beeldvormende raadsvergadering op 23 juni 2020 is de conceptgebiedsvisie aan de raad gepresenteerd.
De gebiedsvisie ligt ten grondslag aan dit ontwerpbestemmingsplan 6.2.4 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens de artikelen 3.7 t/m 3.9 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter inzage gelegd gedurende een periode van zes weken. Het ontwerpbestemmingsplan “Woonlocatie Hamsestraat-Roderweg” heeft van 1 maart 2023 tot en met 14 april 2023 ter inzage gelegen. Tijdens de periode van terinzagelegging is een ieder in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling een zienswijze in te dienen op het ontwerpbestemmingsplan. In totaal zijn acht zienswijzen ingediend. Deze ter inzagelegging was gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ‘Woonwerklocatie Hamsestraat”. De Nota zienswijzen is opgenomen in bijlage 14.
Hoofdstuk 6
58
6.2.5 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Hoofdstuk 6
59
SEPARATE BIJLAGEN
Bijlage 1: Gebiedsvisie Bijlage 2: Archeologie Bijlage 3: Bodemonderzoek Bijlage 4: Flora en fauna Bijlage 5: Akoestiek onderzoek wegverkeer Bijlage 6: Stikstofonderzoek Bijlage 7: Waterparagraaf Bijlage 8: Geuronderzoek Bijlage 9: Kwaliteitsverbetering Bijlage 10: Wonen in Regionaal Perspectief 2019 Bijlage 11: Aanmeldingsnotitie m.e.r Bijlage 12: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 13: Vervolgonderzoek marterachtigen Bijlage 14: Archeologie Bijlage 15: Nota van Zienswijzen
Hoofdstuk 6
60
Regels