Bp Achter den Eijngel- bijlage 2 Bijlage bij Toelichting (1323090)_compressed.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan - Bijlagen bij toelichting -
Achter den Eijngel 2022 Gemeente Boxtel
BESTEMMINGSPLAN - Bijlagen bij toelichting -
Achter den Eijngel 2022 Gemeente Boxtel
IDN-nummer:
NL.IMRO.0757.BP80634-OTW2
Status:
vastgesteld
Datum:
mei 2023
Locatie Nijmegen Wijchenseweg 102 6538 SX Nijmegen 024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl
Locatie Rosmalen Berlicumseweg 6D 5248 NT Rosmalen
Inhoudsopgave Bijlagen bij toelichting
5
Bijlage 1
Beeldkwaliteitsplan
6
Bijlage 2
Visie Mijlstraat
33
Bijlage 3
Collegevoorstel ontsluiting
35
Bijlage 4
Besluit ontsluiting
40
Bijlage 5
Notitie herbegrenzing Interim Omgevingsverordening
43
Bijlage 6
Verkennend bodemonderzoek
48
Bijlage 7
Actualiserend bodemonderzoek
156
Bijlage 8
Verkennend bodem- en asbestonderzoek
309
Bijlage 9
Nader onderzoek asbest
457
Bijlage 10
Akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai
537
Bijlage 11
Actualiserend akoestisch onderzoek
561
Bijlage 12
Quickscan externe veiligheid
748
Bijlage 13
Advies veiligheidsregio
760
Bijlage 14
Quickscan Flora en Fauna
765
Bijlage 15
Nader onderzoek soortenbescherming
802
Bijlage 16
Onderzoek Stikstofdepositie
826
Bijlage 17
Onderzoek externe werking NNB
879
Bijlage 18
Archeologie inventariserend onderzoek
892
Bijlage 19
Programma van eisen
956
Bijlage 20
Programma van eisen getekend gemeente
1008
Bijlage 21
Archeologisch proefsleuvenonderzoek
1012
Bijlage 22
Watertoets
1078
bestemmingsplan Achter den Eijngel 2022
3
Bijlage 23
Watervergunning
1138
Bijlage 24
Waterhuishoudkundig plan
1144
Bijlage 25
Nota van Zienswijzen
1149
Bijlage 26
Nota van Wijzigingen
1155
4
bestemmingsplan Achter den Eijngel 2022
Bijlagen bij toelichting
bestemmingsplan Achter den Eijngel 2022
5
Bijlage 1
6
Beeldkwaliteitsplan
bestemmingsplan Achter den Eijngel 2022
•
• •
4
1
3
2
5
Bijlage 2
Visie Mijlstraat
bestemmingsplan Achter den Eijngel 2022
33
Bijlage 3
Collegevoorstel ontsluiting
bestemmingsplan Achter den Eijngel 2022
35
Collegevoorstel Registratienr.: 1219035
Openbaar
Portefeuillehouder: Peter van de Wiel Team: RMEO-Ruimtelijke Ontwikkeling Steller: Clementine van der Meijden Betrokken medewerkers: RPO, WBA, RMU, JDO
Onderwerp 1219035 - Ontsluitingswijze nieuwbouwwijk Achter Den Eijngel, Lennisheuvel
Samenvatting Op 10 april 2019 heeft de raad het bestemmingsplan Achter Den Eijngel vastgesteld. In dit bestemmingsplan is toegelicht dat de nieuwe woonwijk in twee richtingen wordt ontsloten vanaf de Mijlstraat. Verder wordt de ontsluitingsstructuur zo ingericht dat vanuit het Rigtpad de nieuwe woonwijk ingereden kan worden en via de Ploeg de wijk uit. Op 24 juni 2019 heeft een informatieavond plaatsgevonden waarbij deze ontsluitingsvariant met de omgeving en de klankbordgroep nader is besproken. In vervolg hierop zijn nog enkele reacties per brief ontvangen. Alle reacties zijn in bijgaand verslag ‘Verkeersontsluiting Achter den Eijngel’ van een gemeentelijke reactie voorzien. Op basis van deze resultaten wordt voorgesteld om te kiezen voor de ontsluitingsvariant zoals deze op 24 juni 2019 door de gemeente is gepresenteerd. Gebleken is dat deze variant een ruim draagvlak heeft en zorgt voor de grootst mogelijke verkeersspreiding en daarmee spreiding van lasten voor de omgeving. De bewoners van de straten waarop de nieuwe woonwijk wordt ontsloten vrezen voor een toename van het verkeer en het ontstaan van verkeersveilige situaties. Bij de nadere uitwerking van de inrichting wordt hier zorgvuldig naar gekeken. Dit geldt in het bijzonder voor de kruising Lennisheuvel, Rigtpad en de Eg.
Voorstel 1. Te kiezen voor de ontsluitingsvariant waarbij de woonwijk Achter Den Eijngel in twee richtingen wordt ontsloten vanaf de Mijlstraat en via één richting vanaf het Rigtpad en vanaf de Ploeg; 2. In te stemmen met bijgaand verslag ‘Verkeersontsluiting Achter den Eijngel’; 3. Dit besluit terug te koppelen naar de klankbordgroep, omgeving en indieners van brieven.
Collegevoorstel Inleiding Op 10 april 2019 heeft de raad het bestemmingsplan Achter Den Eijngel vastgesteld. In dit bestemmingsplan is toegelicht dat de nieuwe woonwijk in twee richtingen wordt ontsloten vanaf de Mijlstraat. Verder wordt de ontsluitingsstructuur zo ingericht dat vanuit het Rigtpad de nieuwe woonwijk ingereden kan worden en via de Ploeg de wijk uit. Op 24 juni 2019 heeft een informatieavond plaatsgevonden waarbij deze ontsluitingsvariant met de omgeving en de klankbordgroep nader is besproken. In vervolg hierop zijn nog enkele reacties per brief ontvangen. Alle reacties zijn in bijgaand verslag van een gemeentelijke reactie voorzien. Op basis van deze resultaten wordt voorgesteld om te kiezen voor de ontsluitingsvariant zoals deze op 24 juni 2019 door de gemeente is gepresenteerd. Gebleken is dat deze variant een ruim draagvlak heeft en zorgt voor de grootst mogelijke verkeersspreiding en daarmee spreiding van lasten voor de omgeving. De bewoners van de straten waarop de nieuwe woonwijk wordt ontsloten vrezen voor een toename van het verkeer en het ontstaan van verkeersveilige situaties. Bij de nadere uitwerking zal zorgvuldig naar een verkeersveilige inrichting gekeken worden. Dit geldt in het bijzonder voor de kruising Lennisheuvel, Rigtpad en de Eg.
Beoogd resultaat Een goede ontsluiting van de nieuwbouwwijk Achter Den Eijngel in Lennisheuvel.
Argumenten 1.1 Met de voorgestelde ontsluitingsvariant wordt de nieuwe woonwijk goed ontsloten. Met de drie ontsluitingsmogelijkheden vindt een goede ontsluiting van de nieuwe woonwijk plaats. De verkeersgeneratie van de nieuwe woonwijk kan op de huidige wegen in de omgeving worden opgevangen. Deze leiden niet tot een overbelasting van deze wegen of een verslechtering van de verkeersveiligheid. 1.2 Met de voorgestelde ontsluitingsvariant vindt een zo groot mogelijke spreiding van het verkeer plaats. De voorgestelde ontsluiting leidt tot een zo groot mogelijke spreiding van het verkeer en daarmee tot een spreiding van de lasten voor de omgeving. 2.1 Over de voorgestelde ontsluitingswijze heeft een informatiebijeenkomst plaatsgevonden. Op 24 juni 2019 heeft een informatiebijeenkomst plaatsgevonden. Tijdens het eerste plenaire deel van deze bijeenkomst heeft de gemeente een toelichting heeft gegeven op de voorgestelde ontsluitingsvariant. Vervolgens zijn de aanwezigen in groepjes uiteengegaan voor een discussie hierover. De reacties en vragen tijdens deze discussieronde zijn in bijgaand verslag samengevat en van een antwoord voorzien. 2.2 Tijdens de informatieavond bleek over het algemeen een ruim draagvlak te bestaan voor de voorgestelde ontsluitingsvariant. Tijdens de avond is de voorgestelde variant uitgebreid gesproken en zijn ook andere varianten besproken.
Geconcludeerd is dat over het algemeen een ruim draagvlak bestaat bij de voorgestelde voorkeursvariant. Met name de bewoners in de straten waarop de nieuwe woonwijk wordt ontsloten hebben echter wel hun vrees geuit voor de toename van het verkeer en het ontstaan van verkeersveilige situaties. Bij de nadere uitwerking zal zorgvuldig naar een verkeersveilige inrichting gekeken worden. Dit geldt in het bijzonder voor de kruising Lennisheuvel, Rigtpad en de Eg. 2.3 De nadien ingekomen brieven leiden niet tot andere inzichten. In vervolg op de informatieavond is op 17 juli 2019 een schriftelijke reactie ontvangen van de bewoners van de Ploeg en de Eg. De bewoners vrezen voor verkeersonveilige situaties. De
Collegevoorstel huidige situatie levert op de kruising van de Ploeg met de Eg al met regelmaat gevaarlijke situaties op vanwege de smalle doorgang. Er ontstaan lastige en gevaarlijke situatie bij het verlaten van inritten. De kruising de Eg, het Rigtpad en Lennisheuvel is niet geschikt voor meer verkeer. Ook wordt gevreesd voor verkeersonveiligheid op de straat Lennisheuvel bij een toename van verkeer. De bewoners presenteren twee oplossingen: - Hoofdverkeer via de Mijlstraat in combinatie met enkele maatregelen op de Mijlstraat - Als hoofdontsluiting te kiezen voor de Mijlstraat en als tweede ontsluiting te kiezen voor het Rigtpad Naar aanleiding van de raadsvergadering op 8 oktober 2019 is een brief ontvangen van een belanghebbende in het gebied. In deze brief wordt gepleit voor een tweerichtingsweg op het Rigtpad omdat hiervoor voldoende ruimte beschikbaar is. Op deze wijze zou onnodig veel verkeer door de woonstraten de Ploeg en de Eg worden voorkomen. Deze reacties zijn in lijn met reacties die ook tijdens de informatiebijeenkomst naar voren zijn gebracht en leiden dus niet tot andere inzichten. Bij de nadere uitwerking zal zorgvuldig naar een verkeersveilige inrichting gekeken worden. Dit geldt in het bijzonder voor de kruising Lennisheuvel, Rigtpad en de Eg.
Kanttekeningen 1.1 Verkeerstechnisch zijn ook andere varianten mogelijk. Verkeerstechnisch zijn ook andere varianten mogelijk waaronder de door de bewoners van de Eg en Ploeg aangedragen variant 1 (ontsluiting alleen via Mijlstraat). Er wordt gekozen voor de variant die leidt tot een spreiding van het verkeer. 1.2 In de beroepschriften tegen het bestemmingsplan zijn bezwaren over de voorgestelde ontsluiting naar voren gebracht. De Raad van State heeft vier beroepschriften ontvangen tegen het vastgestelde bestemmingsplan Achter den Eijngel. De beroepschriften zijn onder andere ingediend door enkele bewoners uit de directe omgeving (Mijlstraat, Ploeg). Deze bewoners stellen naast andere aspecten ook de voorgestelde ontsluiting aan de orde. Gevreesd wordt voor een toename van verkeer in de omgeving met alle nadelige gevolgen van dien zoals verkeersonveiligheid, ongeschiktheid bestaande infrastructuur, toename geluid. Het bestemmingsplan bevat passende verkeersbestemmingen waarbinnen de voorgestelde ontsluitingsvariant kan worden gerealiseerd. De nadere uitwerking hiervan is een aspect dat niet zozeer binnen de kaders van het bestemmingsplan valt. De gemeente is onlangs door de Raad van State in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen. In het tweede kwartaal van 2020 vindt naar verwachting hierover de zitting bij de Raad van State plaats.
De uitspraak hierover wordt afgewacht. 1.2 Ter uitvoering van dit besluit worden op termijn nog de benodigde verkeersbesluiten genomen. Voor het instellen van eenrichtingsverkeer op het Rigtpad en de Ploeg moeten op termijn verkeersbesluiten worden genomen. Voordat deze besluitvorming plaatsvindt worden de ontwerpbesluiten ter inzage gelegd waarbij de mogelijkheid wordt geboden hierop te reageren. Tegen de uiteindelijke verkeersbesluiten kan bij de Raad van State beroep worden ingesteld. .
Collegevoorstel Financiën Kostenverhaal heeft plaatsgevonden via de anterieure overeenkomst die tussen projectontwikkelaar en gemeente is gesloten
Uitvoering Informeren belanghebbenden. Op termijn nadere uitwerking van de inrichting en volgen procedure tot het nemen van verkeersbesluiten.
Communicatie De klankbordgroep, briefschrijvers en omgeving worden over het besluit geïnformeerd. Daarnaast wordt geheel Lennisheuvel via de gebruikelijke kanalen geïnformeerd.
Bijlagen 1. Presentatie 24 juni 2019 met tekening voorgestelde ontsluitingsvariant 2. Verslag Verkeersontsluiting Achter den Eijngel
Bijlage 4
40
Besluit ontsluiting
bestemmingsplan Achter den Eijngel 2022
B&W Dossiernummer
549
Extern Zaak ID
1219035
Vertrouwelijk
Nee
Vergaderdatum
29 oktober 2019
Agendapunt
02.10
Omschrijving
1219035 - Ontsluitingswijze nieuwbouwwijk Achter Den Eijngel, Lennisheuvel
Organisatieonderdeel
Boxtel
Eigenaar
Meijden, Clementine van der
Bijlagen 1219035 Bijlage 1 presentatie 24 juni 2019.pdf 1219035 bijlage 2 verslag verkeersontsluiting Achter Den Eijngel.pdf VERVALLEN 1219035 Ontsluitingswijze nieuwbouwwijk Achter Den Eijngel, Lennisheuvel 1219035 Ontsluitingswijze nieuwbouwwijk Achter Den Eijngel, Lennisheuvel .docx Geagendeerd
Vergaderdatum
B&W
29 oktober 2019
Parafering Kraal, A.E.
Akkoord
24-10-2019 12:15
Toelichting Op 10 april 2019 heeft de raad het bestemmingsplan Achter Den Eijngel vastgesteld. In dit bestemmingsplan is toegelicht dat de nieuwe woonwijk in twee richtingen wordt ontsloten vanaf de Mijlstraat. Verder wordt de ontsluitingsstructuur zo ingericht dat vanuit het Rigtpad de nieuwe woonwijk ingereden kan worden en via de Ploeg de wijk uit. Op 24 juni 2019 heeft een informatieavond plaatsgevonden waarbij deze ontsluitingsvariant met de omgeving en de klankbordgroep nader is besproken. In vervolg hierop zijn nog enkele reacties per brief ontvangen. Alle reacties zijn in bijgaand verslag ‘Verkeersontsluiting Achter den Eijngel’ van een gemeentelijke reactie voorzien. Op basis van deze resultaten wordt voorgesteld om te kiezen voor de ontsluitingsvariant zoals deze op 24 juni 2019 door de gemeente is gepresenteerd. Gebleken is dat deze variant een ruim draagvlak heeft en zorgt voor de grootst mogelijke verkeersspreiding en daarmee spreiding van lasten voor de omgeving. De bewoners van de straten waarop de nieuwe woonwijk wordt ontsloten vrezen voor een toename van het verkeer en het ontstaan van verkeersveilige situaties. Bij de nadere
uitwerking van de inrichting wordt hier zorgvuldig naar gekeken. Dit geldt in het bijzonder voor de kruising Lennisheuvel, Rigtpad en de Eg. Voorgesteld besluit 1. Te kiezen voor de ontsluitingsvariant waarbij de woonwijk Achter Den Eijngel in twee richtingen wordt ontsloten vanaf de Mijlstraat en via één richting vanaf het Rigtpad en vanaf de Ploeg; 2. In te stemmen met bijgaand verslag ‘Verkeersontsluiting Achter den Eijngel’; 3. Dit besluit terug te koppelen naar de klankbordgroep, omgeving en indieners van brieven. Besluit (Akkoord) 1. Te kiezen voor de ontsluitingsvariant waarbij de woonwijk Achter Den Eijngel in twee richtingen wordt ontsloten vanaf de Mijlstraat en via één richting vanaf het Rigtpad en vanaf de Ploeg; 2. In te stemmen met bijgaand verslag ‘Verkeersontsluiting Achter den Eijngel’; 3. Dit besluit terug te koppelen naar de klankbordgroep, omgeving en indieners van brieven.
Bijlage 5 Notitie herbegrenzing Interim Omgevingsverordening
bestemmingsplan Achter den Eijngel 2022
43
Notitie Van Aan Datum
College van Burgemeesters en Wethouders van de gemeente Boxtel Gedeputeerde Staten 10 mei 2022
Onderwerp Besluit ontwerp herbegrenzingsverzoek
Aanleiding In zijn uitspraak van 9 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1217) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het bestemmingsplan ‘Achter den Eijngel’ vernietigd. Reden voor deze uitspraak is het feit dat in het bestemmingsplan ‘Achter den Eijngel’ aan een gedeelte van de gronden ter plaatse van het werkingsgebied ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ uit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV) de bestemmingen ‘Wonen – 1’ en ‘Wonen – 3’ zijn toegekend. Naar oordeel van de Afdeling strekt het plan in zoverre niet tot verwezenlijking, behoud en beheer van een ecologische verbindingszone (hierna: EVZ), waarmee het bestemmingsplan in strijd met de verordening is vastgesteld. In overleg met de gemeente en de provincie wordt nu bekeken welke stappen voor het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning dienen te worden doorlopen om woningbouw in het plangebied alsnog juridisch-planologisch mogelijk te maken. Onderdeel hiervan is het aanpassen van de enkele werkingsgebieden uit de IOV, onder meer anticiperend op de vaststelling van het ontwerp van de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Brabant. Conform de regels van de IOV zal de aanvraag voor herbegrenzing met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage worden gelegd, en worden in het ontwerpplan de bijbehorende aanduidingen opgenomen.
Hiervoor is een voorstel weergegeven op bijgevoegde kaart (bijlage 1). In deze notitie wordt de voorgestelde herbegrenzing nader toegelicht en onderbouwd.
Toelichting voorstel herbegrenzing Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone Op een deel van het beoogde plangebied is op grond van de IOV het werkingsgebied ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ van toepassing. Binnen dit werkingsgebied dienen bestemmingsplannen volgens de bijbehorende regels te strekken tot verwezenlijking, behoud en beheer van een EVZ van ten minste 50 meter breed in Stedelijk Gebied of Verstedelijking Afweegbaar. Voor overige gebieden geldt dat bestemmingsplannen een EVZ van 25 meter dienen te waarborgen (artikel 3.25, lid 1 IOV) Een bestemmingsplan dient te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een EVZ, in ieder geval door het oprichten van bebouwing en aanbrengen van verharding te beperken (artikel 3.25, lid 2 IOV). Inmiddels is de EVZ ter plaatse van het beoogd plangebied feitelijk gerealiseerd (2009/2010, EVZ Heerenbeekloop fase 2). De waterloop heeft ter plaatse een meandering gekregen over een breedte van 40 meter. Tevens zijn aan de zuidzijde van de waterloop poelen aangebracht en is de gehele zone natuurlijk ingericht. Bij navraag bij Waterschap De Dommel is aangegeven dat er voor dit deel van de Heerenbeekloop geen nadere maatregelen geprogrammeerd staan.
Het werkingsgebied ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ in de IOV valt niet samen met deze feitelijke inrichting van de Heerenbeekloop en zijn natuurlijk ingerichte oevergebied. Het
Pagina 1 van 4
werkingsgebied ligt namelijk een stuk noordelijker (zie hieronder afbeelding 1). In het ontwerp van de Omgevingsverordening Noord-Brabant is de feitelijke realisatie van de EVZ wel goed verwerkt, door over de volle breedte van de Heerenbeekloop het werkingsgebied ‘Natuur Netwerk Brabant’ neer te leggen (zie afbeelding 2). Met de nu beoogde herbegrenzing van het werkingsgebied ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ in de IOV, zoals weergegeven op bijgevoegde kaart (bijlage 1), wordt beoogd het werkingsgebied aan te passen aan de feitelijke inrichting van de EVZ Heerenbeekloop, en wordt geanticipeerd op de wijziging in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. In het geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ is reeds aan een deel van de gerealiseerde EVZ een natuurbestemming toegekend. Met het nieuwe ontwerpbestemmingsplan worden ook de percelen van het waterschap aan de zuidzijde van de Heerenbeekloop van een natuurbestemming voorzien. Daarmee wordt de gerealiseerde EVZ volledig van een passende bestemming voorzien.
Figuur 1 Uitsnede verbeelding IOV, kaart 4 ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ met werkingsgebieden ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ (paars) en ‘Behoud en herstel van watersystemen’ (paars gearceerd).
Figuur 2 Uitsnede verbeelding ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant, kaart 4 ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ met werkingsgebieden ‘Natuur Netwerk Brabant’ (licht groen) en ‘Behoud en herstel van watersystemen’ (paars gearceerd).
Pagina 2 van 4
Verstedelijking afweegbaar Zoals hierboven reeds vermeld, dienen bestemmingsplannen binnen het werkingsgebied ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ op grond van de IOV te strekken tot verwezenlijking, behoud en beheer van een EVZ van ten minste 50 meter breed in Stedelijk Gebied of Verstedelijking Afweegbaar. In overige gebieden geldt een EVZ van ten minste 25 meter (artikel 3.25, lid 1 IOV). Op een deel van het plangebied is het werkingsgebied ‘Verstedelijking Afweegbaar’ van toepassing, waarbij ook sprake is van een overlap van de twee werkingsgebieden (zie onderstaande afbeelding). Om de werkingsgebieden ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ en ‘Verstedelijking Afweegbaar’ op elkaar af te stemmen wordt voorgesteld om een strookje ‘Verstedelijking Afweegbaar’ uit de IOV te verwijderen, zodat dit werkingsgebied grenst aan het perceel van het waterschap (kadastraal bekend als gemeente Boxtel, sectie N, nr. 656). Op deze wijze wordt het werkingsgebied beter afgestemd op de voorgenomen woningbouwontwikkeling, en wordt tevens voorkomen dat bij het opstellen van het bestemmingsplan formeel onnodig dient te worden voorzien in een EVZ van 50 meter.
Figuur 3 Uitsnede verbeelding IOV, kaart 3: Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed. Werkingsgebied ‘Verstedelijking Afweegbaar’ (paarse arcering) overlapt voor een klein deel het perceel van het waterschap dat straks de aanduiding ‘NNB’ krijgt (rood omkaderd). Dit kleine strookje ‘Verstedelijking Afweegbaar’ wordt in het herbegrenzingsvoorstel uit de IOV verwijderd.
Behoud en herstel van watersystemen Op een deel van het beoogde plangebied is op grond van de IOV het werkingsgebied ‘Behoud en herstel van watersystemen’ van toepassing. Dit werkingsgebied is bedoeld om invulling te geven aan doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water. Concreet dienen bestemmingsplannen binnen deze aanduidingen te strekken tot de verwezenlijking, het behoud, beheer en herstel van watersystemen door regels te stellen die het oprichten van bebouwing, het aanbrengen van oppervlakteverharding en het ophogen van gronden beperken. Hiermee wordt ruimte gecreëerd om maatregelen uit te voeren op het gebied van morfologie (zoals hermeanderen van beken, aanleggen plas-draszones en herstel van kwel). Daarmee wordt zowel de inrichting van de waterloop zelf geregeld, maar ook bescherming van het omliggende gebied ten behoeve van de waterloop (Bijvoorbeeld om in omliggend gebied voldoende water te infiltreren om voeding/kwelstroom naar een beek te behouden, zodat deze in drogere perioden zo lang mogelijk watervoerend blijft). Het werkingsgebied ligt in de IOV gelijk met het werkingsgebied ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ (zie afbeelding 1), en ligt net als dit werkingsgebied een stuk noordelijker dan de feitelijk gerealiseerde EVZ van de Heerenbeekloop.
Het ligt dus voor de hand om ook dit werkingsgebied te herbegrenzen zodat deze beter is afgestemd op de feitelijke situatie. Over de herbegrenzing van dit werkingsgebied heeft inmiddels ook afstemming met het waterschap plaatsgevonden. De Heerenbeekloop is van het zogenaamde M-type in de indeling voor de Kaderrichtlijn Water. Dit is stilstaand water (zoete sloot, in tegenstelling tot de stromende R-typen). Wat betreft inrichting van dergelijke M-type waterlopen geeft Waterschap De Dommel aan dat zij hiervoor in de Keur
Pagina 3 van 4
een strook van 12,5 m aan weerszijden van de waterloop aanhouden. Voor R-typen wordt die strook – met de uitbreiding naar klimaatdoelen – naar verwachting breder, maar voor de Heerenbeekloop dus niet. Alleen op de meest westelijke ca 12 meter van het plan is de afstand tussen waterloop en te bestemmen woongebied kleiner dan 12,5 m, maar daar bestaat aan de zuidzijde weer meer ruimte. Met het oog op het bovenstaande heeft het Waterschap aangegeven dat de beoogde afstand van het nieuwe woongebied tot de Heerenbeekloop akkoord en niet strijdig met de doelen voor de waterloop. Op basis daarvan is een voorstel voor herbegrenzing van dit werkingsgebied opgenomen op de bijgevoegde kaart.
Verdere aandachtspunten Werkingsgebieden buiten plangebied BP Achter den Eijngel Op de kaart met het voorstel voor wijziging van de werkingsgebieden is volledigheidshalve aan de oostzijde van de projectlocatie aangegeven welke gronden buiten het beoogde plangebied van BP Achter den Eijngel zijn voorzien van de werkingsgebieden ‘Natuur Netwerk brabant – ecologische verbindingszone’ en ‘behoud en herstel watersystemen’ (op de kaart aangeduid met de lijn ‘Omtrent herbegrenzing Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant).
Uitsnede kaart voorstel herbegrenzing. Betreffende gronden buiten plangebied rood omkaderd.
Deze gronden zullen niet in het plangebied voor het ontwerpbestemmingsplan worden opgenomen (het beoogde plangebied is op de kaart weergegeven als lichtblauwe lijn), en dus niet als voorstel voor herbegrenzing ter inzage worden gelegd met het ontwerpbestemmingsplan. Deze zijn ter signalering opgenomen op de kaart, zodat de betreffende werkingsgebieden (met name het werkingsgebied ‘behoud en herstel watersystemen’, dat ook in het ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant is opgenomen, ambtshalve kunnen worden aangepast om beter aan te sluiten op de beoogde, herbegrensde werkingsgebieden binnen het plangebied. Werkingsgebied Verstedelijking Afweegbaar vervalt. De gebieden 'Verstedelijking afweegbaar' uit de IOV zullen met inwerkingtreding van de nieuwe omgevingsverordening vervallen. Gemeenten zijn daardoor zelf aan zet om gebaseerd op de diep-rondbreed methodiek uit de omgevingsvisie een afweging te maken waar stedelijke ontwikkeling het beste een plek kan krijgen. Desgewenst kunnen gemeenten er ook voor kiezen om daarbij de eerder als 'verstedelijking afweegbaar' opgenomen gebieden aan te wijzen. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in stedelijk gebied, blijft een binnenstedelijke ontwikkeling voorrang hebben.
In beginsel kan op basis van het bovenstaande in de toelichting van het bestemmingsplan worden onderbouwd dat woningbouw – gezien eerder locatieonderzoek voor uitbreiding van de kern Lennisheuvel uit 2014, en de huidige status als zoekgebied voor verstedelijking in de IOV – op de beoogde locatie wenselijk is. Het concept ontwerpbestemmingsplan gaat hier, vooruitlopend op inwerkingtreding van de Omgevingsverordening ook van uit. Desalniettemin is het voor de duidelijkheid beter als de gronden van het plangebied waar woningbouw is voorzien wordt aangemerkt als stedelijk gebied. Dit is echter onderdeel van de vaststelling van de Omgevingsverordening, en niet van deze herbegrenzingsprocedure.
Pagina 4 van 4
Bijlage 6
48
Verkennend bodemonderzoek
bestemmingsplan Achter den Eijngel 2022
VERKENNEND BODEMONDERZOEK PLANGEBIED ‘LENNISHEUVEL’ TE BOXTEL GEMEENTE BOXTEL
Verkennend bodemonderzoek Plangebied ‘Lennisheuvel’ te Boxtel in de gemeente Boxtel
Opdrachtgever
Tonnaer adviseurs in omgevingsrecht Vonderweg 14 5616 RM Eindhoven
Project Rapportnummer Versienummer
BOX.TON.NEN 15091801 D2
Status
Eindrapportage
Datum
28 november 2016
Vestiging
Swalmen
Opsteller Paraaf
Kwaliteitscontrole Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadviesen -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteitssysteem, zoals beschreven in het kwaliteitshandboek. Ons kwaliteitssysteem is gecertificeerd volgens de kwaliteitsborgingsnormen van de NEN-EN-ISO 9001:2008. Betrouwbaarheid Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Daarnaast betreft het bodemonderzoek een momentopname. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde bodemonderzoek neemt.
In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
VOORONDERZOEK................................................................................................................... 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.11
Geraadpleegde bronnen ................................................................................................... 1 Afbakening onderzoekslocatie vooronderzoek ................................................................. 2 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie ............................................................... 2 Calamiteiten ...................................................................................................................... 3 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie ........................................ 3 Omliggende terreindelen/belendende percelen ............................................................... 3 Terreininspectie ................................................................................................................ 4 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten ......................................................... 4 Bodemopbouw .................................................................................................................. 5 Geohydrologie .................................................................................................................. 5
3
CONCLUSIES VOORONDERZOEK (ONDERZOEKSOPZET) ................................................. 5
4
VELDWERK ................................................................................................................................ 5 4.1 4.2
5
LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................................ 8 5.1 5.2 5.3
6
Uitgevoerde werkzaamheden ........................................................................................... 5 Zintuiglijke waarnemingen ................................................................................................ 6 4.2.1 Grond.................................................................................................................. 6 4.2.2 Grondwater ......................................................................................................... 7
Uitvoering analyses .......................................................................................................... 8 Toetsingskader ................................................................................................................. 9 Resultaten grond- en grondwatermonsters .................................................................... 10
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES ........................................................................ 12
BIJLAGEN: 1. 2a. 2b. 2c. 3a. 3b. 4a. 4b. 5. 6.
- Topografische ligging van de locatie - Locatieschets - Foto's onderzoekslocatie - Kadastrale gegevens - Boorprofielen verdacht terreindeel - Boorprofielen onverdacht terreindeel - Analysecertificaten - Getoetste analyseresultaten - Toetsingskader Circulaire bodemsanering - Geraadpleegde bronnen 15091801 BOX.TON.NEN
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Tonnaer adviseurs in omgevingsrecht opdracht gekregen voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van het plangebied ‘Lennisheuvel’ te Boxtel in de gemeente Boxtel. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw van woningen ter plaatse van het plangebied ‘Lennisheuvel’, alsmede de hierbij behorende bestemmingsplanwijziging van dit plangebied. Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorgenomen nieuwbouw van woningen ter plaatse van het plangebied ‘Lennisheuvel’. Het vooronderzoek is verricht conform de NEN 5725:2009 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek". Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740:2009 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond". Het veldwerk en de bemonstering zijn verricht onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001 en 2002.
De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader van VROM (Circulaire bodemsanering 2013) en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1), VROM, 2007. Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor de protocollen 2001 en 2002 van de BRL SIKB 2000. In dat kader verklaart Econsultancy geen eigenaar van de onderzoekslocatie te zijn of te worden.
2 2.1
VOORONDERZOEK Geraadpleegde bronnen
De informatie over de onderzoekslocatie is gebaseerd op de bij de gemeente Boxtel aanwezige informatie (contactpersoon de heer B. van de Laar), informatie verkregen van Tonnaer adviseurs in omgevingsrecht (contactpersoon de heer ing. B.H.C. Weekers) en informatie verkregen uit de op 25 februari 2016 uitgevoerde terreininspectie. Van de onderzoekslocatie en de directe omgeving zijn uit verschillende informatiebronnen gegevens verzameld over:
het historische, huidige en toekomstige gebruik; eventuele calamiteiten; eventueel eerder uitgevoerde bodemonderzoeken; de bodemopbouw en geohydrologie; verhardingen, kabels en leidingen.
Bijlage 6 geeft een overzicht van de geraadpleegde bronnen.
15091801 BOX.TON.NEN
Pagina 1 van 13
2.2
Afbakening onderzoekslocatie vooronderzoek
Het vooronderzoek omvat de onderzoekslocatie en de direct hieraan grenzende terreindelen en percelen binnen een afstand van 25 meter. De onderzoekslocatie (± 3,57 hectare) ligt ter plaatse van het plangebied ‘Lennisheuvel’ direct ten zuiden van buurtschap Lennisheuvel te Boxtel in de gemeente Boxtel (zie bijlage 1). De onderzoekslocatie is kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie N, nummers 1009, 1019, 1020, 1126, 1165, 1166, 1167 (ged.) en 1169 (zie bijlage 2c). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (www.ahn.nl) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 8 à 8,5 m +NAP en zijn de coördinaten van het middelpunt van de onderzoekslocatie X = 149.950, Y = 397.880. 2.3
Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie
De onderzoekslocatie is op dit moment vrijwel geheel onbebouwd en onverhard. Alleen ter plaatse van het meest noordoostelijk deel van perceel N 1126, ter plaatse van perceel N 1167 en ter plaatse van het meest noordwestelijk deel van perceel N 1169 bevindt zich een schuur of meerdere schuren. Deze schuren behoren tot de woonhuizen aan de Lennisheuvel (respectievelijk nummer 89, 87 (2 stuks) en 85). Voor zover bekend is de onderzoekslocatie verder nimmer bebouwd geweest. Ter plaatse van perceel N 1009 bevinden zich tal van partijen grond en/of partijen niet vormgegeven bouwstof tot een geschatte maximale hoogte van 6 m. De kwaliteit van deze partijen is bij Econsultancy vooralsnog onbekend. Voor zover bekend vind deze opslag plaats zonder enige vorm van bodembeschermende maatregelen. Bovendien bevinden zich tussen deze partijen grond diverse verhardingen ten behoeve van het opslaan van deze partijen. Deze verhardingen bestaan uit rijplaten en plaatselijk gebroken puin. Verder is het meest noordwestelijk deel van perceel N 1009 verhard met asfalt. Deze asfaltverharding doet dienst als toegangsweg vanaf de poort aan het Rigtpad tot het feitelijke opslagterrein. Het is niet bekend welk bedrijf tegenwoordig gebruik maakt van dit terrein.
Het perceel N 1009 is volgens de verleende milieuvergunning uit 1977 vanaf deze tijd deels in gebruik geweest van een aannemersbedrijf voor het opslaan van grond, puin en overige materialen. Volgens de heer B. van de Laar van de gemeente Boxtel is dit terreindeel destijds echter alleen gebruikt voor de opslag van diverse materialen (met name buizen) en als gronddepot. De potentieel bodemverdachte bedrijfsactiviteiten van dit aannemersbedrijf hebben destijds op meer dan 25 m ten noorden van de onderzoekslocatie plaats gevonden. Voor zover bekend is dit perceel destijds niet bebouwd geweest ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten van dit aannemersbedrijf. Het is echter onbekend of dit perceel destijds op enigerlei wijze verhard is geweest. In 1999 zijn de bedrijfsactiviteiten van dit aannemersbedrijf gestaakt. In bijlage 6 is een overzicht gegeven van de verleende milieuvergunningen op een deel van de onderzoekslocatie. Perceel N 1169 en het meest noordoostelijk deel van het perceel N 1126 is in gebruik als siertuin. Met uitzondering van dit deel van de onderzoekslocatie en het perceel N 1009 is de onderzoekslocatie geheel in agrarisch gebruik. In bijlage 2a is de huidige situatie op een locatieschets weergegeven. Bijlage 2b bevat enkele foto's van de onderzoekslocatie. Volgens historisch kaartmateriaal was de onderzoekslocatie tot omstreeks 1970 geheel in agrarisch gebruik.
Rond deze periode is het perceel N 1169 echter in gebruik genomen door de bewoners aan het adres Lennisheuvel 85. Hoogstwaarschijnlijk is dit deel van de onderzoekslocatie destijds gelijk als siertuin in gebruik genomen. Op een luchtfoto uit 1999 is duidelijk waarneembaar, dat perceel N 1169 in gebruik is als siertuin. Bovendien is op deze luchtfoto te zien dat ook het perceel N 1019 gedeeltelijk in gebruik is als siertuin.
15091801 BOX.TON.NEN
Pagina 2 van 13
Verder is op deze luchtfoto duidelijk waarneembaar, dat het meest oostelijk gelegen perceel niet meer in agrarisch gebruik is. Uit een luchtfoto uit 2003 blijkt, dat ter plaatse partijen grond worden opgeslagen. Op een luchtfoto van 2006 is te zien, dat het noordelijk deel van perceel N 1019 en het noordoostelijk deel van perceel N 1126 in gebruik zijn als moestuin. Voor de luchtfoto´s wordt verwezen naar bijlage 6. Voor zover bij de opdrachtgever en de gemeente Boxtel bekend, heeft er op de onderzoekslocatie nimmer opslag van oliehoudende producten in ondergrondse of bovengrondse tanks plaatsgevonden. Verder blijkt uit de geraadpleegde bronnen geen aanwezigheid van ophogingen, dempingen of stortingen. Er zijn ook geen andere aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging in de bodem op de onderzoekslocatie te verwachten. 2.4
Calamiteiten
Voor zover bij de opdrachtgever bekend hebben zich op de onderzoekslocatie in het verleden geen calamiteiten met een bodembedreigend karakter voorgedaan. Ook uit informatie van de gemeente Boxtel blijkt niet, dat er zich in het verleden bodembedreigende calamiteiten hebben voorgedaan. 2.5
Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie
Ter plaatse van het verdacht terreindeel van de onderzoekslocatie (perceel kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie N, nummer 1009) is in 2002 door de firma Van Vleuten in het kader van bodemsanering bedrijven (BSB) een partijkeuring uitgevoerd (Rigtpad, kenmerk CV02294ap; d.d. 25 juni 2002). Op basis van de resultaten van het analytisch onderzoek is destijds geconcludeerd, dat deelpartij A kan worden toegepast als schone grond en vrijstelling kan worden verleend op basis van de MVR. Ter plaatse van hetzelfde terrein is in 2003 door de firma Van Vleuten in het kader van bodemsanering bedrijven (BSB) wederom een partijkeuring uitgevoerd (Rigtpad, kenmerk CV03027ap; d.d. 14 maart 2003). In dit onderzoek is destijds geconcludeerd, dat in de grondmengmonsters lichte verhogingen van minerale olie en EOX zijn aangetoond. De partij is destijds geclassificeerd als schone grond. Ter plaatse van het onverdacht terreindeel van de onderzoekslocatie zijn, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken uitgevoerd. 2.6
Omliggende terreindelen/belendende percelen
De onderzoekslocatie is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Boxtel. De onderzoekslocatie is gelegen in een van oorsprong agrarisch gebied dat vanaf 1970 deels een andere functie kreeg (zie § 2.3). In bijlage 6 zijn de geraadpleegde informatiebronnen voor de omliggende terreindelen en belendende percelen binnen 25 meter van de onderzoekslocatie opgenomen. Het bodemgebruik van de omliggende terreindelen en belendende percelen is als volgt:
aan de noordzijde bevinden zich meerdere woonhuizen met bijborende siertuinen, braakliggend terrein en openbare weg Rigtpad, welke naar perceel N 1009 leidt; aan de oostzijde bevindt zich akkerland; aan de zuidzijde bevindt zich een watergang met oevers; aan de westzijde bevindt zich een woonhuis met bijbehorende siertuin (Mijlstraat 109) en openbare weg Mijlstraat.
15091801 BOX.TON.NEN
Pagina 3 van 13
Direct ten zuiden van de huidige onderzoekslocatie is in 2002 door de firma CSO in het kader van bodemsanering bedrijven (BSB) een aantal partijkeuringen uitgevoerd (Herenbeekloop, kenmerk 02.0964/1B; d.d. 5 juni 2002). In de grond zijn destijds lichte verhogingen van EOX aangetoond. Tevens is destijds in partij 8 minerale olie licht verhoogd aangetoond. Destijds zijn de partijen 1 tot en met 7 geclassificeerd als schone grond en is partij 8 geclassificeerd als categorie 1 grond. Direct ten zuiden van de huidige onderzoekslocatie is in 2002 door de firma CSO een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (kenmerk 02.L081.10; d.d. 7 juni 2002). In de bovengrond is destijds (eenmalig) minerale olie licht verhoogd aangetoond. In de ondergrond is destijds (eenmalig) nikkel licht verhoogd aangetoond. Tevens is EOX in zowel de boven- als ondergrond licht verhoogd aangetoond. Direct ten noorden van de huidige onderzoekslocatie is in 2002 ter plaatse van Lennisheuvel 91 door Lankelma een verkennend onderzoek NEN 5740 uitgevoerd (kenmerk 60112; d.d. 20 november 2002). Naar aanleiding van de resultaten uit dit verkennend onderzoek is ter plaatse in 2003 door Lankelma een nader bodemonderzoek uitgevoerd (kenmerk 60112-A; d.d. 12 februari 2003). Destijds is geconcludeerd, dat voor deze locatie in verband met de vastgestelde verontreiniging een saneringsonderzoek moet worden uitgevoerd.
Bij de opdrachtgever is niets bekend omtrent potentieel bodembedreigende activiteiten op omliggende terreindelen en belendende percelen. Er vinden geen industriële activiteiten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie plaats. Uit de verzamelde informatie blijkt niet, dat er vanuit de omliggende terreindelen en belendende percelen grensoverschrijdende verontreinigingen zijn te verwachten. 2.7
Terreininspectie
Voorafgaand aan het verkennend bodemonderzoek is er een terreininspectie uitgevoerd. Deze is gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een gronden/of grondwaterverontreiniging. De tijdens de terreininspectie aangetroffen situatie komt overeen met de locatiegegevens, zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 2.3. Afgezien van de potentiële bronnen voor een grond- en/of grondwaterverontreiniging, die in de voorgaande paragrafen zijn beschreven, zijn er tijdens de terreininspectie geen aanvullende potentiële bronnen aangetroffen. Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)-materialen waargenomen. 2.8
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer is voornemens woningen op de onderzoekslocatie te realiseren. 2.9
Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten
Het meest westelijk en het meest noordelijk deel van de onderzoekslocatie is met betrekking tot de bovengrond gelegen binnen de bodemkwaliteitszone "Bebouwing na 1950”, van het gebied waarvoor de regio Noordoost Brabant een bodemkwaliteitskaart heeft opgesteld. Binnen deze zone komen in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan kwik voor. Het overig deel van de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bodemkwaliteitszone “Buitengebied”. Binnen deze zone komen in de bovengrond geen verhoogde gehalten voor. Met betrekking tot de ondergrond komen in beide zones geen verhoogde gehalten voor.
15091801 BOX.TON.NEN
Pagina 4 van 13
2.10 Bodemopbouw De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland grotendeels uit een hoge zwarte enkeerdgrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Alleen de originele bodem van het meest oostelijk deel van de huidige onderzoekslocatie is anders en bestaat uit een beekeerdgrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit lemig fijn zand. 2.11 Geohydrologie Tectonisch gezien ligt de onderzoekslocatie in de Roerdalslenk. Deze slenk wordt aan de zuidwestzijde begrensd door de Feldbiss en aan de noordoostzijde door de Peelrandbreuk. Beide breuken zijn noordwest-zuidoost gericht. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater (grondwaterstand) bedraagt ± 7,5 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 0,5 à 1,0 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens gegevens van de digitale wateratlas van de provincie Brabant, in noordelijke tot licht noordoostelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van de onderzoekslocatie, die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van de onderzoekslocatie. Direct ten zuiden van de onderzoekslocatie bevindt zich wel een waterloop.
Hoogstwaarschijnlijk heeft de ligging van deze waterloop bij een hoge grondwaterstand plaatselijk invloed op de grondwaterstroming van het freatisch grondwater. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.
3
CONCLUSIES VOORONDERZOEK (ONDERZOEKSOPZET)
Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek is op basis van het vooronderzoek een aantal deellocaties geïdentificeerd. In tabel I zijn de onderzoeksstrategieën, die van toepassing zijn op de betreffende deellocaties, weergegeven. Tabel I.
Onderzoeksopzet met onderzoeksstrategieën
Deellocatie
Percelen
Oppervlakte
Verwachte stoffen
Onderzoeksstrategie
Verdacht terreindeel
Sectie N, nummer 1009
± 9.400 m2
zware metalen, PAK en minerale olie
VED-HE
Onverdacht terreindeel
Sectie N, nummers 1019, 1020, 1126, 1165, 1166, 1167 (ged.) en 1169
± 2,63 hectare
---
ONV-GR
Onderzoeksstrategieën volgens NEN-5740: ONV-GR : Grootschalig onverdacht VED-HE : Verdacht, diffuse bodembelasting, heterogene verontreiniging
4 4.1
VELDWERK Uitgevoerde werkzaamheden
Het veldwerk van het verkennend bodemonderzoek omvat het zintuiglijk beoordelen van aanwezige (bodem)lagen door middel van het handmatig opboren van (bodem)materiaal. De aanwezige (bodem)lagen worden hierbij nauwkeurig beschreven en de posities van de betreffende monsternamepunten worden op kaart vastgelegd.
15091801 BOX.TON.NEN
Pagina 5 van 13
De zintuiglijke beoordeling van de grond vormt de basis van de keuzes bij de inzet van de chemische analyse. Voor de bemonstering van grondwater, ten behoeve van chemische analyse, wordt gebruik gemaakt van te plaatsen peilbuizen. Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, die geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de onderzoeksstrategieën, zoals weergegeven in tabel I en de ligging van kabels en leidingen. Bijlage 2a bevat de locatieschets met daarop aangegeven de situering van de boorpunten en de peilbuizen. In bijlage 3 zijn de boorprofielen opgenomen. Aan de hand van de geldende onderzoeksstrategieën zijn de werkzaamheden uitgevoerd zoals die in tabel II zijn vermeld. Het veldwerk is op 25 en 26 februari 2016, 5 juli 2016 en 16 november 2016 uitgevoerd onder kwaliteitsverantwoordelijkheid van de heer N.W.M. Snippe en/of D.F.H. Schell. Deze medewerkers van Econsultancy te Swalmen staan beide geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2001 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". Tabel II.
Uitgevoerde werkzaamheden
Deellocatie
Veldwerk Boringen/peilbuizen
Verdacht terreindeel
1 (0,6 m -mv) 16 (1,0 m -mv) 1 (1,2 m -mv) 2 (1,5 m -mv) 2 (2,0 m -mv) 2 (peilbuis)
Onverdacht terreindeel
(*A) (*B)
21 (0,5 m -mv) 4 (1,5 m -mv) 4 (peilbuis) Door deze verharding is geboord Inclusief organische stof en lutum
Analyses Verharding
Grond
Grondwater
asfalt (*A), verharding (puin) en onverhard
standaardpakket (4x) (*B-4x)
standaardpakket (2x)
onverhard
standaardpakket (5x) (*B-5x)
standaardpakket (4x)
De boringen zijn geplaatst met behulp van een asfaltboor, een elektrische ramguts, een edelmanboor, een zuigerboor en een veenboor. Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt en zijn er (grond)monsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij (bodem)lagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. Voor de geplaatste peilbuizen geldt dat het onderste gedeelte van de peilbuis (het peilfilter) is geperforeerd en de ruimte tussen de wand van het boorgat en het peilfilter is opgevuld met filtergrind. Boven het filtergrind is een laag zwelklei aangebracht, zodat er géén verontreinigingen van bovenaf in de peilbuis kunnen migreren. De filterstelling is bepaald op basis van de grondwaterstand, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden op 25 en 26 februari 2016 en 5 juli 2016 is ingeschat. De peilbuizen zijn direct na plaatsing afgepompt en na een wachttijd van minimaal een week is het grondwater bemonsterd. 4.2 4.2.1
Zintuiglijke waarnemingen Grond
Verdacht terreindeel: De bodem bestaat uit matig tot uiterst siltig, matig fijn zand. De bodem is bovendien minimaal tot 0,35 m -mv en maximaal tot 1,0 m -mv zwak humeus. Verder is deze humeuze bodemlaag zeer plaatselijk zwak tot matig grindig. De ondergrond is zeer plaatselijk zwak tot matig veenhoudend of matig leemhoudend. In de ondergrond komen verder plaatselijk in zwakke tot sterke mate gleyverschijnselen voor.
15091801 BOX.TON.NEN
Pagina 6 van 13
De bodem tot maximaal 1,0 m -mv is plaatselijk zwak baksteenhoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen in de bodem waargenomen. Verder is tijdens de veldwerkzaamheden ter plaatse van de aanwezige asfaltverharding een stabilisatielaag bestaande uit asfaltgranulaat en puin of baksteen aangetroffen. Ter plaatse van de aanwezige verharding (puin) zijn afwisselend lagen puin, asfaltgranulaat en stol aangetroffen. In deze stabilisatielagen en verhardingslagen bestaande uit asfaltgranulaat, puin, baksteen en stol zijn géén asbestverdachte (plaat)-materialen aangetroffen. Tabel III geeft een overzicht van de zintuiglijk waargenomen verontreinigingen, die in het opgeboorde materiaal zijn aangetroffen. Tabel III.
Zintuiglijk waargenomen verontreinigingen
Boornummer
Einddiepte boring (m -mv)
Traject (m -mv)
Waargenomen verontreinigingen
01
1,00
0,06 - 0,11
volledig asfalt
0,11 - 0,50
volledig puin
02
2,00
0,08 - 0,50
volledig baksteen
03
2,00
0,10 - 0,70
volledig baksteen
04
0,60 (gestuit)
0,00 - 0,05
volledig puin
0,05 - 0,11
volledig asfalt
0,30 - 0,60
volledig puin
10
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
15
1,00
0,50 - 1,00
zwak baksteenhoudend
17
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
20
2,15
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
21
1,20
0,00 - 0,70
zwak baksteenhoudend
24
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
Onverdacht terreindeel: De bovengrond bestaat voornamelijk uit zwak humeus, matig siltig, matig fijn zand. Zeer plaatselijk bestaat de bovengrond uit zwak siltig, matig fijn zand. De humeuze zandlaag bevindt zich tot minimaal 0,3 m -mv en maximaal tot 1,0 m -mv. De ondergrond bestaat uit zwak tot sterk siltig, matig fijn tot matig grof zand, sterk zandig leem en veen. Zeer plaatselijk is de zandige ondergrond matig leemhoudend. Ter plaatse van het onverdacht terreindeel zijn in het opgeboorde materiaal zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden ter plaatse van zowel het verdacht terreindeel als het onverdacht terreindeel zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem en de volledige asfalt-, puin- en baksteenlaag, geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Hierbij wordt opgemerkt, dat gelet op de doelstelling van het onderzoek de veldwerkzaamheden niet conform de NEN 5707 ("Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond") en de NEN 5897 ("Monsterneming en analyse van asbest in onbewerkt bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat") zijn uitgevoerd. De uitkomst van het onderzoek is met betrekking tot de parameter asbest derhalve indicatief. 4.2.2
Grondwater
De grondwaterbemonstering is op 4 maart en 16 november 2016 uitgevoerd door respectievelijk de heer P. Jansen en de heer N.W.M. Snippe. Beide medewerkers van Econsultancy staan geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek".
15091801 BOX.TON.NEN
Pagina 7 van 13
De bemonstering is uitgevoerd conform de eisen uit het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 en de NEN 5744:2011. De bemonstering heeft plaatsgevonden nadat de EGV een constante waarde werd bereikt, met inachtneming het voorgeschreven afpompvolume en afpompdebiet. Na afronding van het voorpompen is de troebelheid gemeten. Bij de bemonstering is gebruik gemaakt van schone kunststofslangen en is voorkomen dat er gas- of luchtbellen in de monsters zijn gekomen. Het watermonster ten behoeve van de analyse op zware metalen is in het veld gefiltreerd. Tabel IV geeft een overzicht van de grondwaterstand en de in het veld bepaalde waarde van de troebelheid. Tabel IV.
Overzicht gegevens peilbuizen en veldmetingen grondwater
Peilbuisnummer
Situering peilbuis
Filterstelling
Datum bemonstering
(m -mv)
Grondwaterstand
Troebelheid
(m -mv)
Electrisch Geleidingsvermogen (EGV)
(NTU)
Verdacht terreindeel PB 14
stroomopwaarts op de onderzoekslocatie
1,0-2,0
16 november 2016
1,40
505
130
PB 20
stroomafwaarts op de onderzoekslocatie
1,15-2,15
16 november 2016
1,45
287
68
525
Onverdacht terreindeel PB 27
centraal, oostelijk op onderzoekslocatie
1,7-2,7
4 maart 2016
0,47
850
PB 36
stroomafwaarts op de onderzoekslocatie
1,75-2,75
4 maart 2016
0,23
304
67
PB 49
stroomopwaarts op de onderzoekslocatie
1,3-2,3
4 maart 2016
0,27
220
135
PB 50
centraal, westelijk op onderzoekslocatie
1,2-2,2
4 maart 2016
0,25
303
189
5 5.1
LABORATORIUMONDERZOEK Uitvoering analyses
Alle grond- en grondwatermonsters zijn aangeboden aan een laboratorium, dat is erkend door de Raad voor Accreditatie en AS3000-geaccrediteerd is voor milieuhygiënisch bodemonderzoek. In het laboratorium zijn in totaal 9 grondmengmonsters samengesteld. Van deze grondmengmonsters zijn 4 grondmengmonsters van de verdachte bodemlaag ter plaatse van het verdacht terreindeel. De overige grondmengmonsters betreffen 3 grondmengmonsters van de bovengrond en 2 grondmengmonsters van de ondergrond van het onverdacht terreindeel. De 9 grondmengmonsters en de 6 grondwatermonsters zijn geanalyseerd op de volgende pakketten: -
standaardpakket grond: droge stof, organische stof- en lutumgehalte, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie;
-
standaardpakket grondwater: metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromaten (BTEX), styreen, naftaleen, gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX) en minerale olie.
Tabel V geeft een overzicht van de samenstelling van de grondmengmonsters en de analysepakketten.
15091801 BOX.TON.NEN
Pagina 8 van 13
Tabel V.
Overzicht van de samenstelling van de grondmengmonsters en de analysepakketten
Grondmengmonster
Traject (m -mv)
Analysepakket
Bijzonderheden
Verdacht terreindeel MM6
15 (0,50 - 1,00) 17 (0,00 - 0,50) 20 (0,00 - 0,50) 21 (0,00 - 0,50)
standaardpakket + lutum en organische stof
verdachte bodemlaag (zwak baksteenhoudend)
MM7
11 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50) 22 (0,00 - 0,50)
standaardpakket + lutum en organische stof
verdachte bovengrond oostelijk terreindeel (zintuiglijk schoon)
MM8
05 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,35) 08 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,50)
standaardpakket + lutum en organische stof
verdachte bovengrond westelijk terreindeel (zintuiglijk schoon)
MM9
01 (0,50 - 1,00) 02 (0,50 - 1,00) 03 (0,70 - 1,00)
standaardpakket + lutum en organische stof
verdachte ondergrond direct onder de volledige puinlaag of baksteenlaag (zintuiglijk schoon)
Onverdacht terreindeel MM1
25 (0,00 - 0,50) 26 (0,00 - 0,50) 28 (0,00 - 0,50) 30 (0,00 - 0,50) 34 (0,00 - 0,50) 35 (0,00 - 0,50)
standaardpakket + lutum en organische stof
bovengrond oostelijk terreindeel (zintuiglijk schoon)
MM2
31 (0,00 - 0,50) 37 (0,00 - 0,50) 38 (0,00 - 0,50) 40 (0,00 - 0,50) 42 (0,00 - 0,50) 43 (0,00 - 0,50)
standaardpakket + lutum en organische stof
bovengrond centraal terreindeel (zintuiglijk schoon)
MM3
46 (0,00 - 0,50) 47 (0,00 - 0,50) 48 (0,00 - 0,50) 51 (0,00 - 0,50) 52 (0,00 - 0,50) 53 (0,00 - 0,50)
standaardpakket + lutum en organische stof
bovengrond westelijk terreindeel (zintuiglijk schoon)
MM4
27 (1,50 - 2,00) 29 (0,50 - 1,00) 36 (0,50 - 1,00) 39 (1,00 - 1,50)
standaardpakket + lutum en organische stof
ondergrond oostelijk/centraal oostelijk terreindeel (zintuiglijk schoon)
MM5
41 (1,00 - 1,50) 44 (1,00 - 1,50) 49 (1,50 - 2,00) 50 (0,50 - 1,00)
standaardpakket + lutum en organische stof
ondergrond westelijk/centraal westelijk terreindeel (zintuiglijk schoon)
5.2
Toetsingskader
De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader van VROM (Circulaire bodemsanering 2013) en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1), VROM, 2007. Het toetsingskader voor de beoordeling van de gehalten en/of concentraties van verontreinigingen is gegeven in de toetsingstabel en bevat voor grond en grondwater elk drie te onderscheiden waarden met de verschillende niveaus: -
-
-
-
achtergrondwaarde: deze waarde ("AW") geeft de gehalten aan zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen; streefwaarde: deze waarde ("S") geeft het milieukwaliteitsniveau aan voor grondwater, waarbij als nadelig te waarderen effecten verwaarloosbaar worden geacht; tussenwaarde: deze waarde ("T") is de helft van de som van de achtergrondwaarde (of in het geval van grondwater de streefwaarde) en de interventiewaarde. De tussenwaarde is de concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek moet worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat; interventiewaarde: deze waarde ("I") geeft het niveau voor verontreinigingen in grond en grondwater aan waarboven ernstige vermindering of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen, die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij gehalten en/of concentraties boven de interventiewaarde is er sprake van een sterke verontreiniging. Bij overschrijding van de interventiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid van de sanering te bepalen. Wanneer het boven de tussenwaarde of interventiewaarde gelegen gehalte een natuurlijke oorsprong heeft, is uitvoering van vervolgonderzoek meestal niet noodzakelijk.
15091801 BOX.TON.NEN
Pagina 9 van 13
In bijlage 5 is de toetsingstabel opgenomen uit de eerder genoemde circulaires. Deze bijlage bevat de achtergrondwaarden en de interventiewaarden voor een standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). De gemeten gehalten zijn door middel van een BoToVa-toetsing, met behulp van de door het laboratorium bepaalde waarden voor het organische stof- en lutumgehalte, omgerekend naar gehalten in een standaardbodem en vervolgens getoetst. De gebruikte analysetechnieken zijn weergegeven op de certificaten in bijlage 4a. Om de mate van verontreiniging aan te geven wordt de volgende terminologie gebruikt: Grond: - niet verontreinigd: - licht verontreinigd: - matig verontreinigd: - sterk verontreinigd:
gehalte < achtergrondwaarde en/of detectielimiet; gehalte > achtergrondwaarde en < tussenwaarde; gehalte > tussenwaarde < interventiewaarde; gehalte > interventiewaarde.
Grondwater: - niet verontreinigd: - licht verontreinigd: - matig verontreinigd: - sterk verontreinigd:
concentratie < streefwaarde en/of detectielimiet; concentratie > streefwaarde en < tussenwaarde; concentratie > tussenwaarde < interventiewaarde; concentratie > interventiewaarde.
5.3
Resultaten grond- en grondwatermonsters
Tabel VI geeft een overzicht van de parameters in de grond die de geldende toetsingskaders overschrijden. Tabel VI.
Overschrijdingen toetsingskaders grond (gehalte in mg/kg d.s.)
Grondmengmonster