Bindend advies zonnepark Renbaan-Esschebaan- Bijlage 3 Bijlagen BOPA motivering
Tekst van het document
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
1
AMO240122
Tijdens het veldbezoek is, voor zover mogelijk, de gehele onderzoekslocatie en de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van de aanwezige habitat. Naast de aanwezige habitat zijn directe en indirecte indicaties betreffende het voorkomen van beschermde soorten opgenomen. Dit geldt voor het aantreffen van een exemplaar, holen, uitwerpselen, vraat-, loop- en veegsporen, prooiresten en andere sporen. Deze waarnemingen zijn meegenomen in de beoordeling..
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
2
AMO240122
2 Wettelijk kader 2.1
Omgevingswet De bescherming van natuurgebieden en van nature in het wild levende dieren of planten is in artikel 4.3. lid 1 onder j, en o en lid 3 onder d van de Omgevingswet opgenomen. De bescherming is gericht op het beschermen en ontwikkelen van de natuur en het in standhouden en herstellen van de biologische diversiteit. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), onderdeel van de Omgevingswet, beschrijft 3 afdelingen met activiteiten waarvoor regelgeving is opgesteld: 1. Activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden (Afdeling 11.1 van het Bal) 2. Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild (Afdeling 11.2 van het Bal) 3. Activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen (Afdeling 11.3 van het Bal) Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht per activiteiten groep. Volgens de zorgplicht dient men redelijkerwijs de nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken en indien de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt achterwegen te laten.
2.2
Zorgplicht Onder artikelen 11.6, 11.27 en 11.116 van het Bal zijn specifieke zorgplichten opgesteld. De zorgplicht geldt voor ieder die een activiteit uitvoert waarbij redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze nadelige gevolgen kan hebben op in het wild levende dieren, planten, bomen maar ook natuurgebieden. Volgens de zorgplicht dient men redelijkerwijs de nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken en indien de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt achterwegen te laten. Voornamelijk voor de minder streng beschermde soorten geldt in praktijk dat onnodig doden, verwonden of beschadigen vermeden dient te worden. Voor flora en fauna- en Natura 2000-activiteiten houdt de zorgplicht in dat voorafgaand aan de activiteit een quickscan flora en fauna wordt uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde soorten, hun leefgebieden en natuurgebieden. Als deze aanwezig zijn kunnen, indien mogelijk op grond van objectieve gegevens, nadelige gevolgen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren, of voor beschermde planten en natuurgebieden. Indien dit niet mogelijk is kunnen de gevolgen met passende maatregelen worden voorkomen. Deze dienen wel gecontroleerd te worden.
Indien de maatregelen het beoogde effect niet hebben moeten de werkzaamheden gestaakt worden of, als dit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
3
AMO240122
2.3
Gebiedsbescherming De Natura 2000 gebieden vormen samen een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/ aangemeld als essentieel leefgebied voor bepaalde soorten. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die moeten zorgdragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. Onder de Omgevingswet zijn alle Natura 2000 gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden beschermd. De wet verbiedt Natura 2000-activiteiten in art. 5.1 lid 1, aanhef en onder e. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten of het realiseren van projecten die een significante gevolg kan hebben op een Natura 2000 gebied.
Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met een gebied maar in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning niet verleend totdat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art. 6 lid 4 van de Habitatrichtlijn). Op de wet zijn uitzonderingen voor projecten die: • een positief effect hebben op het beheer, bescherming en instandhoudingsmaatregelen of passende maatregelen ter voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd en/of soorten verstoord worden (art. 11.18 lid 2 a en b van het Bal) • zijn vastgelegd in een omgevingsverordening (art. 11.19 van het Bal). • van groot nationaal belang zijn (art. 11.20 van het Bal). Onderdeel van de instandhoudingsmaatregelen is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een landelijk samenhangend ecologisch netwerk van gebieden aangewezen door de Gedeputeerde Staten in hun eigen provincies (art. 2.44, vierde lid, Omgevingswet). De Gedeputeerde Staten dragen de zorg voor de totstandkoming en instandhouding van dit netwerk.
Het NNN is ten gunste van de instandhoudingsdoelstellingen en het herstel van biotopen en leefgebieden voor alle in het Besluit kwaliteit leefomgeving Bkl) genoemde soorten die in Nederland in het wild voorkomen, de in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, (bijlage I Habitatrichtlijn), en de met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende dier- en plantsoorten. Tevens kunnen Gedeputeerde Staten gebieden aanwijzen die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen, maar wel van een provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarde. Deze gebieden worden samen met het NNN aangeduid als bijzondere provinciale natuurgebieden.
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
4
AMO240122
2.4
Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te voeren (art. 5.1 lid 2 onder g, Omgevingswet). Een flora- en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Vergunningsplichtige gevallen zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) onderverdeeld in drie beschermingsregimes: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (§11.2.2 van het Bal). De wet voorziet ook in de bescherming van de nesten, rustplaatsen en eieren en het verbieden van het opzettelijk verstoren van vogels. 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn (§11.2.3 van het Bal). Hierbij gaat het om de bescherming van de soorten genoemd in deze verdragen, hun voortplantings- of rustplaatsen, en het vernielen van beschermde planten door plukken afsnijden of ontwortelen. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in de bijlage IX van het Bal.
Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers (onderdeel A van de bijlage), hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen en vaatplanten (onderdeel B van de bijlage) voorkomend in Nederland (§11.2.4 van het Bal).
2.4.1 Vrijgestelde soorten De Omgevingswet maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. Dit is voor de provincie Noord-Brabant geregeld in de Omgevingsverordening Noord-Brabant, geconsolideerd op 14 december 2023.
In de bijlagen van deze verordening zijn soorten opgenomen welke bij ruimtelijke ontwikkeling binnen de provincie zijn vrijgesteld voor de aanvraag van een ontheffing. In onderstaande tabel zijn de vrijgestelde soorten vermeld. Provinciaal vrijgestelde soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen en bestendig beheer Soortgroep
Soort
Periode
Soortgroep
Soort
Periode
Amfibieën
Bastaardkikker
Gehele jaar
Zoogdieren
Konijn
Gehele jaar
Zoogdieren
(middelste groene kikker)
Ondergrondse
Bruine kikker
woelmuis
Gewone pad
Ree
Kleine watersalamander
Rosse woelmuis
Meerkikker
Steenmarter
Aardmuis
Alleen bij schade of overlast binnen
Gehele jaar
de bebouwde kom
Bosmuis Dwergmuis
Tweekleurige
Dwergspitsmuis
bosspitsmuis
Egel
Veldmuis
Gewone bosspitsmuis
Vos
Haas
Wild zwijn
Huisspitsmuis
Woelrat
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
Gehele jaar
5
AMO240122
2.4.2 Invasieve exoten In het Bal is wetgeving om de introductie en verspreiding van invasieve exoten in de natuur te voorkomen. Conform §11.2.10 van het Bal is het verboden om opzettelijk invasieve uitheemse soorten te houden, kweken of te vervoeren. Daarbij mogen deze soorten niet worden toegestaan om zich voort te planten of worden vrijgelaten in de natuur.
2.5
Houtopstanden Conform hoofdstuk 11 afdeling 11.3 van het Bal is een kapmelding verplicht bij de kap van ten minste 10 are of meer dan 20 bomen buiten de door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Indien dit het geval is wordt de kapmelding ingediend bij de provincie. Artikel 11.129 van afdeling 11.3 verplicht een 1-op-1 compensatie, beter bekend als de herplantplicht, binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond. Kap van bos en bomen in beschermde natuurgebieden als onderdeel van het Natura-2000 gebieden dienen mogelijk extra gecompenseerd te worden conform provinciale beleidsregels. Dunningswerkzaamheden in het kader van natuurbeheer of boskap ten behoeve van realisatie van instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied zijn in beginsel vrijgesteld van herplantplicht en kapmelding. Ook dunningswerkzaamheden voor de aanleg van brandgangen, onder een gedragscode, zijn vrijgesteld van de herplantplicht en een kapmelding. Deze afdeling heeft geen betrekking op: • houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap. • houtopstanden op erven en tuinen • bomen en struiken, die specifiek voor het oogsten van noten en fruit en bijbehorende windschermen worden geteeld, • naaldbomenproductie voor “Kerstbomen”, die niet ouder zijn dan twintig jaar.
• boomkwekerijen • beplantingen bestaande uit wilgen of populieren bij wegen, waterwegen of eenrijige beplanting langs landbouwgronden, • Dunningswerkzaamheden van houtopstanden ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand • houtproductie van populier, wilg, es of els bestaand uit minstens 10.000 stoven per ha, aangeplant na 2013 en welke eens per 10 jaar geoogst wordt. • houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 1000 m2, of bestaan uit een rijbeplanting van 20 of minder bomen. De hiervoor genoemde kapwerkzaamheden hoeven daarom niet gemeld worden in het kader van de Omgevingswet. Overigens is het mogelijk dat de provincie een kapverbod instelt, bijvoorbeeld ten behoeve van bescherming van natuur- en landschapswaarden, voor de duur van telkens maximaal 5 jaar per besluit.
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
6
AMO240122
2.6
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Ecologisch onderzoek valt niet onder een erkenningsregeling, er worden echter wel randvoorwaarden gesteld aan de competenties van de personen die het veldwerk uitvoeren. Door het RVO is een omschrijving opgesteld van een ecologisch deskundige. Een ecologische deskundige is iemand die ecologisch advies geeft of werkzaamheden begeleidt op het gebied van habitats en soorten. Hij of zij heeft schriftelijk voldoende aantoonbare ervaring en specifieke ecologische kennis om ecologisch onderzoek te kunnen doen. Hij of zij: • (her)kent de functionaliteit van leefgebieden van beschermde soorten; • heeft kennis van de algemeen erkende onderzoeksmethoden; • kan ecologische werkprotocollen uitwerken; • kan specifieke maatregelen begeleiden. Mevrouw Y.C. van der Sterren voldoet aan de bovengenoemde voorwaarden.
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
7
AMO240122
3 Plangebied 3.1
Plangebied huidig De onderzoekslocatie staat kadastraal bekend als gemeente Boxtel, sectie I, nummers 787 (ged.), 788, 1824, 1825, 2918 en 2921 (ged.). De situering van de onderzoekslocatie in de regio is weergegeven in bijlage 1. De onderzoekslocatie betreft meerdere akkerpercelen en is gelegen in het buitengebied van Boxtel. De directe omgeving van de locatie bestaat uit agrarisch gebied en woonhuizen met groen ingerichte achtertuinen. Ten noorden van de locatie is het dorp Esch gelegen en ten oosten ligt het dorp Boxtel.
3.2
Geplande ingrepen Het voornemen bestaat om circa 17,5 ha aan weilanden te herinrichten voor de realisatie van een ecologisch verbindingszonnepark (figuur 1). In het kader van diversiteit wordt dan ook groen aangeplant en wordt er een ven aangelegd. Ten behoeve van de ingreep dienen enkele watergangen en greppels binnen de onderzoekslocatie gedempt te worden. De sloten welke aan de onderzoekslocatie grenzen zullen behouden blijven. Daarbij wordt het aanwezige groen rondom deze sloten en greppels gerooid. De enkele solitaire bomen op de locatie blijven behouden. Ook zal het terrein volledig omheind worden door hekwerk wat 30 cm van de grond wordt geplaatst.
Figuur 1: Schets van de toekomstige situatie op de onderzoekslocatie.
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
8
AMO240122
3.3
Nabij gelegen Natura2000 gebieden Circa 1,7 kilometer ten zuidwesten van de onderzoekslocatie zijn de Kampina & Oisterwijkse Vennen gelegen welke zijn aangewezen als Natura 2000 gebied (figuur 2). Gezien de afstand van de activiteit worden geen nadelige effecten op het natuurgebied verwacht. De ingreep leidt vermoedelijk niet tot een toename van de stikstofdepositie in het Natura2000 gebied. Om te bepalen of dit het geval is zou een Aerius-berekening kunnen worden uitgevoerd.
Kampina & Oisterwijkse Vennen
Figuur 2: Nabij gelegen Natura2000 gebieden.
3.4
Provinciaal natuurbeleid & Natuur Netwerk Nederland De locatie valt niet binnen de natuurbeheergebieden van de Provincie Noord-Brabant of binnen het Natuurnetwerk Brabant (figuur 3). Circa 340 meter ten noorden van de onderzoekslocatie zijn gebieden gelegen welke zijn aangewezen als vochtig bos met productie (N16.04). Ook grenst de onderzoekslocatie ten noorden aan gebieden welke zijn aangewezen als vochtig bos met productie (N16.04). Circa 630 meter ten oosten van de onderzoekslocatie zijn gebieden gelegen welke zijn aangewezen als zuur ven en hoogveenven (N06.06) en droog bos met productie (N16.03). Ten westen van de onderzoekslocatie op circa 370 meter zijn gebieden gelegen welke zijn aangewezen als vochtig bos met productie (N16.04) en vochtig bos met productie (N16.04). Deze gebieden zijn tevens onderdeel van het NNB. Gezien de aard van de ingreep worden als gevolg van de ingreep geen negatieve effecten verwacht op de meest nabijgelegen natuurgebieden.
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
9
AMO240122
Figuur 3: Nabij gelegen beheertypen & Natuurnetwerk Brabant (NNB).
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
10
AMO240122
4 Quickscan 4.1
Locatiebezoek Het veldbezoek is op 30 mei 2024 tussen 09:00 en 15:45 uitgevoerd. Het locatiebezoek is uitgevoerd door mevrouw Y.C. van der Sterren. De weersomstandigheden zijn opgenomen in onderstaande tabel. In bijlage 2 zijn foto’s van het locatiebezoek opgenomen. Weersomstandigheden Bewolking
Neerslag
Wind
Temperatuur
halfzware /
geen
W 3 BFT
17 °C
Opmerkingen
zware
Ten tijde van het locatiebezoek is geconstateerd dat op de onderzoekslocatie sprake is van meerdere akkerpercelen welke deels van elkaar zijn gescheiden door greppels en sloten (figuur 4). Alle akkerpercelen waren ten tijde van het veldbezoek drassig en op veel plaatsen was er sprake van plasvorming. De locatie is grofweg in te delen in twee gebieden welke zijn gescheiden door een sloot (blauwe lijn). Ten oosten en westen van de onderzoekslocatie zijn doorgaande wegen gesitueerd. De onderzoekslocatie grenst ten zuiden aan woonpercelen en een door paarden begraasd weiland. Ten noorden grenst de locatie aan een natuurbeheergebied van de Provincie Noord-Brabant.
Figuur 4: Luchtfoto van de onderzoekslocatie met de sloot (blauwe lijn) en de afwijkende akkerpercelen (gele en paarse arcering).
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
11
AMO240122
De akkerpercelen ten oosten van de sloot zijn hoofdzakelijk ingezaaid met Engels raaigras, welke ten tijde van het veldbezoek hoog was gegroeid. Tijdens het veldbezoek zijn aan deze zijde twee nijlganzen en meerdere Canadese ganzen waargenomen. Ook zijn hier foeragerende kievieten en boerenzwaluwen waargenomen. Tussen de akkerpercelen zijn greppels gelegen welke tijdens het veldbezoek water bevatte en deels begroeid waren door hoog gras en riet. In deze greppels zijn meerdere kikkers gehoord. In de noordwesthoek aan de oostzijde van de sloot is de bodem vrij kaal gereden en zijn hier prenten van honden waargenomen. De percelen rondom het woonhuis Esschebaan 19 aan de noordoostzijde (paarse arcering) zijn dun begroeid met gras en hier is de bodem relatief kaal. Hier zijn meerdere prenten van de das, ree, haas en konijn waargenomen. Ook is hier het ei van een spreeuw aangetroffen en een scholekster waargenomen. Op het perceel te midden van deze zijde (gele arcering) was het gras verdord en lager. Binnen het geel gearceerde veld zijn gedurende het veldbezoek meerdere kauwen en kraaien waargenomen en enkele roeken, mantelmeeuwen en één blauwe reiger. Aan de westzijde binnen dit veld zijn tevens afgebeten vogelveren aangetroffen wat indiceert op prooiresten van een vos of marterachtige.
Tussen het natuurbeheergebied van de Provincie Noord-Brabant en de onderzoekslocatie is een aangrenzende sloot gelegen. Deze sloot wordt overschaduwd door de direct aangrenzende houtsingel gesitueerd in het natuurbeheergebied. Deze bomen en struiken bestaan hoofdzakelijk uit boswilg of grauwe wilg, schietwilg, hazelaar en sporkehout. Bij deze aangrenzende sloot en houtsingel zijn meerdere kikkers gehoord en zijn een gewone pad, azuurwaterjuffers en een weidebeekjuffer waargenomen. De sloot (blauw lijn) binnen de onderzoekslocatie bevat steile oevers welke overwegend begroeid zijn met gras en dichte rietkragen. Ook groeit hier overwegend braam en haagwinde. Het water in de sloot stroomt matig en is op sommige plekken begroeid met sterrenkroos. Richting de noordzijde van de sloot zijn de oevers begroeid met hoofdzakelijk boswilg en grauwe wilg. Ook zijn hier aan de noordzijde prenten van honden en een rat waargenomen. Bij de sloot zijn meerdere kikkers gehoord en is een wilde eend waargenomen. Ook zijn hier meerdere azuurwaterjuffers en een weidebeekjuffer aangetroffen. Langs de oever zijn met name aan de zuidzijde van de sloot enkele muizenholletjes aangetroffen. De akkerpercelen ten westen van de sloot betreffen van noord naar zuid een met hoog gras begroeide akker, een stoppelveld van mais en een kale recent geploegde akker.
Tussen de percelen en ten westen van deze percelen zijn eveneens sloten gelegen. De sloten tussen deze akkers waren begroeid met dichte rietkragen. Ook in deze sloten zijn kikkers gehoord.
4.2
Resultaten quickscan In de volgende paragrafen wordt beschreven welke soorten binnen de onderzoekslocatie zijn waargenomen of waarvan sporen zijn aangetroffen. Ook wordt op basis van het aanwezige biotoop en de inventarisatiegegevens uit de regio beschreven welke soorten binnen de onderzoekslocatie potentieel voorkomen. Voor de (potentieel) aanwezige soorten wordt waar mogelijk beschreven of de onderzoekslocatie rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en migratieroutes biedt. Ook
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
12
AMO240122
worden de effecten van de voorgenomen ingrepen op de (potentieel) aanwezige soorten beschreven. De inventarisatiegegevens vanuit de omgeving zijn opgevraagd via quickscanhulp.nl (bijlage 3), dat door de NDFF is opgesteld en door, indien aanwezig, provinciale databanken. 4.2.1 Amfibieën Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de alpenwatersalamander, bastaardkikker (middelste groene kikker), boomkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, poelkikker, rugstreeppad en vinpootsalamander zijn waargenomen.
Van de door de NDFF geregistreerde soorten zijn de bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander in Noord-Brabant vrijgestelde soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Gezien meerdere kikkers zijn gehoord op de locatie en een gewone pad is waargenomen direct nabij de locatie is het voorkomen van deze meer algemene soorten niet uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Derhalve dient bij de werkzaamheden de zorgplicht in acht genomen te worden. Dat houdt in dat rekening gehouden dient te worden met het voorkomen van deze soorten. De werkzaamheden dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de soorten kunnen wegvluchten. Daarbij wordt geadviseerd om het te realiseren ven aan te leggen voorafgaand aan het dempen van greppels en sloten. Het dempen van de greppels en sloten dienen ook gefaseerd en in één richting uitgevoerd te worden, zodat dieren kunnen vluchten naar het nieuwe ven of de aangrenzende sloten. De alpenwatersalamander heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. De soort komt ook veel voor op ruderale terreinen. Daarbij is het belangrijk dat er een goede strooisel- of moslaag aanwezig is om uitdroging te voorkomen. In het voorjaar is deze soort in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is.
De meeste dieren overwinteren op het land. Hiervoor kunnen allerlei holten, houtwallen, overhoekjes, houtstapels, stenen en afvalhopen dienst doen. Hoewel de sloot binnen de onderzoekslocatie mogelijk geschikt voortplantingswater biedt zijn de oevers steil. Daarbij is er geen sprake van dikke strooisel- of moslagen, houtstapels, stenen- en afvalhopen waarin de alpenwatersalamander kan schuilen. Ook betreft de locatie akkerpercelen welke (grotendeels) nog in gebruik zijn en intensief worden beheerd. Derhalve is geschikt habitat voor de soort uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Wel biedt de aangrenzende sloot langs het natuurbeheergebied gezien de meer geleidelijke oevers mogelijk geschikt habitat, echter blijven deze aangrenzende sloten behouden en heeft de geplande ingreep hier geen effect op. Daarbij wordt de onderzoekslocatie mogelijk geschikter voor de soort door de aanleg van een ven, maar ook door de aanplant van bomen en struiken langs de randen. De boomkikker heeft een voorkeur voor het landschapstype ‘bos en struweel’. Daarnaast wordt de boomkikker gemeld uit agrarisch gebied (halfopen, kleinschalige cultuurlandschappen). De boomkikker plant zich voort in visvrije, zonnig gelegen en matig voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie.
Als landhabitat zijn vooral zonnig gelegen zoom- en mantelvegetaties, vegetaties van meerjarige kruiden en braamstruwelen van belang. De sloot op de onderzoekslocatie bevat nauwelijks watervegetatie en gezien de ligging in agrarisch gebied is de sloot voedselrijk. Ook bestaat de oevervegetatie hoofdzakelijk uit dichte rietkragen en opslag van wilgen waardoor het water overschaduwd wordt. Daarbij bestaan de bramen op de locatie enkel uit
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
13
AMO240122
jonge exemplaren en zijn er op de wilgen aan de noordzijde van de sloot na geen zoom- en mantelvegetaties aanwezig. Derhalve is de boomkikker uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Mogelijk biedt het natuurbeheergebied geschikt habitat, echter heeft de geplande ingreep hier geen effect op. Daarbij wordt de onderzoekslocatie mogelijk geschikter voor de soort door de aanleg van bomen en struiken langs de randen. De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. Ook wordt de soort gemeld uit bos en struweel. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. Gezien de ligging in agrarisch gebied met nabij infrastructuur is de heikikker uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Ook in het natuurbeheergebied is het voorkomen van de soort onwaarschijnlijk gezien de overwegend agrarische omgeving. Daarbij heeft de geplande ingreep geen effect op het mogelijk voorkomen van de soort in het natuurbeheergebied. Ook wordt de onderzoekslocatie mogelijk geschikter voor de soort door het staken van agrarische activiteit en de aanleg van bomen en struiken langs de randen.
Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Het voortplantingsbiotoop bestaat voornamelijk uit matig voedselrijke tot voedselrijke, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor. Door de ligging in agrarisch gebied en het ontbreken van onderwatervegetatie is de kamsalamander uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Mogelijk biedt het natuurbeheergebied geschikt habitat, echter heeft de geplande ingreep hier geen effect op. Daarbij wordt de onderzoekslocatie mogelijk geschikter voor de soort door de aanleg van een ven en het aanplanten van bomen en struiken langs de randen van de locatie. De poelkikker is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn en het water moet voedselarm en schoon zijn. Het water is vaak vrij omvangrijk of maakt deel uit van een groter complex van wateren. Gezien de ligging in agrarisch gebied en de grotendeels beschaduwde wateren op de onderzoekslocatie kan de poelkikker worden uitgesloten. Ook in het natuurbeheergebied is het voorkomen van de soort onwaarschijnlijk gezien de agrarische omgeving.
Daarbij heeft de geplande ingreep geen effect op het mogelijk voorkomen van de soort in het natuurbeheergebied. Ook wordt de onderzoekslocatie mogelijk geschikter voor de soort door het staken van agrarische activiteit en de aanleg van bomen en struiken langs de randen. Voor de rugstreeppad zijn open gebieden met slechts hier en daar schuilplaatsen een geschikt habitat, liefst met zandgrond om goed te kunnen graven. De rugstreeppad heeft een hekel aan hogere begroeiing, omdat deze het zonlicht weg vangt. De rugstreeppad staat bekend als een echte pioniersoort omdat ze een voorkeur heeft voor primaire stadia in de ecologische successie. Veel ingrepen van de mens kunnen als zodanig worden aangemerkt, van bouwterreinen tot afgravingen en net gegraven poelen en sloten. Tijdelijke poelen die tijdens de bouw ontstaan vallen hier ook onder en deze kunnen, wanneer deze enige tijd waterhoudend zijn, gebruikt worden als kraamkamer voor het nageslacht. De onderzoekslocatie is hoofdzakelijk begroeid met (hoog) gras waardoor geschikt habitat voor de soort ontbreekt. Ook in de aanwezige plassen ten tijde van het veldbezoek groeit gras. Wel zijn er enkele onbegroeide delen, echter wordt de onderzoekslocatie
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
14
AMO240122
intensief beheerd. Daarbij is de soort niet aangetroffen in deze tijdelijke plassen. Hierdoor is de rugstreeppad uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Echter wordt er wel geadviseerd om tijdelijke plassen en poelen te voorkomen tijdens geplande werkzaamheden. Dit om te voorkomen dat de soort in deze tijdelijke plassen eieren kan afzetten. Vinpootsalamanders worden in Nederland in twee landschapstypen aangetroffen, de heidegebieden op de hogere zandgronden en het heuvellandschap van Zuid-Limburg. Gezien het ontbreken van dergelijk habitat op en nabij de onderzoekslocatie is de vinpootsalamander uit te sluiten. 4.2.2 Dag-, nachtvlinders Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie het gentiaanblauwtje, de grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart zijn waargenomen.
Op de onderzoekslocatie ontbrekenden geschikte waardplanten voor het gentiaanblauwtje, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart. Door het ontbreken van waardplanten en essentieel leefgebied op de onderzoekslocatie zijn deze soorten uit te sluiten. Mogelijk biedt het natuurbeheergebied geschikte waardplanten en habitat, echter zullen de geplande activiteiten hier geen negatief effect op hebben. De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout. Vooral de iep wordt als waardplant gebruikt, maar ook de zoete kers en sommige wilgensoorten. Een vrouwtje dat eitjes wil afzetten, vliegt rond de bovenste takken van hoge, vrijstaande bomen. Het vrouwtje zet de eitjes in groepjes van enkele tientallen tot soms wel driehonderd bij voorkeur af rondom slanke, jonge eindloten. Op de onderzoekslocatie groeien wilgen welke als waardplant voor de soort kunnen dienen, echter betreffen dit jonge opkomende exemplaren welke niet vrijstaan.
Daarbij ontbreekt geschikt (overwinterings)habitat voor de soort door het nagenoeg ontbreken van bomen en daardoor holle bomen en stapels hout. Derhalve is de grote vos uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Wel biedt het natuurbeheergebied mogelijk geschikt habitat, echter heeft de geplande ingreep hier geen effect op. De grote weerschijnvlinder komt voor in vochtige oudere loofbossen met open plekken erin. Vaak zijn het structuurrijke bossen uit verschillende boomsoorten met beekdalen en paden met brede bermen. Als waardplanten dienen verschillende wilgensoorten (Salix), met name boswilg en grauwe wilg. De eitjes worden afzonderlijk afgezet op de bovenkant van oude blaadjes in vier tot vijf meter hoge wilgen. Op de onderzoekslocatie langs de noordzijde van de sloot zijn opkomende boswilgen of grauwe wilgen aanwezig. Deze wilgen zijn net aan vier tot vijf meter hoog waardoor deze wilgen mogelijk kunnen dienen als geschikte waardplant. Echter ontbreekt door het nagenoeg ontbreken van bomen geschikt habitat op de onderzoekslocatie. Ook in het natuurbeheergebied, waar eveneens geschikte waardplanten zijn waargenomen, ontbreekt geschikt habitat gezien dit bos pas in 2017 is ontstaan en er geen sprake is van een structuurrijk bos. Daarbij is het een immobiele soort welke op circa 1,7 kilometer afstand van de onderzoekslocatie is waargenomen.
Hierdoor is de grote weerschijnvlinder uit te sluiten op de onderzoekslocatie.
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
15
AMO240122
4.2.3 Kevers Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de vermiljoenkever is waargenomen.
De biotoop van de vermiljoenkever wordt gevormd door vochtige bossen, houtwallen en lanen met bomen en dikke takken die recent zijn doodgegaan. Ook meer solitaire of opgestapelde boomstammen kunnen gekoloniseerd worden. Op de onderzoekslocatie staan enkele bomen, echter is bij deze bomen geen sprake van dood hout. Derhalve is de vermiljoenkever uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Mogelijk dat de soort voorkomt in het aangrenzende natuurbeheergebied ten noorden, echter heeft de geplande ingreep geen effect op dit gebied. Door het ontbreken van oude of holle bomen met veel dood hout of de aanwezigheid van heldere, schone wateren met waterplanten is het voorkomen van beschermde kevers binnen de onderzoekslocatie uit te sluiten. 4.2.4 Libellen Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de beekrombout, bosbeekjuffer, gevlekte witsnuitlibel, Kempense heidelibel en sierlijke witsnuitlibel zijn waargenomen.
De beekrombout wordt in uiteenlopende typen stromende wateren aangetroffen. De soort wordt meestal met traag stromende laagland, beken geassocieerd. Dat deze beken vaak genormaliseerd zijn hoeft geen belemmering te vormen. Belangrijk is de aanwezigheid van zuurstofrijk water en onbegroeide zandige substraten en niet te rijk zijn aan nitraten en fosfaten. Vaak zijn grote delen van de oever rijkbegroeid en is het landschap in de omgeving kleinschalig met bosjes, houtwallen, hooilanden, heidevelden en ruigten. Gezien de ligging in agrarisch gebied is de sloot rijk aan nitraat en fosfaat. Derhalve is de beekrombout uit te sluiten op de onderzoekslocatie. De habitat van de bosbeekjuffer bestaat uit bovenlopen (soms middenlopen) van beschaduwde, koude en zuurstofrijke beken, die gekenmerkt worden door een natuurlijke morfologie. Belangrijke factoren zijn de diversiteit van de omgeving van de beek en natuurlijke fysische processen als erosie en sedimentatie. De beken zijn grotendeels beschaduwd en arm aan waterplanten, maar enkele zonnige plekken met waterplanten zijn eveneens aanwezig. De oevers zijn begroeid met bomen, struiken en ruigtekruiden. Het omringende landschap is vaak gevarieerd, met bosjes, hooilanden, struwelen, houtwallen en ruigten. In dergelijke ‘ouderwetse’ landschappen met een weinig intensief landgebruik is de waterkwaliteit vaak goed.
De onderzoekslocatie ligt in agrarisch gebied met intensief landgebruik en ontbreken beken er beken op en direct nabij de locatie. Daarbij zijn de sloten aangelegd en worden deze beheerd waardoor er geen sprake is van natuurlijke morfologie en is het omringende landschap weinig gevarieerd. Hierdoor is de bosbeekjuffer uit te sluiten binnen de onderzoekslocatie. De habitat van de gevlekte witsnuitlibel bestaat uit laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen. De meeste gevlekte witsnuitlibellen zijn te vinden bij verlandingszones van laagveenmoerassen. Daarnaast kunnen ze voorkomen in bosplassen en verlandingszones van hoogveen- en heidevennen op de hoge zandgronden en randzones van hoogveen. Door het
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
16
AMO240122
ontbreken van dergelijk habitat op en direct nabij de onderzoekslocatie is de gevlekte witsnuitlibel uit te sluiten. De Kempense heidelibel komt voor in ondiepe moerassen en brede verlandingszones van vennen en plassen. De soort plant zich voort bij stilstaande of langzaamstromende, niet te voedselrijke wateren met grote, ondiepe, snel opwarmende, moerasgedeelten. Vaak is er sprake van een kunstmatig lage waterstand in de winter, bijvoorbeeld in visvijvers. Door het ontbreken van dergelijk habitat op en direct nabij de onderzoekslocatie is de Kempense heidelibel uit te sluiten. De sierlijke witsnuitlibel komt voor langs beschutte oeverzones van meren en in stilstaande, ongestoorde wateren met een rijke (submerse)watervegetatie, zoals veenplassen, vijvers en dode rivierarmen. De wateren zijn (matig) voedselrijk en doorgaans omgeven door bos. Door het ontbreken van dergelijk habitat op en direct nabij de onderzoekslocatie is de sierlijke witsnuitlibel uit te sluiten. 4.2.5 Reptielen Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de hazelworm en levendbarende hagedis zijn waargenomen.
De habitat van de hazelworm bestaat uit vochtige, begroeide omgevingen met een strooisellaag waarin het dier kan schuilen en jagen. De hazelworm is voornamelijk te vinden in bossen op open plekken, bosranden en houtwallen. In meer agrarisch georiënteerde landschappen is de hagedis te vinden in de overgangen van het landschap en hoekjes van het terrein die niet omgeploegd worden door landbouwwerktuigen. Een belangrijke voorwaarde die gesteld wordt is de aanwezigheid van schuilplaatsen, zoals houtstapels of dichte bodemvegetatie. De onderzoekslocatie betreft meerdere akkerpercelen welke intensief worden beheerd. Daarbij zijn er nauwelijks bomen aanwezig op de locatie en ontbreken houtwallen, strooisellagen en dichte bodemvegetatie. Derhalve is de hazelworm uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Mogelijk dat de soort voorkomt in het aangrenzende natuurbeheergebied ten noorden, echter heeft de geplande ingreep geen effect op dit gebied. De levendbarende hagedis heeft heide en hoogveen als voorkeurshabitat. Door het ontbreken van dergelijk habitat is de soort uit te sluiten op de onderzoekslocatie. 4.2.6 Vaatplanten Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de kartuizer anjer, kranskarwij, kruipend moerasscherm en schubvaren zijn waargenomen.
kartuizer anjer en kranskarwij zijn hoofdzakelijk afhankelijk van kalkrijke, stikstofarme, zwak tot matig voedselrijke ruderale gronden. Aangezien sprake is van soortenarme, bemeste en intensief onderhouden akkerpercelen, is het voorkomen van de genoemde soorten binnen de onderzoekslocatie uit te sluiten. Kruipend moerasscherm verlangt zonnige, open plekken op natte, matig voedselarme tot matig voedselrijke, stikstofrijke, zwak zure veen- of kleibodems, die ’s winters ondiep overstroomd worden. Ze groeit op open plekken langs waterkanten, in binnenduingrasland en in duinvalleien, in
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
17
AMO240122
extensief begraasde weilanden en oud grasland. Door het ontbreken van dergelijk bodemtype is kruipend moerasscherm uit te sluiten op de onderzoekslocatie. De schubvaren staat op zonnig tot half beschaduwd, warm, droog, zwak basisch tot kalkrijk, niet te voedselarm tot niet te voedselrijk, stikstofarm substraat. Ze groeit met name op rotsen (vooral op kalksteen), in rotsspleten, op oude muren en op puinhellingen. De plant is zeer zeldzaam verspreid door het land, voornamelijk in stedelijk gebied. Gezien dergelijk habitat ontbreekt is de schubvaren uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Op of direct nabij de onderzoekslocatie zijn geen monumentale bomen bekend. 4.2.7 Vissen Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de grote modderkruiper en kwabaal zijn waargenomen.
De grote modderkruiper prefereert ondiepe schone wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. De voortplanting vindt plaats van april tot juni in ondiepere warme delen van het water met waterplanten, overhangende takken of andere vormen van structuur. Door het ontbreken van uitbundige waterplantengroei in de aanwezige sloot is de grote modderkruiper uit te sluiten. Kwabaal komt voor in rivieren, beken en meren op plaatsen met koel en zuurstofrijk water. Voor een succesvolle voortplanting zijn lage watertemperaturen van rond de 4ºC van belang. Kwabalen paaien bij voorkeur op fijn zand, grof zand of steen. Waterplanten zijn ook geschikt om de kuit op af te zetten. Door het ontbreken van dergelijk substraat en de nauwelijks aanwezige waterplanten is de kwabaal uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Daarbij is het gezien de omvang van de sloot onwaarschijnlijk dat hier sprake is van een lage watertemperatuur. 4.2.8 Vleermuizen Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis zijn waargenomen.
De gewone dwergvleermuis, grijze grootoorvleermuis en laatvlieger zijn soorten die in gebouwen verblijven. De rosse vleermuis is voornamelijk een boombewonende soort. De gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis kunnen zowel in bomen als in gebouwen verblijven. De beoordeling van de onderzoekslocatie is uitgevoerd met behulp van de checklist van het vleermuis protocol 2021 (Bijlage 4). Op de onderzoekslocatie staan bomen zonder holten, scheuren en losse barst. Derhalve zijn verblijfsplaatsen van boombewonende vleermuissoorten uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Ten zuid(oosten), westen en noorden grenzen bomen aan de onderzoekslocatie. Mogelijk bieden deze bomen geschikte verblijfsplaatsen voor boombewonende vleermuissoorten. In de aangrenzende eikenlaan ten westen zijn dan ook mogelijk geschikte holten in de bomen waargenomen. Echter zal de geplande ingreep geen effect hebben op deze bomen gezien deze niet gerooid worden en er geen structuren dicht bij deze bomen geplaatst worden.
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
18
AMO240122
Op en aangrenzend aan de onderzoekslocatie zijn geen gebouwen gesitueerd. Hierdoor zijn verblijfsplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Op de onderzoekslocatie zijn nauwelijks bomen en andere groenstructuren aanwezig. Langs de sloot te midden van locatie is wel opkomende vegetatie aanwezig, echter is hier geen sprake van een lijnvormig element gezien de begroeiing richting het zuiden van de sloot sterk afneemt. De sloot zelf kan ook als vliegroute gebruikt worden, echter is ook hier geen sprake van een lijnvormig element dat belangrijke verblijfsplaatsen met foerageergebieden verbindt. Derhalve zijn (essentiële) vliegroutes uit te sluiten op de onderzoekslocatie. Daarbij dienen de aangrenzende bomen ten zuid(oosten), westen en noorden wel als onderdeel van een mogelijk essentiële vliegroute voor vleermuizen, echter zullen deze bomen tijdens de geplande ingreep behouden blijven. Hierdoor zullen de werkzaamheden geen negatieve invloed hebben op vliegroutes van vleermuissoorten. Daarbij zal de geplande ingreep gezien het aanplanten van bomen en struiken langs de randen mogelijk vliegroutes voor vleermuizen versterken. De onderzoekslocatie wordt mogelijk door vleermuizen gebruikt als foerageergebied. Echter zijn in de directe omgeving van de onderzoekslocatie voldoende soortgelijke of geschiktere gebieden aanwezig.
Derhalve is op de onderzoekslocatie geen sprake van een essentieel foerageergebied. 4.2.9 Vogels Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw zijn waargenomen.
Van de genoemde soorten zijn de gierzwaluw, huismus, kerkuil en steenuil voor hun nest gebonden aan gebouwen. Door het ontbreken van bebouwing op en direct nabij de onderzoekslocatie zijn deze soorten uit te sluiten. Wel kan de onderzoekslocatie als foerageergebied dienen voor de gierzwaluw en uilen. De gierzwaluw foerageert hoog in de lucht en de voorgenomen werkzaamheden zullen daardoor geen negatief effect hebben op deze soort. De geplande ingreep zal door de aanleg van zonnepanelen op het overgrote deel van de locatie wel een negatief effect hebben op het foerageergebied voor uilen. Echter zijn er in de directe omgeving voldoende gelijkwaardige en geschiktere foerageergebieden voor deze soorten waardoor er op de onderzoekslocatie geen sprake is van essentieel foerageergebied. Hierdoor zullen de voorgenomen werkzaamheden geen invloed hebben op het voorkomen van deze soorten. Voor de overige vogelsoorten, met een jaarrond beschermd nest, zijn binnen de onderzoekslocatie geen nestmogelijkheden aanwezig of sporen (veren, krijtstrepen of braakballen) aangetroffen. De onderzoekslocatie wordt mogelijk als foerageergebied gebruikt door een deel van deze soorten. Echter zijn in de directe omgeving van de onderzoekslocatie voldoende soortgelijke of geschiktere gebieden aanwezig. Hierdoor is essentieel foerageergebied voor deze soorten op de onderzoekslocatie uit te sluiten.
In de gegevens van de NDFF zijn eveneens diverse categorie 5 soorten opgenomen (oa. blauwe reiger, boomklever, ekster, mezen, spechten en spreeuw). Gelet op het gebruik van de onderzoekslocatie zijn in de enkele bomen en struiken nesten van algemene vogelsoorten als mezen, merels, ekster en dergelijke te verwachten. Dit zijn algemene soorten die vaak terugkeren
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
19
AMO240122
naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Voor deze soorten is het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk indien vergelijkbaar habitat beschikbaar is, wat op de huidige onderzoeklocatie het geval is. Daarbij wordt de onderzoekslocatie geschikter voor deze soorten door het aanplanten van bomen en struiken langs de randen van de locatie. Wel dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart 1 augustus) uitgevoerd te worden om nesten van grondbroeders op de akkers en nesten in de opkomende wilgen langs de sloot te ontzien. Indien dit niet mogelijk is zal er voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden. 4.2.10 Weekdieren Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie geen beschermde weekdieren zijn waargenomen.
Door het ontbreken van heldere, schone wateren met waterplanten is het voorkomen van beschermde weekdieren binnen de onderzoekslocatie uit te sluiten. De onderzoekslocatie is gelegen in agrarisch gebied waardoor er geen sprake is van schoon water. Daarbij zijn er geen tot nauwelijks waterplanten aanwezig in de sloten op en nabij de onderzoekslocatie. 4.2.11 Overig zoogdieren Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat op en in de omgeving van de onderzoekslocatie de aardmuis, bever, boommarter, bosmuis, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, edelhert, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, waterspitsmuis, wezel, woelrat en wolf zijn waargenomen.
Voor diverse van deze soorten geldt binnen de provincie Noord-Brabant een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze soorten zijn onderstreept en weergegeven in tabel 1 (paragraaf 2.1). Van deze soorten is het voorkomen van de muizen, egel, haas, konijn, ree en vos niet uit te sluiten binnen de onderzoekslocatie. Gezien de ligging en door het ontbreken van geschikt habitat op de onderzoekslocatie kan essentieel leefgebied van het edelhert, eekhoorn en wolf worden uitgesloten. Wel is het mogelijk dat de eekhoorn voorkomt in het natuurbeheergebied ten noorden van de onderzoekslocatie. Echter zal de geplande ingreep hier geen invloed op hebben. Bevers zijn afhankelijk van gebieden met water en aangrenzende bosgebieden. Ze hebben een voorkeur voor riviervalleien met veel uiterwaarden, begroeid met zacht hout, en houden zich voornamelijk op langs de trager stromende delen van de rivier. Ook zijn ze te vinden langs meren, beken, poelen en moerassen. Op de onderzoekslocatie zijn sloten en plassen gesitueerd. Echter bieden deze wateren gezien de kleinschaligheid geen geschikt habitat voor de bever. Daarbij zijn ten tijde van het veldbezoek geen burchten of sporen van de bever aangetroffen. Derhalve is de bever uit te sluiten op de onderzoekslocatie.
De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Het leefgebied van de das moet
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
20
AMO240122
voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven. Op de onderzoekslocatie zijn geen burchten of vluchtpijpen van de das aangetroffen waardoor verblijfsplaatsen voor de soort zijn uit te sluiten. Ook indien de das een verblijfsplaats heeft in het natuurbeheergebied ten noorden zal de geplande ingreep hier geen effect op hebben. Wel zijn aan de oostzijde van de locatie nabij Esschebaan 19 meerdere prenten en loopsporen van de soort waargenomen. Ook aan de zuidzijde binnen de aangrenzende bosschage zijn prenten aangetroffen. De mogelijke neusputjes zijn waargenomen op de akkers nabij de sloot te midden van de onderzoekslocatie. Foerageergebied van de das kan hierdoor niet uitgesloten worden op de onderzoekslocatie. Om de onderzoekslocatie wordt hekwerk geplaats, echter wordt dit hekwerk 30cm boven de grond aangelegd waardoor de das ongestoord onder deze barrière kan kruipen om bij het foerageergebied op de onderzoekslocatie te raken. Derhalve zal de geplande ingreep geen effect hebben op het voorkomen van de das. De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt.
De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig is en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. De waterspitsmuis is een ontzettend schuw dier, dat zich dood kan schrikken van een plotseling, hard geluid. Gezien de onderzoekslocatie is gelegen in agrarisch gebied en er geen tot nauwelijks watervegetatie of bodembedekkende vegetatie groeit is de waterspitsmuis uit te sluiten. Als rust- en verblijfplaats voor kleine marterachtigen (boommarter, bunzing, steenmarter en wezel) worden aangemerkt: • holen • houtstapels • holle bomen • mollennesten • drainagepijpen • takkenrillen • hooi- en strobalen • stapels stenen en puin • gaten en holten • open schuurtjes, stallen, kelders en hooizolders Waarbij deze goed geïsoleerd/beschut moeten zijn om onderkoeling te voorkomen. Bij de keuze voor een locatie voor de rustplaatsen is het van belang dat de in- en de uitgang van de rustplaats dekking biedt en in verbinding staat met lijnvormige groene elementen zodat de rustplaats veilig kan worden bereikt. De foerageergebieden zijn hoofdzakelijk struwelen, bosranden en groene oevers. Door de afwezigheid van geschikte holen, hout- of steenstapels op de onderzoekslocatie zijn verblijfsplaatsen van de marterachtigen uit te sluiten.
Mogelijk biedt het natuurbeheergebied geschikte verblijfsplaatsen voor de soorten, echter zal de geplande ingreep hier geen effect op hebben. Wel zijn er afgebeten veren waargenomen op de onderzoekslocatie welke mogelijk prooiresten van een marter kunnen zijn. De onderzoekslocatie is dan ook mogelijk onderdeel van een foerageergebied voor marterachtigen. Om de onderzoekslocatie wordt hekwerk geplaats, echter wordt dit hekwerk 30cm boven de grond aangelegd waardoor marterachtigen ongestoord onder
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
21
AMO240122
deze barrière kunnen kruipen om bij het foerageergebied op de onderzoekslocatie te raken. Derhalve zal de geplande ingreep geen effect hebben op het voorkomen van de das.
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
22
AMO240122
5 Toetsing van de bevindingen Voortvloeiend uit hoofdstuk 4 kunnen er op de onderzoekslocatie soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Omgevingswet. Deze soorten, waaronder algemene vogelsoorten of provinciaal vrijgestelde soorten, ondervinden geen negatieve invloed van de beoogde werkzaamheden. Bij naleving van de zorgplicht is er voor deze soorten geen sprake van een overtreding van de Omgevingswet. In de sloten en greppels zijn vrijgestelde kikkersoorten en algemene libellen waargenomen. Om een overtreding van de zorgplicht te voorkomen dient er rekening te worden gehouden met deze soorten. De werkzaamheden dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de soorten kunnen wegvluchten. Voor het te realiseren ven wordt geadviseerd om deze aan te leggen voordat sloten en greppels worden gedempt. Het dempen van de sloten en greppels moet gefaseerd en in één richting worden uitgevoerd om opsluiting en bedelven van soorten te voorkomen. Ook dienen tijdens de geplande werkzaamheden tijdelijke plassen en poelen te worden voorkomen, om te voorkomen dat de rugstreeppad in deze tijdelijke plassen eieren kan afzetten. De onderzoekslocatie dient als foerageergebied voor de das en marterachtigen. Om versnippering van habitat van deze soorten te voorkomen dient het te realiseren hekwerk minimaal 30 cm boven de grond geplaatst te worden.
De werkzaamheden dienen daarbij buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden om nesten van grondbroeders op de akkers en nesten in de opkomende wilgen langs de sloot te ontzien. Indien dit niet mogelijk is zal er voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden.
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
23
AMO240122
6 Conclusies en aanbevelingen Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van het perceel Renbaan - Esschebaan te Boxtel kan worden uitgesloten dat de voorgenomen aanleg van een ecologisch VerbindingsZonnepark een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Omgevingswet. Wel zijn in de sloten en greppels vrijgestelde kikkersoorten en algemene libellen waargenomen. Om een overtreding van de zorgplicht te voorkomen dient er rekening te worden gehouden met deze soorten. De werkzaamheden dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de soorten kunnen wegvluchten. Voor het te realiseren ven wordt geadviseerd om deze aan te leggen voordat sloten en greppels worden gedempt. Het dempen van de sloten en greppels moet gefaseerd en in één richting worden uitgevoerd om opsluiting en bedelven van soorten te voorkomen. Ook dienen tijdens de geplande werkzaamheden tijdelijke plassen en poelen te worden voorkomen, om te voorkomen dat de rugstreeppad in deze tijdelijke plassen eieren kan afzetten. Gezien de afstand en de aard van de ingreep worden geen negatieve effecten verwacht op de meest nabijgelegen natuurgebieden (NNB/ Natura 2000).Er is dus geen sprake van een Natura 2000activiteit. De ruimtelijke ontwikkeling leidt vermoedelijk niet tot een toename van de stikstofdepositie op de naburige Natura 2000 gebieden.
Om te bepalen of dit het geval is zou een Aerius-berekening kunnen worden uitgevoerd. Voor de geplande ingreep worden bomen en struiken gerooid welke als nestgelegenheid kunnen dienen voor diverse vogels. Op basis van artikel 11.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden om nesten van grondbroeders op de akkers en nesten in de opkomende wilgen langs de sloot te ontzien. Indien dit niet mogelijk is zal er voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden. Gezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol aan te houden. Een ecoloog kan voor aanvang van de geplande werkzaamheden het plangebied na lopen en aanwezige amfibieën of grondgebonden zoogdieren oppakken of verjagen naar omliggend gebied. Dit voorkomt dat deze dieren gedood worden door het werkverkeer. Door bijvoorbeeld één werkrichting vast te leggen kunnen dieren wegvluchten van de werkzaamheden.
De vluchtrichting moet wel naar een realistisch vluchtgebied leiden, zoals het natuurbeheergebied ten noorden. Een werkrichting geldt zowel voor landdieren als aquatische diersoorten. Door tijdens de ontwerpfase te denken aan “natuurinclusief” bouwen kan het nieuwe zonnepark meer natuurwaarde bieden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld nestkasten voor uilen en andere (roof)vogels, maar ook aan het aanplanten van inheemse flora.
Quickscan Flora en Fauna Renbaan - Esschebaan te Boxtel Aelmans Milieu
24
Bijlage 1 Kaartmateriaal
Bijlage 2 Foto’s
Foto 1: Impressie van de onderzoekslocatie aan de oostzijde van de sloot kijkend naar het noorden.
Foto 2: Impressie van de onderzoekslocatie aan de oostzijde van de sloot kijkend naar het oosten.
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Foto 3: Impressie van de onderzoekslocatie aan de oostzijde van de sloot kijkend naar het zuiden.
Foto 4: Impressie van de onderzoekslocatie aan de oostzijde van de sloot kijkend naar het westen.
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Foto 5: Impressie van de van de zuidelijke zijde van de sloot op de onderzoekslocatie kijkend naar het noorden.
Foto 6: Impressie van de van de zuidelijke zijde van de sloot op de onderzoekslocatie kijkend naar het zuiden.
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Foto 7: Impressie van de van de zuidelijke zijde van de sloot op de onderzoekslocatie kijkend naar het noorden.
Foto 8: Impressie van de van de zuidelijke zijde van de sloot op de onderzoekslocatie kijkend naar het zuiden.
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Foto 9: Impressie van de onderzoekslocatie aan de westzijde van de sloot kijkend naar het noorden.
Foto 10: Impressie van de onderzoekslocatie aan de westzijde van de sloot kijkend naar het zuiden.
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Foto 11: Impressie van de greppels tussen de akkerpercelen op de onderzoekslocatie.
Foto 12: Impressie van de greppels tussen de akkerpercelen op de onderzoekslocatie.
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Foto 13: Impressie van de akkerpercelen rondom Esschebaan 19.
Foto 14: Impressie van de akkerpercelen rondom Esschebaan 19.
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Foto 15: Prenten van de das op de akker nabij Esschebaan 19.
Foto 16: Het ei van een spreeuw op de akker nabij Esschebaan 19.
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Foto 17: Impressie van het akkerperceel met verdord gras waar veel vogels zijn waargenomen.
Foto 18: De afgebeten veren op de verdorde akker.
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Foto 19: Impressie van de houtsingel behorende bij het natuurbeheergebied ten noorden van de onderzoekslocatie
Foto 20: Impressie van de aangrenzende sloot tussen het natuurbeheergebied en de onderzoekslocatie met de waargenomen gewone pad (rood gearceerd).
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Foto 21: Een van de locaties met sterrenkroos en een dichte rietkraag in de sloot.
Foto 22: Azuurwaterjuffer op de vegetatie langs de sloot.
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Foto 23: Weidebeekjuffer op het riet in de sloot.
Foto 24: Mogelijk neusputje van de das aangetroffen nabij de sloot te midden van de onderzoekslocatie.
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Foto 25: Impressie van de akker met het hoge gras ten westen van de sloot op de onderzoekslocatie met op de voorgrond een aangrenzende sloot ten westen van de onderzoekslocatie.
Foto 26: Impressie van de (mais)stoppelveld ten westen van de sloot op de onderzoekslocatie kijkend naar het noorden.
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Foto 27: Impressie van de kale recent bewerkte akker ten westen van de sloot op de onderzoekslocatie kijkend naar het zuidwesten.
Foto 28: Impressie van de dichte rietkraag in de sloot/greppel tussen de akkers ten westen van de sloot op de onderzoekslocatie.
Fotobijlage AMO240122 Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Bijlage 3 Gegevens Natuurloket
Project
: Renbaan - Esschebaan te Boxtel
Referentie : AMO240122 Datum