CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 14 Waterplan

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 11 december 2025, gemeente boxtelBij agendapunt: Raadsvoorstel Herstelbesluit bestemmingsplan Rietstok Gemonde15.464 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Watertoets bouwplan Rietstok Gemonde

datum projectnummer

9 juli 2025 241560

Rapport

Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein Burgemeester van der Borchstraat 2, 7451 CH Holten T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl avecodebondt.nl

Watertoets bouwplan Rietstok Gemonde project projectnummer projectleider

opdrachtgever

Watertoets bouwplan Rietstok Gemonde 241560 Thijs Visser Van de Ven Bouw en Ontwikkeling bv (0478)

adres

contactpersoon

status versie auteur

E. Spijkers Definitief 1.0 Wouter de Vries MSc

Digitaal in kwaliteitssysteem gecontroleerd

ir. Thijs Visser

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6

Inleiding Aanleiding Doel Totstandkoming herziende watertoets Gegevens Plangebied Beoogde ontwikkeling

1 1 1 1 1 2 3

2 2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

Beleidskader Generiek beleid Waterbeleid voor de 21e eeuw Nationaal Waterprogramma 2022 - 2027 Omgevingswet Weging van het waterbelang Provincie Noord-Brabant Waterschap De Dommel Gemeente Sint-Michielsgestel Samenvatting beleid wateropgave

4 4 4 4 4 4 5 5 6 6

3 3.1 3.2 3.3 3.4

Gebiedseigenschappen Maaiveldhoogte Bodemopbouw Doorlatendheid Bodemkwaliteit

7 7 7 8 8

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.5 4.6 4.7

Bestaand watersysteem Waterveiligheid Oppervlaktewater Waterberging Grondwater Regionale grondwaterstroming Lokale grondwaterstanden Conclusie grondwaterstanden Afvoer hemel- en afvalwater Gevoeligheid bebouwing voor hoge en lage grondwaterstanden Waterkwaliteit en ecologie

9 9 9 10 11 11 11 15 17 17 18

5 Toekomstig watersysteem 5.1 Waterveiligheid 5.2 Verhardingsberekening 5.3 Waterbergingsopgave 5.4 Waterbergingsvoorzieningen 5.5 Bouwpeilen en ontwatering 5.5.1 Ophoging plangebied 5.5.2 Drainage 5.5.2.1 Demping van de greppel

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

19 19 19 19 20 22 23 23 25

5.6 5.7 5.8

Verbetering waterhuishouding Omgevingskwaliteit Beheer en onderhoud

25 26 26

6 6.1 6.1.1 6.1.2 6.1.3 6.2

Conclusie en vervolguitwerking Conclusie Beleid Gebiedskenmerken Toekomstige waterhuishouding Vervolguitwerking

27 27 27 27 28 28

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Boorlocaties- en profielen SGS Search Doorlatendheidsonderzoek Aveco de Bondt Meetreeksen grond- en oppervlaktewater

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Van de Ven Bouw en Ontwikkeling B.V. en Vrijborg Vastgoedontwikkeling B.V. zijn voornemens 28 grondgebonden woningen te realiseren aan de Rietstok in Gemonde. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig. Onderdeel van de wijziging is de uitvoering van verschillende milieuplanologische onderzoeken, waaronder de waterhuishouding. Grasveld Civiele Techniek heeft in 2022 in het kader van de bestemmingsplanwijziging reeds een watertoets uitgevoerd, waarin de huidige en toekomstige waterhuishouding werd beschreven. Op 26-10-2023 is het gewijzigde bestemmingsplan door de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel vastgesteld. Tegen het bestemmingsplan is door een groep bewoners beroep ingesteld, waaronder op het gebied van de waterhuishouding. De bewoners vrezen onder meer dat de beoogde ontwikkeling leidt tot grondwateroverlast, met name door opstuwing van grondwater naar de randen van het plangebied waar in de huidige situatie al hoge grondwaterstanden voorkomen. Op 08-05-2024 heeft de Raad van State het beroep toegewezen. De Raad van State is van oordeel dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt wat de effecten van de ontwikkeling zijn in de omgeving van het plangebied, waar nu al hoge grondwaterstanden voorkomen.

In de watertoets uit 2022 is wel beschreven wat de gevolgen zijn voor het oppervlaktewater en de voorgestelde voorzieningen, maar de watertoets gaat niet in op de gevolgen voor de grondwaterstand. De Raad van State ziet daarom graag in nader onderzoek beter onderbouwd wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn op de grondwaterstand in de omgeving en met welke maatregelen overlast kan worden uitgesloten. 1.2 Doel Het doel van deze rapportage is om door middel van een herziende watertoets beter inzichtelijk te maken hoe de toekomstige waterhuishoudkundige situatie verandert naar aanleiding van de ontwikkeling. In de herziende watertoets is onderbouwd dat negatieve effecten op de waterhuishouding in het plangebied én de omgeving worden weggenomen door passende maatregelen. Binnen dit onderzoek is inspanning verricht om de geohydrologische situatie beter in beeld te krijgen. Zo zijn er grondwatermetingen uitgevoerd en zijn er aanvullende doorlatendheidsproeven gedaan. Het onderzoek geeft inzicht in de maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding niet te verslechteren of zelfs te verbeteren. 1.3 Totstandkoming herziende watertoets De herziende watertoets is tot stand gekomen middels een breed gedragen proces tussen Aveco de Bondt, ontwikkelaars, gemeente en waterschap.

In meerdere werksessies is gezamenlijk bepaald op welke manier en op basis van welke randvoorwaarden de toekomstige waterhuishouding kan worden gerealiseerd. Uitgangspunt is daarbij telkens geweest om negatieve effecten van de ontwikkeling op de omgeving weg te nemen. Het eindresultaat is een watertoets die de ontwikkelaars, gemeente Sint-Michielsgestel en waterschap De Dommel allen onderschrijven. 1.4 Gegevens De beschikbare informatie die door de opdrachtgever is aangeleverd gelden als uitgangspunt voor deze watertoets. Voor een goed onderzoek naar de waterhuishouding zijn tevens bepaalde gegevens over de omgeving benodigd. In dit onderzoek zijn data voor verschillende toepassingen gebruikt, maar voor enkele onderwerpen zijn aanvullende en betrouwbaardere data vereist gebleken (met name de grondwaterstand, zie paragraaf 4.4. Tabel 1.1 geeft de bronnummers met de brongegevens aan, waar in de tekst naar verwezen wordt.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 1/35

Tabel 1.1: Gegevens per onderdeel van de watertoets. Bronnummer

Onderdeel

Bron

1

Beleidskader

Provincie: Regionaal Water- en Bodem Programma (RWP 2022 – 2027) Waterschap: Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024 Gemeente: Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020 – 2024

2

Maaiveldhoogte

Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN4, 0,5 m resolutie)

3

Bodemopbouw en doorlatendheid

Verkennend bodemonderzoek SGS Search (d.d. 27-12-2018) Infiltratieonderzoek Aveco de Bondt (d.d. 22-08-2024) BROloket

Oppervlaktewater

Legger oppervlaktewater Waterschap De Dommel Oppervlaktewatermetingen Aveco de Bondt (d.d. 29-10-2024)

Regionaal grondwater

Grondwatertools isohypsenkaart

6

Grondwaterstanden

Analyse grondwaterstanden MOS Grondmechanica (d.d. 05-11-2019) Infiltratieonderzoek Aveco de Bondt (d.d. 22-08-2024) Grondwatermetingen gemeente Sint Michielsgestel Grondwatermetingen Aveco de Bondt (d.d. 29-10-2024)

7

Riolering

Gemeentelijk rioleringsnet

8

Ouderdom bebouwing

Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)

9

Verharding

Stedenbouwkundig ontwerp

4 5

1.5 Plangebied Het plangebied betreft een nieuwbouwlocatie en is gelegen binnen de bebouwde kom van Gemonde aan de Rietstok. Rondom het plangebied ligt bestaande woningbouw en zijn een aantal weilanden te vinden. Het plangebied grenst aan de noordwestzijde aan de Dorpstraat. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit weilanden in particulier bezit (zie figuur 1.1). De totale oppervlakte bedraagt circa 10.750 m2.

Figuur 1.1: ligging van het plangebied in Gemonde.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 2/35

1.6 Beoogde ontwikkeling Bij de herinrichting van het gebied worden woningen gerealiseerd. Hiervoor zal de functie van het gebied veranderen van een agrarische functie naar een woonfunctie. In figuur 1.2 is de verbeelding weergegeven van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. In totaal worden op het terrein 28 woningen gerealiseerd. Er komen zowel levensloopbestendige woningen en eengezinswoningen als vrijstaande woningen. De woningen worden aangelegd langs de bestaande straat Rietstok en langs nieuw aan te leggen straten. Parkeren kan op eigen terrein of op parkeerplaatsen langs de straat. De openbare parkeerplaatsen en straten worden grotendeels uitgevoerd met waterbergende fundering. Aan de zuidoostkant van het plangebied is onverhard terrein aanwezig dat wordt ingericht als openbaar groen. Hier is ruimte gereserveerd voor de aanleg van een wadi en een speeltuin. In de noordwesthoek van het plangebied, langs percelen 26 – 28, is tevens onverhard terrein beoogd wat in particulier eigendom blijft van de huidige perceeleigenaar.

Figuur 1.2: verbeelding van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 3/35

2

Beleidskader

In dit hoofdstuk is het beleid van de betrokken instanties voor de waterhuishoudkundige aspecten kort uiteengezet. Het hieronder beschreven beleid geeft het kader waarin de toekomstige situatie moet worden ingepast. 2.1 Generiek beleid Op rijksniveau en Europees niveau zijn meerdere plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, het Nationaal Waterprogramma en de Omgevingswet. 2.1.1 Waterbeleid voor de 21e eeuw In het Waterbeleid voor de 21e eeuw is bij ruimtelijk planvorming ‘water en bodem sturend’. Dit betekent dat wordt voorkomen dat problemen worden afgewenteld op andere gebieden, naar de toekomst of van privaat naar publiek. Een ontwikkeling heeft kortom geen negatief effect op de omgeving. In het waterbeleid zijn tevens twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • Voorkeurstrits vasthouden, bergen, afvoeren: Deze strategie houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien vasthouden niet mogelijk is wordt het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden. Pas als vasthouden en bergen niet voldoende opleveren wordt het water afgevoerd. • Voorkeurstrits schoonhouden, scheiden en zuiveren: Bij deze strategie gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Indien dit niet mogelijk is worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden. Is ook dit niet mogelijk, dan dient het vuile water gezuiverd te worden 2.1.2 Nationaal Waterprogramma 2022 - 2027 Het Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. Hierin beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en vaarwegen. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden elke 6 jaar stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s) opgesteld voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. Hierin staan de doelen, het waterkwaliteitsbeeld en de maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren. 2.1.3 Omgevingswet Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de implementatie van de Omgevingswet is de wet- en regelgeving voor ruimtelijke projecten veranderd. De wet vervangt een veelheid aan wetten en gaat uit van een integrale benadering van alle aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ordening, milieukwaliteit, natuur, bodem én water.

Omgevingsvisies en omgevingsplannen zijn in de plaats gekomen van de bestaande structuurvisies en bestemmingsplannen en zijn belangrijke instrumenten geworden voor gemeenten. Net als in de Waterwet wordt in de Omgevingswet ook uitgegaan van een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. 2.2 Weging van het waterbelang Bij de weging van het waterbelang van complexere inrichtingen is het belangrijk dat het bevoegd gezag vroegtijdig wordt betrokken bij de planvorming. Een belangrijk voordeel hiervan is dat het bevoegd gezag de actuele wet- en regelgeving kan toelichten, projectspecifieke randvoorwaarden kan meegeven en kan adviseren omtrent kansen en risico’s vanuit de omgeving. Afstemming met het bevoegd gezag voor deze watertoets is in gang gezet op 16-07-2024 via mailcontact met het waterschap en de gemeente en loopt voor de ontwikkeling als zodanig sinds ten minste 2019.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 4/35

2.3 Provincie Noord-Brabant Op grond van de verplichting in de Waterwet om een regionaal waterplan op te stellen heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsverordening Noord-Brabant opgesteld. Het Regionaal Water- en Bodem Programma (RWP 2022 – 2027) is van kracht [1]. Doel van het RWP is om een klimaatadaptief Noord-Brabant met veilig, schoon en voldoende water en vitale bodem te realiseren. Binnen het plangebied zijn geen specifieke bepaling van de Omgevingsverordening van toepassing: • Het plangebied bevindt zich niet in een boringsvrije zone; • Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied; • Het plangebied ligt buiten een waterbergingsgebied; • Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN); • Het plangebied ligt niet nabij een Kaderrichtlijn Water oppervlaktewaterlichaam; • Het plangebied is gelegen buiten een ‘overstroombaar gebied’. 2.4 Waterschap De Dommel Het waterbeheer in het plangebied is in handen van Waterschap De Dommel. Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in de Waterschapsverordening (geldend sinds 01-01-2024 t/m heden) [1]. In de Waterschapverordening staan onder andere gebodsbepalingen en verbodsbepalingen en regels voor functies en activiteiten langs watergangen en waterkeringen. Het waterschap hanteert bij een toename van verhard oppervlak eisen ten aanzien van waterberging en infiltratie.

In beginsel is het verboden om zonder Omgevingsvergunning neerslag door toename van verhard oppervlak tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: • De toename van verhard oppervlak maximaal 500 m 2 is; • De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; • De toename van verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en er compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer tegen te gaan. De compensatie in de vorm van een voorziening heeft een minimale bergingscapaciteit conform de rekenregel: Minimale bergingscapaciteit (m3) = toename verhard oppervlak (m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (m) De gevoeligheidsfactor is gebaseerd op de plaatselijke geohydrologische situatie en heeft in het plangebied een waarde van 1. Bij meer dan 10.000 m2 toename van verhard oppervlak is altijd een voorziening noodzakelijk volgens de geldende beleidsregels van het waterschap (hieronder beschreven).

Indien een infiltratievoorziening wordt toegepast, dient deze te voldoen aan de volgende eisen: • De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand; • Het water wordt afgevoerd naar het grondwater via een functionele bodempassage of naar het oppervlaktewater via een functionele afvoerconstructie; • De functionele afvoerconstructie heeft een diameter van 4 cm en de afvoer naar het oppervlaktewater bedraagt maximaal 2 l/s/ha; • Er dient een overloopconstructie te worden aangelegd. In het geval van waterbergende fundering onder de weg, dient de waterdoorlatende verharding mee te worden gerekend bij het verhard oppervlak. Voor de compensatie over de toename van verhard oppervlak en infiltratievoorzieningen geldt dat de inpassing binnen een plan altijd maatwerk is, afhankelijk van de plaatselijke situatie. Zo kan worden afgeweken van de afvoernorm als de afvoer tussen 50 m3/uur en 100 m3/uur ligt. Versnelde afvoer is mogelijk wanneer bijvoorbeeld een verdrogingsknelpunt of waterkwaliteitsprobleem wordt opgelost of verminderd. Voorwaarden

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 5/35

zijn dat de versnelde afvoer niet leidt tot overschrijding van de normen voor wateroverlast en aanvullende kosten voor inrichting, beheer of onderhoud. Indien een drainagesysteem wordt aangelegd, wordt deze bij voorkeur zodanig aangelegd dat de hoeveelheid te lozen water wordt gestuurd. Zo wordt een bepaald grondwaterpeil gerealiseerd, wat kan bijdragen aan de bestrijding van verdroging. 2.5 Gemeente Sint-Michielsgestel In de planperiode 2007-2011 werden de 'Wet gemeentelijke watertaken' en de Waterwet (tegenwoordig opgenomen in de Omgevingswet) van kracht. Met deze wetten zijn de gemeentelijke watertaken verbreed en hebben gemeenten de zorgtaak gekregen voor het: • Inzamelen en verwerken van hemelwater dat redelijkerwijs niet op particulier terrein kan worden verwerkt (Waterwet, artikel 3.5); • Treffen van doelmatige maatregelen tegen structurele grondwateroverlast en verwerking van ingezameld grondwater (Waterwet, artikel 3.6). • Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater (Wet milieubeheer, artikel 10.33). In de Omgevingswet is ook vastgelegd dat de gemeente de zorg heeft voor het treffen van maatregelen in openbaar gebied om nadelige gevolgen van de grondwaterstand (in samenhang met de bestemming) te voorkomen of te beperken.

De gemeente Sint-Michielsgestel heeft haar beleid geformuleerd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020 – 2024 (geldend vanaf 11-11-2019) [1]. De gemeente streeft naar een klimaatbestendige leefomgeving waarin hemelwater niet versneld wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden water en bodem steeds meer sturende elementen. Belangrijke uitgangspunten voor de gemeente zijn: • Bij nieuwe ontwikkelingen dient over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied 60 mm waterberging te worden gerealiseerd. De gemeente werkt aan beleid om 70 mm waterberging per m2 verhard oppervlak te realiseren, maar dit is niet van toepassing op deze ontwikkeling; • De voorkeur gaat uit naar bovengrondse bergingsvoorziening met een geknepen afvoer naar het oppervlaktewater. In geval van een hoge grondwaterstand en/of slechte doorlatendheid van de bodem mag in incidentele gevallen hemelwaterafvoer op een openbare voorziening plaatsvinden. Deze keuze maakt de gemeente; • De ontwatering dient bij woningen met kruipruimte en woonstraten 0,70 m onder maaiveld te bedragen. Onder tuinen en woningen zonder kruipruimte geldt een ontwatering van 0,50 m onder maaiveld. 2.6 Samenvatting beleid wateropgave De gemeente Sint Michielsgestel hanteert een bergingseis van 60 mm per m2 verhard oppervlak.

Daarmee is het gemeentelijk beleid strenger dan het beleid van het waterschap, dat een waterbergingseis over de toename aan verhard oppervlak hanteert. Door het gemeentelijke beleid toe te passen zal de ontwikkeling klimaatrobuust worden ontwikkeld. De toekomstige eis van 70 mm waterberging per m2 verhard oppervlak is niet van toepassing op deze ontwikkeling.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 6/35

3

Gebiedseigenschappen

In dit hoofdstuk staat de hoogteligging en de bodemopbouw beschreven. Gebiedseigenschappen met betrekking tot water staan in hoofdstuk 4 beschreven. 3.1 Maaiveldhoogte In figuur 3.1 is de maaiveldhoogte in en rondom het plangebied weergegeven [2]. Op grote afstand wordt het maaiveld gekenmerkt door de lager gelegen beekdalen van de Dommel en Beeksche Waterloop. In de directe omgeving zijn er nabij de dorpskern van Gemonde relatief geringe hoogteverschillen. Aan de noordzijde verschilt het maaiveld met een hoogte van circa +6,70 m NAP weinig van de aanliggende straten. De aanliggende straat ten westen van het plangebied (ter hoogte van het bestaande parkje) ligt met een hoogte van circa +6,50 m NAP iets lager. De gemiddelde maaiveldhoogte bij de te bebouwen delen bedraagt ook circa +6,50 m NAP. In zuidoostelijke richting, richting het landelijk gebied, neemt het maaiveld relatief sterk af naar circa +5,90 m NAP. De zuidoosthoek is zodoende het laagste punt van het plangebied. Opvallend is de maaiveldhoogte bij het bestaande wooncomplex langs de Rietstok, wat circa 30 tot 60 cm hoger ligt dan de naastgelegen percelen. Deze percelen zijn vermoedelijk opgehoogd vanwege hoge grondwaterstanden (paragraaf 4.4).

Figuur 3.1: hoogteligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving [2].

3.2 Bodemopbouw Binnen het plangebied is op 27-12-2018 een verkennend bodemonderzoek verricht door SGS Search [3], waarvan de boorlocaties en de boorprofielen staan weergegeven in bijlage 1 en een samenvatting van de boorprofielen staat weergegeven in tabel 3.1. Hieruit blijkt dat de bodem tot ten minste 3 m onder maaiveld bestaat uit matig tot zeer fijn zand met een organische stof- en siltfractie. Tabel 3.1: beschrijving lokale bodemopbouw o.b.v. het verkennend bodemonderzoek van SGS Search.

Boring

Traject [m-mv]

Grondsoort

Bijzonderheden

13

0 – 0,7 0,7 – 1,5

Matig fijn zand Zeer fijn zand

Matig humeus, siltig Siltig

16

0 – 0,7 0,7 – 3,0

Matig fijn zand Zeer fijn zand

Sterk humeus, siltig Siltig

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 7/35

In figuur 3.2 is een doorsnede van de diepere ondergrond weergegeven [3]. Hieruit blijkt dat er onder de zandlaag van circa 3 m dikte een kleiige eenheid te vinden is (BXLMk1, Laagpakket van Liempde). Dit kleipakket is enkele meters dik en wordt opgevolgd door een volgende zandige eenheid.

Figuur 3.2: doorsnede van de ondergrond [3].

3.3 Doorlatendheid Binnen het plangebied is in augustus 2024 door Aveco de Bondt een doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd [3]. De onderzoekslocaties en uitgebreide toelichting zijn te vinden in bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat de doorlatendheid van de bodem op vier van de vijf meetlocaties kan worden geclassificeerd als matig doorlatend. Op één onderzoekslocatie kan de bodem worden geclassificeerd als slecht doorlatend. In tabel 3.2 zijn de doorlatendheden (in m/d) weergegeven. Tabel 3.2: vastgestelde doorlatendheid in het plangebied. Locatie

Maaiveldhoogte [m NAP]

Filterstelling [mmv] Proef 1

Locatie 1

+6,1

0,00 – 0,73

Locatie 2

+6,0

Locatie 3

+6,4

Locatie 4 Locatie 5

Doorlatendheid [m/d] Proef 2

Proef 3

0,14

0,12

0,10

0,00 – 0,70

0,13

0,13

0,11

1,00 – 2,00

0,03

0,03

+6,6

0,95 – 1,95

0,44

0,47

0,43

+6,4

1,00 – 2,00

0,16

0,14

0,14

De matige tot slechte doorlatendheid kan worden toegeschreven aan het hoge silt- en organisch stofgehalte in de zandbodem. Hoe hoger de siltfractie van de bodem, hoe kleiner de korrelgrootte en bijkomend de bodemdoorlatendheid. Door de geringe doorlatendheid wordt de infiltratie van regenwater bemoeilijkt. 3.4 Bodemkwaliteit Uit het verkennend bodemonderzoek [3] is gebleken dat de bovengrond licht verontreinigd is met cadmium, kwik en lood. De gemeten concentraties overschrijden niet de streefwaarden en blijven binnen de normen voor nader onderzoek. Er gelden zodoende geen beperkingen gelden voor waterinfiltrerende voorzieningen.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 8/35

4

Bestaand watersysteem

In dit hoofdstuk is het bestaande watersysteem beschreven, met betrekking tot waterveiligheid, oppervlaktewater en afvoer, waterberging, grondwater, waterkwaliteit en ecologie. 4.1 Waterveiligheid In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen waterkeringen. Er is een kleine kans (1x per 1000 jaar) op overstromingen vanuit het oppervlaktewater van de Dommel en Beeksche Waterloop. 4.2 Oppervlaktewater Figuur 4.3 toont het oppervlaktewater in en nabij het plangebied [4]. In het plangebied liggen meerdere Bwatergangen. Dit zijn de kleinere watergangen met een afvoer tussen de 10 en 30 l/s, zonder beschermingszone voor onderhoud. Ter hoogte van de kruising met de Rietstok zijn de watergangen verbonden met twee duikers. Deze duikers zijn in het kader van de ontwikkeling ingemeten en hebben achtereenvolgend in oostelijke richting een diameter van respectievelijk ø1000 mm en ø300 mm. Naast de B-watergangen bevinden zich ook enkele Cwatergangen (greppels) binnen het plangebied. Onder de inrit van de bestaande wooncomplex zijn de greppels met een duiker verbonden, waardoor de greppels een drainerende werking hebben. Zowel de B-watergangen als de greppels zijn niet in beheer bij het waterschap.

Figuur 4.1: oppervlaktewater in en nabij het plangebied.

De B-watergangen stromen in oostelijke richting naar een A-watergang langs de straat Vier Gemalen. De Awatergang watert af op de Beeksche Waterloop, een zijriviertje van de Dommel. Het plangebied bevindt zich in

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 9/35

een vrij-afwaterend gebied. Dat betekent dat het waterschap geen vast of flexibel waterpeil hanteert. Tevens heeft het waterschap geen inzicht in de diepte en het waterpeil van de B-watergangen in het plangebied. Om inzicht in het waterpeil te verkrijgen, is eind oktober 2024 één meetpunt geplaatst in de watergang aan de oostzijde van het plangebied (voor de locatie zie figuur 4.5 in paragraaf 4.4) [4], welke hoogfrequent (eens per kwartier) de waterstand meet. Uit figuur 4.2 blijkt dat het oppervlaktewaterpeil tussen eind oktober 2024 en eind april 2025 tussen circa +5,30 m NAP en +5,80 m NAP lag. Dit is circa 10 tot 60 cm onder het maaiveldniveau (+5, 90 m NAP) ter hoogte van het meetpunt. Gezien de meetperiode van minder dan één jaar is het gemeten oppervlaktewaterpeil een indicatie van het waterpeil over langere tijd. Tijdens de meetperiode is het peil voor langere tijd (meer dan 2 maanden) boven +5,60 m NAP uitgekomen, met in januari 2025 een waterpeil richting +5,80 m NAP. Dat laat zien dat een verhoogd peil over langere tijd kan aanhouden. Naar verwachting zal het oppervlaktewaterpeil niet ver boven +5,80 m NAP stijgen, gezien de metingen in een relatief natte winterperiode zijn uitgevoerd.

Dat betekent dat neerslag dat binnen het plangebied valt waarschijnlijk altijd onder vrij verval kan afwateren op de watergang, doordat het waterpeil niet boven het laagste maaiveldniveau van +5,90 m NAP uitkomt. Vanaf februari 2025 is het oppervlaktewaterpeil sterk gezakt richting +5,30 m NAP, overeenkomstig met het uitblijven van neerslag. Sinds begin mei 2025 staat de watergang vrijwel droog.

Figuur 4.2: gemeten oppervlaktewaterpeil tussen eind oktober 2024 en eind april 2025 met de som van 8-daagse neerslag.

4.3 Waterberging Er is in de huidige situatie een waterbergingsvoorziening aanwezig binnen het plangebied. Het betreft een greppel (c-watergang) waar circa 30 m3 water in past. Deze greppel vangt water op van een deel van de verharding binnen het plangebied en watert af op de B-watergangen. Naast de greppel wordt hemelwater geborgen in de ondergrond, de riolering of direct in de B-watergangen.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 10/35

4.4 Grondwater Grondwaterstroming wordt bepaald door de ondergrond, neerslagoverschot en menselijke ingrepen in het landschap. Deze factoren zijn nauw met elkaar verbonden. Om het grondwaterregime in het plangebied en de directe omgeving te begrijpen is inzicht in de regionale stroming belangrijk. 4.4.1 Regionale grondwaterstroming De globale horizontale stroming van het freatisch grondwater verloopt in noordwestelijke richting (zie figuur 4.3) [5]. De grondwaterstroming wordt beïnvloed door het beekdal van de Dommel, ten westen van Gemonde. Andere factoren zoals peilgebieden en drinkwateronttrekkingen lijken weinig invloed op de regionale stroming van het freatisch grondwater te hebben [6]. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door relatief sterke wegzijging naar de diepere ondergrond met waarden tussen de 0,5 en 1 mm/dag [7].

Figuur 4.3: isohypsenkaart van de regio, waaruit globaal de grondwaterstroming is af te leiden.

4.4.2 Lokale grondwaterstanden Binnen het plangebied zijn geen hoogfrequente metingen (tenminste één meting per dag) over een langere periode (ten minste één jaar) beschikbaar. Wel is in het verleden op vier locaties op meerdere momenten de grondwaterstand met een handmeting bepaald. Daarnaast heeft de gemeente in drie peilbuizen op het hoger gelegen terrein van het bestaande wooncomplex aan de straat Rietstok maandelijks grondwaterstanden gemeten in de periode 2019 – 2024 [6]. Zie figuur 4.4 voor overzicht van de meetlocaties van de handmetingen de gemeentelijke peilbuizen. Om het inzicht in de grondwaterstand over een langere periode en voor het gehele plangebied verder te vergroten, zijn eind oktober 2024 vijf peilbuizen geplaatst door Aveco de Bondt [6]. Deze peilbuizen (zie figuur 4.5 voor de meetlocaties) meten gedurende ten minste 12 maanden hoogfrequent (één keer per uur) de grondwaterstand. Daarnaast is in de B-watergang één oppervlaktewatermeetpunt geplaatst (zie paragraaf 4.2 voor nadere informatie).

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 11/35

In deze paragraaf worden de verschillende grondwatergegevens (handmetingen, gemeentelijke peilbuizen, Aveco de Bondt-peilbuizen) eerst afzonderlijk behandeld, om vervolgens in paragraaf 4.4.3 tot een conclusie te komen welk inzicht deze gegevens bieden.

Figuur 4.4: meetlocaties grondwaterstandsmetingen SGS Search, MOS Grondmechanica en de gemeentelijke peilbuizen.

Handmetingen SGS Search en MOS Grondmechanica Tijdens het verkennend bodemonderzoek van 03-01-2019 is door SGS Search [4] op één locatie de grondwaterstand gemeten op circa 1,2 m onder maaiveld (+5,51 m NAP). Door MOS Grondmechanica zijn op vier momenten in oktober 2019 (na afloop van een droge zomer) grondwaterstanden in vier peilbuizen gemeten. In tabel 4.1 zijn hiervan de grondwaterstanden ten opzichte van NAP weergegeven. Hieruit blijkt dat ter hoogte van de peilbuizen de grondwaterstand tijdens deze momentopnamen tussen +5,07 m NAP en +5,43 m NAP lag. Afhankelijk van de maaiveldhoogte betekent dat een ontwateringsdiepte tussen 1,15 m en 1,35 m bij peilbuizen 2, 3 en 16. Ter hoogte van peilbuis 1 is de NAP-waarde in overeenstemming met de andere meetlocaties, maar was het grondwater met circa 0,80 m onder maaiveld dichter aan het oppervlak te vinden. Dit kan worden verklaard door de lagere ligging van deze locatie. Tijdens het doorlatendheidsonderzoek van augustus 2024 heeft Aveco de Bondt de grondwaterstand ook gemeten. In deze zomerperiode bleek het grondwater tussen 0,80 en 1,15 m onder maaiveld te liggen. Tabel 4.1: gemeten grondwaterstanden (in m NAP) in het plangebied door SGS Search en MOS Grondmechanica. Peilbuis Onderzoeker Maaiveld

03-01-2019

10-10-2019

14-10-2019

21-10-2019

29-10-2019

1

SGS Search

+6,03

-

-

+5,12

+5,28

+5,22

2

MOS Grondmechanica

+6,37

-

-

+5,14

+5,19

+5,21

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 12/35

Peilbuis Onderzoeker Maaiveld

03-01-2019

10-10-2019

14-10-2019

21-10-2019

29-10-2019

3

MOS Grondmechanica

+6,48

-

-

+5,07

+5,24

+5,25

16

MOS Grondmechanica

+6,71

+5,51

+5,28

-

+5,43

+5,38

Metingen gemeentelijke peilbuizen De gemeente Sint Michielsgestel heeft op het terrein van het wooncomplex aan de straat Rietstok voor drie peilbuizen grondwaterstandsmetingen over een periode van zes jaar (2019 – 2024) beschikbaar gesteld. Op basis van 12 metingen per jaar is per peilbuis bepaald wat het gemiddelde van de drie hoogst gemeten grondwaterstanden in het desbetreffende jaar is geweest. Het gemiddelde van de waarden van alle jaren tezamen geeft een indicatie van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter hoogte van het wooncomplex. Peilbuizen 26 en 27 meten op dezelfde locatie, maar op een andere diepte (respectievelijk 2,0 en 4,0 m onder maaiveld). Peilbuis 27 kan zodoende niet worden gezien als de freatische grondwaterstand. Tabel 4.2 weergeeft de grondwaterstand ter plaatse van de peilbuizen in m NAP. Hieruit blijkt dat de indicatie van de gemiddeld hoogste grondwaterstand over de gehele meetperiode van zes jaar rond +6,0 m NAP ligt. De jaren 2023 – 2024 tonen een hogere grondwaterstand dan de jaren ervoor. Dit kan worden gerelateerd aan de extreem natte wintersituatie van 2023 – 2024, waarin de vele neerslag voor hogere grondwaterstanden heeft gezorgd. Omdat deze periode 1/3e van de meetperiode omvat, valt de indicatie van de GHG in tabel 4.2 daardoor wat hoger uit dan op basis van de jaren 2019 – 2022 te verwachten valt.

Tabel 4.2: gemiddelde van de drie hoogst gemeten grondwaterstanden per jaar en het gemiddelde over alle meetjaren (in m NAP). Peilbuis

Maaiveld

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Gemiddelde 2019 - 2024

25

+6,76

+5,91

+6,04

+6,07

+6,03

+6,15

+6,22

+6,07

26

+6,58

+5,87

+5,98

+5,96

+5,95

+6,23

+6,27

+6,04

27* +6,56 +5,77 +5,90 +5,86 +5,86 +6,10 +6,13 *Deze peilbuis heeft een dieper filter en kan zodoende niet worden gezien als de freatische grondwaterstand.

+5,93

Uit de metingen blijkt dat de grondwaterstand ter plaatse van deze peilbuizen dicht onder maaiveld kan staan, ook al staan de meetlocaties bij het wooncomplex dat ten opzichte van de omgeving hoger ligt. Gemiddeld over alle jaren bedraagt de ontwateringsdiepte circa 0,50 tot 0,70 cm. In de natte jaren 2023 – 2024 zijn ontwateringsdiepten tot 0,30 m onder maaiveld geconstateerd. In de jaren 2019 – 2022 was de ontwatering groter, maar hoge grondwaterstanden tot minder dan 0,70 m onder maaiveld komen in vrijwel alle jaren voor. Metingen Aveco de Bondt Omdat de handmetingen momentopnamen zijn, is hieruit niet te concluderen wat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) zijn en hoe deze ruimtelijk variëren binnen het plangebied. De grondwaterstandsmetingen van de gemeente bieden een goede indicatie van de GHG ter plaatse van het wooncomplex. Echter geven deze metingen minder inzicht in de grondwaterstanden binnen het gehele plangebied. Dat komt doordat de peilbuizen alleen op het hoger gelegen wooncomplexterrein staan en niet representatief zijn voor lagere delen van het plangebied. De metingen van Aveco de Bondt vergroten het inzicht in de grondwaterstanden over een aaneengesloten periode en voor het hele plangebied. In figuur 4.5 zijn de meetlocaties weergegeven.

Peilbuizen 1.01 en 1.02 meten bij bestaande bebouwing, aan de rand van het plangebied, zodat het inzicht in de huidige grondwaterstand aldaar kan worden vergroot. Peilbuizen 1.03, 1.04 en 1.05 meten binnen de te ontwikkelen locatie.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 13/35

Figuur 4.5: locaties grondwaterstandsmetingen en oppervlaktewatermeetpunt Aveco de Bondt.

Ten tijde van de publicatie van deze rapportage zijn de meetreeksen van de Aveco de Bondt-peilbuizen niet voldoende lang om de GHG en GLG definitief te kunnen vaststellen, maar de meetreeksen geven wel een goede indicatie van het grondwaterstandsverloop over de tijd. Uit de eerste meetresultaten, gemeten tussen eind oktober 2024 en eind april 2025 (zie tabel 4.3), blijkt reeds dat de grondwaterstanden in de natte winter van 2024 in heel het plangebied tot ver boven +6,0 m NAP uit zijn gekomen. Ter hoogte van peilbuizen 1.02 en 1.03 zijn de hoogste grondwaterstanden geconstateerd, van boven +6,40 m NAP. Bij peilbuizen 1.01, 1.04 en 1.05 zijn grondwaterstanden tot op maaiveld (circa +6,20 à +6,30 m NAP) voorgekomen. Ook het 90e percentiel van de meetwaarden komt ver boven +6,0 m NAP uit. De laagste grondwaterstanden zijn half april geconstateerd en liggen op circa +5,40 m NAP à +5,50 m NAP. Tussen eind oktober 2024 en eind april 2025 lag de grondwaterstand gemiddeld tussen +5,90 m NAP en +6,15 m NAP. Afhankelijk van de maaiveldhoogte resulteert dat in een gemiddelde ontwateringsdiepte rond 0,30 m bij peilbuizen 1.01, 1.04 en 1.05 en rond de 0,60 à 0,70 m bij peilbuizen 1.02 en 1.03. De kleinere ontwateringsdiepten bij peilbuizen 1.01, 1.04 en 1.05 zijn te relateren aan het lagere maaiveld (zie paragraaf 3.1).

Tabel 4.3: hoogste, 90e percentielwaarde, gemiddelde en laagste grondwaterstanden (in m NAP) meetlocaties Aveco de Bondt voor de periode 29-10-2024 – 30-04-2025. Hoogste 90e percentiel Gemiddelde Laagste grondwaterstand grondwaterstand grondwaterstand grondwaterstand

Peilbuis

Maaiveld

PB1.01

+6,29

Tot op maaiveld

+6,17

+5,95

+5,53

PB1.02

+6,78

+6,46

+6,30

+5,99

+5,52

PB1.03

+6,72

+6,66

+6,55

+6,13

+5,53

PB1.04

+6,27

Tot op maaiveld

+6,26

+5,94

+5,40

PB1.05

+6,18

Tot op maaiveld

+6,12

+5,90

+5,45

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 14/35

In figuur 4.6 is het grondwaterstandsverloop (in m NAP) in peilbuis 1.05 weergegeven. Hierin is duidelijk te zien dat de grondwaterstand vanaf de hevige neerslagsituatie in november 2024 tot aan eind februari 2025 boven +6,0 m NAP uitkomt. Na een periode met weinig regen in februari en maart 2025 is de grondwaterstand gezakt. De volledige meetreeksen van alle peilbuizen zijn te vinden in Bijlage 3.

Figuur 4.6: grondwaterstandsverloop in peilbuis 1.05 in m NAP, met de 8-daagse neerslagsom op de achtergrond.

4.4.3 Conclusie grondwaterstanden Bovenstaande grondwatergegevens laten zien dan de grondwaterstanden binnen het plangebied en in de directe omgeving in winterperioden structureel hoog kunnen liggen. Er zijn geringe ontwateringsdiepten van minder dan 0,70 m tot zelfs aan maaiveld geconstateerd. Een grondwaterstand dicht aan maaiveld komt zowel voor op de agrarische percelen (peilbuizen 1.03, 1.04 en 1.05) als bij bestaande bebouwing (het wooncomplex en de panden bij peilbuis 1.01). Met name in 2023 en 2024 lag de grondwaterstand hoog, maar ook de gemeentelijke peilbuizen laten zien dat het gebied van nature nat is. De langjarige meetgegevens van de gemeentelijke peilbuizen tonen aan dat ter hoogte van het wooncomplex een GHG van +6,0 m NAP aannemelijk is. Deze GHG-waarden achten we ook aannemelijk bij de peilbuizen 1.01, 1.04 en 1.05 van Aveco de Bondt, ondanks dat in de meetperiode waarden ruim boven +6,0 m NAP zijn geconstateerd. Dat komt doordat de winter van 2023/2024 extreem nat was, wat tot in de zomer van 2024 nog zichtbaar is geweest in een hogere grondwaterstand dan in andere jaren. De regen van het najaar van 2024 heeft zodoende snel weer tot hoge grondwaterstanden geleid, deels zelfs tot op maaiveld.

Dit is ook zichtbaar in de meetwaarden uit de gemeentelijke peilbuizen, die in de jaren 2023 – 2024 veel hogere grondwaterstanden laten zien dan in de jaren daarvoor (zie figuur 4.7). Naar verwachting zal de GHG bij de peilbuizen 1.01, 1.04 en 1.05 bij minder extreem natte jaren dus rond +6,0 m NAP uitkomen, net als zichtbaar bij de gemeentelijke peilbuizen. Dat betekent dat in de huidige situatie de ontwateringsdiepte bij GHG zowel in het plangebied als bij de bestaande bebouwing aan het begin van de straat Rietstok minder dan 0,30 m bedraagt en het gebied dus hoge grondwaterstanden kent.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 15/35

Figuur 4.7: gemeten rondwaterstanden gemeentelijke peilbuizen en nabijgelegen peilbuizen Aveco de Bondt (in m NAP).

Bij peilbuizen 1.02 en 1.03 is de GHG waarschijnlijk hoger dan van +6,0 m NAP. Hier ligt het maaiveld circa 0,50 m hoger dan bij de andere peilbuizen en uit de metingen blijkt dat ook de grondwaterstand hier structureel circa 0,20 à 0,30 m hoger ligt dan bij bijvoorbeeld peilbuis 1.05 (zie figuur 4.8). Voor het noordwestelijk deel van het plangebied schatten we in dat de GHG circa +6,20 m NAP bedraagt. Hier is het gebied iets minder nat en bedraagt de ontwateringsdiepte bij GHG circa 0,50 m.

Figuur 4.8: vergelijking peilbuizen 1.03 en 1.05. Ter hoogte van peilbuis 1.03 ligt de grondwaterstand structureel hoger dan bij 1.05.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 16/35

4.5 Afvoer hemel- en afvalwater In de huidige situatie wordt hemelwater dat op de verharde delen valt geborgen in de greppels, waar circa 30 m3 water in past, of stroomt het hemelwater naar het gemengde rioolsysteem onder de Rietstok [7]. Het riool, met een diameter van ø400 mm, is aangesloten op de gemende riolering onder de Dorpstraat (diameter ø500 mm). Hemelwater dat op de onverharde delen valt trekt de grond in en/of wordt via de greppels en B-watergangen afgevoerd in oostelijke richting. 4.6 Gevoeligheid bebouwing voor hoge en lage grondwaterstanden In de omgeving van het plangebied komt relatief veel bebouwing voor van vóór 1980, zie figuur 4.9 [8]. Met name langs de Dorpstraat zijn oude panden te vinden. Over het algemeen geldt dat oudere bebouwing gevoeliger is voor zowel hoge als lage grondwaterstanden.

Figuur 4.9: bouwjaar van de bebouwing in de omgeving van het plangebied.

Oudere bebouwing (van vóór 1992) is over het algemeen kwetsbaarder voor hoge grondwaterstanden. Woningen die zijn gebouwd na het bouwbesluit van 1992 moeten namelijk voorzien zijn van damp- en waterdichte vloerconstructies (zoals een waterdichte betonvloer). Oudere bebouwing is daarmee kwetsbaarder voor natte kruipruimtes en optrekkend vocht. Bij bebouwing ouder dan 1980 kan worden verwacht dat de panden op staal (zonder funderingspalen) zijn gebouwd of zijn gefundeerd op houten palen. Vanwege de overwegend zandige bodemopbouw verwachten we hier dat de panden (zowel oude panden als nieuwe panden) voornamelijk op staal zijn gefundeerd. Funderingen op staal zijn gevoelig voor lage grondwaterstanden door mogelijke ongelijkmatige zettingen van onderliggende bodemlagen, te diep gelegen drainageriolen, lekke riolen of grote bomen die veel water onttrekken. Vanwege de zandige bodem is de verwachting dat er weinig zetting van de bodem optreedt. Een kunstmatige verlaging van de grondwaterstand, bijvoorbeeld door drainage, zal zodoende niet snel leiden tot schade aan de oudere bebouwing.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 17/35

4.7 Waterkwaliteit en ecologie De waterkwaliteit en ecologische waarde van de greppels en B-watergangen wordt naar verwachting niet beïnvloed door riooloverstorten of industriële lozingen. Verzilting speelt in het plangebied geen rol van betekenis. In en nabij het plangebied zijn daarnaast geen KRW-wateren, oppervlaktewaterbeschermingszones en grondwaterbeschermingsgebieden aanwezig.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 18/35

5

Toekomstig watersysteem

In dit hoofdstuk is het toekomstige watersysteem getoetst aan het beleidskader en de gebiedseigenschappen, en zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de waterhuishouding inzichtelijk gemaakt. Om negatieve omgevingseffecten weg te nemen, zijn vervolgens aanpassingen aan het watersysteem voorgesteld. 5.1 Waterveiligheid Er is geen opgave met betrekking tot waterveiligheid. 5.2 Verhardingsberekening In de toekomstige situatie dient er rekening te worden gehouden met voldoende waterberging, zodat hemelwater tijdens extreme neerslagsituaties niet voor wateroverlast zorgt. Het totaaloppervlak aan verharding dient daarom gecompenseerd te worden met een waterberging en een vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater. Het verhard oppervlak van de bestaande situatie is vergeleken met die in het ontwerp [9]. Hieruit zijn het huidige en toekomstig aantal m2 verhard oppervlak afgeleid en opgedeeld in categorieën (zie tabel 5.1). Uitgangspunt hiervoor is de tekening zoals weergeven in figuur 1.2. Voor de categorie ‘verhard deel tuinen’ is gebruik gemaakt van een aanname die verschilt per woningtype. Het aandeel verhard oppervlak dat is aangehouden, is 75% voor vrijstaand en 90% voor rijwoningen. De bestratingen en parkeerplaatsen zijn conform het beleid van het waterschap als volledig verhard opgenomen, omdat hieronder waterbergende fundering wordt aangelegd.

De bestaande tuinen zijn als geheel onverhard terrein meegenomen. Uit de analyse blijkt dat in het plan het toekomstig oppervlak verharding 6.630 m2 bedraagt. Er vinden geen aanpassingen of dempingen plaats aan het oppervlaktewater uit de waterschapslegger die gecompenseerd moeten worden. Wel wordt circa 95 m2 van de greppel langs de straat Rietstok gedempt, waarin in de huidige situatie circa 30 m3 waterberging beschikbaar is. Omdat het nieuwe verhard oppervlak reeds volledig wordt meegenomen in de berekening van de wateropgave (zie paragraaf 5.3), wordt voor het dempen van de greppel al gecompenseerd. Aanvullende compensatie voor de gedempte greppel is daarom niet nodig; dat zou leiden tot een dubbele compensatie. Tabel 5.1: verschil in verhard oppervlak tussen huidige en toekomstige situatie.

Omschrijving

Huidig [m2]

Toekomstig [m2]

Berging [m3]

Openbaar verhard

520

2.250

135

Daken

230

1.750

105

Verhard deel tuinen

0

2.630

158

Totaal

750

6.630

398

* Aanname verhardingspercentage tuinen; 75% voor vrijstaand en 90% voor rijwoningen.

5.3 Waterbergingsopgave Voor het totaal aantal m2 verhard oppervlak in het plangebied (bestrating, daken en verharde delen van de tuinen) dient er compensatie in de vorm van waterberging gerealiseerd te worden. Uitgaande van een totaaloppervlak van 6.630 m2 verharding en een bergingseis van 60 mm per m2 verhard oppervlak bedraagt de waterbergingsopgave 398 m3. Het hemelwater moet indien mogelijk in de openbare ruimte binnen het plangebied worden gerealiseerd. Over het onverharde oppervlak ligt geen waterbergingsopgave.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 19/35

5.4 Waterbergingsvoorzieningen In de uitwerking van de toekomstige waterhuishouding (zie figuur 5.1) zijn de volgende waterbergende voorzieningen opgenomen: • Wadi; • Waterbergende fundering onder de parkeerplaatsen en de straat; • Hemelwaterriool onder de straat richting de wadi.

Figuur 5.1: beoogde waterbergingsvoorzieningen.

Wadi Om de wadi goed te kunnen laten functioneren, zal de bodem van de wadi circa 10 cm boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) moeten komen te liggen. Dit resulteert in een bodemhoogte van de wadi van +6,10 m NAP. De insteekhoogte van de wadi ligt op +6,70 m NAP, om zo aan te sluiten bij de omgeving (zie paragraaf 5.5.1). De waterbergende schijf van de wadi bedraagt, bij een waakhoogte van 10 cm, zodoende maximaal 50 cm. Aangezien grondwaterstanden boven de GHG van +6,0 m NAP voor kunnen komen en de bodem uit slecht doorlatend materiaal bestaat, zal infiltratie vanuit de wadi naar de bodem niet goed mogelijk zijn. Door de slechte infiltratiecapaciteit kan de wadi langdurig vol blijven staan en kan de grondwaterstand zo ver stijgen dat dit mogelijk grondwateroverlast kan veroorzaken bij het naastgelegen wooncomplex. Om te hoge grondwaterstanden af te vangen en tijdige leegloop van de wadi te kunnen garanderen, is het noodzakelijk om onder de wadi bodemverbetering toe te passen en een drain aan te leggen met een geknepen afvoerconstructie met landelijke afvoernorm op het naastgelegen oppervlaktewater. Deze drain dient op GHG-niveau (+6,0 m NAP) te worden ingesteld zodat hij te hoge grondwaterstanden afvangt (zie paragraaf 5.5.2). Naast de reguliere lediging van de wadi via bodeminfiltratie en geknepen afvoer, wordt de wadi ook voorzien van noodoverlaat.

Deze bevindt zich 50 cm boven het bodemniveau van de wadi en treedt in werking wanneer de wadi wordt overbelast.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 20/35

De wadi zal met een kleiner oppervlak moeten worden aangelegd dan voorheen beoogd in het stedenbouwkundig ontwerp. Dat komt doordat met de beoogde afmetingen (circa 15 m breed bij 50 m lang) onvoldoende ruimte beschikbaar blijft voor het beheer van de naastgelegen watergang aan de oost- en zuidzijde. Er dient aan deze zijden minimaal 4,50 m ruimte beschikbaar te blijven, in plaats van de 2,60 m aan de oostzijde en 2,85 m aan de zuidzijde die nu in het ontwerp zijn opgenomen. Dat resulteert in een oppervlak van circa 630 m2 tegenover de 750 m2 in het stedenbouwkundig ontwerp. Hierdoor bedraagt de hoeveelheid m3 berging in de wadi 242 m3. Vanwege de matige bodemdoorlatendheid is het noodzaak ter hoogte van de wadi grondverbetering toe te passen. De lozing vanuit de wadi dient bij voorkeur aan de oostrand van het plangebied plaats te vinden met een vertraagde afvoerconstructie, voorbij de reeds aanwezige duikers (paragraaf 4.2). Waterbergende fundering Bij een totale waterbergingsopgave van 398 m3 betekent een berging in de wadi van 242 m3 een restopgave van 156 m3. De restopgave kan worden opgelost met waterbergende fundering onder de parkeerplaatsen en de straat. Deze zal met granulaat worden uitgevoerd, waar tijdelijk water in kan worden geborgen. Het is raadzaam om het granulaat te laten vullen via een kolkensysteem, en niet via de voegen van de verharding.

In de kolken dient een zandvang te worden aangebracht. Dit heeft te maken met het dichtslibben van de voegen en de holle ruimte in het granulaat. De waterbergende fundering moet via een aparte hemelwaterafvoer lozen op de wadi, voordat deze kan overstorten op de watergang, om ervoor te zorgen dat de volledige bergingscapaciteit beschikbaar is voor het verhard oppervlak. Uitgaande van een bergingscapaciteit van 120 liter per m2 (met bijvoorbeeld een Aquaflow© pakket) zal een oppervlak van circa 1.300 m2 van de straat en parkeerplaatsen benodigd zijn om de resterende waterbergingsopgave van 156 m3 op te lossen. In totaal is er een oppervlak van 1.875 m2 straat en parkeerplaats beschikbaar dat kan worden ingericht als waterbergende fundering. Dat betekent dat er voldoende ruimte is voor het geval het op bepaalde plekken onwenselijk is om de straat in te richten als waterbergende fundering. Boven kabels en leidingen is waterbergende fundering niet toegestaan. Ook na aftrek van het oppervlak waar kabels en leidingen worden aangelegd is er voldoende ruimte voor de benodigde hoeveelheid te realiseren waterbergende fundering. Het is vanuit onderhoudsoogpunt wel wenselijk de waterbergende fundering als een aaneengesloten pakket aan te leggen. Hemelwaterriool Naast een wadi en waterbergende fundering is een hemelwaterriool beoogd.

Het water dat niet in de wegfundering past, wordt via het hemelwaterriool afgevoerd naar de wadi. Het riool heeft geen waterbergende functie. Voor de aanleg van het hemelwaterriool dient er rekening mee te worden gehouden dat een duiker tussen twee B-watergangen moet worden gekruist. Conclusie In tabel 5.2 is de hoeveelheid berging per beoogde voorziening weergegeven. De wadi en waterbergende fundering onder de parkeerplaatsen en straten bieden voldoende bergingscapaciteit om aan de waterbergingsopgave te voldoen.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 21/35

Tabel 5.2: maximale bergingscapaciteit van beoogde waterbergingstechnieken. Capaciteit [l/eenheid]

Hoeveelheid

Eenheid

Berging [m3]

Wadi

385

630

m2

242

Waterbergende fundering

120

1.300

m2

156

Hemelwaterriool*

0

290

m

0

Maatregel

Totaal

398

*Het hemelwaterriool draagt niet bij aan de waterbergingsopgave. Opties alternatieve waterbergingsvoorzieningen De huidige oplossing voor de waterbergingsopgave voorziet erin dat 1/3e van de opgave in een ondergrondse voorziening wordt opgelost. Deze voorzieningen zijn over het algemeen kwetsbaarder voor bijvoorbeeld verstoppingen en lopen bij extreme neerslag minder gemakkelijk vol dan een oppervlakkige waterberging. Daarom zijn tevens een aantal andere maatregelen binnen het plangebied onderzocht. Deze opties worden echter niet haalbaar geacht, zoals hieronder per maatregel beschreven: • •

• •

• •

Vergroten bestaande wadi: hier is te weinig beschikbare ruimte, in verband met onderhoud van de Bwatergang en de aanwezige bomen. Verdiepen van de wadi is niet haalbaar vanwege de grondwaterstand. Koppelen wadi aan B-watergang: hiervoor zou met een stuwtje het waterpeil in de watergang moeten worden opgezet, met als gevolg dat het lager gelegen bovenstroomse gebied bij hoge waterstanden onderloopt. Wadi bij het speeltuintje zonder verlegging B-watergang: hier is in principe ruimte beschikbaar, maar door de ligging aan de overzijde van de B-watergang is het lastig water hier naartoe te brengen. Wadi bij het speeltuintje met verlegging B-watergang: hierdoor kan circa 80 m3 berging in een wadi worden gerealiseerd. Dit vereist wel het kappen van zes bomen, en het verleggen van de bestaande duiker. Tevens is dan nog steeds waterberging benodigd in de fundering van de bestrating. Koppelen wadi bij het speeltuintje aan B-watergang: ook hier is het achterliggende gebied kwetsbaar voor peilopzet. Wadi op particuliere grond aan de noordkant van het plangebied: dit perceel is niet in eigendom van de ontwikkelaar. Door het geringe oppervlakte van circa 150 m 2 kan daarnaast onvoldoende waterberging worden gerealiseerd om het bergingstekort op te lossen.

Naast waterberging in de openbare ruimte kan ook waterberging op particulier terrein gerealiseerd en gestimuleerd worden. Hier kan onder andere gedacht worden aan bijvoorbeeld waterberging onder de oprit, groenblauwe daken en regentonnen, of soortgelijke voorzieningen t.b.v. hergebruik. De waterbergingsvoorzieningen dienen te voldoen aan verschillende eisen om meegerekend te worden voor de waterbergingsopgave. Zo moet de voorziening zijn voorzien van een noodoverloop, binnen de gestelde leeglooptijd weer beschikbaar zijn, goed onderhouden worden en geschikt zijn voor de plaatselijke omstandigheden (hoge grondwaterstand en matige bodemdoorlatendheid). 5.5 Bouwpeilen en ontwatering Uit onderhavige watertoets blijkt dat het bestaande watersysteem complex in elkaar steekt. Er is sprake van hoge grondwaterstanden (paragraaf 4.4) en de bodemdoorlatendheid is matig tot slecht (paragraaf 3.3). Dat resulteert in een uitdaging om water te infiltreren en te bergen in de ondergrond, terwijl er vanuit het beleid wel een waterbergingsopgave van 398 m3 geldt. Daarnaast is het halen van de vereiste ontwatering van 70 cm een uitdaging.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 22/35

5.5.1 Ophoging plangebied Om binnen het plangebied de waterbergingsvoorzieningen uit paragraaf 5.4 te kunnen realiseren en voldoende ontwatering te garanderen, zal het gebied moeten worden opgehoogd. Uitgangspunt is dat daarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij de maaiveldhoogten van de omgeving. Zo wordt ervoor gezorgd dat ophoging tot zo min mogelijk negatieve omgevingseffecten (door verdichting van de ondergrond) leidt. Het te hanteren straatpeil bedraagt in het zuidelijk deel van het plangebied +6,70 m NAP (70 cm boven de GHG). Het is van belang het maaiveld aan het begin van de straat Rietstok goed aan te sluiten op dit nieuwe straatpeil. Het te hanteren vloerpeil bedraagt in het zuidelijk deel +6,90 m NAP (20 cm boven straatpeil, in het kader van wateroverlast bij extreme neerslag). In het noordelijk deel van het plangebied ligt de GHG op +6,20 m NAP, waardoor voor het behalen van voldoende ontwatering hier het straatpeil naar +6,90 m NAP en het vloerpeil naar +7,10 m NAP moet worden gebracht. Zie figuur 5.2.

Figuur 5.2: weergave van de ophoging in het plangebied.

5.5.2 Drainage Ondanks ophoging van het plangebied is er gezien de waterhuishoudkundige situatie een reële kans op grondwateroverlast binnen het plangebied. Dat komt doordat de ophoging ervoor kan zorgen dat verdichting van de grond optreedt, met kans op opstuwing van de grondwaterstand tot gevolg. Daarnaast komen in de huidige situatie al grondwaterstanden boven de GHG voor, waardoor niet altijd voldoende ontwateringsdiepte wordt behaald. Het is daarom essentieel om de grondwaterstand te reguleren met drainage. Drainage heeft als voordeel dat het ervoor zorgt dat de opstuwing van de grondwaterstand als gevolg van de ophoging wordt weggenomen. In de omgeving van het plangebied zal er daardoor ook geen opstuwing van de grondwaterstand plaatsvinden. Bijkomend voordeel van de drainage is dat bovenmatig hoge grondwaterstanden (boven de GHG) worden afgevangen, waardoor binnen het plangebied altijd voldoende ontwatering wordt

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 23/35

behaald. Door het afvangen van bovenmatig hoge grondwaterstanden zal ook in de omgeving de grondwaterstandsstijging boven GHG worden gedempt. De waterhuishouding zal in de omgeving daardoor verbeteren ten opzichte van de huidige situatie. Door daarnaast drainage aan te leggen onder de wadi (in combinatie met bodemverbetering) kan de tijdige lediging van de wadi worden gegarandeerd. De drainage dient binnen het plangebied te worden aangelegd onder de straten, onder de wadi en ter hoogte van de gedempte greppel. Om drainage in het plangebied toe te kunnen passen is het cruciaal om het drainageniveau zo in te stellen dat alleen bovenmatige grondwaterstanden worden afgevangen, en geen grondwaterstanden onder de GHG. Dat is van belang omdat de ontwikkeling niet mag leiden tot verdroging van het gebied. Het instelniveau dient in het zuidelijk deel van het plangebied dus op +6,0 m NAP te liggen, op 0,70 m onder het beoogde maaiveld. In het noordelijk deel dient het instelniveau conform de hogere GHG op +6,20 m NAP te liggen. Daarmee wordt enerzijds rekening gehouden met opstuwing van de grondwaterstand door ophoging en met bovenmatige grondwaterstanden, terwijl anderzijds wordt voorkomen dat wordt gedraineerd onder de huidige GHG en dat de drainage voor verdroging zorgt.

Wanneer de grondwaterstand boven de +6,0 m NAP m uitkomt, zal water vanuit de drainagebuis worden afgevoerd op het oppervlaktewater. Zo worden te hoge grondwaterstanden afgevangen. De drainageleidingen zelf kunnen op circa 1,50 m onder maaiveld worden aangelegd, zodat deze te allen tijde in het grondwater liggen. Daarmee wordt voorkomen dat de vorming van ijzeroer het afvoerend vermogen van de drainage sterk beperkt. De drainageleidingen kunnen onder het hemelwaterriool worden aangelegd. Voor het functioneren van drainage is het van belang dat de drainage onder vrij verval kan afvoeren op het oppervlaktewater. Er is geconstateerd dat het oppervlaktewaterniveau geregeld hoog kan staan en snel reageert op stijgingen in de grondwaterstand (paragraaf 4.2). Uit de meetresultaten blijkt dat het waterpeil in de winter van 2024 – 2025 tot maximaal +5,80 m NAP is gestegen. Een hoger waterpeil wordt niet verwacht, vanwege de meetperiode in een uitzonderlijk nat jaar. Omdat alleen boven +6,0 m NAP zal worden gedraineerd, kan afvoer van de drainage onder vrij verval dus worden gegarandeerd. In figuur 5.3 is een schetsontwerp van de drainage weergegeven. Hierin zijn de volgende hoogtepeilen aangenomen: • Diepte drainagebuizen = zuidelijk deel circa +5,2 m NAP, noordelijk circa +5,4 m NAP (1,5 m -mv).

• Minimale instelniveau drainage = zuidelijk deel +6,0 m NAP, noordelijk deel +6,2 m NAP (0,7 m -mv) • Maximale oppervlaktewaterstand = < +6,0 m NAP (> 0,7 m -mv). Deze waarden zijn een inschatting van de benodigde diepten op basis van de beschikbare informatie over gronden oppervlaktewater. In een uitgebreid drainageontwerp dienen de juiste niveaus voor een goede werking van het drainagesysteem nader te worden bepaald.

datum referentie

9 juli 2025 241560_AdB_RAP_0001_v1.0 definitieve watertoets Rietstok Gemonde

P 24/35

Figuur 5.3: schetsontwerp afvoer drainage onder vrij verval.

5.5.2.1 Demping van de greppel Het dempen van de bestaande greppel heeft mogelijk een vernattend effect voor de aangrenzende percelen. Doordat de greppel in verbinding staat met het oppervlaktewater, heeft deze een ontwaterende functie. Om deze functie te behouden, is op de locatie van de greppel ook drainage nodig met een instelniveau van +5,8 m NAP: gelijk aan de oppervlaktewaterstand tijdens natte perioden. De demping dient te worden uitgevoerd met goed doorlatend materiaal, waardoor de drainage de drainerende werking van de greppel naadloos kan overnemen. 5.6 Verbetering waterhuishouding In bovenstaande paragrafen is aangetoond dat de ontwikkeling kan worden gerealiseerd zonder negatieve omgevingseffecten. Ten opzichte van de huidige situatie kan de waterhuishouding ondanks de complexiteit zelfs verbeteren, ook in de directe omgeving van het plangebied. Samengevat wordt de robuustheid van de ontwikkeling geborgd door middel van de volgende oplossingen: • Het hanteren van een strengere waterbergingseis (over de totale verharding) dan het waterschap voorschrijft (over de toename aan verharding); • Aanleg van voorzieningen voor hemelwaterberging in het plangebied met vertraagde leegloopconstructies, wat zorgt voor minder kans op wateroverlast door extreme neerslag bij de nieuwbouwwoningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=294a6443-e9f8-4dd9-8ebd-4c1b8810101e