Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 12 Quickscan Natuurwaarden
Tekst van het document
BUREAU VERKUYLEN Veemarktkade 8 5222 AE ‘s-Hertogenbosch
Datum
20 december 2019
Kenmerk
BE/2019/541/r
Uw kenmerk
Email d.d. 25 juni 2019
Auteur(s) Collegiale toets
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Rietstok ong. te Gemonde Aan de Rietstok ong. te Gemonde zijn twee graspercelen en een woonperceel met (grote) achtertuin gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande groenstructuren en graspercelen om te vormen naar ca. 28 woningen. Ter behoeve van het project dienen verschillende bomen en struiken gekapt te worden. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van agrarisch naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Bureau Verkuylen begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Brabant? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Rietstok ong. te Gemonde (figuur 1), gelegen naar Rietstok 23. De planlocatie bestaat uit twee graspercelen, 1 onbebouwd en 1 met enkel een schuilschuur voor vee. Verder valt de tuin van de woning aan de Dorpstraat 23 deels binnen de kaders van de planlocatie. De woning is opgetrokken uit valt buiten de kaders van de planlocatie en blijft behouden. De enkele bebouwing in de tuin is een kas. In de tuin van de woning bevindt zich een wandelpad en de Rietstok kruist de planlocatie, deze blijft echter behouden. Er zijn verschillende groenstructuren aanwezig in de tuin in de vorm van bomen, hagen of heggen. De dichtstbijzijnde waterpartij is de Beeksche Waterloop op een afstand van ca. 420 m oostelijk. De dichtstbijzijnde barrière is de A2 op een afstand van circa drie kilometer westelijk. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een dorpse omgeving ten midden van landelijk gebied.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Rietstok ong. te Gemonde (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreffen het verwijderen van een schuilschuur voor vee, verschillende hagen en groenstructuren. De beoogde ontwikkelingen voorzien een functieverandering van agrarisch naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •
saneren van schuilschuur: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen en struiken: kapwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Bureau Verkuylen).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 18 november 2019 en is uitgevoerd door M.A. Brinkbaumer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 2 Celsius en windkracht 2-3 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
3
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Brabant. Aardmuis Gewone pad Rosse woelmuis Bastaardkikker
Haas
Tweekleurige bosspitsmuis
Bosmuis
Huisspitsmuis
Veldmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Kleine watersalamander Konijn Meerkikker
Vos Wild zwijn Woelrat
Egel
Ondergrondse woelmuis
Gewone bosspitsmuis
Ree
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Brabant. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.
4
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2009-2019). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, grote brandnetel, klimop, laurier en perzikkruid. De te ontwikkelen ruimte is hoofdzakelijk niet verhard. Op de planlocatie staan verschillende bomen en hagen zoals; coniferen, laurier, meidoorn, schietwilg, witte paardenkastanje, zachte berk en zomereik. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. De planlocatie bestaat uit (voormalig) agrarische graslanden en een tuin welke grenst aan deze percelen. Gezien het (voormalige) gebruik en de stikstof minnende planten (grote brandnetel) betreft de planlocatie een voedselrijke grond. Derhalve zijn er geen functionele groeiplaatsen leefgebied voor beschermde plantensoorten. Negatieve effecten op beschermde planten zijn daarom uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing das, egel, haas, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, veldmuis, vos en wezel (Broekhuizen et al., 2016; NDFF 2009-2019). Voor de bever, bunzing, das, rode eekhoorn en wezel geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op een afstand van ca. 1,5 km ten noordoosten is het natuurgebied de Zegenwerp (onderdeel van NNB), waar het gros van de waarnemingen zijn gedaan. Op een aangrenzend perceel worden kippen gehouden en in de achtertuin van de woning aan de Dorpstraat bevindt zich een kas waar verschillende sporen en uitwerpselen gevonden waren. Deze sporen zijn aannemelijk van kat en bruine rat.
De bever komt uitsluitende voor in watergangen en op de oeverzone. Wegens ontbreken van watergangen op korte afstand van de planlocatie is functioneel leefgebied van de bever uit te sluiten op de planlocatie. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) hebben een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende dekking en schuilgelegenheid. De hermelijn en in mindere mate de bunzing prefereren daarnaast waterrijke gebieden. De bunzing en wezel worden ook wel in bebouwde omgevingen met voldoende groen aangetroffen, de hermelijn vermijdt bebouwing (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017). Binnen de planlocatie bevinden zich de kenmerken voor het functioneel leefgebied van kleine marterachtigen en kan voldoen aan de ecologische functies waaraan het leefgebied moet voldoen, namelijk (i) foerageergebied met voldoende dekking, (ii) verbindingen met andere leefgbieden en (iii) rust- en voortplantingsplaatsen. Derhalve dient er middels aanvullend onderzoek vastgesteld te worden of er kleine marterachtigen voorkomen op de planlocatie. Volledigheidshalve zal de aan- dan wel afwezigheid van steenmarter worden meegenomen met eventueel aanvullend onderzoek. Deze soort kan tevens niet uitgesloten worden gezien De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen.
Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Belangrijk voor het habitat van de das is dat er voldoende voedselaanbod is, een goed vergraafbare grond aanwezig is, voldoende dekking in de vorm van bijvoorbeeld houtwallen of heggen is en het gebied weinig wordt verstoord (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). De bodemtype van de omgeving van Gemonde kenmerkt zich door de aanwezigheid van sterk lemig fijn zand op (kei-)leem en enkeergronden (maps.bodemdata.nl). Dit zijn bodemtype die vrij
5
moeilijk vergraafbaar zijn en niet waterafvoerend. De das wordt vaak waargenomen rond Heult, waar fijn zand aanwezig is (straal van 2km). Hierdoor is de mogelijkheid tot het graven van een burcht op een helling waarbij het water wordt afgevoerd groter. Gezien het leefgebied van een das ongeveer 2 km bedraagt, is het logischerwijs te verwachten dat er dan ook nauwelijks waarnemingen in de omgeving van Gemonde zijn. Het plangebied maakt derhalve geen deel uit van de das. Negatieve effecten kunnen uitgesloten worden. De rode eekhoorn komt hoofdzakelijk voor in bosrijke omgevingen met voldoende (oude) bomen. Ten tijden van het veldbezoek zijn geen nesten waargenomen in de bomen op de planlocatie. Aangezien de planlocatie niet in directe verbinding staat met bosrijke omgevingen is het derhalve aannemelijk dat het geen onderdeel uitmaakt van functioneel leefgebied. Derhalve worden negatieve effecten op de rode eekhoorn ter gevolge van de beoogde ontwikkeling niet verwacht. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis.
Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF 2009-2019). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. De bomen op de planlocatie zijn jong en zijn niet van afdoende formaat om holen te bevatten welke voldoende ingerot zijn om potentieel interessant te zijn voor boombewonende vleermuizen.
Derhalve zijn vaste rust- en/of verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uitgesloten van de planlocatie. Op de planlocatie bevindt zich qua bebouwing enkel een schuilschuur voor vee en een kas. Aangezien er geen spouw of dakruimte aanwezig is waar een koel microklimaat heerst zijn vaste rust- en/of verblijfplaatsen uitgesloten van de planlocatie. Gezien de combinatie tussen groenstructuren en open ruimte op de planlocatie zou het mogelijk onderdeel kunnen uitmaken van foerageergebied. Wegens de grote aanwezigheid van vergelijkbare percelen is uitgesloten dat er sprake is van essentieel leefgebied, derhalve zijn negatieve effecten door het verwijderen van de groenstructuren uitgesloten. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik.
Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.
6
Amfibieën In de omgeving is de aanwezigheid bekend van gewone pad en kleine watersalamander (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2009-2019). Voor geen van deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming of dat er vrijstelling voor geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Verder is er geen oppervlaktewater op de planlocatie of in de directe omgeving. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen, derhalve worden (beschermde) amfibieën niet verwacht op de planlocatie. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen In de omgeving is de aanwezigheid van reptielen niet bekend (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2009-2019). Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.
Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten, libellen en andere ongewervelden In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de gevlekte witsnuitlibel en de kleine ijsvogelvlinder (NDFF 2009-2019). De gevlekte witsnuitlibel komt vooral voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen (Vlinderstichting gevlekte witsnuitlibel, 2019). Deze habitatonderdelen komen niet voor op of nabij de planlocatie. De kleine ijsvogelvlinder komt hoofdzakelijk hoog in de boomtoppen van bossen voor. De soort heeft kamperfoelie als waardplant (Vlinderstichting kleine ijsvogelvlinder, 2019). Wegens ontbreken van waardplanten is de planlocatie geen functioneel leefgebied, derhalve is de soort uitgesloten van de planlocatie. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boomklever, buizerd, ekster, gaai, goudvink, houtduif, huismus, kauw, koolmees, kraai, merel, pimpelmees, roodborstje en vink. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen roestplekken of roofvogelnesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie bevind zich geen bebouwing waar gaten of kieren met achterliggende ruimte in mogelijk zijn waar gebouwbewonende soorten als kerkuil of steenuil in zouden kunnen nestelen. De beoogde ontwikkeling voorzien enkel de sanering van een schuilschuur voor vee en een kas. De schuilschuur is zeer laag en er was geen dakbeschot aanwezig. De schuilschuur is van binnenuit geïnspecteerd. Er zijn geen nesten waargenomen. In de tuin van de woning aan de Dorpstraat staan verschillende groenstructuren welke jaarrond groen zijn. Deze structuren dienen in het kader van de beoogde ontwikkeling verwijderd te worden.
Ten tijden van het veldbezoek zijn verschillende huismussen waargenomen in deze groenstructuren en derhalve maken deze structuren (aannemelijk) onderdeel uit van mogelijk functioneel leefgebied. De
7
groenstructuren in de tuin van de woning liggen op een afstand van ca. 40 m van de dichtstbijzijnde geschikte nestlocatie. Op kortere afstand zijn verschillende jaarrond groene heggen aanwezig, derhalve wordt niet verwacht dat er sprake is van essentieel leefgebied. Er is geen sprake van afname van essentieel leefgebied voor de huismus. Negatieve effecten zijn derhalve ook niet te verwachten. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Gezien er de bebouwing welke gesaneerd wordt bestaat uit een zeer lage schuilschuur (<2 m) en een kas zijn nestlocaties van de gierzwaluw uitgesloten. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties.
Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Op een afstand van circa 6,8 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ (figuur 4). Op een afstand van circa 270 m ligt het Natuurnetwerk Brabant (figuur 5).
Figuur 4
8
De planlocatie ligt op een afstand van 6,8 km tot het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ (bron: kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan).
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 270 m tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Vóór de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) werd beargumenteerd dat de afstand tot het Natura 2000-gebied dusdanig groot is, dat er t.a.v. de stikstofdepositie onder een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar zou blijven. De Raad van State heeft echter beoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo’n toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig. In september 2019 is de nieuwe Aerius calculator gepubliceerd. Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen. De herbeoordeling d.m.v.
de herziene Aerius calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aerius-berekening is gebleken dat de toename van de depositie: • Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: • Binnen het PAS gemeld moest worden. Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf: • Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS-vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan. Dit wordt onderschreven in de ‘Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden’ (Ministerie van Binnenlandse Zaken, juli 2019). Uit goede motivering of herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken:
9
Dat er geen enkele toename van stikstofdepositie wordt verwacht, bijvoorbeeld vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden óf: • Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: • Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak juist afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de Aerius calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van twee onverwarmde agrarische gebouwen (particuliere kas en een schuilschuur voor vee) en het verwijderen van verschillende groenstructuren. Deze ontwikkeling wordt uitgevoerd ter behoeve van 28 nieuwbouw woningen. De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een significante toename in het aantal verkeersbewegingen. Ondanks dat de nieuwbouw hoge isolatiewaarden en hoogrenderende stookinstallaties zal hebben, wordt een verhoging van de stikstofemissie op het perceel verwacht.
Derhalve wordt geadviseerd om middels een Aerius-calculatie te berekenen of er negatieve effecten ontstaan op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Beoordeling (c) houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven
per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. De beoogde ontwikkeling voorzien de kap van verschillende bomen en struiken. Deze bomen en struiken voldoen echter niet aan de criteria van houtopstanden. Derhalve is het kappen/verwijderen van de bomen en struiken op de planlocatie is niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten hebben vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
10
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en de steenmarter. De planlocatie is verder zeer geschikt leefgebied voor algemene broedvogels en de werkzaamheden dienen derhalve buiten het broedseizoen uitgevoerd worden. Verder is de planlocatie ook mogelijk functioneel leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën en insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Brabant. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dient een Aerius-calculatie uitgevoerd te worden om mogelijk negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden te berekenen. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort Geschikt habitat Andere soort
+
-
-
-
j
n
n
n
n
-
-
+
+
n
n
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
6,8 km
geen
AERIUS
Natuurnetwerk Brabant
270 m
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
ja
ja
n.v.t.
ja
ja
n.v.t.
Natura 2000
Struiken Bomen
n
broedvogels (j)
-
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
-
vissen
-
-
reptielen
-
-
amfibieën
Insecten, libellen en andere ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
Uitvoerbaarheid Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of het plangebied een functie betreft voor kleine marterachtigen. Op basis van ervaringen is er geen reden om aan te nemen dat de eventuele benodigde ontheffing bij aanwezigheid van kleine marterachtigen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Om effecten te voorkomen op algemene broedvogels dienen de kapwerkzaamheden uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen. In het kader van de stikstofemissie dient een Aerius-calculatie uitgevoerd te worden om de effecten op omliggende Natura 2000-gebieden te berekenen.
11
Conclusie Bij aanwezigheid van verblijfplaatsen van beschermde soorten kan met bepaalde maatregelen (mitigatiegebied) een ontheffing worden verleend, waarbij er een uitzondering wordt gemaakt op een wettelijk verbod. Een ontheffing wordt tevens alleen verleend indien er een wettelijk belang is aangetoond en de gunstige staat van instandhouding van de soort is onderbouwd. De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Rietstok ong. te Gemonde uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Er dient aanvullend onderzoek naar de kleine marterachtigen (in het bijzonder bunzing en wezel) uitgevoerd te worden om vast te stellen of het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied. Ten aanzien van de bunzing en wezel wordt het gebruik van cameravallen geadviseerd. Voor kleine marterachtigen wordt geadviseerd om een cameraval te plaatsen in een marterbox. Ten tijde van de actieve periode, respectievelijk maart – augustus, dienen de cameravallen minsten zes weken in het gebied te worden geplaatst. Buiten de actieve periode dienen de cameravallen minsten twaalf weken geplaatst te worden. Voor het aantal te plaatsen camervallen en marterboxen is maatwerk benodigd. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen kwetsbare habitats van Natura 2000gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kapwerkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.
op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
12
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.kaartbank.brabant.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
13
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V.,
Blom Ecologie B.V.,
Auteur
Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
14
Bijlage 1 Fotografische impressie
15
Figuur 1
Een van de graspercelen van de planlocatie. met als enkele bebouwing een schuilschuur voor vee.
Figuur 2
De grens tussen de tuin van de woning aan de Dorpstraat en de Rietstok.
16
Figuur 3
De tuin van de woning waar de heggen en bomen verwijderd worden ten aanzien van de beoogde ontwikkeling.
Figuur 4
Houtstapel in de kas in de tuin van de woning welke beschutting kan bieden voor veel algemene soorten maar ook kleine marterachtigen.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
17
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
18
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
19