Bijlage II Procesbeschrijving bij stroomschema 02092025
Tekst van het document
Bijlage II:
Procesbeschrijving bij stroomschema
Gemeente:
Sint-Michielsgestel
Datum:
02092025
Versie:
0.12
Stap 1. Het startpunt van het proces wordt gevormd door de vastgestelde of gewijzigde omgevingsvisie, of door nieuwe wettelijke verplichtingen. De raad heeft de omgevingsvisie vastgesteld. Het is de bevoegdheid van de raad om de omgevingsvisie vast te stellen en het college de opdracht te geven om de ambities verder uit te werken en uit te voeren, via omgevingsprogramma’s. Soms kan de aanleiding ook een wettelijke verplichting voor een omgevingsprogramma zijn. Naar aanleiding van de controle door de raad op basis van documenten uit de P&C cyclus kan het gewenst zijn om het beleid bij te stellen of tot wijzigen van omgevingsprogramma’s en/of de omgevingsvisie te komen. Dit is conform het kopje actualisering omgevingsvisie beschreven in de omgevingsvisie, waarin verder staat dat we uit gaan van bijstelling van de omgevingsvisie, vier jaar na vaststelling. Speciale aandacht voor participatie De Omgevingswet gaat in de kern over ruimte geven, loslaten en vertrouwen en over een andere verdeling van verantwoordelijkheden tussen de overheid en de samenleving. Participatie (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen) is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Ook bij de besluitvorming over omgevingsprogramma’s moet de gemeente participatie organiseren, omdat in omgevingsprogramma's beleid en maatregelen worden geformuleerd.
Die maatregelen moeten leiden tot het realiseren van de gewenste ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving. De kaders en randvoorwaarden voor participatie van gemeentelijk beleid zijn opgenomen in het vastgestelde Participatiebeleid. In de (nog op te stellen) Participatieverordening worden deze kaders en randvoorwaarden juridisch verankerd. Bij de opstelling van dit proces volgen we het vastgestelde participatiebeleid en anticiperen we de komst van de participatieverordening. Onder participatie verstaan we de samenwerking tussen een bestuursorgaan en inwoners of maatschappelijke partijen, in welke vorm dan ook. Inwonersparticipatie betekent dat inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties actief worden betrokken bij gemeentelijke initiatieven – van de voorbereiding en uitvoering tot de evaluatie van beleid. In dit document onderscheiden we vier vaste momenten waarop participatie in ieder geval aan de orde is: 1. Voorbereiding – het betrekken van belanghebbenden bij het ontwikkelen van omgevingsprogramma’s; 2. Vaststelling – het consulteren van betrokkenen voorafgaand aan besluitvorming; 3. Uitvoering – het samenwerken aan de uitvoering van maatregelen of projecten; 4. Evaluatie – het gezamenlijk terugkijken op de resultaten en het leerproces.
Binnen de beleidscyclus van de Omgevingswet vindt participatie plaats in alle vier de fasen, die samen het volledige omgevingsproces beslaan. De vier fasen van participatie in de beleidscyclus zijn: beleidsontwikkeling (gezamenlijk richting geven aan het omgevingsprogramma), beleidsdoorwerking (concept omgevingsprogramma), uitvoering (realisatie omgevingsprogramma), terugkoppeling en evaluatie (effecten van het omgevingsprogramma).
Stap 2.2. Opstellen project-opdracht Naar aanleiding van de omgevingsvisie begint het college met het opstellen (of wijzigen) van een omgevingsprogramma. De eerste stap hierin is het opstellen van een projectopdracht. Dit is de opdracht tot het opstellen van een omgevingsprogramma. De opdracht bevat tenminste: • portefeuillehouder(s); • Ambities uit de gemeentelijke omgevingsvisie; • formatie; • capaciteit ; • middelen; • participatie; • planning. Stap 2.3. Concept Nota van Uitgangspunten + mer-beoordeling/NRD (notitie reikwijdte en detailniveau) Het concept Nota van Uitgangspunten bevat onder andere: • stakeholderanalyse; • procesaanpak • participatie. • mer-beoordeling en/of NRD; en • risico-analyse. Onderstaande punten behoren tot de nota van uitgangspunten: Inhoudelijke aspecten welke ambities en uitgangspunten worden met het omgevingsprogramma uitgewerkt. Uitwerking van maatregelen volgen in de uitwerking van het omgevingsprogramma. relatie met andere omgevingsprogramma’s. Stakeholderanalyse welke partijen hebben belang/invloed. Procesaanpak en eventuele fasering beoogde wijze waarop gemeenteraad wordt betrokken. Startnotitie participatie. Voorafgaand aan de start van de participatie maken we een startnotitie met daarin het voorgestelde proces zodat alle betrokkenen weten wat verwacht mag worden.
Het karakter van ieder omgevingsprogramma bepaalt welke partijen een rol gaan spelen bij de participatie. De startnotitie wordt ter besluitvorming voorgelegd aan de bestuurlijk opdrachtgever. initiële keuze voorbereidingsprocedure (afhankelijk van status omgevingsprogramma, eventuele MERplicht en/of afspraken met gemeenteraad zie stap 4) fasering om in stappen naar het omgevingsprogramma te komen (bijv. voor gefaseerde gebiedsontwikkeling). Mer-beoordeling en/of NRD initiële beoordeling of MER noodzakelijk is. Zo ja, vervolgens ook een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opstellen. Risicoanalyse welke aspecten vormen risico's voor het proces (politieke koerswijziging, weerstand/achterblijvende stakeholders en ketenpartners, gedurende het proces blijkt toch sprake van een mer-plicht, financiële tegenvallers, capaciteit/expertise). Voorbereiding - participatie • Voor elk omgevingsprogramma wordt, na het opstellen van de projectopdracht, een startnotitie participatie opgesteld. Hierin wordt de inwonersparticipatie beschreven.
•
Voor sommige omgevingsprogramma’s geldt dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht is. Onder participatie kan dit gezien worden als inspraak. In dit document wordt verderop toegelicht wanneer deze procedure van toepassing is.
Stap 2.4. Informeren gemeenteraad Over de concept Nota van Uitgangspunten en de mer-beoordeling (Milieueffectrapportage) en of NRD inclusief de startnotitie participatie informeert het college de raad middels een RIB. Eventueel afhankelijk van de politieke gevoeligheid, complexiteit of andere factoren kan er ook voor een andere vorm gekozen worden zoals een informatieavond (of meerdere informatieavonden) of het instellen van een klankbordgroep vanuit de raad bij zware en complexe omgevingsprogramma's. Dit is maatwerk en gebeurt in afstemming tussen college en presidium. Instrument gemeenteraad: Raadsleden hebben de mogelijkheid om schriftelijke vragen te stellen over raadsinformatiebrieven die op de lijst van ingekomen stukken voor de raad hebben gestaan. Naar aanleiding van de raadsinformatiebrief (RIB) kan het onderwerp (alsnog) door de raad geagendeerd worden. Stap 2.5. Vaststellen Nota van Uitgangspunten Het college accordeert het concept Nota van Uitgangspunten en de mer-beoordeling en of NRD of stelt het concept gewijzigd vast. Vrijwillige omgevingsprogramma’s waarvoor geen MER vereist is, gaan direct door naar stap 2.10. Voor alle overige omgevingsprogramma’s geldt een uitgebreide voorbereidingsprocedure, zoals beschreven in de volgende stappen. Toelichting voorafgaand aan stap 2.7./2.10 De Omgevingswet kent vier typen omgevingsprogramma’s.
Het type omgevingsprogramma is bepalend voor de verdere procedure. a. Verplichte (rijks)omgevingsprogramma’s. Voor Sint-Michielsgestel zijn dit: het warmteprogramma en wordt het omgevingsprogramma wonen als het wetsvoorstel Wet versterking regie volkshuisvesting wordt aangenomen en in werking treedt. Op verplichte omgevingsprogramma's is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4. Awb van toepassing. Dit betekent dat er een periode is waarin het ontwerp ter inzage ligt en belanghebbenden de mogelijkheid hebben om zienswijzen in te dienen. b. Onverplichte (rijks)omgevingsprogramma’s. Voor Sint-Michielsgestel is dit alleen het gemeentelijk rioleringsprogramma. Paragraaf 3.2.3 van de Omgevingswet bepaalt dat het college van B&W een gemeentelijk rioleringsprogramma kan opstellen, maar dit is dus niet verplicht. Op onverplichte omgevingsprogramma's is ook afdeling 3.4.Awb van toepassing. c. Vrijwillige omgevingsprogramma’s. De Omgevingswet laat gemeenten tamelijk veel ruimte om naar eigen behoefte en inzicht omgevingsprogramma’s op te stellen en vorm te geven. Dit betreffen de meest omgevingsprogramma's die benoemd staan onder de omgevingsvisie, hierop is de uitgebreide voorbereidingsprocedure niet van toepassing, tenzij er een mer-plicht is. Dan geldt automatisch de uitgebreide voorbereidingsprocedure o.b.v. afdeling 3.4. Awb. d.
Omgevingsprogramma’s met programmatische aanpak. Dit is niet-verplicht en komt vooral in beeld als omgevingswaarden of andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving sterk onder druk staan. In dit omgevingsprogramma is altijd sprake van een combinatie van een omgevingsprogramma en regels. Dit omgevingsprogramma kan direct dienen als beoordelingskader voor de toelaatbaarheid van activiteiten. De uitgebreide voorbereidingsprocedure afdeling 3.4. Awb is van toepassing. De verplichte omgevingsprogramma's moet de gemeente vaststellen. Van de andere type omgevingsprogramma's kan de gemeente zelf bepalen of en wanneer ze deze wil opstellen.
Voorbereidingsprocedure en stappenplan • Als de uitgebreide voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4. Awb) van toepassing is, ga verder met stap 2.7. • Als de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, ga verder met stap 2.10. Dit is mogelijk voor vrijwillige omgevingsprogramma's waarvoor geen MER noodzakelijk is. Stap 2.7. Opstellen ontwerp(wijziging) omgevingsprogramma en eventueel ontwerp-MER In deze fase wordt er een ontwerp(wijziging) opgesteld conform de nota van uitgangspunten en de opmerkingen van de gemeenteraad. Afhankelijk van een eventuele mer-plicht wordt er ook een ontwerp-MER (Milieueffectrapportage) opgesteld. Dit is een voorlopige versie van een rapport waarin de milieueffecten van een plan, omgevingsprogramma of project worden onderzocht en beschreven. Het doel van een (ontwerp-)MER is om op basis van scenario’s de mogelijke gevolgen voor het milieu inzichtelijk te maken, zodat een weloverwogen keuze tot stand komt. In deze fase, waarin we het concept-omgevingsprogramma opstellen, vindt participatie plaats. Het doel van deze participatie is om te komen tot een goed onderbouwd beleid en uitvoerbare maatregelen. Daarom brengen we in kaart welke belangen er spelen, welke maatregelen mogelijk zijn, wat de voor- en nadelen daarvan zijn, en hoe we tot een zorgvuldige afweging en keuze van maatregelen komen.
We maken daarbij ook duidelijk wat er wordt verwacht van inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere overheden, en welke rol de gemeente zelf speelt in de uitvoering. Stap 2.8. Terinzagelegging en advies ontwerp (wijziging) omgevingsprogramma en eventueel ontwerp-MER De ontwerpstukken worden voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Iedereen kan daar een zienswijze op indienen. Daarnaast ontvangt de gemeenteraad een RIB over de voortgang. In geval van een mer-plicht ontvangen we in deze fase ook advies van de mer-commissie. Stap 2.10. Opstellen definitief (wijziging van het) omgevingsprogramma • In deze stap wordt het (te wijzigen) omgevingsprogramma opgesteld. • Als de uitgebreide voorbereidingsprocedure is gevolgd dan worden de ingediende zienswijzen gebundeld en beantwoord in een Nota van Zienswijzen. Beide documenten worden toegezonden aan de raad bij stap 2.11. Stap 2.11. Raadsvoorstel en raadsbesluit wensen en bedenking omgevingsprogramma x Het college stelt een raadsvoorstel op genaamd 'wensen en bedenkingen omgevingsprogramma x ’. Het raadsbesluit luidt om geen wensen en bedenkingen in te dienen. Het voorstel wordt via de griffier aangeboden aan de gemeenteraad en komt op de agenda van de raadsvergadering. Instrument gemeenteraad De raad behoudt de mogelijkheid om het voorstel te amenderen en alsnog wensen en bedenkingen uit te spreken.
Deze kunnen in het amendement worden opgenomen en gelden als niet-bindend advies. Tijdens de oordeelsvormende vergadering kunnen fracties vooraf afstemmen over een eventueel amendement, dat desgewenst vooraf ter ambtelijke toetsing (juridisch/inhoud) kan worden voorgelegd. Daarnaast kan het in sommige gevallen nodig zijn dat bestaand (door de gemeenteraad vastgesteld) beleid wordt ingetrokken zodra het omgevingsprogramma in werking treedt. Om dit te bewerkstelligen wordt dit opgenomen in het raadsvoorstel om te polsen of de raad daartoe bereid is. De intrekking volgt pas nadat het college het omgevingsprogramma formeel heeft vastgesteld. Of we nemen op in het raadsvoorstel een voorwaardelijke intrekking waarmee het bestaande programma x zoals door de raad vastgesteld op datum y vervalt zodra het nieuwe programma door het college is vastgesteld. Dit voorkomt een gat en er is dan geen sprake van overlap.
Stap 2.12. Vaststellen definitief omgevingsprogramma eventueel met wijzigingen op basis van wensen en bedenkingen In deze fase wordt het omgevingsprogramma vastgesteld door het college. Eventueel met wijzigingen op basis van het amendement. Het college mandateert de betreffende wethouder voor het accorderen voor de verdere uitvoering. Bij de vaststelling van het besluit geeft het college aan hoe de gemeente burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen heeft betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn (de motivering). Deze motiveringsplicht is geregeld in artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit. Vaststelling – participatie Bij het vaststellen van een omgevingsprogramma op grond van artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit moet het college aangeven: hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding van het omgevingsprogramma. En wat de resultaten van deze participatie zijn. En moet worden toegelicht op welke wijze invulling is gegeven aan het gemeentelijke participatiebeleid. Daarnaast het college ook een zorgplicht vandaaruit zal aangegeven worden, hoe deze uitkomsten een plaats hebben gekregen in de besluitvorming. Stap 3.2.
Publicatie Na vaststelling wordt het omgevingsprogramma via onze Omgevingswet-software (GISkit) gepubliceerd op het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en op overheid.nl. Over de publicatie informeert het college de gemeenteraad middels een raadsinformatiebrief. Stap 3.3. Uitvoering De uitvoering richt zich op het realiseren van de ambities middels o.a. maatregelen in het omgevingsprogramma. Uitvoering-participatie Alle omgevingsprogramma’s vragen om maatwerk. Daarom kiezen we per omgevingsprogramma een participatievorm die past bij de aard van het onderwerp en de doelgroep. Mogelijke vormen van participatie zijn: • Informeren – via bijvoorbeeld een nieuwsbrief of website. • Raadplegen – zoals enquêtes of gesprekken. • Adviseren – bijvoorbeeld via een klankbordgroep of adviesgesprek. • Samenwerken – in de vorm van co-creatie. Bij het vormgeven van participatie hanteren we, in lijn met het gemeentelijk participatiebeleid, de volgende uitgangspunten: • We streven naar een zo hoog mogelijke mate van participatie. • We betrekken belanghebbenden zo vroeg mogelijk in het proces. • Elk traject is maatwerk, maar de aanpak is methodisch onderbouwd. • We zijn transparant over de ruimte voor invloed binnen het participatieproces. • We maken rollen, belangen en invloed inzichtelijk. • We zetten passende participatie-instrumenten in. • We zorgen voor een zorgvuldig en toegankelijk proces.
• Participatie is voor iedereen: iedereen moet kunnen meedoen. • We reserveren voldoende tijd, middelen en capaciteit om participatie goed te faciliteren. • We evalueren het participatieproces en lichten gemaakte keuzes toe.
Daarnaast zal er een verslag worden opgesteld na afloop van het participatieproces. Dit verslag wordt openbaar gemaakt en bevat een verantwoording van de gevolgde aanpak en de wijze waarop de inbreng van betrokkenen is meegenomen in de besluitvorming.
Stap 3.4. Monitoring In de omgevingsprogramma’s wordt beschreven hoe monitoring wordt vormgegeven. Gedurende de uitvoering wordt gemonitord in hoeverre doelen worden behaald. Stap 3.5. Controleren via P&C-cyclus Het college verantwoordt de financiële en inhoudelijke uitvoering van het omgevingsprogramma via de P&Ccyclus. Op basis van deze verantwoording kan indien gewenst, het nodig zijn om het omgevingsprogramma of in uiterste geval de omgevingsvisie bij te stellen, waarna het proces opnieuw begint. Evaluatie – participatie We betrekken relevante stakeholders actief bij het monitoren van de voortgang en effecten van het omgevingsprogramma, evenals bij (tussentijdse) evaluaties. Binnen de planning- en control cyclus (P&C-cyclus) rapporteert het college aan de gemeenteraad over de uitkomsten van monitoring en de evaluatie van de omgevingsprogramma’s. Dit biedt inzicht in de voortgang, effectiviteit en mogelijke gewenste bijsturing van het omgevingsprogramma. Begrippenlijst Omgevingswet Omgevingsvisie Omgevingsprogramma Omgevingsplan P&C-cyclus Participatie Omgevingsbesluit MER-beoordeling Nota van Uitgangspunten (NvU) Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) GISkit
Een integrale wet die regels bundelt voor de fysieke leefomgeving (zoals bouwen, milieu, water, natuur en ruimtelijke ordening). Een strategisch plan van het Rijk, provincie of gemeente voor de lange termijn, waarin de gewenste ontwikkeling van de fysieke leefomgeving wordt beschreven. Een document met maatregelen om doelen uit de omgevingsvisie te realiseren. Het kan gebiedsgericht of thematisch zijn en is soms verplicht. Het plan waarin gemeenten alle regels voor de fysieke leefomgeving vastleggen. Dit vervangt bestemmingsplannen en bevat regels over gebruik van gronden, bouwen, milieu, etc. De jaarlijkse beleids- en begrotingscyclus van een overheid, waarin plannen worden opgesteld, uitgevoerd, gemonitord en geëvalueerd (zoals begroting, jaarrekening, etc.). Het betrekken van inwoners, bedrijven en organisaties bij beleidsvorming en besluitvorming over de leefomgeving. De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie. Een van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) onder de Omgevingswet. Het bevat procedurele regels voor vergunningverlening, participatie en toezicht. Een beoordeling of een activiteit mogelijk belangrijke milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een milieueffectrapport (MER) worden opgesteld. Een document waarin de uitgangspunten voor een ruimtelijk plan of project worden vastgelegd, vaak als basis voor participatie en verdere planvorming.
Een document waarin wordt beschreven wat de inhoud en diepgang van een milieueffectrapport (MER) zal zijn. Het is een verplicht onderdeel bij een formele MER-procedure. Het digitale systeem dat informatie ontsluit over de leefomgeving en waarmee aanvragen, meldingen en participatie kunnen worden gedaan. Het ondersteunt burgers, bedrijven en overheden. Een software- en dienstverlener die overheden ondersteunt bij het opstellen, beheren en publiceren van omgevingsdocumenten zoals het omgevingsplan. GISkit biedt tools voor het maken van teksten, geometrieën en verbeeldingen, het annoteren van regels en het uitwisselen van gegevens met het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
MER
Stakeholders
Monitoring
MER staat voor milieueffectrapportage. Het is een instrument dat wordt gebruikt om de milieugevolgen van bepaalde plannen of projecten in beeld te brengen voordat er een besluit over wordt genomen. Er zijn twee vormen: MER-beoordeling: een toets of een milieueffectrapport nodig is. Volledige MER: een uitgebreid rapport dat verplicht is bij grotere of gevoelige projecten (zoals snelwegen, industrieterreinen of windparken). Betrokkenen die belang hebben bij of invloed ondervinden van een ontwikkeling in de fysieke leefomgeving. Onder de Omgevingswet is het betrekken van stakeholders via participatie een belangrijk uitgangspunt voor goede besluitvorming. Stakeholders zijn bijvoorbeeld: inwoners en bewonersgroepen, ondernemers en bedrijven, maatschappelijke organisaties zoals natuur of erfgoedverenigingen, overheid zoals provincie, waterschappen, Rijk en beheerders van infrastructuur zoals ProRail of Rijkswaterstaat. Betekent het systematisch volgen en beoordelen van ontwikkelingen, prestaties of effecten van beleid, projecten of maatregelen. Monitoring maakt het mogelijk om te beoordelen of beleidsdoelen worden bereikt en vormt de basis voor bijsturing binnen de beleidscyclus (zoals in de P&C-cyclus of bij actualisatie van de omgevingsvisie, omgevingsprogramma’s en het omgevingsplan).