Bijlage 5 - Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Figuur 23. In de zwarte elzen net achter de perceelsgrens zijn openingen aanwezig die kunnen dienen als verblijfplaats voor vogels en vleermuizen.
Uilen Er hangt een aantal kerk- en steenuilenkasten in de omgeving. De dichtstbijzijnde kast die bezet is ligt op 250 meter afstand. Hier broedt een steenuil. Binnen het plangebied zijn geen mogelijkheden voor uilen om te broeden.
Er kan een aantal spitsmuizen worden verwacht in of direct rondom het plangebied. De meeste spitsmuizen zijn echter vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Dit zijn dwergspitsmuis (Sorex minutus), gewone bosspitsmuis (Sorex araneus), huispitsmuis (Crocidura russula) en tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus). De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is in de omgeving waargenomen en komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snelstromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Dit biotoop is niet aanwezig in het plangebied en waterspitsmuis is daarom uit te sluiten. Overige spitsmuizenmuizen zijn op basis van hun actuele verspreidingsgegevens niet te verwachten.
21
VLEERMUIZEN Het dak bevindt zich in een slechte staat. Er zijn veel kieren tussen de dakpannen te vinden die vleermuizen toegang bieden tot de ruimte onder de dakpannen (zie bijvoorbeeld figuur 24). Bij de opstaande delen van het dak is aan de achterzijde ook nog een ruwe achterwand te vinden die veel grip biedt (zie figuur 25). Hierdoor ontstaat er een zeer geschikte verblijfplaats voor vleermuizen. Gebouwbewonende vleermuissoorten kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten. De volgende soorten kunnen mogelijk worden verwacht: -
gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii); laatvlieger (Eptesicus serotinus).
Figuur 25. Achter de dakpannen is een ruwe achterwand te vinden die ideaal is voor vleermuizen.
De volgende functies kunnen mogelijk worden verwacht op de onderzoekslocatie: -
Figuur 24. Op veel plaatsen zijn er openingen aanwezig tussen de dakpannen die ruim genoeg zijn voor vleermuizen om het dak te bereiken.
zomerverblijf (schuil- en rustplaats); kraamverblijf (verblijfplaats waar groepen vrouwtjes de jongen grootbrengen); paarverblijf (plek/territorium waar een mannetje vrouwtjes proberen te lokken); mild winterverblijf (verblijfplaats in de winter buiten vorstperiodes).
Een massa winterverblijf (verblijfplaats waar grote groepen vleermuizen in de winter verblijven) wordt niet verwacht. De warmtecapaciteit (vermogen om energie in de vorm van warmte op te slaan) en de temperatuurbuffering (mate waarin fluctuaties in het verloop van de temperatuur kunnen worden gebufferd) van de woning is hiervoor te laag. 22
KNAAGDIEREN Woelmuizen Er kan een aantal woelmuisachtigen worden verwacht in of direct rondom het plangebied. Alle te verwachten woelmuisachtigen ((aardmuis (Microtus agrestis), rosse woelmuis (Myodes glareolus), ondergrondse woelmuis (Microtus subterraneus) en veldmuis (Microtus arvalis)) zijn echter vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Overige woelmuizen zijn op basis van hun actuele verspreidingsgegevens niet te verwachten. Ware muizen
Er kan een aantal ware muizen worden verwacht in of direct rondom het plangebied. Alle te verwachten ware muizen (bruine rat (Rattus norvegicus), zwarte rat (Rattus rattus), bosmuis (Apodemus sylvaticus), huismuis (Mus musculus), dwergmuis (Micromys minutus)) zijn echter vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Overige ware muizen zijn op basis van hun actuele verspreidingsgegevens niet te verwachten. HAASACHTIGEN
Konijn (Oryctolagus cuniculus) en haas (Lepus europaeus) kunnen in de direct rondom het plangebied worden verwacht. Konijnenholen en legers of uitwerpselen zijn niet gevonden. Deze worden ook niet verwacht vanwege de hoge mate van verstoring.
ROOFDIEREN
Hondachtigen
De vos (Vulpes vulpes) komt in de directe omgeving voor. Het territorium varieert meestal van 100 tot 400 ha, maar kan ook vele malen groter zijn, afhankelijk van leefgebied en voedselaanbod. Het is dus zeer aannemelijk dat de vos ook rond het plangebied voorkomt. Er zijn geen holen gevonden die duiden op een verblijfplaats van een vos. Vaste verblijfplaatsen van vos worden dan ook uitgesloten. Marterachtigen In het kleinschalige landschap zijn verschillende marterachtigen aanwezig. De das (Meles meles) kan worden uitgesloten omdat er geen sporen zijn aangetroffen. De boommarter (Martes martes) kan worden uitgesloten vanwege het ontbreken van gesloten bos en bomen met geschikte holten. De verspreiding van Hermelijn (Mustela erminea) in de directe omgeving beperkt zich de laatste jaren tot het Bossche Broek waar het een zeldzame verschijning is. Een verblijfplaats binnen het plangebied is uiterst onwaarschijnlijk vanwege de hoge mate van verstoring. Hetzelfde geldt voor steenmarter (Martes foina), wezel (Mustela nivalis) en bunzing (Mustela putorius). De meeste leden van deze familie verspreiden een sterke geur via de anaalklieren of kliertjes in de voetkussentjes van de achterpoten. Met deze geurstof worden de grenzen van een territorium gemarkeerd. Deze geur is nergens waargenomen. Er is ook geen overlast van stank (welke door latrines in gebouwen kan worden veroorzaakt).
Er zijn ook geen sporen van marters gevonden (prooiresten, voedselvoorraden, graafsporen, wissels, uitwerpselen etc.). Overige zoogdieren kunnen op basis van hun lokale verspreiding of habitateisen worden uitgesloten (zie bijlage 3).
Beide soorten zijn vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening NoordBrabant.
23
5.4.3 Vaatplanten, mossen en korstmossen
Er zijn geen beschermde vaatplanten, mossen en korstmossen waargenomen. Er zijn enkel algemeen voorkomende soorten aanwezig. Het veldbezoek vond echter plaats buiten het groeiseizoen van de meeste planten en daarom kan op basis van enkel het veldbezoek de afwezigheid van beschermde vaatplanten niet worden bepaald. De kans op de aanwezigheid van beschermde soorten is vanwege de inrichting en onderhoud van het perceel niet te verwachten. Het merendeel van de beschermde soorten die in de directe omgeving zijn waargenomen (zie bijlage 3) kunnen ook op basis van de standplaatscondities worden uitgesloten.
5.4.4 Vissen en zoetwaterweekdieren Vanwege het ontbreken van een waterhabitat kunnen vissen en zoetwaterweekdieren worden uitgesloten. Figuur 26. Beeld van de sloot langs de Halderse Akkers.
5.4.5 Amfibieën De greppel langs het plangebied voerde geen water. De sloot aan de andere zijde van de Halderse Akkers voerde nog wel wat water. Indien deze sloot tot in het voorjaar watervoerend blijft kunnen soorten als kleine watersalamander (Lissotriton Vulgaris) en gewone pad (Bufo Bufo) mogelijk worden verwacht binnen het plangebied. Deze soorten kunnen dan een winterverblijfplaats vinden in enkele rommelhoekjes die aanwezig zijn op het terrein. Ook een mobiele soort als bruine kikker (Rana temporaria) kan hier worden verwacht. Overige amfibieën kunnen op basis van hun lokale verspreiding en hun habitateisen worden uitgesloten (zie bijlage 3).
5.4.6 Reptielen
5.4.7 Libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders Beschermde libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders die in de omgeving zijn waargenomen (zie bijlage 3) zijn niet te verwachten binnen het plangebied. De habitat is hiervoor niet geschikt, de waardplanten zijn afwezig en voor libellen ontbreekt een geschikt waterhabitat.
5.4.8 Geleedpotigen en landweekdieren Er zijn geen beschermde geleedpotigen (insecten, landweekdieren etc.) in de directe omgeving waargenomen en dus niet te verwachten in het plangebied.
Beschermde reptielen worden niet verwacht. Deze kunnen of op basis van de lokale verspreiding of op basis van hun habitateisen worden uitgesloten (zie bijlage 3). Voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen daarom worden uitgesloten. 24
6 Effecten van de ingreep en toetsing aan de wet natuurbescherming In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de voorgenomen activiteiten en de effecten die deze activiteiten hebben op flora en fauna. Deze effecten worden vervolgens getoetst aan de Wet natuurbescherming
6.1
Voornemen
Het voornemen bestaat uit de sloop van de huidige bebouwing en de nieuwbouw van maximaal 3 woningen rondom een gezamenlijk erf. De woningen vormen samen één samenhangend ensemble. Door de sanering van het bestaande autobedrijf zal er minder verkeer op de smalle wegen rondom het perceel zijn en wordt er bijgedragen aan de versterking van het landschap.
6.2
Activiteitenoverzicht
De volgende hoofdactiviteiten zullen worden uitgevoerd. Sloop van gebouwen De gebouwen zullen als eerste worden gesloopt. Deze activiteit zal naar verwachting twee tot drie weken in beslag nemen. Sloopafval wordt ter plekke gesorteerd op de verharde delen van het terrein. Het sloopafval vervolgens worden afgevoerd met kiepwagens richting de A2. De route die hier bij wordt gevolgd is terug te vinden in figuur 27. Dit traject is ongeveer 2,4 kilometer lang. Bij de sloopwerkzaamheden kunnen de volgende verstorende effecten optreden: - verlies vaste voortplantings- rust- of verblijfplaatsen; - directe sterfte; - verstoring door beweging van mensen en materiaal; - verstoring door trilling; - verstoring door geluid.
Figuur 27. Werkgebied en aan- en afvoerroute van sloop- en bouwmateriaal. basiskaart: Het beeld van de nieuwbouw is indicatief en staat nog niet vast. Bron PDOK
25
Bouwrijp maken van het terrein Voor aanvang van de bouw van de nieuwe woningen zal het terrein eerst bouwrijp worden gemaakt. Met een shovel zal de grond worden geëgaliseerd en zullen sleuven worden getrokken voor leidingen en elektra. Het bouwrijp maken van het terrein zal worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van alle aanwezige en mogelijk te verwachten soorten broedvogels. Deze activiteit zal naar verwachting een aantal weken in beslag nemen. Bij het bouwrijp maken van het terrein kunnen de volgende verstorende effecten optreden: -
verlies vaste voortplantings- rust- of verblijfplaatsen; directe sterfte (bij graafwerkzaamheden); verstoring door beweging van mensen en materiaal; verstoring door trilling; verstoring door geluid.
Realisatie van een nieuwbouw. Bij de nieuwbouw zal er naar verwachting op een aantal dagen zwaar materieel moeten worden ingezet. Hierbij valt te denken aan een hijskraan en een betonwagen. Ook bouwmaterialen zullen naar verwachting met zwaar vrachtverkeer worden aangevoerd. De bouw zal bestaan uit algemene bouwwerkzaamheden. Storende factoren die normaal gesproken kunnen optreden zijn: -
verstoring door geluid; verstoring door licht; verstoring door trilling; verstoring door beweging van mensen en materiaal.
6.3
Bepaling invloed van de effecten
Uit het onderzoek naar beschermde soorten blijkt dat er beschermde soorten zijn aangetroffen of mogelijkerwijs zijn te verwachten binnen of direct rond het plangebied. In bijlage 3 zijn alle soorten weergegeven die zijn waargenomen, binnen een geselecteerd gebied rond het plangebied. In deze paragraaf wordt alleen ingegaan op de effecten op soorten die daadwerkelijk verwacht kunnen worden binnen de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt geoordeeld of soorten bij de ingreep kunnen worden gedood of verwond en of de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaats van een soort wordt aangetast. Het betreft de vaste rust- en verblijfplaats zelf, alsook de soortspecifieke omgevingseisen, gekoppeld aan de vaste rust- en verblijfplaats (ook wel benoemd als de functionele leefomgeving). Hierbij dient ook de actieradius van de soort te worden betrokken. Mochten negatieve effecten worden vastgesteld dan dienen voorafgaand aan de activiteit effectbeperkende en/of verzachtende maatregelen te worden getroffen om het herstel zo snel mogelijk te laten plaatsvinden.
6.3.1 Vogels Het is zeer aannemelijk dat een aantal algemeen voorkomende vogels broedt binnen het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Omdat alle vogels tijdens het broeden beschermd zijn, kunnen activiteiten tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Volgens art. 3.1 Wnb is het namelijk verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Activiteiten die er toe leiden dat nesten worden vernietigd of verlaten, of waarbij het aannemelijk is dat de activiteit gevolgen heeft voor het broedsucces, moeten daarom achterwege worden gelaten. Een overtreding kan worden voorkomen door de uitvoering van het initiatief te starten buiten de periode dat vogels broeden of jongen grootbrengen. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli, maar er zijn soorten die buiten deze periode broeden. Voorbeelden zijn een aantal soorten uilen die al heel vroeg in het jaar beginnen met broeden en een aantal soorten duiven die tot eind oktober kan broeden en bij gunstige omstandigheden nog langer. 26
De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van art. 3.1 Wnb. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Evenmin is een ontheffing nodig als maatregelen worden getroffen die voorkomen dat deze soorten zich op of rond het werkgebied vestigen tijdens het broedseizoen. Buiten het broedseizoen mogen nesten worden verplaatst of verwijderd, maar daar zijn uitzonderingen op. Bepaalde nesten zijn jaarrond beschermd.
de desbetreffende vogelsoort. Soorten die zich in een ongunstige staat van instandhouding bevinden, en gevoelig zijn voor verstoring, worden echter niet verwacht binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Jaarrond beschermde nesten
Alle insecteneters die kunnen worden verwacht (met name spitsmuizen) zijn vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen is daarom niet aan de orde. Wel is de zorgplicht van toepassing.
Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermd nest worden alleen verwacht net buiten het plangebied, maar nog wel binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Het betreft hier alleen algemeen voorkomende holenbroeders waarvan de nesten van vallen binnen categorie 5 (zie bijlage 2). Deze nesten zijn buiten het broedseizoen alleen onder heel zwaarwegende factoren beschermd. Van deze soorten mag worden verwacht dat als de broedplaats verloren is gegaan of tijdelijk minder goed functioneert, zij zich elders kunnen vestigen. Een overtreding van de verbodsbepaling van art. 3.1 lid 2 Wnb kan dan worden voorkomen door buiten het broedseizoen te starten met verstorende werkzaamheden. Soorten met een ongunstige staat van instandhouding (SVI) Volgens art. 3.1 lid 4 en lid 5 Wnb is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van VERLICHTING. Verlichting werkt verstorend op nachtactieve dieren. Dieren passen hun gedrag hier op aan en vermijden vaak plekken waar veel licht is.
De mate waarin het licht verstoort is afhankelijk van de hoeveelheid licht, de lichtkleur en de gevoeligheid van een soort voor licht. Wit, blauw en groen licht werken over het algemeen erg verstorend, rood licht veel minder. Verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen kunnen bijvoorbeeld minder goed gaan functioneren als gevolg van lichtverstoring.
6.3.2 Zoogdieren INSECTENETERS
VLEERMUIZEN De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan niet op voorhand worden uitgesloten in het dak van de woning. Mochten vleermuizen aanwezig zijn, dan kunnen deze bij de ingreep worden gedood of verwond. Dit leidt tot een overtreding van art. 3.5 lid 1 Wnb (het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen). Daarnaast zullen de mogelijke verblijfplaatsen niet meer kunnen functioneren. Dit leidt tot een overtreding van art. 3.5 lid 4 Wnb (het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen). Het is daarom noodzakelijk om aanvullend onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van vleermuizen in de woning. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens het Vleermuisprotocol 2021 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2020). De laanbeplanting langs de wegen kan dienen als vliegroute voor vleermuizen. Om te zorgen dat deze vliegroute goed blijft functioneren zal de verstoring door licht moeten worden geminimaliseerd. Dit kan door het nemen van de volgende maatregelen: −
Probeer in de periode april tot oktober overdag te werken, zodat er geen verstoring van foeragerende of langsvliegende vleermuizen plaatsvindt door kunstlicht. Buiten deze periode zijn de meeste vleermuizen niet of minder actief. 27
−
−
Als het toch noodzakelijk is om licht te gebruiken, gebruik dan lichtarmaturen die het licht naar de omliggende laanbomen blokkeert en gebruik vleermuisvriendelijk licht (zie kader). Bij de aanleg van permanente verlichting moet met dezelfde eisen rekening worden gehouden.
6.3.3 Vaatplanten en mossen Er zijn geen beschermde vaatplanten en mossen waargenomen of te verwachten. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten.
6.3.4 Vissen en zoetwaterweekdieren KNAAGDIEREN
Vanwege het ontbreken van een waterhabitat in en rond het plangebied kunnen negatieve effecten op vissen en zoetwaterweekdieren worden uitgesloten.
Woelmuizen
6.3.5 Amfibieën Er kan een aantal woelmuisachtigen worden verwacht op het terrein. Alle te verwachten woelmuisachtigen (aardmuis (Microtus agrestis), rosse woelmuis (Myodes glareolus) en veldmuis (Microtus arvalis) zijn echter vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen is daarom niet aan de orde. Wel is de zorgplicht van toepassing.
Alle te verwachten amfibieën zijn vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen is daarom niet aan de orde. Wel is de zorgplicht van toepassing.
6.3.6 Reptielen Ware muizen Vaste rust- en verblijfplaatsen van reptielen zijn niet vastgesteld en te verwachten. Negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten. Er kan ook een aantal ware muizen worden verwacht op het terrein. Alle te verwachten ware muizen ((bruine rat (Rattus norvegicus), zwarte rat (Rattus rattus), bosmuis (Apodemus sylvaticus), huismuis (Mus musculus), dwergmuis (Micromys minutus)) zijn echter vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen is daarom niet aan de orde. Wel is de zorgplicht van toepassing.
OVERIGE GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN
Verblijfplaatsen van overige zoogdieren worden niet verwacht binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Negatieve effecten op alle overige zoogdieren zijn hiermee uitgesloten.
6.3.7 Libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders Beschermde libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders zijn niet te verwachten binnen het plangebied. Negatieve effecten op deze soortgroepen zijn hiermee uitgesloten.
6.3.8 Geleedpotigen en landweekdieren Overige beschermde geleedpotigen en landweekdieren zijn niet te verwachten binnen het plangebied. Negatieve effecten op deze soortgroepen zijn hiermee uitgesloten.
28
6.4
Effecten op beschermde natuurgebieden
Tabel 5. Toetsing van mogelijke negatieve effecten van het project op Natura 2000gebieden.
Natura 2000-gebieden
Mogelijke negatieve effecten
Effect kan optreden?
Toelichting
Natura 2000-gebieden worden direct beschermd via de Wnb. Plannen, projecten en overige handelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen van deze gebieden.
Oppervlakteverlies
Nee
N.v.t.
Versnippering
Nee
N.v.t.
Verzuring door stikstof uit de lucht
Nee
Stikstofdepositie mogelijk significant
Vermesting door stikstof uit de lucht
Nee
Stikstofdepositie mogelijk significant
Verzoeting
Nee
N.v.t.
Verzilting
Nee
N.v.t.
Verontreiniging
Nee
N.v.t.
Verdroging
Nee
N.v.t.
Vernatting
Nee
N.v.t.
Verandering stroomsnelheid
Nee
N.v.t.
Verandering overstromingsfrequentie
Nee
N.v.t.
Verandering dynamiek substraat
Nee
N.v.t.
Verstoring door geluid
Nee
N.v.t.
Verstoring door licht
Nee
N.v.t.
Verstoring door trilling
Nee
N.v.t.
Optische verstoring
Nee
N.v.t.
Verstoring door mechanische effecten
Nee
N.v.t.
Verandering in populatiedynamiek
Nee
N.v.t.
Bewuste verandering soortensamenstelling
Nee
N.v.t.
Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde Natura 2000-gebieden kan alleen redelijkerwijs een mogelijk negatief effect worden verwacht door de uitstoot van stikstof (zie ook tabel 5). Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: - in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; - in 2030 minimaal de helft en; - in 2035 minimaal 74%. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de Wet stikstofreductie en natuurverbetering verder uit. Hierin is onder andere een bouwvrijstelling opgenomen. Voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten geldt er een vrijstelling en hoeft er dus geen stikstofcalulatie te worden uitgevoerd. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd. Dat betekent bijvoorbeeld dat met name voor zaken die een verkeersaantrekkende werking hebben een stikstofcalculatie dient te worden uitgevoerd. Bij depositieberekeningen met AERIUS Calculator dient een maximale rekenafstand van 25 kilometer te worden gehanteerd. Deze rekenafstand is ook van toepassing op de berekening van de effecten van de maatregelen die worden opgevoerd voor projectspecifieke mitigatie.
Het project heeft in de gebruiksfase waarschijnlijk geen verkeersaantrekkende werking, er wordt immers een autobedrijf met veel verkeersbewegingen gesaneerd, en dus lijkt het aannemelijk dat de stikstofdepositie niet significant is. Om juridisch zeker te zijn dat het project geen significante depositie in natuurgebieden veroorzaakt is het echter wel noodzakelijk het initiatief te toetsen in AERIUS.
29
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) geldt het toetsingskader van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Hierin is ‘nee, tenzij’ beginsel opgenomen. Directe of indirecte aantasting van de aanwezige natuur- en landschapswaarden door een ingreep binnen het NNN dient waar mogelijk te worden voorkomen. Het plangebied valt niet binnen het NNN, waardoor het hiervoor genoemde toetsingskader niet van toepassing is. Wel is ‘externe werking’ van toepassing in de Provincie Noord-Brabant. Er dient dus te worden beoordeeld of er sprake is van een directe of indirecte aantasting van de aanwezige natuur- en landschapswaarden door de ingreep. Gezien de aard van de ingreep en de afstand tot het NNN is hier geen sprake van en worden geen negatieve effecten op het NNN verwacht. Het plangebied valt wel binnen de groenblauwe mantel. Nieuwe ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel zijn mogelijk als deze bestaande natuur-, bodemen waterfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het (cultuurhistorisch waardevolle) landschap. De sanering van het autobedrijf draagt bij aan de doelen van de gebiedsvisie buitengebied Theereheide en de Groenblauwe mantel. De ingreep is ook van dien aard dat er geen effecten kunnen worden verwacht op Natte Natuurparels.
30
7 Conclusies en aanbevelingen In dit hoofdstuk worden de conclusies uit de ecologische quickscan beschreven. Hierbij wordt een indeling naar beschermingsregime gebruikt.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Algemeen voorkomende broedvogels Een aantal algemeen voorkomende vogels kan mogelijk als broedvogel worden verwacht binnen het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Omdat alle vogels tijdens het broeden beschermd zijn, kunnen activiteiten tijdens het broedseizoen die dicht bij mogelijke nestlocaties liggen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Volgens art. 3.1 lid 2 Wnb is het namelijk verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Hieronder valt ook een dusdanige verstoring dat het nest wordt verlaten. Volgens art. 3.1 lid 4 en lid 5 Wnb is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Vogels die zich al in een ongunstige staat van instandhouding bevinden en gevoelig zijn voor verstoring worden echter niet verwacht. Een overtreding kan worden voorkomen door de uitvoering van het initiatief te starten buiten de periode dat vogels broeden of jongen grootbrengen. Als de werkzaamheden doorlopen tot in het volgende broedseizoen, dan worden er geen verbodsbepalingen overtreden. Vogels zullen zich ofwel niet vestigen of er is gewenning opgetreden aan de verstoring waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten.
Voor het broedseizoen stelt de Wnb geen vaste begin- of einddatum. Het gaat er om of er een broedgeval is. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli, maar er zijn soorten die buiten deze periode broeden. De aan- of afwezigheid van broedvogels kan ook worden aangetoond door een inspectie op broedvogels door een deskundige op het gebied van vogels.
Jaarrond beschermde nesten Nestlocaties van een aantal holenbroeders als spreeuw (Sturnus vulgaris), boomkruiper (certhia brachydactyla), grote bonte specht (dendrocopos major) kunnen niet op voorhand worden uitgesloten binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. De nesten van deze soorten vallen echter binnen categorie 5 (zie bijlage 2). Deze nesten zijn buiten het broedseizoen alleen onder zwaarwegende omstandigheden beschermd. Van deze soorten mag worden verwacht dat als de broedplaats verloren is gegaan, zij zich elders kunnen vestigen. Een overtreding van de verbodsbepaling van art. 3.1 lid 2 Wnb kan dan worden voorkomen door buiten het broedseizoen te starten met de werkzaamheden. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn
De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het dak van de woning kan niet op voorhand worden uitgesloten. Mochten vleermuizen aanwezig zijn, dan kunnen deze bij de voorgenomen ingreep worden gedood of verwond. Dit leidt tot een overtreding van art. 3.5 lid 1 Wnb (het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen). Daarnaast zullen de mogelijke verblijfplaatsen niet meer kunnen functioneren. Dit leidt tot een overtreding van art. 3.5 lid 4 Wnb (het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen). Het is daarom noodzakelijk om aanvullend onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van vleermuizen. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd volgens het Vleermuisprotocol 2021 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2020). De volgende soorten kunnen mogelijk worden verwacht: -
gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii); laatvlieger (Eptesicus serotinus).
31
De volgende functies kunnen mogelijk worden verwacht op de onderzoekslocatie: -
zomerverblijf (schuil- en rustplaats); paarverblijf (plek/territorium waar een mannetje vrouwtjes proberen te lokken); mild winterverblijf (verblijfplaats in de winter buiten vorstperiodes).
Een massa winterverblijf (verblijfplaats waar grote groepen vleermuizen in de winter verblijven) wordt niet verwacht. De warmtecapaciteit (vermogen om energie in de vorm van warmte op te slaan) en de temperatuurbuffering (mate waarin fluctuaties in het verloop van de temperatuur kunnen worden gebufferd) van de gebouwen is hiervoor te laag.
Beschermingsregime ‘andere soorten’
Verblijfplaatsen van een aantal soorten die zijn beschermd onder het beschermingsregime ‘andere soorten’ kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Alle te verwachten soorten zijn echter vrijgesteld volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Een overtreding van de verbodsbepalingen onder dit beschermingsregime is daarom niet aan de orde.
Zorgplicht
Voor soorten die zijn vrijgesteld, geldt wel de zorgplicht. Dit betekent dat er maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Maatregelen die genomen kunnen worden zijn: -
Let continue op aanwezige individuen binnen het werkterrein (denk aan algemeen voorkomende amfibieën en zoogdieren) en verplaats deze naar een vergelijkbare, veilige plek buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.
-
Bij grondwerkzaamheden moet er één kant op moet worden gewerkt, zodat soorten de kans krijgen om te vluchten. Werk bij voorkeur richting de achterzijde van het perceel om verkeersslachtoffers te voorkomen.
Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden Het project heeft in de gebruiksfase waarschijnlijk geen verkeersaantrekkende werking. Een negatief effect als gevolg van een verhoogde stikstofdepositie wordt daarom niet verwacht. Echter, om juridisch zeker te zijn dat het project geen significante depositie in natuurgebieden veroorzaakt wordt geadviseerd het initiatief te laten toetsen in AERIUS. Op basis van de aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde Natura 2000-gebieden worden er geen overige negatieve effecten verwacht op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden.
Nationale natuurnetwerk (NNN) De ruimtelijke ontwikkeling vindt niet plaats binnen het Nationale Natuurnetwerk (NNN) waardoor directe aantasting van de aanwezige natuur- en landschapswaarden van het NNN niet plaatsvindt. Er wordt ook geen indirecte aantasting verwacht als gevolg van externe werking op het NNN. Het plangebied valt wel binnen de groenblauwe mantel. De sanering van het autobedrijf draagt echter bij aan de doelen van de gebiedsvisie buitengebied Theereheide en de Groenblauwe mantel en dus valt er geen negatief effect te verwachten van het initiatief op de Groenblauwe mantel. De ingreep is ook van dien aard dat er geen effecten kunnen worden verwacht op Natte Natuurparels.
32
7.1
Samenvatting soortbescherming
In tabel 6 is een samenvatting te vinden waarin wordt aangegeven of het voorgenomen initiatief negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. Er wordt ook aangegeven hoe een eventuele overtreding kan worden voorkomen.
Tabel 6. Overzicht mogelijk aanwezige of aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied en de te nemen vervolgstappen. Soortgroep
Mogelijk aanwezig
Overtreding Wnb
Algemeen
Ja
Te voorkomen
Ongunstige SVI
Nee
Nee
Jaarrond beschermd nest
Ja
Te voorkomen
Verblijfplaatsen
Ja
Mogelijk
Foerageerhabitat
Nee
Vliegroutes
Ja
Te voorkomen
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Nee
Vaatplanten en mossen
Nee
Nee
Vissen en zoetwaterweekdieren
Nee
Nee
Amfibieën
Nee
Nee
Reptielen
Nee
Nee
Libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders
Nee
Nee
Geleedpotigen en landweekdieren
Nee
Nee
Vervolgtraject / maatregelen
Toelichting
Werkzaamheden uitvoeren als er geen broedgevallen aanwezig zijn.
Broedvogels
Werkzaamheden uitvoeren als er geen broedgevallen aanwezig zijn. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen
Vleermuizen
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen dient te worden uitgevoerd om verblijfplaatsen uit te sluiten of aan te tonen.
Voorkom verstoring van licht Zorgplicht afdoende
33
In tabel 7 is een overzicht te vinden van alle beschermde soorten die niet kunnen worden uitgesloten binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Er wordt tevens aangegeven of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming en of aanvullend onderzoek naar beschermde soorten noodzakelijk is. Tabel 7. Overzicht van niet uit te sluiten soorten en eventuele noodzakelijk aanvullend onderzoek naar deze soorten.
34
7.2
Samenvatting gebiedsbescherming
In tabel 8 is een samenvatting te vinden waarin wordt aangegeven of het voorgenomen initiatief negatieve effecten kan hebben op beschermde gebieden of houtopstanden en wat de eventuele vervolgstappen zijn.
Tabel 8. Overzicht mogelijk aanwezige of aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied en de te nemen vervolgstappen. Gebiedsbescherming
Sprake van aantasting Vervolgtraject
Natura 2000
Mogelijk
Stikstofcalulatie laten uitvoeren
Natuurnetwerk Nederland
Nee
Geen
Provinciaal beschermde gebieden
Nee
Geen
Houtopstanden
Nee
Geen
Toelichting
Niet van toepassing.
35
8 Gebruikte bronnen BIJ12. (2017 versie 1.0, 7). Kennisdocument Gewone grootvleermuis Plecotus auritus. Opgehaald van Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming.
NDFF. (sd). Overzicht protocollen. Opgehaald van Protocollen: https://www.ndff.nl/overdendff/validatie/protocollen/overzicht-protocollen/ Netwerk Groene Bureaus, werkgroep 'Standaarden en protocollen'. (Juli 2017). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. Opgehaald van www.netwerkgroenebureaus.nl Rijksoverheid. (2020). Handreiking woningbouw en AERIUS.
BIJ12. (2017 versie 1.0). Kennisdocument Steenuil Athene Noctua. Opgehaald van Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming: https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019-Kennisdocument-Steenuil1.0.pdf
Twisk, P., Van Diepenbeek, A., & Bekker, J. (2010). Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij.
BIJ12. (2017, versie 1.0). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Opgehaald van Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming.
Websites
BIJ12. (2017, versie 1.0). Kennisdocument Huismus passer domesticus. Opgehaald van Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming. BIJ12. (2017, versie 1.0, 7). Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. Opgehaald van Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming. Bouwens, S. (2017). Handreiking kleine marterachtigen in relatie tot soortbescherming - Provincie Noord-Brabant. Zoogdiervereniging. Diepenbeek, A. (1999). Veldgids dierensporen (2007 ed.). Zeist: KNNV Uitgeverij. Henkens, R., Jochem, R., Jonkers, D., de Molenaar, J., Pouwels, R., Reijnen, M., . . . de Vries, S. (2003). Verkenning van het effect van recreatie op broedvogels - literatuurstudie en koppeling modellen FORVISITS en LARCH (Werkdocument / Planbureau-werk in uitvoering; No. 2003/29). Wageningen: Natuurplanbureau. Opgehaald van https://edepot.wur.nl/41665 Kleijn, D. (2008). Effecten van geluid op wilde soorten - implicaties voor soorten betrokken bij de aanwijzing van natura 2000 gebieden. Wageningen: Alterra.
www.bij12.nl www.vleermuis.net www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.floron.nl www.sovon.nl www.ravon.nl www.vlinderstichting.nl www.eis-nederland.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdieratlas.nl www.nederlandsesoorten.nl www.wetten.overheid.nl www.ndff.nl/overdendff/validatie/protocollen www.atlasleefomgeving.nl https://calculator.aerius.nl https://cdr.eionet.europa.eu/nl/eu/art17 (nationale rapportage Habitatrichtlijn 2019) https://cdr.eionet.europa.eu/nl/eu/art12 (nationale rapportage Vogelrichtlijn 2019)
Krijgsveld, K., Smits, R., & Winden, J. v. (2008). Verstoringsgevoeligheid van vogels - Update literatuurstudie naar de reacties van vogels. Vogelbescherming nederland. Nauta, R., & Pot, A. (2019). Het prentenboek. Uitgeverij EXTRA. NDFF. (sd). NDFF verspreidingsatlas. Opgehaald van www.verspreidingsatlas.nl
36
Bijlage 1 Vrijgestelde soorten Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In de tabel 9 zijn de soorten te vinden die volgen de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn vrijgesteld bij ruimtelijke ingrepen. Tabel 9. Bijlage 3 behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Nederlandse naam Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker
Wetenschappelijke naam Microtus agrestis Apodemus sylvaticus Micromys minutus Sorex minutus Erinaceus europaeus Sorex araneus Lepus europeus Crocidura russula Oryctolagus cuniculus Pitymys subterraneus Capreolus capreolus Clethrionomys glareolus Sorex coronatus Microtus arvalis Vulpes vulpes Arvicola terrestris Rana temporaria Bufo bufo Triturus vulgaris Rana ridibunda Rana esculenta
37
Figuur 28. Overzicht categorieën jaarrond beschermde vogelnesten. Bij de groen gemarkeerde soorten is er jurisprudentie die aangeeft dat nesten in de praktijk niet jaarrond gebruikt worden.
Bijlage 2 Jaarrond beschermde nesten
Soort Steenuil Gierzwaluw Huismus Roek Grote gele kwikstaart Kerkuil Oehoe Ooievaar Slechtvalk Boomvalk Buizerd Havik Ransuil Sperwer Wespendief Zwarte wouw Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger
Categorie NL Limburg 1 1 2 2 2 2 2 1 3 2 3 1 3 1 3 2 3 2 4 3 4 4 4 3 4 3 4 4 4 3 4 3 5 4 5 2 5 5 5 5 2 5 5 4 5 5 5 5 5
Groene specht
5
Grote bonte specht
5
Hop
5
Categorie Soort
NL
Limburg
Huiszwaluw
5
2
IJsvogel
5
4
Kleine bonte specht
5
Kleine vliegenvanger
5
Koolmees
5
Kortsnavelboomkruiper
5
Oeverzwaluw
5
Pimpelmees
5
Raaf
5
Ruigpootuil
5
Spreeuw
5
Tapuit
5
Torenvalk
5
Zeearend
5
Zwarte kraai
5
Zwarte mees
5
Zwarte roodstaart
5
Zwarte specht
5
4 3
Nesten die het hele jaar door zijn beschermd
Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van art 3.1 Wnb het gehele seizoen: Categorie 1: Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats.
Categorie 2: Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar.
3
4
Rode wouw
3
Bijeneter
4
Grauwe klauwier
4
Grutto
4
Kramsvogel
4
Kwartelkoning
4
Paapje
4
Ringmus
4
Roerdomp
4
Spotvogel
4
Visdief
4
Wulp
4
Zomertortel
4
Categorie 3: Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar.
Categorie 4: Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
In de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.
Categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, 38 zich elders te vestigen.
Bijlage 3 Mogelijk te verwachten beschermde soorten Wnb Hieronder volgt een overzicht van waargenomen beschermde soorten binnen een representatief gebied (beekdal van de Essche Stroom) rond het plangebied (bron: © NDFF XXX 2021, 20:48:07). Met de indicatie ‘mogelijk te verwachten’ wordt een beoordeeld of de soort een mogelijke vaste rust- en of verblijfplaats heeft binnen de invloedsfeer van de ingreep.
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
In opdracht van de familie Ackermans
Aanvullend ecologisch onderzoek naar vleermuizen op Halderse Akkers 5 in Sint-Michielsgestel in het kader van de Wet natuurbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Tekst, foto's en samenstelling
S. Bakker
Rapportnummer
AV-1007
Status rapport
Definitief
Publicatiedatum
19-9-2022
Aantal pagina's
12
Wijze van citeren
S. Bakker, 2022, Aanvullend ecologisch onderzoek naar vleermuizen op Halderse Akkers 5 in Sint-Michielsgestel, in het kader van de Wet natuurbescherming, rapportnummer AV-1007, Sint-Michielsgestel.
Opdrachtgever
Familie Ackermans
2
1
Inhoudsopgave
2
Inleiding .................................................................................................. 4
3
Beschrijving voorgenomen ingreep .................................................... 5
4
Vleermuisonderzoek ............................................................................. 7
5
Effectbeoordeling ................................................................................ 10
6
Conclusies ........................................................................................... 11
7
Bibliografie ........................................................................................... 12
2
Inleiding
2.1.
Aanleiding
De opdrachtgever heeft het voornemen om de woning en bijbehorende bebouwing op de Halderse Akkers 5 in Sint-Michielsgestel in de gemeente Sint-Michielsgestel te slopen. Omdat de uitvoering van deze ingreep mogelijk negatieve effecten heeft op beschermde soorten is door Natuurlink een ecologische quickscan uitgevoerd (2021, Bakker, S., Ecologische quickscan Halderse Akkers 5, in het kader van de Wet natuurbescherming, EQ2186, Sint-Michielsgestel). Uit dit onderzoek bleek dat verblijfplaatsen van vleermuizen niet op voorhand konden worden uitgesloten. De ingreep kan dus mogelijk negatieve effecten hebben op deze soortgroep. Aanvullend onderzoek was daarom noodzakelijk om de aanwezigheid van vleermuizen aan te tonen of uit te sluiten. Natuurlink heeft dit onderzoek in 2022 uitgevoerd. In dit rapport worden de onderzoeksresultaten van dit onderzoek beschreven.
2.2.
Onderzoeksvragen
In het onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: 1. Zijn verblijfplaatsen van vleermuizen van aanwezig in het plangebied? 2. Welke functie(s) biedt het plangebied voor vleermuizen? 3. Blijft de functionaliteit van de voortplantingsplaatsen en vaste rust- of verblijfplaatsen behouden? 4. Worden er verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden? 5. Welke mitigerende of compenserende maatregelen moeten eventueel worden genomen om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen?
2.3.
Leeswijzer
In dit rapport wordt in hoofdstuk 3 als eerste een korte beschrijving gegeven van het onderzoeksgebied. In hoofdstuk 4 wordt het aanvullend onderzoek naar vleermuizen behandeld. Hierbij wordt zowel de werkwijze beschreven die is gehanteerd bij het onderzoek, de onderzoeksresultaten en de data waarop en weerscondities waaronder de onderzoeken zijn uitgevoerd. Op basis van de resultaten en de voorgenomen ingreep worden in hoofdstuk 5 de mogelijke effecten van de voorgenomen ingreep beschreven en wordt aangegeven of er een overtreding plaatsvindt van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming. Het rapport wordt in hoofdstuk 6 afgesloten met de conclusies van het onderzoek. Hierbij wordt ook ingegaan op eventueel te nemen vervolgstappen.
3
Beschrijving voorgenomen ingreep
3.1.
Plangebied
Op de volgende pagina’s is een aantal foto’s te vinden van het plangebied.
Het plangebied is gelegen in aan de Halderse Akkers 5 in Sint-Michielsgestel (zie figuur 1). Binnen het plangebied is een woonhuis aanwezig en enkele bedrijfspanden.
Figuur 1. Ligging van het plangebied. De uitsnede is weergegeven in figuur 2. Bron: Nationaal Georegister, bewerkt.
Figuur 2. Ligging van het plangebied (geel omkaderd). Bron: Nationaal Georegister, bewerkt.
5
Figuur 3. Beeld van het woonhuis aan de noordoostzijde.
Figuur 5. Beeld van garage aan de noordzijde.
Figuur 4. Beeld van achterzijde van de woning aan de zuidzijde.
Figuur 6. Beeld van garage aan de westzijde.
6
4
Vleermuisonderzoek
4.1.
-
Werkwijze
Er is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen binnen en direct rondom het plangebied volgens de richtlijnen uit het Vleermuisprotocol 2021. Het onderzoek heeft zich toegespitst op het deel van de bebouwing waar vleermuizen niet op voorhand konden worden uitgesloten, namelijk het dak van het woonhuis. De overige delen van de bebouwing zijn ongeschikt voor vleermuizen. Soorten waar het onderzoek zich op gericht heeft zijn: -
laatvlieger (Eptesicus serotinus); ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii); gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus).
Er is onderzocht of het plangebied de volgende functies voor vleermuizen vervult: -
zomerverblijfplaats (schuil- en rustplaats buiten de winterperiode); kraamverblijfplaats (plaats waar groepen vrouwtjes de jongen grootbrengen);
paarverblijfplaats (plaats/ territorium waar een mannetje vrouwtjes probeert te lokken).
De warmtecapaciteit (vermogen om energie in de vorm van warmte op te slaan) en de temperatuurbuffering (mate waarin fluctuaties in het verloop van de temperatuur kunnen worden gebufferd) van de bebouwing is zeer laag. Er is daarom geoordeeld dat het gebouw niet geschikt is als massa winterverblijf. Naast het onderzoek naar verblijfplaatsen is er gekeken of er essentiële vliegroutes of foerageergebieden zijn die noodzakelijk zijn om de verblijfplaatsen goed te laten functioneren. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd met behulp van een batdetector (Elekon batlogger M) en een warmtebeeldcamera (Flir Scion OTM 266). Indien noodzakelijk zijn geluidsopnames van het onderzoek geanalyseerd in het softwareprogramma ‘Batexplorer versie 2.1’. Indien nodig zijn hierbij ook de opnames geplot in Excel met tabellen uit het akoestisch vleermuisonderzoek van Michel Barataud (Barataud, 2015) en is de bijbehorende literatuur geraadpleegd om tot een identificatie van de geluiden te komen. Er zijn meerdere onderzoeksrondes uitgevoerd. Hierbij is voldaan aan de vereisten rond het aantal bezoeken, de tijd tussen bezoeken en de weersomstandigheden waaronder het onderzoek mag plaatsvinden. Een overzicht van de veldbezoeken is terug te vinden in tabel 1.
Tabel 1. Overzicht van de veldbezoeken ten behoeve van het onderzoek naar vleermuizen en de daarbij behorende weersomstandigheden.
Vleermuizen Datum
Tijd
Uitgevoerd door
Onderzoek naar functie
Weersomstandigheden
16-05-2022
21:20 – 00:00
S. Bakker
Zomerverblijfplaats/ kraamverblijfplaats
19 °C (aanvang), XX °C (einde), NW2. Onbewolkt. Geen neerslag.
09-06-2022
21:50 – 23:55
S. Bakker
Zomerverblijfplaats/ kraamverblijfplaats
15 °C (aanvang), 12 °C (einde), ZW1. Onbewolkt. Geen neerslag.
10-06-2022
03:15 – 05:20
S. Bakker
Zomerverblijfplaats/ kraamverblijfplaats
12 °C (aanvang), 14 °C (einde), Z2. Geheel bewolkt. Geen neerslag.
24-08-2022
22:00 – 00:05
S. Bakker
Paarverblijfplaats
24 °C (aanvang), 22 °C (einde), NNO2. Licht bewolkt. Geen neerslag.
15-09-2022
22:30 – 00:30
S. Bakker
Paarverblijfplaats
13 °C (aanvang), 12 °C (einde), W1. Zwaar bewolkt. Geen neerslag. 7
4.2.
Onderzoeksresultaten
In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek naar vleermuizen beschreven. In figuur 7 is een kaart terug te vinden met daarop de waarnemingen van individuen, verblijfplaatsen en belangrijke functies die het plangebied vervuld voor vleermuizen. Voor de overzichtelijkheid zijn alleen de belangrijkste bevindingen op de kaart aangegeven en niet alle individuele waarnemingen.
4.2.1. Onderzoek zomer- en kraamverblijfplaatsen Tijdens het eerste onderzoek op 16 mei 2022 was de gehele avond activiteit waar te nemen van vleermuizen. De eerste waarnemingen betroffen enkele langsvliegende rosse vleermuizen (Nyctalus noctula). Pas nadat het vrijwel geheel donker was werd de eerste passerende gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) waargenomen. Gewone dwergvleermuizen waren frequent aan het foerageren langs de laanbeplanting. Het maximum aantal dat gelijktijdig werd waargenomen was twee. Laatvlieger (Eptesicus serotinus) werd ook enkele malen waargenomen. Meestal betrof het langsvliegende exemplaren die soms heel kortstondig enkele rondjes binnen het plangebied vlogen. Een enkele keer werd ook kortdurend een foeragerende ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) waargenomen. Er is met de warmtebeeldcamera ook actief gezocht naar andere zoogdieren dan vleermuizen. In de akkers waren hazen en konijnen te zien. Eenmaal werd een langslopende vos (Vulpes vulpes) waargenomen. Buiten zoogdieren werd een enkele keer een roepende steenuil (Athene noctua) gehoord. Het geluid kwam van ver en betrof geen lokaal dier. Er zijn geen waarnemingen gedaan van invliegende of uitvliegende dieren. Er waren verder ook geen indicaties dat vleermuizen binding hadden met de bebouwing. Ook waren er geen indicaties voor een vliegroute langs de laanbeplanting.
Figuur 7. Kaart met aangetroffen verblijfplaatsen van vleermuizen en de functies die het plangebied voor vleermuizen heeft. Voor de overzichtelijkheid zijn alleen de belangrijkste bevindingen op de kaart aangegeven en niet alle individuele waarnemingen.
8
Het tweede veldbezoek op 9 juni 2022 liet een vergelijkbaar beeld zien. Toen het nog geheel licht was werden de eerste langsvliegende rosse vleermuizen (Nyctalus noctula) waargenomen. Pas nadat het vrijwel geheel donker was werd de eerste langsvliegende gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) waargenomen. Gewone dwergvleermuizen waren regelmatig aan het foerageren langs de laanbeplanting op dezelfde plekken als het eerste bezoek. Wel was er gemiddeld gezien minder activiteit waar te nemen dan tijdens het eerste bezoek. Laatvlieger (Eptesicus serotinus) werd slechts eenmaal passerend waargenomen aan het einde van het avondbezoek. Een enkele keer werd ook kortdurend een foeragerende ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) waargenomen. Er is met de warmtebeeldcamera ook actief gezocht naar andere zoogdieren vleermuizen. In de akkers waren dit maal alleen konijnen te zien. Buiten zoogdieren werd een enkele keer een roepende kwartel (Coturnix coturnix) gehoord. Wellicht waren er meerdere exemplaren omdat vanuit verschillende velden werd geroepen. Tijdens het ochtendonderzoek op10 juni 2022 nam de activiteit beduidend af. Er werden slechts af en toe foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen of een passerende rosse vleermuis. Er zijn geen waarnemingen gedaan van invliegende of uitvliegende dieren. Er zijn ook geen zwermende dieren waargenomen.
Er was geen indicatie dat vleermuizen binding hadden met de bebouwing. Ook waren er geen indicaties voor een vliegroute langs de laanbeplanting.
4.2.2. Onderzoek paarverblijven
Bij het tweede onderzoek naar paarverblijfplaatsen op 15 september 2022 werd er bij de start kort een gewone dwergvleermuis waargenomen waarna het lange tijd stil bleef. Ver weg werd een roepende kerkuil (Tyto alba) waargenomen. Met de warmtebeeldcamera werden weer enkele hazen in de weilanden waargenomen. Af en toe werd een passerende gewone dwergvleermuizen of ruige dwergvleermuis wargenomen, maar nooit met een sociale roep. De kerkuil werd door een passant opgestoten bij de woning ten zuiden van het plangebied en vloog weer richting de dorpsrand van Sint-Michielsgestel. Ook tijdens dit bezoek was er geen enkele aanwijzing voor de aanwezigheid van een paarverblijfplaats.
4.2.3. Onderzoek vliegroutes Ondanks de aanwezigheid van een mooie laan naast het plangebied was er geen enkele aanwijzing dat deze laan ook een belangrijke vliegroute vormt voor vleermuizen om zich door het landschap te verplaatsen. Het is wel zeer aannemelijk dat de foeragerende dieren die zijn waargenomen zich verplaatsen via de laanbeplanting.
4.2.4. Onderzoek foerageergebieden Er kan worden gesteld dat het plangebied niet kan fungeren als essentieel foerageergebied. De oppervlakte is hiervoor te klein en er is te weinig vegetatie aanwezig waardoor er ook onvoldoende biomassa aan prooidieren aanwezig. Ook het feit dat er relatief weinig activiteit van vleermuizen was binnen het plangebied gaf aan dat het geen essentieel gebied is voor vleermuizen.
Op 24 augustus 2022 vond het eerste onderzoek plaats naar paarverblijfplaatsen. Vanaf de start vanaf het onderzoek werden vrijwel continue foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen rond het plangebied. Meestal betrof het een enkel foeragerend dier, een enkele keer twee dieren. Om 22:30 uur vloog er een laatvlieger langs. Er werden nauwelijks sociale geluiden gehoord en er was zeker geen sprake baltsactiviteit. Er waren daarom geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een paarverblijfplaats.
9
5
Effectbeoordeling
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de effecten die kunnen optreden op de aangetroffen functies en soorten en vindt er een toetsing plaats aan de Wet natuurbescherming.
5.1.
Geplande werkzaamheden
De geplande werkzaamheden bestaan uit de sloop van de huidige bebouwing en de herbouw van nieuwe woningen (zie figuur 8).
5.2.
Effecten op vleermuizen
Het plangebied vervult geen functies voor vleermuizen. De voorgenomen ingreep zal daarom geen negatief effect hebben op vleermuizen. Er zal geen sprake zijn van beschadiging of vernieling van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Er zal geen essentieel foerageergebied verloren gaan en er zullen geen essentiële vliegroutes verdwijnen. Ook zullen er geen dieren opzettelijk worden gedood en is er geen sprake van verstoring. Daarnaast zijn er geen activiteiten voorzien die een verhoogd risico vormen voor vleermuizen op doding of verwonding. Er hoeven daarom ook geen speciale mitigerende maatregelen te worden getroffen om eventuele negatieve effecten te voorkomen.
Figuur 8. Beeld van de voorgenomen activiteiten. Het beeld van de nieuwbouw is indicatief en staat nog niet vast. Bron basiskaart: PDOK.
10
6
Conclusies
Door Natuurlink is aanvullend onderzoek verricht naar het voorkomen van vleermuizen op de Halderse Akkers 5 in Sint-Michielsgestel. In dit hoofdstuk worden de conclusies uit dit onderzoek beschreven.
Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021. Er is tijdens het vleermuisonderzoek het volgende geconstateerd: 1- er zijn geen invliegende of uitvliegende dieren waargenomen in de woning in het plangebied; 2- er zijn geen sociale geluiden gehoord binnen de paarperiode die duiden op baltsactiviteit; 3- er zijn geen zwermende dieren aangetroffen of dieren gezien die de woning aantikten; 4- er zijn geen (essentiële) vliegroutes geconstateerd; 5- er zijn geen essentiële foerageergebieden geconstateerd.
Er is daarom geen enkele indicatie dat plangebied momenteel een functie vervult voor vleermuizen. Er zijn daarom geen negatieve effecten te verwachten op deze soortgroep als gevolg van de voorgenomen ingreep. Er zullen geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Er hoeven daarom ook geen mitigerende maatregelen te worden genomen.
11
7
Bibliografie
Barataud, M. (2015). Acoustic Ecology of European Bats. Species Identification, Studiy of their Habitats and Foraging Behaviour. Paris: Muséum national d’Histoire naturelle. BIJ12. (2017 versie 1.0, 7). Kennisdocument Gewone grootvleermuis Plecotus auritus. Opgehaald van Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming: https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-005Kennisdocument-Gewone-grootoorvleermuis-1.0.pdf BIJ12. (2017 versie 1.0, 7). Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula. Opgehaald van Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming: https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-016Kennisdocument-Rosse-vleermuis-1.0.pdf
NDFF. (sd). Overzicht protocollen. Opgehaald van Protocollen: https://www.ndff.nl/overdendff/validatie/protocollen/overzichtprotocollen/ Netwerk Groene Bureaus, werkgroep 'Standaarden en protocollen'. (Juli 2017). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. Opgehaald van www.netwerkgroenebureaus.nl Twisk, P., Van Diepenbeek, A., & Bekker, J. (2010). Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging. (2017, maart). Vleermuisprotocol 2017. Opgehaald van Netwerk Groene Bureaus: https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol
BIJ12. (2017, versie 1.0). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Opgehaald van Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming: https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf BIJ12. (2017, versie 1.0). Kennisdocument Huismus passer domesticus. Opgehaald van Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming. BIJ12. (2017, versie 1.0, 7). Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. Opgehaald van Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming: https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-018Kennisdocument-Ruige-dwergvleermuis-1.0.pdf Bouwens, S. (2017). Handreiking kleine marterachtigen in relatie tot soortbescherming - Provincie Noord-Brabant. Zoogdiervereniging. Klasberg, M. (2019). Mitigatiecatalogus gebouwbewonende soorten leidraad natuurinclusief versterken, bouwen, renoveren en verduurzamen. Arcadis. Kleijn, D. (2008). Effecten van geluid op wilde soorten - implicaties voor soorten betrokken bij de aanwijzing van natura 2000 gebieden. Wageningen: Alterra. Krijgsveld, K., Smits, R., & Winden, J. v. (2008). Verstoringsgevoeligheid van vogels - Update literatuurstudie naar de reacties van vogels. Vogelbescherming nederland. Müskens, G. B. (2005). De steenmarter (Martes foina) in Borgharen: aantal, overlast. Wageningen,: Alterra.
12