Bijlage 4j Ontginningsweg bijlage BOPA motivering (onderbouwing) zonnepark Ontginningsweg 100925
Tekst van het document
5.2
Bodem
gen.
5.2.1
Toetsingskader
Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit
de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bo-
voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel
demgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw
16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel
of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen
van een aanmeldnotitie.
meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het
5.1.2
Onderzoek
bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de ge-
Op basis van het Omgevingsbesluit kan een zonnepark (mogelijk) wor-
meente rekening met de interventiewaar-den voor de verschillende stof-
den beschouwd als een:
fen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding
•
Stedelijk ontwikkelingsproject;
van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de
•
Landinrichtingsproject;
gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatre-
•
Industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit,
gelen worden getroffen.
stoom, en warm water.
lom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkre-
Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondIn bijlage V van het Omgevingsbesluit is onder categorie C. Energie-In-
verzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie
dustrie een zonnepark niet opgenomen als m.e.r. plichtig. Als aanvulling
ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen
op bijlage V van het omgevingsbesluit geldt 16.36 (lid 1 en 2) van de
in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen.
Omgevingswet waarin wordt aangegeven dat als de gemeente beleid heeft waarin ze ontwikkelingen opnemen die mer(beoordelings)plichtig
5.2.2
Onderzoek
zijn.
Een zonneweide betreft geen gebouw en valt derhalve niet onder het bereik van artikel 5.89 lid g van het Bkl. Het betreft ook geen bodemge-
Op basis van de jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak ABRvS 14
voelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89 sub h Bkl. Verder betreft een
augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) is vastgesteld dat de realisa-
zonneweide ook geen bodembedreigende functie. Voor de realisatie van
tie van een zonnepark geen stedelijk ontwikkelingsproject dan wel een
de zonnepanelen is er slechts zeer beperkt sprake van bodem-roerende
landinrichtingsproject of een industriële installatie bestemd voor de pro-
werkzaamheden.
ductie van elektriciteit, stoom en warm water. Op basis hiervan is er geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit.
5.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig planvoor5.1.3
Conclusie
nemen.
Er is geen sprake van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.
deningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het
Zonnepark Ontginningsweg Boxtel
32
5.3
Cultuurhistorie
zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erf-
5.3.1
Toetsingskader
en ontwikkelen kennis en informatie voor medeoverheden.
goedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De
De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is
bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in
sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefom-
situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de ver-
maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel
geving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen samen
stoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeolo-
erfgoed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevings-
bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel
gische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaats-
plan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed
erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht
vinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het ge-
en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van
de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de belangenaf-
ding raken.
het erfgoed dat binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is.
weging.
Voor de provincie Noord-Brabant zijn deze stukken door vertaald in de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024’. Op basis daarvan
5.3.2
wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opge-
Het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ van de gemeente Boxtel kent
nomen.
enkele dubbelbestemmingen voor cultuurlandschap. Op basis van het
Onderzoek
vigerende bestemmingsplan is er geen dubbelbestemming die rust op Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit
de projectlocatie. Tevens is het gebied niet aangewezen als cultuurhis-
vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurland-
torisch waardenvol gebied, noch is er een cultuurhistorisch waardevol
schappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en
element aanwezig binnen de projectlocatie conform de Cultuurhistori-
stads- en dorpsgezichten.
sche Waardenkaart (herziening 2024) van de provincie Noord-Brabant. Gesteld kan worden dat de ontwikkeling van een zonnepark op de be-
Middels een omgevingsplan dienen provincies en gemeenten cultureel
oogde locatie geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische
erfgoed te beschermen. De primaire vraag daarbij is welke elementen
waarden oplevert.
van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de provinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten, en wat wil men (of
5.3.3
moet men) daarvan beschermen? Daarbij wordt rekening gehouden met
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig
de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwali-
planvoornemen.
teit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en werelderfgoed).
Conclusie
5.4
Archeologie
5.4.1
Toetsingskader
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd
Provincies en gemeenten worden daarbij ondersteund door specialisten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries werken mee met de totstandkoming van de wet en de bijbehorende regels,
Zonnepark Ontginningsweg Boxtel
in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving zijn overgegaan naar de Omgevingswet.
Figuur 22 Uitsnede bestemmingsplan met dubbelbestemming archeologie rood omlijnd en het projectgebied blauw omlijnd
5.4.2
Onderzoek
Blijkens het vigerende bestemmingsplan rust op een deel van het projectgebied een archeologische bestemming, namelijk ‘Waarde – Archeologie 3’ (zie figuur 21).
33
Conform de bestemmingsplanregels moet er voor het bouwen van een
Conform de bestemmingsplanregels is het daarnaast verboden om
5.5
bouwwerk een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd op gronden
grondwerkzaamheden (zoals het afgraven, ophogen, vergraven, egali-
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ar-
met betreffende bestemming. Uitzonderingen hierop luiden als volgt:
seren, diepploegen en -woelen van gronden) uit te voeren op gronden
tikel 4.2 Omgevingswet) is het van belang dat activiteiten met gebruiks-
met betreffende bestemming. Uitzonderingen hierop luiden als volgt:
ruimte en milieugevoelige activiteiten worden toebedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:
Het bepaalde in 33.2.1 en 33.2.2 is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op :
Activiteiten en milieuzonering
a. Het bepaalde in 33.3.1, uitgezonderd onder l, is niet van toepassing
a. een bouwwerk met een bruto oppervlakte van ten hoogste 125 m2;
indien de werkzaamheden of werken:
b. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm
1. maximaal 0,50 meter diep reiken ten opzichte van het maaiveld
onder maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden ge-
en een verstoringsoppervlakte hebben van ten hoogste 125 m2;
1.
menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is;
2.
scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.
Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als
plaatst; […]
Het noordelijke deel waarop de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeolo-
voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.
gie - Categorie 3’ is gelegen zal grotendeels worden gebruikt voor de Het oppervlakte waarop de dubbelbestemming rust betreft slechts een
plaatsing van zonnepanelen. Ook zal er conform het landschappelijk in-
5.5.1
Toetsingskader
klein deel aan de noordzijde van het plangebied. Daarvan blijft de noor-
passingplan een vrije ruimte tussen het hekwerk en de panelen worden
Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige
delijke rand van het plangebied een vrije ruimte tussen het hekwerk en
gerealiseerd. Om het kleinschalig mozaïek landschap te versterken wor-
functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke
de zonnepanelen. Voor de plaatsing van de panelen wordt er uitgegaan
den hier struweelhagen aangeplant. De aanplanting van deze haag ge-
leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:
van 2 betonnen pootjes om de 3 meter, wat resulteert in ca. 20 pootjes
beurt in driehoeksverband met een onderlinge plantafstand van 1,25 x
1. Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het
per paneel (één paneel heeft een oppervlakte van 218 m2). De diameter
1,25m. Deze zijn bij aanplant 60-80 cm. De struweelhaag zorgt logi-
kan én gewenst is.
van een betonvoetje is ca. 10 cm2, wat betekend dat er 78,54 cm2 aan
scherwijs niet voor een verstoringsdiepte van 0,50 meter en zal gezien
2. Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar
verstoringsoppervlakte per pootje aanwezig is en 1.570,8 cm2 versto-
de geringe overlap enkel aan de noordzijde tevens niet leiden tot een
het moet.
ringsoppervlakte per paneel.
verstoringsoppervlakte van 125 m2. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.
De oppervlakte van de panelen binnen bestemming archeologie betreft
De werkzaamheden welke gepaard gaan met de ontwikkeling van het
8.235 m2 waarmee er 37 (8.235/218) panelen binnen dit deel van het
beoogde zonnepark aan de Ontginningsweg zorgen derhalve niet voor
plangebied zullen worden geplaatst. De verstoringsoppervlakte binnen
een belemmering voor het milieuaspect archeologie. Een nader onder-
Daarbij moet worden voldoen aan de instructieregels uit het Besluit
de bestemming archeologie is daarmee 5,8 m2 (37 panelen x 1.570,8
zoek kan derhalve achterwege blijven.
Kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan
cm2) en blijft daarmee onder de grens van 125 m2. 5.4.3
Conclusie
plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en
Mocht blijken dat verankering op palen in plaats van betonnen pootjes
Voor het milieuaspect Archeologie is er sprake van een evenwichtige
milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten
toch wenselijk is zal de dieptegrens van 50cm worden overschreden en
toedeling van functies aan locaties.
met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte
dient er alsnog archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit zal
van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een spe-
voorafgaan aan de start bouw worden uitgevoerd en wordt als voor-
cifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen
schrift opgenomen.
voor een milieugevoelige functie in dat gebied. De term ‘activiteiten met
Zonnepark Ontginningsweg Boxtel
34
gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het mi-
geen milieugevoelige functie. Omliggende milieubelastende bedrijven
geluidsoverlast te minimaliseren, worden de volgende maatregelen ge-
lieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Besluit activi-
vormen daarmee geen belemmering voor het oprichten van een zonne-
nomen:
teiten leefomgeving (Bal). De term is dus ruimer dan de veelgebruikte
park waardoor een toets aan de omliggende milieubelastende bestem-
term ‘milieubelastende activiteiten’.
mingen achterwegen worden gelaten.
•
Geluidsisolerende behuizing: De batterijopslag wordt voorzien van geluidsisolerende materialen en behuizingen om het geluid te
Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of
Ook dient te worden onderzocht, of het woon- en leefklimaat ter plaatse
mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus
van omliggende woningen (milieugevoelige functies) niet onevenredig
dempen.
belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat
wordt aangetast als gevolg van het zonnepark. Daarom dient te worden
betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek
getoetst of in de omgeving van het projectgebied functies voorkomen
te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die
die een belemmering kunnen vormen voor de nieuwe ontwikkeling. Ten
voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie,
aanzien van de zonnepanelen zelf kan redelijkerwijs worden gesteld, dat
net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet
geen milieuhinder (geluid, geur of stof) te verwachten is. Voor de bijbe-
van het koelsysteem en andere componenten om ervoor te zorgen
op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er
horende transformators kan enige geluidproductie overdag worden ver-
dat ze efficiënt en stil werken.
sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving.
wacht. Het gebruik van de transformatoren is het best vergelijkbaar met
•
Afstand en locatie: De batterijopslag wordt geplaatst op een voldoende afstand van woongebieden en andere gevoelige locaties.
•
Geluidsmuren: Geluidsmuren worden geïnstalleerd rondom de batterijopslag om geluidsemissies te beperken.
•
Monitoring en onderhoud: Regelmatige monitoring en onderhoud
de in de VNG-brochure vermelde categorie ‘elektriciteits-distributiebe-
Gelet op de geruime afstand in combinatie met de maatregelen worden
Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’
drijven 10-100 MVA’ (milieucategorie 3.1). In rustig woongebied/rustig
er geen belemmeringen verwacht. Hiertoe zal in de omgevingsvergun-
De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG biedt onder
buitengebied dient daarom in beginsel een richtafstand van 50 meter tot
ning vast worden gelegd dat ten gevolge van de activiteiten op de loca-
de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en ver-
omliggende milieugevoelige functies te worden aangehouden voor het
tie het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L ArLT) op een afstand
vangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de
aspect geluid. Overige aspecten zoals geur en stof hebben op basis van
van 100 meter van de grens van het zonnepark (werkterrein), op een
oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer
de brochure geen richtafstanden.
beoordelingshoogte van 5 meter niet meer mag bedragen dan:
van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling
•
50 dB(A) in de dagperiode (7. 00-19. 00 uur).
code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daar-
Het gebied heeft overwegend een agrarisch karakter, met weinig bebou-
•
45 dB(A) in de avondperiode (19. 00-23. 00 uur).
van wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor
wing. In de wijde omgeving van het projectgebied zijn wel enkele wonin-
•
40 dB(A) in de nachtperiode (23. 00-7. 00 uur).
geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van
gen gesitueerd. Deze woningen zijn echter allen gelegen op een afstand
geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende as-
van ruim 300 meter ten opzichte van de plek waar ruimte voor de batte-
Met deze voorwaarde zal de geluidbelasting bij de woningen op afstan-
pect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels
rijen en techniek is beoogd.
den van 300 meter of meer minimaal 10 dB lager zijn. Er is daarmee
voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzone-ring’
sprake van aanvaardbaar geluid bij de woningen.
gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omge-
De beoogde batterijopslag binnen het project heeft een capaciteit van
vingsplan van gemeenten.
8.4 MW / 20 MWh (zie ook specificaties van het batterij-pack in bijlage
5.5.3
6). Bij de installatie van een BESS is het essentieel om de geluidsemis-
Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering bestaan er geen belem-
sies te beheersen om overlast (zelfs op een afstand van 300 meter) voor
meringen voor de voorgenomen oprichting van een zonnepark in het
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
de omgeving te voorkomen. Geluid van de batterijopslag komt voorna-
plangebied.
dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon-
melijk van het koelsysteem, de omvormers en de transformatoren. Om
5.5.2
Onderzoek
Conclusie
en leefklimaat bij het projectgebied. Het beoogde zonnepark betreft
Zonnepark Ontginningsweg Boxtel
35
5.6
Elektromagnetische straling
gesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van elektriciteitsinfrastruc-
5.7
Geluid
5.6.1
Toetsingskader
tuur en die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla 2. De
5.7.1
(Spoor)wegverkeer
Elektromagnetische velden
waarde van 0,4 microtesla geldt als gemiddelde voor een heel jaar. Tij-
5.7.1.1 Toetsingskader
Magnetische velden ontstaan bij het transport en het gebruik van elektri-
dens dat jaar kan de veldsterkte regelmatig boven en onder de waarde
Geluid door (spoor)wegen
citeit/stroom. Voorbeelden van voorzieningen die zorgen voor elektro-
van 0,4 microtesla komen. Het is een waarde uit voorzorg, die alleen
Het Bkl bevat geluidsregels voor onder meer (spoor)wegen. De regels
magnetische velden zijn antennes, hoogspanningslijnen, mobiele tele-
van toepassing is bij bovengrondse hoogspanningslijnen. Daarnaast
voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen
foons en elektrische apparaten. De kracht van het elektromagnetische
wordt in het advies geadviseerd om bij een ligging nabij een boven-
geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing
veld kan per voorziening verschillen. In het kader van de planologie zijn
grondse hoogspanningslijnen een magneetveldzone te berekenen. Op
van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe ge-
met name antennes en hoogspanningslijnen van belang, aangezien dit
basis van deze berekening kan worden bekeken hoeveel gevoelige be-
luidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
vaste objecten zijn.
stemmingen in de magneetveldzone liggen. Geluidsgevoelige gebouwen
In het kader van gezondheid en milieu is het bij nieuwe ontwikkelingen,
5.6.2
waar sprake is van gevoelige gebouwen zoals woningen, scholen en
Uit onderzoek van het RIVM over gezondheid en elektromagnetische
het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte
kinderopvang, van belang dat er rekening wordt gehouden met mag-
velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations 3 is ge-
van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie
neetvelden. Dergelijke projecten moeten buiten een magneetveldzone
concludeerd dat de sterkte van de velden afneemt wanneer de afstand
heeft.
liggen. De sterkte van elektromagnetische velden is het grootst dichtbij
tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 μT (jaargemid-
de bron en neemt af als de afstand tot de bron groter wordt.
delde) wordt bereikt op een afstand van 7 meter van het transformator-
5.7.1.2 Onderzoek
station. Dit wordt door de Rijksoverheid als grenswaarde aangenomen
In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen.
Voorzorgsbeleid magneetvelden
bij situaties van langdurige blootstelling. Aangezien er geen woningen
Rondom het plangebied zijn geen wegen gelegen, enkel landweggetjes.
Door de minister voor Klimaat en Energie is (samen met de toenmalig
zijn gelegen op een afstand van minder dan 7 meter, maar de afstand
Daarbij betreft een zonneweide geen geluidgevoelig gebouw of terrein.
minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en in afstem-
tot bestaande woningen in de omgeving vele malen groter is, is nader
Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzake-
ming met de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
onderzoek op elektromagnetische straling niet noodzakelijk. Gelet op de
lijk.
op 21 april 2023 een herijkt voorzorgsbeleid aan gemeenten, provincies
relatief ruime afstand van woningen tot het plangebied zal er voor de
en netbeheerders gezonden inzake de gezondheidsrisico’s van mag-
omliggende woningen geen verslechtering plaatsvinden van het woon-
5.7.1.3 Conclusie
neetvelden1. De kern van het herijkte voorzorgbeleid voor magneetvel-
en leefklimaat.
Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
gelen gaan treffen om de sterkte en grootte van magneetvelden zo veel
5.6.3
5.7.2
mogelijk te beperken. Het beleidsadvies is erop gericht om zoveel als re-
Vanuit het milieuaspect elektromagnetische straling is er sprake van een
5.7.2.1 Toetsingskader
delijkerwijs mogelijk te voorkomen dat mensen langdurig worden bloot-
evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te beschou-
Onderzoek
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van
den is dat met de netbeheerders is afgesproken dat deze bronmaatreConclusie
Milieuzonering van zonnepark
wen in hoeverre een gewenste ontwikkeling inpasbaar is in de omgeving
1 2 3
https://www.kennisplatform.nl/verschil-tussen-limiet-100-microtesla-grens-0-4-microtesla/ https://www.infomil.nl/publish/pages/86406/beleidsadvies_vrom_2005_1.pdf RIVM-rapport 609300011/2009. Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen
Zonnepark Ontginningsweg Boxtel
36
voor wat betreft het aspect geluid. Wanneer een milieubelastende func-
Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur
Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen,
tie mogelijk wordt gemaakt, dient te worden beschouwd in hoeverre
onderzocht te worden:
zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geur-
sprake is van een acceptabele geluidssituatie ter plaatse van omlig-
•
indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande
gevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van men-
geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten.
sen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3
indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van be-
Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond
staande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.
van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buiten-
gende geluidsgevoelige objecten. Bij individuele milieubelastende functies, niet zijnde geluidsgezoneerde industrieterreinen, wordt het rele-
•
vante toetsingskader gevormd door de Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ van de VNG.
planse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beGeurveroorzakende activiteiten
schouwd.
5.7.2.2 Onderzoek
Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geur-
Een zonnepark is een milieubelastende functie die zorgt voor de produc-
belasting of afstand acceptabel wordt geacht:
5.8.2
tie van geluid. Dit heeft te maken met de aanwezige transformatoren en
1. Zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2)
Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl wordt voor onderhavig project geen geur
het EOS. Daarom zal moeten worden verkend in hoeverre sprake is van
2. Houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf
veroorzakende activiteit noch een geurgevoelig gebouw gerealiseerd. Er
een acceptabele geluidssituatie ten opzichte van omliggende geluidsge-
5.1.4.6.3)
Onderzoek
is immers geen sprake een van de bovengenoemde functies. Nader on-
3. Enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4)
derzoek naar het aspect geur is niet noodzakelijk.
Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen
5.8.3
functies, is het niet noodzakelijk een akoestisch onderzoek industriela-
waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van
Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig project.
waai uit te voeren. Voor een verdere toelichting hierop wordt verwezen
subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen
naar paragraaf 5.5 (activiteiten en milieuzonering).
dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze
voelige objecten ten aanzien van geluid afkomstig van de zonneweide met bijbehorende installatie. Aangezien wordt voldaan aan de richtafstanden (o.a. voor geluid) ten opzichte van omliggende milieugevoelige
activiteiten op geurgevoelige gebouwen. 5.7.2.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect ge-
Geurgevoelige gebouwen en locaties
luid.
Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de vol-
5.8
Geur
5.8.1
Toetsingskader
Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties.
gende functies onderbrengt: •
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
•
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
•
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;
•
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Conclusie
5.9
Gezondheid
5.9.1
Toetsingskader
In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevingsveror-
Zonnepark Ontginningsweg Boxtel
37
dening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezond-
5.9.3
heid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeen-
Het initiatief levert een bijdrage aan het bereiken van een gezonde fy-
ten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omge-
sieke leefomgeving.
vingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gemeenten nog geen tot weinig beleid zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal het beleid sterk per gemeente verschillen. 5.9.2
Conclusie
5.10
Lichthinder en reflectie
5.10.1
Toetsingskader
Er zijn diverse locaties met kunstmatige verlichting, waaronder (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Deze verlichting kan verschillende ne-
Onderzoek
De gemeente Boxtel heeft een ontwerp Omgevingsvisie waarin verschillende thema’s aan bod komen. Eén van de vier hoofdthema’s is het ‘aangenaam leven’ in Sint-Michielsgestel. Dit hoofdthema heeft betrekking op wonen en alles wat samenhangt met en aangename woonomgeving. Hieronder vallen onderwerpen zoals het landschap, natuur, voorzieningen, gezondheid en veiligheid. De thema’s zijn verder uitgewerkt in dromen en ambities en komen daarna samen in verschillende scenario’s. Het hoofdthema ‘aangenaam leven’ omvat verschillende dromen en ambities die zijn toegespitst op een veilige, gezonde maar vooral leefbare omgeving. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een zonneweide, waarmee een duurzame energievoorziening wordt gerealiseerd. De realisatie van duurzame energievoorzieningen draagt bij aan een reductie van vervuiling en daarmee gepaard gaande schadelijke gezondheidseffecten, die door niet-duurzame energievoorzieningen (kunnen) worden veroorzaakt. Een zonnepark heeft zelf ook geen gezondheid beperkende werking. De transitie naar duurzame energievoorzieningen draagt dus ook bij aan het creëren van een gezonde leefomgeving. Ook het omzetten van landbouwgrond naar een zonnepark met bijbehorende groenvoorzieningen past in dit beeld en betekent onder meer een reductie van geurhinder.
De realisatie van voldoende groen en waterberging in en rondom de zonneweide past eveneens bij het bereiken van een gezondere fysieke leefomgeving.
Zonnepark Ontginningsweg Boxtel
gatieve effecten veroorzaken. Zo kunnen mensen hinder ondervinden wanneer ze zich niet kunnen onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl ze daar wel behoefte aan hebben, bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Licht van objecten langs (rijks)wegen, zoals een reclamezuil, kan ook hinder veroorzaken en daarmee onveilige situaties creëren. Verder kan kunstmatige verlichting in de nacht het gedrag van dieren
functies mogelijk die gevoelig zijn voor lichthinder. Ook worden er geen functies mogelijk gemaakt, die tot lichthinder voor de omgeving leiden. Wanneer een zonnepark in de buurt van een weg of woningen ligt, is het mogelijk dat deze voor enige vorm van lichthinder wegens reflectie zorgt. Voor onderhavig planvoornemen geldt dat het volledige plangebied omsloten door een struweelhaag van circa 4m hoog. De enkele woningen gesitueerd aan de oosten/noordoostzijde liggen op circa 150(+)m afstand. Redelijkerwijs kan eventuele hinder vanwege reflectie daarom op voorhand worden uitgesloten. 5.10.3
Conclusie
Het aspect lichthinder en reflectie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
beïnvloeden, met mogelijke gevolgen zoals desoriëntatie, afstoting of
5.11
Luchtkwaliteit
aantrekking, wat kan leiden tot uitputting en sterfte. Kunstmatige verlich-
5.11.1
Toetsingskader
ting kan ook fungeren als barrière voor dierlijke verplaatsingen. Deze
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter be-
negatieve effecten hebben niet alleen individuele gevolgen maar kunnen
scherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels
ook de instandhoudingsdoelstellingen van bepaalde soorten aantasten.
opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden
Daarnaast kan kunstmatige verlichting leiden tot horizonvervuiling of het
zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht
verminderen van de donkerte op grotere afstanden, zoals het zichtbaar
voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
zijn van verlichte objecten in een open landschap tot wel 5 à 10 kilometer.
Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aan-
Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen.
dachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concen-
Het Bkl bevat daarom geen Rijksinstructieregels voor lichthinder, met
traties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10
uitzondering van rijksregels voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen,
staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor
opgenomen in artikel 4.790 van het Bal.
alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht ne-
5.10.2
Onderzoek
men (artikel 5.51 Bkl).
In het projectgebied zelf zijn geen functies en voorzieningen aanwezig, die lichthinder veroorzaken. Onderhavig initiatief maakt geen nieuwe
Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtsgebied vindt niet
38
altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bij-
steld dat het initiatief niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwali-
van het Natuurnet-werk loopt via het traject van de provinciale ruimte-
draagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomge-
teit. Omdat er geen sprake is van een gevoelige functie, is een onder-
lijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Bra-
vingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het
zoek naar de achtergrondwaarden in het kader van het woon- en leefkli-
bant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecolo-
Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de lucht-
maat niet aan de orde. Het projectgebied ligt bovendien niet binnen een
gische Verbindingszones (EVZ). Het netwerk wordt gevormd door kern-
kwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is
aandachtsgebied luchtkwaliteit.
gebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszo-
dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemid-
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.
Conclusie
Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Onderzoek
In onderhavig geval is er sprake van het oprichten van een zonneweide. Een zonneweide kent een zeer lage verkeersaantrekkende werking. Er zal uitsluitend sprake zijn van sporadisch verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer. Op voorhand kan redelijkerwijs worden ge-
Zonnepark Ontginningsweg Boxtel
gende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn
Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige
alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezen-
toedeling van functies aan locaties.
lijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan
5.12
Natuur en landschap
5.12.1
Toetsingskader
Wettelijke gebiedsbescherming De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, be-
Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit
5.11.2
nes met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omrin5.11.3
delde concentraties.
perkt, of ongedaan gemaakt worden. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuur-netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes
met mitigerende maatregelen. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform Omgevingswet, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom (bebouwingscontour houtkap). Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 11.111, lid 2 Bal, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 11.126 Bal). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 11.129 Bal om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Indien natuurbescherming, instandhouding bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt, geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of achterwege te laten. Soortenbescherming Conform de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’.
Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten, en
39
hiervoor geldt de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Er geldt een ver-
verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde
Gebiedsbescherming
gunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zo-
soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen.
Wettelijke gebiedsbescherming
als beschreven in paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal. In tabel 5.3 staan de belangrijkste schadelijke handelingen uitgewerkt.
Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat Onder de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen voor
aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura
alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ (11.27 Bal). Hierin wordt gesteld dat na-
2000-gebieden is 'Kampina en Oisterwijkse Vennen' op circa 2 kilometer
De Ow heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in
delige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of onge-
ten westen van de planlocatie. Indien er sprake zou zijn van een effect,
Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen
daan gemaakt. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten
betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename
en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere
van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of na-
van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het
en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal
tuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige ge-
plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid
vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
volgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen pre-
en trillingen uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de re-
•
Vogels (artikel 11.37 Bal)
ventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te
alisatie van een zonneweide en bijbehorende installaties betreft, kan
•
Europees beschermde soorten (artikel 11.46 Bal)
voorkomen.
een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en
•
Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal)
gebruiksfase op de omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes
planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is er een
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bij-
voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft
stikstofdepositieberekening uitgevoerd, welke is opgenomen in als bij-
lage A en B’ van de Ow (Bijlage IX onder A en B Bal). Beschermde
op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken
lage 3 van onderhavige ruimtelijke motivering.
soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de
te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet
Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bij-
door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de
lage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogel-
alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan
gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar.
richtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergun-
plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal een ontheffing / omgevings-
Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-ge-
ningplichtige activiteiten. De regels voor vogels en overige Europese
vergunning voor een flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelin-
bieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Overige externe
soorten zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en
gen aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk be-
effecten kunnen vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden
de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten gel-
lang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde
eveneens worden uitgesloten.
den regels die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige
soorten niet in het geding komt. De ontheffing / vergunning kan dan on-
opzichten minder streng zijn. In tabel 5.3 zijn de vergunningplichtige ac-
der voorwaarden worden verleend.
tiviteiten per regime weergegeven.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde on-
De Ow regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te be-
5.12.2
schermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De
Voor onderhavige ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitge-
westzijde. Het plangebied wordt in de huidige situatie intensief agrarisch
soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het alge-
voerd. Deze is als bijlage 2 opgenomen bij onderhavige ruimtelijke moti-
gebruikt. In de toekomstige situatie wordt deze groen ingepast, extensief
meen gelden voor alle drie de categorieën de activiteiten met schade-
vering. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Voor
beheerd, zonder bemesting en gebruik van pesticiden. Hierdoor zullen
lijke gevolgen. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal be-
de volledige rapportage met bevindingen wordt verwezen naar de bijla-
de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aange-
schermde soorten (art. 11.54 Bal) met een lichte toets verleend. Voor de
gen.
tast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet
vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het
Zonnepark Ontginningsweg Boxtel
Onderzoek
derdeel van het NNB grenst direct aan het plangebied aan de oost- en
noodzakelijk geacht.
40
Houtopstanden
de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten
Het plangebied bestaat uit akkers binnen een agrarisch gebied. De kans
Aangezien er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is
en potentiële schadelijke handelingen zijn niet aan de orde. In het kader
op aanwezigheid van en/of negatieve effecten op soorten van de rode
toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Omgevingswet
van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te
lijst is daarmee zeer laag. Een overtreding met betrekking tot de speci-
bij dit plan niet aan de orde.
dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.
fieke zorgplicht is daarmee niet aan de orde, mits algemene zorgplichtmaatregelen worden genomen om het doden en verwonden van indivi-
Soortenbescherming
Reptielen
Vogels
Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van reptie-
Er gaan geen nesten van soorten met jaarrond beschermd nest verlo-
len zijn op voorhand uitgesloten.
ren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet
duen te voorkomen. Invasie exoten Enkele soorten binnen Nederland mogen niet worden verhandeld of ver-
jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, in-
Amfibieën
voerd, of moeten actief worden geweerd. Voor soorten op de zoge-
dien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen
De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel
noemde Unielijst (EU-exotenverordening) geldt een verbod op bezit,
wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vin-
habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige
handel, kweek, transport en import van een aantal schadelijke exotische
den met betrekking tot broedvogels. In de wetteksten wordt geen vaste
staat van instandhouding van populaties en potentiële schadelijke han-
planten en dieren. Voor lidstaten geldt de plicht om in de natuur aanwe-
periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broed-
delingen zijn dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorg-
zige populaties op te sporen en te verwijderen. Per soort zijn doelen en
seizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Gel-
plicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventu-
acties omschreven (Onderbouwing strategie Unielijstsoorten). Daar-
dend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van
eel passerende individuen.
naast geldt voor enkele soorten een nationaal handelsverbod, waaron-
ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of ver-
der drie soorten Aziatische duizendknopen. Deze mogen niet worden
laat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hier-
Vissen
verhandeld of vervoerd. Dit geldt ook voor grond waarin resten of zaden
omtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen af-
Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-
van duizendknoop in aanwezig zijn. Er geldt enkel een uitzondering ten
name van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, in-
schermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.
behoeve van het uitroeien, bestrijden of beheersen van de duizendkno-
breuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.
pen. Ongewervelde diersoorten
Vleermuizen
Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-
In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend
schermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten.
van vogels zoals de nijlgans en vaatplanten zoals grote waternavel, reu-
Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn
zenbalsemien en smalle waterpest. Binnen het plangebied zijn echter
van (potentiële) schadelijke handelingen met betrekking tot vaste rust- of
Vaatplanten
verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen, mits
Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-
verlichting gericht of uitschijnend op het opgaand groen wordt verme-
schermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.
den.
geen waarnemingen van deze soorten gedaan tijdens het veldbezoek. Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan
Specifieke zorgplicht
alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het
Grondgebonden zoogdieren
Behalve de genoemde soorten geldt een bescherming onder de speci-
provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens
Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen
fieke zorgplicht voor soorten van de rode lijst. Dit zijn circa 4.300 soor-
het uitvoeren van de werkzaamheden onderstaande in acht wordt geno-
van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel)
ten. In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van rode lijst-soorten
men:
leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op
binnen het plangebied.
Zonnepark Ontginningsweg Boxtel
41
• • •
Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op
Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal
Plaatsgebonden risico
Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen;
personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en
Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt
Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op op-
in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De
door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het
gaand groen te worden vermeden;
aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat
plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden
Ten aanzien van broedvogels dient, om schadelijke handelingen op
in bijlage VI van het Bkl.
voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot
voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgele-
•
gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar
genheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een con-
Risicobronnen
worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour
trole moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage
10-6-contour van een activiteit vallen.
In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende
VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen.
zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het re-
Het gaat om de volgende soorten activiteiten:
Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden
delijkerwijs mogelijke
•
activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende
Het groepsrisico is een concretisering van de wettelijke verplichting dat
milieubelastende activiteiten uit het Bal;
het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
•
het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor;
moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
•
buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieu-
Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen
belastende activiteit in het Bal;
overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen
windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in
een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aan-
het Bal.
dachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl):
5.12.3
Conclusie
Gelet op hetgeen geconcludeerd in de quickscan flora en fauna kan worden aangenomen dat vanuit het aspect natuur en landschap sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.13
Omgevingsveiligheid
5.13.1
Toetsingskader
Omgevingsveiligheid (voorheen: externe veiligheid) heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen) 2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties) 3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties)
•
In het van rechtswege ontstane omgevingsplan van de gemeente Sint-
•
brandaandachtsgebied;
Michielsgestel worden beperkingen met betrekking tot externe veiligheid
•
explosieaandachtsgebied;
genoemd, waarbij milieubelastende activiteiten, transportroutes en buis-
•
gifwolkaandachtsgebied.
leidingen aan bod komen (artikel 22.39b). Voor beperkt kwetsbare, kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en beNaast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden be-
perkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied
schouwd, bevat het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobron-
moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden en moet ad-
nen:
vies bij de Veiligheidsregio worden ingewonnen (artikel 5.2 Bkl).
• • • •
opslaan, bewerken en her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4).
5.13.2
Onderzoek
opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (af-
Gezien de aard van de beoogde functie is er geen sprake van een
deling 5.1.2.5).
kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object dan wel van handelingen met ge-
exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosie-
vaarlijke stoffen. Omdat er slechts beperkt en kortdurend personen in
ven (afdeling 5.1.2.5).
het projectgebied verblijven, heeft de ontwikkeling geen invloed op de
opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik
hoogte van het groepsrisico. Het aspect omgevingsveiligheid is voor
(afdeling 5.1.2.5 Bkl).
deze ruimtelijke ontwikkeling dan ook niet relevant. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Zonnepark Ontginningsweg Boxtel
42
In het besluitgebied komen blijkens de provinciale risicokaart en blijkens
zijn gereserveerd voor de aanleg van buisleidingen van nationaal be-
de verbeelding van het geldende bestemmingsplan twee gasleidingen
lang. In deze gebieden zijn geen activiteiten toegestaan die de aanleg
(A-525 en A-526) voor. Op de tot 'Leiding - Gas' bestemde gronden mo-
belemmeren. Doel van de Structuurvisie is om ruimte vrij te houden in
gen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de gasleiding worden ge-
Nederland voor toekomstige buisleidingen voor transport van gevaarlijke
bouwd waarbij de bouwhoogte niet meer dan 3m mag bedragen. Daar-
stoffen. Het gaat daarbij om ondergrondse buisleidingen die provincie-
naast zijn aanlegwerkzaamheden verboden binnen deze zone, mits
grens- en vaak ook landsgrensoverschrijdend zijn. Er vindt daarom mo-
vooraf afstemming heeft plaatsgevonden bij de leidingbeheerder. Initia-
menteel intensief afstemming plaats tussen initiatiefnemer en de leiding-
tiefnemers zullen in overleg met de Gasunie bepalen of de realisatie van
beheerder Gasunie hoe hier mee om te gaan. Bij de technische engi-
het zonnepark de werking van de leiding niet beïnvloeden. Initiatiefne-
neering van het zonnepark Ontginningsweg wordt expliciet rekening ge-
mers hebben ruimschoots ervaring met de verplichtingen rondom het re-
houden met de toekomstige aanleg van buisleidingen door het project-
aliseren van zonneparken in de nabijheid van gasleidingen en andere
gebied. Conform het nationale belang dat gepaard gaat met de reserve-
infrastructuur. Het advies van de leidingbeheerder zal bij de aanvraag
ring van de Programma Energiehoofdstructuur (PEH)-strook, wordt het
van de omgevingsvergunning worden toegevoegd. In het landschappe-
zonnepark zodanig ontworpen dat toekomstige realisatie van onder-
5.13.3
lijk inpassingsplan is daarom ook een strook vrijgehouden van 5 meter
grondse infrastructuur, zoals beoogd in het kader van het Delta Rhine
Wat betreft het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een even-
vanuit het hart van de buisleidingen waarin geen panelen zullen worden
Corridor-project, niet wordt belemmerd. Hoewel momenteel slechts
wichtige toedeling van functies aan locaties. Er zal nadere afstemming
geplaatst. Deze fungeert eveneens als groene corridor voor fauna.
deels sprake is van aanwezige hogedruk gasleidingen in het gebied, er-
plaatsvinden over de gasleiding en het reserveringsgebied.
kennen initiatiefnemer het belang van het vrijwaren van de volledige PEH-strook van niet-verplaatsbare installaties en fundaties. Het zonnepark zal op deze gronden enkel verwijderbare of verplaatsbare installaties aanleggen in deze strook (zonnepanelen/modules en geen diep funderende structuren binnen de strook. Voor de realisatie van het zonnepark wordt dit onderdeel concreet afgestemd met Gasunie. Daarnaast heeft er ook afstemming met Gasunie plaatsgevonden over
Figuur 24 Uitsnede ODNBN GIS-viewer met projectie structuurvisie buisleidingen
5.14
Conclusie
Trillingen
5.14.1 Toetsingskader Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet beschermt (delen van) trillinggevoelige gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten (art. 5.80 Bkl). Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties.
de uitgangspunten ter voorkomen van beïnvloeding van gasleidingen door het zonnepark. Hierbij is verwezen naar de handleiding ‘Zonneparken in de nabijheid van gasleidingen’. Met Gasunie is afgestemd dat vooraf de realisatie van het zonnepark afstemming plaatsvindt over de technische eisen van het park om daarmee de kathodische bescherming Figuur 23 Uitsnede Atlas Leefomgeving Externe Veiligheid
Binnen het plangebied ligt daarnaast een reserveringsgebied met betrekking tot de ‘Structuurvisie buisleidingen 2012-2035’. Deze gebieden
Zonnepark Ontginningsweg Boxtel
te borgen en geen ontoelaatbare beïnvloeding (DC-beïnvloeding) zal plaatsvinden. Dit zal vooraf met Gasunie worden afgestemd voordat het zonnepark in gebruik wordt genomen.
Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen (zoals woningen) in de buurt van spoorwegen moet het aspect trilling worden beoordeeld in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo moet in beginsel binnen een afstand van 100 meter van een spoorweg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan.
43
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kunnen de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt.
5.15.2
Onderzoek
Onderzoek
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het
In de huidige situatie bestaat het projectgebied uit agrarische gronden.
initiatief.
werking. Er zal uitsluitend sprake zijn van incidenteel verkeer ten be-
De ontwikkeling maakt geen trillinggevoelige gebouwen of trillinghinder
hoeve van onderhoud, controle en beheer van de zonneweide en de
veroorzakende activiteiten mogelijk. Een nadere toetsing aan dit aspect
groene inpassing. Hierbij is uitgegaan van maximaal 76 motorvoertuig-
kan daarom redelijkerwijs achterwege blijven.
bewegingen per jaar. Er zal gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur.
5.14.3
Conclusie
Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.15
Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren
5.15.1
Toetsingskader
Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond of sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het projectgebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publicatie 381). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de met de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De CROW-kengetallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeernormen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten voldoen.