Bijlage 4 - Bindend advies zonnepark De Vorst- BOPA motivering (onderbouwing)
Tekst van het document
alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het
seizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half
eel passerende individuen.
provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits vooraf gaand en tijdens
augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van
het uitvoeren van de werkzaamheden onderstaande in acht wordt geno-
een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijf el over de aan/af -
Vissen
men:
wezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van
Negatieve ef f ecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-
•
een houtduif ) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De
schermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.
Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstof depositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen. Op
voorgenomen plannen zullen geen af name van essentieel broedhabitat
basis van de berekening is gebleken dat tijdens de aanleg- en ge-
veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van in-
Ongewervelde diersoorten
standhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.
Negatieve ef f ecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-
bruiksf ase geen sprake is van toename aan stikstof depositie. •
schermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten.
Ten aanzien van broedvogels dient, om schadelijke handelingen op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een con-
Vleermuizen Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn
Vaatplanten
van (potentiële) schadelijke handelingen met betrekking tot vaste rust- of
Negatieve ef f ecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-
verblijf plaatsen, vliegroutes of f oerageergebied voor vleermuizen. In de
schermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.
toekomstige situatie zal er geen verlichting worden geplaatst.
trole moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. •
In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van in-
Invasieve exoten
dividuen te voorkomen.
Grondgebonden zoogdieren
In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend
Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijf plaatsen
van de reuzenbalsemien, smalle waterpest en de grote waternavel. Bin-
6.8.3
van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel)
nen het plangebied zijn echter geen waarnemingen van deze soorten
Op basis van de bevindingen uit de quickscan f lora en f auna kan wor-
leef gebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op
gedaan tijdens het veldbezoek.
den geconcludeerd dat, met inachtneming van de daarin geadviseerde
Zonnepark De Vorst te Boxtel
Conclusie
33
maatregelen, sprake is van een evenwichtige toedeling van f uncties aan
1.
aangewezen categorie blijf t. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’
locaties ten aanzien van natuur en landschap.
6.9
6.9.1
vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet
Luchtkwaliteit
wel onder een bepaalde omvang blijven conf orm artikel 5.54 van het
Toetsingskader
Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet bin-
De hoof dlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter be-
nen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detail-
scherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels in
berekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt
het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstof dioxide (NO2) en f ijnstof (PM10). Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl).
Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijf t:
Zonnepark De Vorst te Boxtel
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een
overschreden. 2.
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit
6.10
6.10.1
Geur
Toetsingskader
Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van f uncties aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijf s- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden: •
indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten;
•
indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.
Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via
Geurveroorzakende activiteiten
het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). 6.9.2 Onderzoek
belasting of af stand acceptabel wordt geacht:
Het Bkl geef t enkel voor drie bedrijf smatige activiteiten aan welke geur-
Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van een zonnepark
1.
zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);
welke een zeer lage verkeersaantrekkende werking kent. Er zal uitslui-
2.
houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3);
tend sprake zijn van sporadisch verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer. Op voorhand kan redelijkerwijs worden gesteld dat
3.
enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).
het initiatief niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Omdat er geen sprake is van een gevoelige f unctie, is een onderzoek naar de
Voor bedrijf smatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen
achtergrondwaarden in het kader van het woon- en leef klimaat niet aan
waarden en af standen toegekend, enkel de algemene bepalingen van
de orde. Het projectgebied ligt bovendien niet binnen een aandachtsge-
subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen
bied luchtkwaliteit.
dient er rekening te worden gehouden met de geur af komstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
6.9.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige
Geurgevoelige gebouwen en locaties
toedeling van f uncties aan locaties.
Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende f uncties onderbrengt:
34
•
woonf unctie en nevengebruiksf uncties daarvan;
De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erf goed is
reel erf goed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan ver-
•
onderwijsf unctie en nevengebruiksf uncties daarvan;
sinds 2016 ondergebracht in de Erf goedwet. Samen met de Erf goedwet
plicht de vijf elementen van cultureel erf goed mee te nemen in de belan-
•
gezondheidszorgf unctie met bedgebied en nevengebruiksf uncties
maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel
genaf weging.
daarvan;
erf goed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevings-
bijeenkomstf unctie voor kinderopvang met bedgebied en nevenge-
plan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erf goed
6.11.2
en werelderf goed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van
Het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1994’ van de gemeente Boxtel kent
het erf goed dat binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is.
geen dubbelbestemmingen voor cultuurlandschap op onderhavig plan-
Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen,
Op basis daarvan wordt een toereikend beschermingsregime in het om-
gebied. Tevens is het gebied niet aangewezen als cultuurhistorisch
zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geur-
gevingsplan opgenomen.
waardenvol gebied, noch is er een cultuurhistorisch waardevol element
•
bruiksf uncties daarvan.
Onderzoek
aanwezig binnen de projectlocatie conf orm de Cultuurhistorische Waar-
gevoelig aanwijzen, mits er hoof dzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3
Cultureel erf goed als onderdeel van de f ysieke leef omgeving bestaat uit
denkaart (herziening 2024) van de provincie Noord-Brabant. Gesteld
Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond
vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erf goed, cultuurland-
kan worden dat de ontwikkeling van een zonnepark op de beoogde lo-
van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buiten-
schappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en
catie geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden
planse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw be-
stads- en dorpsgezichten.
oplevert.
schouwd.
Middels een omgevingsplan dienen provincies en gemeenten cultureel erf goed te beschermen. De primaire vraag daarbij is welke elementen
6.10.2
Onderzoek
van cultureel erf goed (of werelderf goed) bevinden zich binnen de pro-
Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl wordt voor onderhavig project geen geur
vinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten, en wat wil men (of
veroorzakende activiteit noch een geurgevoelig gebouw gerealiseerd. Er
moet men) daarvan beschermen? Daarbij wordt rekening gehouden met
is immers geen sprake een van de bovengenoemde f uncties. Nader on-
de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwali-
derzoek naar het aspect geur is niet noodzakelijk.
teit leef omgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoof dstuk 13 en 14
6.10.3
van het Besluit activiteiten leef omgeving (Bal) (rijksmonumenten en we-
Conclusie
Vanuit het milieuaspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van f uncties aan locaties.
6.11
6.11.1
Cultuurhistorie Toetsingskader
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de f ysieke leef omgeving. De wet beoogt een samenhangende benadering van diverse belangen. Een van die belangen is cultureel erf goed.
relderf goed). Provincies en gemeenten worden daarbij ondersteund door specialisten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erf goed (RCE) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries werken mee met de totstandkoming van de wet en de bijbehorende regels, zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en ontwikkelen kennis en inf ormatie voor medeoverheden. Het Bkl, het Bal en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen samen bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultu-
Zonnepark De Vorst te Boxtel
6.11.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van f uncties aan locaties.
6.12
6.12.1
Archeologie
Toetsingskader
De bescherming van archeologisch erf goed in Nederland is vastgelegd in de Erf goedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erf goedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erf goed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de f ysieke leef omgeving gaan naar de Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erf goedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erf goed in de Erf goedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heef t als doel om archeologisch erf goed zoveel mogelijk in
35
situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 6.12.2
Onderzoek
Ter plaatse van het plangebied gelden conf orm vigerend bestemmingsplan geen archeologische bestemmingen en is eveneens geen inf ormatie bekend over mogelijk archeologisch waardevolle elementen. Bovendien is het plangebied al decennia in gebruik voor agrarische doeleinden waarbij de gronden veelvuldig worden geroerd. Aangenomen wordt dat eventueel aanwezige archeologisch waardevolle elementen in deze periode reeds zijn aangetrof f en. Tot slot zal met de realisatie van het planvoornemen zeer beperkt grondroerende werkzaamheden plaatsvinden. Archeologisch onderzoek kan derhalve redelijkerwijs achterwegen blijven. 6.12.3
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kunnen de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt.
met name antennes en hoogspanningslijnen van belang, aangezien dit vaste objecten zijn. In het kader van gezondheid en milieu is het bij nieuwe ontwikkelingen, waar sprake is van gevoelige gebouwen zoals woningen, scholen en kinderopvang, van belang dat er rekening wordt gehouden met magneetvelden. Dergelijke projecten moeten buiten een magneetveldzone liggen. De sterkte van elektromagnetische velden is het grootst dichtbij de bron en neemt af als de af stand tot de bron groter wordt. Voorzorgsbeleid magneetvelden Door de minister voor Klimaat en Energie is (samen met de toenmalig minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en in af stem-
6.13.2
Onderzoek
ming met de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
De ontwikkeling maakt geen trillinggevoelige gebouwen of trillinghinder
op 21 april 2023 een herijkt voorzorgsbeleid aan gemeenten, provincies
veroorzakende activiteiten mogelijk. Een nadere toetsing aan dit aspect
en netbeheerders gezonden inzake de gezondheidsrisico’s van mag-
kan daarom redelijkerwijs achterwege blijven.
neetvelden 4. De kern van het herijkte voorzorgbeleid voor magneetvelden is dat met de netbeheerders is af gesproken dat deze bronmaatre-
Conclusie
Voor het milieuaspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van f uncties aan locaties.
6.13
Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen (zoals woningen) in de buurt van spoorwegen moet het aspect trilling worden beoordeeld in het kader van een evenwichtige toedeling van f uncties aan locaties. Zo moet in beginsel binnen een af stand van 100 meter van een spoorweg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere af stand dan 100 meter bestaan.
Trillingen
6.13.1 Toetsingskader Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de f ysieke leef omgeving. De Omgevingswet beschermt (delen van) trillinggevoelige gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten (art. 5.80 Bkl). Hieronder vallen gebouwen met een woonf unctie, onderwijsf unctie, gezondheidszorgf unctie, bijeenkomstf unctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksf uncties.
6.13.3
Conclusie
gelen gaan tref f en om de sterkte en grootte van magneetvelden zo veel
Voor het milieuaspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toede-
mogelijk te beperken. Het beleidsadvies is erop gericht om zoveel als re-
ling van f uncties aan locaties.
delijkerwijs mogelijk te voorkomen dat mensen langdurig worden bloot-
6.14
6.14.1
Elektromagnetische straling Toetsingskader
Elektromagnetische velden Magnetische velden ontstaan bij het transport en het gebruik van elektriciteit/stroom. Voorbeelden van voorzieningen die zorgen voor elektromagnetische velden zijn antennes, hoogspanningslijnen, mobiele telef oons en elektrische apparaten. De kracht van het elektromagnetische veld kan per voorziening verschillen. In het kader van de planologie zijn
gesteld aan magneetvelden die af komstig zijn van elektriciteitsinf rastructuur en die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla 5. De waarde van 0,4 microtesla geldt als gemiddelde voor een heel jaar. Tijdens dat jaar kan de veldsterkte regelmatig boven en onder de waarde van 0,4 microtesla komen. Het is een waarde uit voorzorg, die alleen van toepassing is bij bovengrondse hoogspanningslijnen. Daarnaast wordt in het advies geadviseerd om bij een ligging nabij een bovengrondse hoogspanningslijnen een magneetveldzone te berekenen. Op basis van deze berekening kan worden bekeken hoeveel gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone liggen.
4 5
https://www.kennisplatform.nl/verschil-tussen-limiet-100-microtesla-grens-0-4-microtesla/ https://www.infomil.nl/publish/pages/86406/beleidsadvies_vrom_2005_1.pdf
Zonnepark De Vorst te Boxtel
36
aantrekking, wat kan leiden tot uitputting en sterf te. Kunstmatige verlich6.14.2
Onderzoek
ting kan ook f ungeren als barrière voor dierlijke verplaatsingen. Deze
Uit onderzoek van het RIVM over gezondheid en elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid
van transf ormatorstations 6 is ge-
negatieve ef f ecten hebben niet alleen individuele gevolgen maar kunnen ook de instandhoudingsdoelstellingen van bepaalde soorten aantasten.
concludeerd dat de sterkte van de velden af neemt wanneer de af stand
Daarnaast kan kunstmatige verlichting leiden tot horizonvervuiling of het
tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 μT (jaargemid-
verminderen van de donkerte op grotere af standen, zoals het zichtbaar
delde) wordt bereikt op een af stand van 7 meter van het transf ormator-
zijn van verlichte objecten in een open landschap tot wel 5 à 10 kilome-
station. Dit wordt door de Rijksoverheid als grenswaarde aangenomen
ter.
bij situaties van langdurige blootstelling. Aangezien er geen woningen zijn gelegen op een af stand van minder dan 7 meter, maar de af stand
Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten af wegen.
tot bestaande woningen in de omgeving vele malen groter is, is nader
Het Bkl bevat daarom geen Rijksinstructieregels voor lichthinder, met
onderzoek op elektromagnetische straling niet noodzakelijk. Gelet op de
uitzondering van rijksregels voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen,
relatief ruime af stand van woningen tot het plangebied zal er voor de
opgenomen in artikel 4.790 van het Bal.
omliggende woningen geen verslechtering plaatsvinden van het woon6.15.2
en leef klimaat.
Onderzoek
In het projectgebied zelf zijn geen f uncties en voorzieningen aanwezig, 6.14.3
Conclusie
die lichthinder veroorzaken. Onderhavig initiatief maakt geen nieuwe
Vanuit het milieuaspect elektromagnetische straling is er sprake van een
f uncties mogelijk die gevoelig zijn voor lichthinder. Ook worden er geen
evenwichtige toedeling van f uncties aan locaties.
f uncties mogelijk gemaakt, die tot lichthinder voor de omgeving leiden.
6.15
Wanneer een zonnepark in de buurt van een weg of woningen ligt, is het
6.15.1
Lichthinder en reflectie Toetsingskader
Er zijn diverse locaties met kunstmatige verlichting, waaronder (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. Deze verlichting kan verschillende negatieve ef f ecten veroorzaken. Zo kunnen mensen hinder ondervinden wanneer ze zich niet kunnen onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl ze daar wel behoef te aan hebben, bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Licht van objecten langs (rijks)wegen, zoals een reclamezuil, kan ook hinder veroorzaken en daarmee onveilige situaties creëren. Verder kan kunstmatige verlichting in de nacht het gedrag van dieren beïnvloeden, met mogelijke gevolgen zoals desoriëntatie, af stoting of
6
mogelijk dat deze voor enige vorm van lichthinder wegens ref lectie zorgt. Voor onderhavig planvoornemen geldt dat het volledige plangebied omsloten door een struweelhaag van circa 4m hoog. De enkele woningen gesitueerd aan de oost- en zuidzijde liggen op tenminste 50(+)m af stand. Redelijkerwijs kan eventuele hinder vanwege ref lectie daarom op voorhand worden uitgesloten. 6.15.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect lichthinder en ref lectie is er sprake van een evenwichtige toedeling van f uncties aan locaties.
RIVM-rapport 609300011/2009. Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen
Zonnepark De Vorst te Boxtel
37
7
Participatie
•
7.1
Participatieplan
•
Er zijn zorgen geuit over de geluidshinder af komstig van eventuele
•
Enkele bewoners plaatsen vraagtekens bij de relevantie van zonne-
batterijen en omvormers.
parken in zijn algemeen voor de toekomst, gezien de technische in-
Er wordt verzocht om geen gemotoriseerde maaimachines te ge-
novaties en capaciteitsproblemen in het stroomnet.
bruiken, maar om bijvoorbeeld schapen in te zetten voor het beheer
Novar heef t een helder participatieplan uitgestippeld om stakeholders te
van het gras.
N.a.v. de input tijdens de keukentaf elgesprekken is er een landschaps-
Er zijn suggesties gegeven om de bestaande sloot langs de Vorst te
ontwerp opgesteld. Tijdens een buurtbijeenkomst is dit ontwerp door
verbreden en het waterbeheer te verbeteren door bijvoorbeeld een
BRO gepresenteerd en besproken met de omwonenden. Tijdens deze
blusvijver aan te leggen.
bijeenkomst zijn er verschillende opmerkingen gemaakt door bewoners
De wens bestaat dat de ingang, transf ormatorhuizen, batterijopstel-
en verzoeken gedaan om aanpassingen aan het ontwerp te doen. N.a.v.
ling en de aanrijroute aan de noordzijde van het projectgebied gesi-
hiervan zijn er nog enkele aanpassingen aan het ontwerp gedaan. Niet
en Onderbouwd.
tueerd wordt om de rust in de omgeving te behouden. Bovendien
alle wensen van bewoners zijn uiteindelijk ingewilligd. Wat en waarom
wordt hier de aansluiting gezocht met de toegangsweg van Green-
niet is aan hen teruggekoppeld.
7.1.1
tech, zodat deze ontwikkelingen op elkaar aan kunnen sluiten.
betrekken in de planvorming. Er zijn keukentaf elgesprekken gevoerd met alle huishoudens rond het plangebied om input op te halen en
•
daarna is er een buurtbijeenkomst georganiseerd om het plan dat daaruit voort is gekomen met hen te bespreken. Ook zijn omliggende grondeigenaren geïnf ormeerd, is het waterschap vroegtijdig betrokken en is er
•
contact gelegd met bewonersinitiatieven zoals CROLL en Gemotiveerd
Procesparticipatie
Er zijn zorgen geuit over de impact van lichtref lectie af komstig van
7.1.2
de zonnepanelen, vooral voor de omwonenden met dieren zoals
Novar staat open voor lokaal eigendom. In een vroeg stadium (2023)
paarden.
heef t Novar al contact gezocht met lokale energie coöperaties om de
De wens bestaat om bewoners en belanghebbende inspraak te ge-
mogelijkheden daartoe te bespreken. Er is nog geen lokale coöperatie
naamde keukentaf elgesprekken, zijn reeds verschillende punten ken-
ven in de planning van de bouwf ase en dat bewoners en belangheb-
die het voor hen haalbaar acht om f inancieel in het project te stappen.
baar gemaakt. Deze punten zijn van toepassing op verschillende aspec-
bende op de hoogte worden gehouden van belangrijke updates.
Tijdens de verschillende participatieactiviteiten die zijn georganiseerd
Tijdens de procesparticipatie zijn bewoners en belanghebbende betrok-
•
ken bij de beoogde planvorming en de verdere uitwerking daarvan. Uit een eerste inventarisatie bij bewoners en belanghebbende, de zoge-
•
voor bewoners (ook voor project de Beerze) is geïnf ormeerd over hoe
ten van het zonnepark. Navolgend zijn de punten beschreven: • • • •
De wens bestaat voor brede en goed onderhouden groenstroken
Verder zijn er tijdens de keukentaf elgesprekken ook reeds enkele be-
lokaal eigendom werkt en opgeroepen om hierover mee te denken. Hier
rond de panelen om het zicht op het zonnepark te beperken.
zwaren en vraagtekens kenbaar gemaakt over het planvoornemen:
is weinig respons op gekomen. De mogelijkheid voor de lokale omge-
De wens bestaat dat de beplanting volwassen is en dat er grotere
•
Veel omwonenden geven aan tegen de komst van het zonnepark te
ving om mede-eigenaar te worden blijf t open staan gedurende de ge-
bomen en struiken worden aangeplant.
zijn vanwege de impact op het landschap en agrarische gronden.
hele ontwikkeling van het park. Mocht het de omgeving niet lukken, of
Er wordt gevraagd om vooraf gaand aan de aanleg van de zonnepa-
Daarbij is er f rustratie over het beleid van de gemeente Boxtel,
als de wens er niet is, dan organiseert Novar andere vormen van f inan-
nelen al het groen te plaatsen zodat het voldoende volgroeid is.
waarbij eerst daken zouden moeten worden benut voordat land-
ciële participatie. De gemeente ondersteunt actief de communicatieacti-
Er zijn zorgen geuit over de impact van het zonnepark op de biodi-
bouwgrond wordt gebruikt.
viteiten die nodig zijn om de participatie varianten onder de aandacht te
Veel bewoners uiten zorgen over de potentiele waardedaling van
brengen en de lokale voorkeur vast te leggen. Er zijn 3 vormen van par-
hun woningen door de komst van het zonnepark.
ticipatiemogelijkheden:
Er zijn verzoeken ingediend om f inancieel gecompenseerd te wor-
1.
versiteit. Daarom wordt gevraagd om voldoende open ruimte tussen
•
de panelen te behouden om de groei van f lora en f auna te bevorde•
ren. •
Financiële participatie
Lokaal eigenaarschap; de initiatief nemer zet zich maximaal in om de
Er wordt gevraagd om het leef gebied voor wild, zoals reeën, hazen
den dan wel een vergoeding te ontvangen voor de tijd en energie
lokale omgeving (binnen de gemeente Boxtel) rechtstreeks f inanci-
en vogels te behouden.
die bewoners en belanghebbende stoppen in de participatie.
eel mee te laten participeren in het bouwplan tot 50% via een lokale
Er wordt verzocht meer inspraak te krijgen in het ontwerp en in de
energiecoöperatie;
•
inpassingsmaatregelen.
Zonnepark De Vorst te Boxtel
38
2.
Ter waarborg kan de gemeente bij onvoldoende lokaal eigenaarschap (als hiervoor onder 1 beschreven) ervoor kiezen zelf direct te investeren in het bouwplan, middels het verkrijgen van aandelen in het projectvennootschap van de initiatief nemer tot 50% van de aandelen;
3.
Donatie: Indien lokaaleigenaarschap niet mogelijk blijkt vanwege onvoldoende interesse en draagvlak uit de directe omgeving en de gemeente er niet voor kiest om zelf direct te investeren, dan biedt de initiatief nemer de mogelijkheid om een donatie te doen aan een lokaal omgevingsf onds ter verduurzaming van de lokale omgeving of t.b.v. de inwoners van de gemeente.
Deze 3 vormen van participatiemogelijkheden zijn tevens geborgd in de AOK. Daarnaast is er een omwonendenregeling voor direct omwonenden. Hierover zijn bewoners geïnf ormeerd en zij zijn uitgenodigd om samen verder te denken over de invulling hiervan.
Zonnepark De Vorst te Boxtel
39
8 8.1
Financiële en maatschappelijke verantwoording Financieel-economische haalbaarheid
Terinzagelegging Na beoordeling stelt het college een ontwerpbesluit op. Dit ontwerpbesluit, samen met de aanvraag en bijbehorende stukken, wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Deze f ase maakt onderdeel uit van de unif orme openbare voorbereidingsprocedure (UOV) zoals geregeld in af deling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tijdens deze inzagetermijn kunnen belanghebbenden zienswijzen indienen op het ont-
Tussen gemeente en initiatief nemer is een anterieure overeenkomst ge-
werpbesluit. De ingediende zienswijzen worden vervolgens beoordeeld
sloten waarmee de f inanciële uitvoerbaarheid van het plan is gewaar-
en verwerkt in een reactienota. Op basis hiervan stelt het college het de-
borgd.
f initieve besluit vast, dat opnieuw bekend wordt gemaakt via het Gemeenteblad.
8.2
8.2.1
Maatschappelijke verantwoording Procedure omgevingsvergunning
De aanvraag om de omgevingsvergunning heef t onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in af wijking van het geldend bestemmingsplan. In deze paragraaf wordt de procedure rondom de omgevingsvergunning toegelicht. Voor de onderhavige ontwikkeling is de uitgebreide procedure van toepassing (initiatief Novar), zoals bedoeld in artikel 16.65 van de Omgevingswet. Deze procedure wordt gevolgd wanneer sprake is van een
Beroep / hoger beroep Tegen het def initieve besluit staat rechtstreeks beroep open bij de rechtbank. In tegenstelling tot de reguliere procedure is er bij de uitgebreide procedure geen bezwaarprocedure vooraf gaand aan het beroep. Belanghebbenden kunnen binnen zes weken na bekendmaking beroep instellen. Indien gewenst kan vervolgens hoger beroep worden ingesteld bij de Af deling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze rechtsgang biedt belanghebbenden de mogelijkheid om het besluit juridisch te laten toetsen.
buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor een af wijking van het geldende omgevingsplan noodzakelijk is, of wanneer de aard en omvang van het initiatief een bredere belangenaf weging vereist. De procedure start met het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning bij het college van burgemeester en wethouders, vergezeld van alle benodigde stukken, waaronder het ruimtelijk plan, onderbouwingen, onderzoeksrapporten en het participatieverslag. Na ontvangst wordt de aanvraag beoordeeld op volledigheid en ontvankelijkheid.
Zonnepark De Vorst te Boxtel
40
Separate bijlagen Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Quickscan flora en fauna Bijlage 3: Weging van het waterbelang Bijlage 4: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 5: Technische tekeningen zonnepark Bijlage 6: Technische tekeningen batterij Bijlage 7: Kwaliteitsbijdrage
Amsterdam Nachtwachtlaan 20 1058 EA Amsterdam +31 (0)20 506 19 99
‘s-Hertogenbosch Willemsplein 2 5211 AK ’s-Hertogenbosch +31 (0)73 208 91 55
Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 info@bro.nl www.bro.nl