Bijlage 4.7b - Bijlage bij toelichting - Quickscan Wet natuurbescherming Venstraat 2
Tekst van het document
RAPPORTAGE uitbreiding quickscan Wet natuurbescherming Venstraat 2 Sint-Michielsgestel
Rapportage uitbreiding quickscan Wet natuurbescherming Venstraat 2, Sint-Michielsgestel Opdrachtgever
Van Hoven & Oomen Postbus 50 4850 AB Ulvenhout
Rapportnummer
16921.012
Versienummer
D2
Status
Eindrapportage
Datum
17 januari 2023
Opsteller
Mevrouw M.M.A. van Haaren, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole Paraaf
De heer drs. A.N. de Keijzer
Daarom Econsultancy KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING.............................................................................................................................. 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 7
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 8
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ............................................................................ 9 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ............................................................ 12 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels........................................................................................................................................... 12 Vleermuizen ................................................................................................................................. 15 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 19 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 22 Ongewervelden ............................................................................................................................ 23 Planten ......................................................................................................................................... 24
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING................................................................................................ 25 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
7
Zorgplicht ....................................................................................................................................... 9 Soortenbescherming ...................................................................................................................... 9 Gebiedenbescherming ................................................................................................................. 10 Houtopstanden ............................................................................................................................ 11
Broedvogels.................................................................................................................................. 25 Vleermuizen ................................................................................................................................. 26 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 27 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën.................................................................. 28 Overige soort(groep)en................................................................................................................ 29
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 30 7.1 7.2
Natura 2000 ................................................................................................................................. 30 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 31
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 33
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES............................................................................................................ 34
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst
16921.012
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Van Hoven & Oomen opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Venstraat 2 te Sint-Michielsgestel. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek. Econsultancy heeft een quickscan uitgevoerd in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, namelijk bij de Venstraat 1 te Sint-Michielsgestel (zie rapportage 16921.003, D1, d.d. 15 september 2021). Deze huidige quickscan betreft een uitbreiding van de eerder uitgevoerde quickscan.
1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 4.965 m²) ligt aan de Venstraat 2, te Sint-Michielsgestel. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De landelijk gelegen onderzoekslocatie is bebouwd met vier opstallen. Aan de Venstraat 2 ligt een boerderij (opstal 2) die momenteel in gebruik is als woning. Ten noordoosten van de boerderij (opstal 2) staat een schuur (opstal 1). Ten noordwesten van de boerderij (opstal 2) staat opstal 3 welke bestaat uit een oud gedeelte en een aangebouwd gedeelte. Het oude gedeelte bestaat uit een schuur en een bakhuis, het overige gedeelte bestaat uit een aangebouwde carport en een voormalige varkensstal. Ten westen van de boerderij bevindt zich opstal 4, welke een kippenhok betreft. Zie figuur 2.3 voor een overzicht van de opstallen. De schuur (zie figuur 2.3, opstal 1) bestaat uit twee bouwlagen, is opgetrokken uit baksteen en heeft een wolfsdak bekleed met dakpannen. Er zijn diverse scheve en missende dakpannen op het dak en openingen bij de
2
dakrand. De tweede bouwlaag bestaat uit een hooizolder. De vloer van de hooizolder is van hout. Er zijn openingen (gleuven) aanwezig onder de ramen. In de opstal staan diverse oude materialen opgeslagen. De boerderij (opstal 2) is momenteel in gebruik als woning. De boerderij bestaat uit twee bouwlagen, is opgetrokken uit baksteen en heeft een wolfsdak bekleed met dakpannen. Aan de noordwestzijde van het dak is een dakgoot aanwezig. Eveneens is er een schoorsteen bovenop het dak aanwezig. De aangebouwde carport behorende bij opstal 3, is opgetrokken uit hout en heeft een golfplaten zadeldak. De voormalige varkensstal gelegen aan de zuidkant van opstal 3, is opgetrokken uit baksteen en beschikt over een zadeldak met dakpannen. Er zijn grote gaten aanwezig in het dak. Er is een zolder aanwezig, gescheiden van de begaande grond doormiddel van piepschuim isolatie platen. Onder de ramen zijn ruimtes aanwezig die ook toegang tot de schuur geven. Het oude gedeelte van opstal 3, de schuur en het bakhuis, heeft een zadeldak bedekt met dakpannen. Aan de binnenzijde van de schuur bevinden zich houten balken. De vloer bestaat uit een betonnen rooster. Het kippenhok (opstal 4) is opgetrokken uit hout en heeft een dakpannen zadeldak. Er zijn veel ramen aanwezig aan de lange zijde van de opstal. In de westhoek van de onderzoekslocatie is een bosschage aanwezig.
Hierin zijn veel jonge bomen, bladeren, en diverse hopen oud bouwmateriaal en snoeiafval aanwezig. De onderzoekslocatie is onderdeel van de lintbebouwing rondom Sint-Michielsgestel. De onderzoekslocatie wordt omgeven door agrarische percelen zoals wijngaarden en maïsvelden. Op circa 210 meter ten westen van de onderzoekslocatie ligt een grotere bosschage. Op circa één kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie loopt rivier De Dommel. Op circa twee kilometer ten noorden van de onderzoekslocatie ligt het landgoed Pettelaar waaraan de Zuiderplas grenst. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.4 t/m figuur 2.18 geven een impressie van de onderzoekslocatie, die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
3
Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
4
Figuur 2.3 Topografische kaart onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 2.4 Schuur (opstal 1) gezien vanaf het oosten.
Figuur 2.5 Binnenzijde schuur (opstal 1).
Figuur 2.6 Schuur (opstal 1) gezien vanaf het westen.
5
Figuur 2.7 Boerderij (opstal 2) gezien vanaf het noordwesten.
Figuur 2.8 Boerderij (opstal 2) gezien vanaf het oosten.
Figuur 2.9 De carport behorende bij opstal 3.
Figuur 2.10 Voormalige varkensstal behorende bij opstal 3.
Figuur 2.11 Binnenzijde voormalige varkensstal behorende bij opstal 3.
Figuur 2.12 Binnenzijde voormalige varkensstal behorende bij opstal 3.
Figuur 2.13 Binnenzijde schuur behorende bij opstal 3.
Figuur 2.14 Binnenzijde schuur behorende bij opstal 3.
Figuur 2.15 Buitenzijde schuur en bakhuis (oude gedeelte) behorende bij opstal 3.
Figuur 2.16 Buitenzijde kippenhok (opstal 4) gezien vanaf het oosten.
Figuur 2.17 Oostzijde van het kippenhok.
Figuur 2.18 Bosschage in de westhoek van de onderzoekslocatie.
6
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens de schuur (opstal 1) te ontwikkelen tot een woning. De boerderij (opstal 2) blijft een woning. Het oude gedeelte van opstal 3 (de schuur en het bakhuis) blijft gehandhaafd, de aangebouwde carport en de voormalige varkensstal zullen worden gesloopt. Het kippenhok (opstal 4) blijft gehandhaafd. Het groen op de onderzoekslocatie blijft ook gehandhaafd. De opdrachtgever heeft aangegeven dat er geen ingrepen of werkzaamheden zullen gaan plaatsvinden bij opstal 2, het oude gedeelte van opstal 3 en bij opstal 4.
7
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 30 november 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Tijdens het veldbezoek zijn opstallen 1, 3 en 4 betreden. De zolders van opstal 1 en opstal 3 zijn echter niet geïnspecteerd, deze zolders waren niet (veilig) toegankelijk. Ve nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
8
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen).
Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
4.1 Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht.
4.2 Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
9
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
4.3 Gebiedenbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.
Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
10
Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 21 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de Natuurnetwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
4.4 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
11
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
5.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn en hierdoor een jaarrond beschermde status hebben. Uit verspreidingsgegevens uit het NDFF-uitvoerportaal zijn er in de afgelopen 5 jaar in een straal van 3 kilometer de volgende jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen: gierzwaluw, huismus, slechtvalk, steenuil, kerkuil, grote gele kwikstaart, ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en roek. De gierzwaluw broedt doorgaans onder nissen van daken, onder (overhangende) kant- en nokpannen en in andere geschikte openingen op en rondom het dak of in de gevel. Gierzwaluwen hebben een vrije in- en uitvliegroute nodig met betrekking tot de nestlocatie met een minimale ruimte van drie meter diep en één meter breed. Het veldbezoek is uitgevoerd buiten het broedseizoen van de gierzwaluw. De onderzoekslocatie wordt niet gezien als geschikte broedlocatie voor gierzwaluwen door het ontbreken van vrije uitvliegroutes bij de openingen bij de dakpannen en de geringe hoogte van enkele openingen bij de dakgoten van de bebouwing op de onderzoekslocatie. Gierzwaluwen prefereren broedlocaties op hoogte en komen met voorkeur tot broeden in kolonieverband. Om deze reden wordt nader onderzoek naar nestlocaties van gierzwaluwen niet noodzakelijk geacht.
De huismus broedt doorgaans onder nissen van daken, onder (overhangende) dakpannen en in andere geschikte openingen op en rondom het dak of in de gevel. Het functionele leefgebied van de huismus bestaat uit verschillende elementen die in een straal van 100 á 200 meter rondom het nest aanwezig dienen te zijn. Jaarrond groene hagen, gevelbegroeiing of grote struiken zijn essentieel om als dekking te functioneren voor uitvliegende jongen. Daarnaast voorzien zij in voedsel en functioneren als collectieve sociale- en winterverblijfplaats voor huismussen. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen huismussen op en rondom de onderzoekslocatie waargenomen. Bij opstal 1 zijn ruimtes aanwezig in de noordgevel, bij de dakrand en missende of scheefliggende dakpannen. Bij opstal 2 zijn ruimtes aanwezig bij de dakgoot en de eerste rij dakpannen. Bij opstal 3 zijn missende of scheefliggende dakpannen aanwezig. Bij opstal 4 zijn er ruimtes aanwezig bij de dakrand. Deze ruimtes in de bebouwing
12
op de onderzoekslocatie kunnen als mogelijke nestlocatie voor de huismus functioneren. Nader onderzoek naar potentiële nestlocaties van de huismus wordt noodzakelijk geacht in het kader van de voorgenomen werkzaamheden (zie hoofdstuk 6). De slechtvalk broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals torens, kantoorgebouwen en fabrieksschoorstenen. Dit is niet aanwezig op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving, waardoor het redelijkerwijs uit te sluiten is dat deze soort broedt op de onderzoekslocatie en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. De steenuil en kerkuil hebben de voorkeur voor halfopen tot open cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. De soorten broeden regelmatig in allerlei natuurlijke holtes van bomen en in rustige hoekjes of nissen van gebouwen of schuren, maar broeden in Nederland ook vooral in speciale nestkasten. Tevens maken de soorten gebruik van roestplaatsen om vanaf te jagen. Bij opstal 1, opstal 2 en opstal 4 zijn geen voldoende grote openingen of gebruikssporen van uilen waargenomen waardoor een broedlocatie van kerkuil of steenuil in deze opstallen uitgesloten is. De overige aanwezige opstal 3, welke toegankelijk is voor uilen, is geïnspecteerd op gebruikssporen van uilen (met uitzondering van de zolder van de voormalige varkensstal), deze zijn niet waargenomen.
Echter was het niet mogelijk vanaf de begaande grond de gehele zolder te inspecteren. De zolder zou mogelijk geschikt kunnen zijn als broed en/of roestlocatie voor een steenuil of kerkuil. Nader onderzoek naar de steenuil en kerkuil wordt bij de voormalige varkensstal (opstal 3) noodzakelijk geacht. De grote gele kwikstaart nestelt graag bij stromend water in een nis in de muur, bij bomenwortels in natuurlijke oevers en onder bruggen. Dergelijk habitat is niet aanwezig op de onderzoekslocatie. Hierdoor kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de grote gele kwikstaart broedt binnen de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar de grote gele kwikstaart wordt niet benodigd geacht. De ooievaar broedt op hoge, torenvormige locaties, bijvoorbeeld bovenop nestpalen, op kerken, of in hoogspanningsmasten. De bebouwing is niet torenvormig en dergelijke structuren zijn ook niet aanwezig in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Er zijn geen nesten of nestsporen van de ooievaar aangetroffen nabij de onderzoekslocatie. Het gebruik van de onderzoekslocatie als broedlocatie voor de ooievaar kan hiermee uitgesloten worden en een nader onderzoek is niet benodigd. De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief zijn roofvogels die broeden in bossen of halfopen landschappen, vaak hoog in een boomkruin, waar ze grote nesten maken of hergebruiken.
Tijdens het veldbezoek zijn de bomen op de onderzoekslocatie en de bomen binnen 75 meter rondom de onderzoekslocatie geïnspecteerd op nesten. Op de onderzoekslocatie is één kraaiennest waargenomen op de onderzoekslocatie, welke mogelijk gebruikt zou kunnen worden door een roofvogel (zie volgende paragraaf). Er zijn enkele eksternesten buiten de onderzoekslocatie waargenomen, deze nesten waren ten tijde van het veldbezoek bolvormig, waardoor deze nesten naar alle waarschijnlijkheid niet in gebruik zijn door roofvogels, maar door de eksters zelf. Het is daarom voor deze vogelsoorten niet geheel op voorhand uit te sluiten dat deze op de onderzoekslocatie broeden en mogelijk een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van deze soorten wordt bij het kraaiennest op de onderzoekslocatie benodigd geacht (hoofdstuk 6).
13
De roek is een koloniebroeder. Deze soort maakt nesten in toppen van vaak vrijstaande, hoge groepen bomen. Voor het foerageren is de soort afhankelijk van graslanden in de omgeving. Binnen de onderzoekslocatie en in de directe omgeving zijn geen clusters van nesten aangetroffen, die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een roekenkolonie. Nader onderzoek naar de roek wordt niet benodigd geacht. Overige broedvogels De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie drie vogelnesten waargenomen. Twee nesten in bomen in het noordelijke gedeelte van de onderzoekslocatie en één nestje binnen in opstal 3 (de voormalige varkensschuur). Het meest noordelijke nest is naar alle waarschijnlijkheid gemaakt door een kraai. Rondom de onderzoekslocatie zijn vier vogelnesten waargenomen tijdens het veldbezoek (zie figuur 5.1). De nesten ten westen, ten oosten en ten zuiden van de onderzoekslocatie zijn naar alle waarschijnlijkheid van een ekster. Het nest ten zuiden van de onderzoekslocatie, gelegen verder dan 75 meter, is groot en zou mogelijk gebruikt kunnen worden door een roofvogel.
Wegens de afstand tot de onderzoekslocatie (>75 meter) wordt er door de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie geen verstoring verwacht met betrekking tot het nest. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie is voldoende broedgelegenheid voor broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen jaarrond beschermd is. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De bebouwing/beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals kauw en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
14
Figuur 5.1 Waargenomen vogelnesten in bomen binnen en rondom de onderzoekslocatie gedurende het veldbezoek.
5.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en gewone dwergvleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Bij opstal 1 zijn er op verscheidene plekken bij het dak openingen en scheefliggende dakpannen, waardoor de ruimte onder de dakpannen toegankelijk is voor vleermuizen (zie figuren 5.2 en 5.3). Bij opstal 2 (de boerderij), zijn eveneens scheve dakpannen en openingen bij de dakpannen aanwezig en luiken bij de ramen waar vleermuizen gebruik van zouden kunnen maken. Bij opstal 3 zijn in de voormalige varkensschuur vlindervleugeltjes gevonden, deze vleugeltjes kunnen wijzen op het gebruik van de opstal door de gewone grootoorvleermuis (zie figuur 5.5). De voormalige varkensstal (opstal 3) is toegankelijk voor vleermuizen via de grote gaten in het dak of bijvoorbeeld via de ventilatie opening. Bij de voormalige varkensstal zouden vleermuizen gebruik kunnen maken van de zolder via de losliggende/ontbrekende piepschuim isolatieplaten (zie figuur 5.6).
Bij het oude gedeelte van opstal 3, zijn ook geschikte openingen aanwezig bij de dakpannen en de dakrand (zie figuur 5.9). Binnen in opstal 4 is
15
een uitwerpsel van een gewone grootoorvleermuis aangetroffen (zie figuur 5.8). Er zijn geschikte openingen bij de dakpannen en de dakrand van opstal 4 aanwezig (zie figuur 5.7).
16
Figuur 5.2 Openingen bij dakpannen en de dakrand van opstal 1.
Figuur 5.3 Missende en scheefliggende dakpannen en openingen bij de dakrand van opstal 1.
Figuur 5.4 Openingen bij de dakpannen bij opstal 2.
Figuur 5.5 Eén van de vlindervleugeltjes gevonden in de voormalige varkensstal (opstal 3).
Figuur 5.6 Losse platen van de zolder bij de voormalige varkensstal (opstal 3).
Figuur 5.7 Openingen bij de dakrand en dakpannen van opstal 4.
17
Figuur 5.8 Uitwerpsel van een gewone grootoorvleermuis in opstal 4.
Figuur 5.9 Geschikte ruimtes bij de dakpannen en de dakrand bij het oude gedeelte van opstal 3.
De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, individueel winterverblijf, kraamverblijf en als baltsverblijf (zie hoofdstuk 6). De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn voornamelijk jonge bomen zonder holtes. De bomen rondom de bebouwing zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen.
Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen aangezien het groen behouden blijft en in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de bosschage op circa 210 meter ten westen van de onderzoekslocatie en de omliggende agrarische percelen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De bomenrijen gelegen aan de randen van de onderzoekslocatie zouden als vliegroute kunnen fungeren. Door het treffen van maatregelen kan verstoring op voorhand worden voorkomen (zie hoofdstuk 6).
18
5.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de verspreidingsatlas ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, damhert, das, eekhoorn, bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter en waterspitsmuis. De bever is gebonden aan waterrijke landschapstypen waarbij overgangsgebieden tussen land en water zoals in moerassen, beken, rivieren en meren de voorkeur genieten. De aanwezigheid van (loof)bomen is een belangrijk onderdeel voor de bever aangezien dit een belangrijke voedselbron is en tevens een functie vervult in het maken van vaste rust- en verblijfplaatsen. Holen en burchten zijn verblijfplaatsen waar bevers gebruik van maken. Wegens het ontbreken van wateroppervlakten op en nabij de onderzoekslocatie en de afwezigheid van sporen van de bever, wordt nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van de bever niet noodzakelijk geacht. Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, minder vaak in uitgestrekte naaldbossen.
Hij heeft een voorkeur voor oudere bossen met een dichte onderbegroeiing. Belangrijk is dat er voldoende gras is. Ook komt hij voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden. Gezien het ontbreken van dit type habitat op de onderzoekslocatie wordt nader onderzoek naar het damhert niet noodzakelijk geacht. De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen burchten, vluchtpijpen, snuitputjes, loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Nader onderzoek naar de das wordt niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten.
Er is een nest van eekhoorns aangetroffen buiten de onderzoekslocatie, gelegen in een boom op circa 15 meter ten noorden van de onderzoekslocatie (figuren 5.10 en 5.11).
19
Figuur 5.10 Eekhoornnest.
Figuur 5.11 Locatie eekhoornnest.
De eekhoorn komt in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. Tijdens het veldbezoek is een eekhoorn waargenomen in de bosschage op de onderzoekslocatie. Deze soort kan zich doorgaans goed handhaven wanneer er voldoende verbindende groene elementen aanwezig zijn en er genoeg voedsel te vinden is. De onderzoekslocatie is onderdeel van de lintbebouwing rondom Sint-Michielsgestel, groene verbindingen waar de eekhoorn gebruik van kan maken zijn aanwezig rond de onderzoekslocatie. In de bomen rondom de onderzoekslocatie is daarnaast een nest van een eekhoorn aangetroffen. De aanwezigheid van een actieve vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn op circa 15 meter van de onderzoekslocatie kan niet op voorhand worden uitgesloten (hoofdstuk 6). De bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) en steenmarters komen voor in verschillende landschapstypen, maar de voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. De kleine marterachtigen en steenmarter zijn sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden.
Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden. Op de onderzoekslocatie zijn landschapselementen aanwezig die met elkaar in verbinding staan. Kleine marterachtigen maken een schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld muis, konijn en mol, maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. In de voormalige varkensstal (opstal 3) zijn sporen aangetroffen van muizen, zoals vraatsporen. Ook zijn er op de onderzoekslocatie steenhopen en takkenhopen aanwezig (zie figuren 5.12 en 5.13), welke door kleine marterachtigen gebruikt kunnen worden als verblijfplaats. De steenmarter gebruikt boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen en ook menselijke bebouwing zoals oude schuren, zolders, spouwmuren en ruimtes onder dakbedekking als verblijfplaats. Op de onderzoekslocatie zijn oude schuren, zoals de voormalige varkensstal (opstal 3), de carport (opstal 3) en het kippenhok (opstal 4) aanwezig die toegankelijk zijn voor steenmarters (zie figuren 5.14 en 5.15). Gezien het aanwezig zijn van voldoende schuilmogelijkheid en geschikte voortplantingslocaties zijn negatieve effecten voor kleine marterachtigen en steenmarters, als gevolg van de voorgenomen ingreep, niet op voorhand uit te sluiten.
Nader onderzoek naar de steenmarter en kleine marterachtigen wordt noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6).
20
Figuur 5.12 Stenenhoop op de onderzoekslocatie.
Figuur 5.13 Takkenhoop op de onderzoekslocatie.
Figuur 5.14 Openingen aan de achterzijde van de carport (opstal 3).
Figuur 5.15 Geschikte opening bij deur kippenhok (opstal 4).
De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Ook wordt hij veelvuldig aangetroffen langs de binnenduinrand, natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig is en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. Bovendien moet er in de oevers voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. Wegens het ontbreken van water op en in de directe nabijheid van de onderzoekslocatie wordt nader onderzoek naar de waterspitsmuis niet noodzakelijk geacht. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen worden vergraven (zie hoofdstuk 6).
21
5.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen streng beschermde reptielen waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Nader onderzoek naar reptielen op de onderzoekslocatie wordt niet nodig geacht. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende streng beschermde soorten waargenomen: heikikker, kamsalamander, poelkikker en alpenwatersalamander. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. Ook wordt de soort gemeld uit bos en struweel, een belangrijke habitat voor de populaties uit de Vijfheerenlanden en het Kromme Rijngebied. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing.
Wegens het ontbreken van het voorkeurshabitat en de aanwezigheid van bebouwing is de onderzoekslocatie is het onwaarschijnlijk dat de heikikker voorkomt op de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar de heikikker wordt niet noodzakelijk geacht. Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor. Wegens het ontbreken van voortplantingswater in de direct omgeving is de onderzoekslocatie en akkerbouwgebieden rondom de onderzoekslocatie, vormt de onderzoekslocatie naar alle waarschijnlijkheid geen geschikt habitat voor de kamsalamander. Nader onderzoek naar de kamsalamander wordt niet noodzakelijk geacht. De poelkikker is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Dit type habitat komt op de onderzoekslocatie niet voor. Nader onderzoek naar de poelkikker wordt niet noodzakelijk geacht.
De Alpenwatersalamander is niet kieskeurig wat betreft zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Alpenwatersalamanders overwinteren voornamelijk op het land. Er zijn ook waarnemingen van kleine aantallen dieren die de hele winter in het water verblijven. De soort komt vaak voor in de buurt van bos en/of houtwallen. Hij heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met
22
heggen en struwelen. Gezien het ontbreken van voortplantingswater op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving en gezien dat de alpenwatersalamander eenmaal is waargenomen op 2,8 km ten noordoosten van de onderzoekslocatie is het onwaarschijnlijk dat de alpenwatersalamander gebruik maakt van de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar de alpenwatersalamander wordt niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting en onder de stenen- en takkenhopen in de bosschage. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). Vissen Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende streng beschermde vissen waargenomen: grote modderkruiper. De grote modderkruiper gedijt het liefst in smalle ondiepe en slibrijke watergangen. Uitbundige submerse en emerse vegetatie in de watergangen wordt geprefereerd. Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
5.5 Ongewervelden Libellen Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende streng beschermde libellen waargenomen: gevlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel en beekrombout. Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Voor libellen geldt dat water nodig is voor de voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende streng beschermde vlinders waargenomen: teunisbloempijlstaart, grote vos en iepenpage. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten.
Geschikte, meer algemene, waardplanten voor beschermde vlindersoorten als iepenpage (iep), teunisbloempijlstaart (wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart), grote vos (iep, zoete kers en sommige wilgensoorten) en grote weerschijnvlinder (boswilg en grauwe wilg) zijn op de onderzoekslocatie niet in voldoende aantallen aanwezig om van belang te zijn voor een
23
eventueel aanwezige populatie vlinders. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
5.6 Planten Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende streng beschermde vaatplanten waargenomen: blauw guichelheil, bokkenorchis, groot spiegelklokje, knolspirea en wilde ridderspoor. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn onder andere de volgende planten waargenomen: braam, hulst, klimop, berk, esdoorn, eik en beuk. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en vochtig is. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde vaatplanten en daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. De beschermde planten die volgens de NDFF binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie voor komen zijn gezien op meer dan twee kilometer afstand van de onderzoekslocatie. De opdrachtgever heeft aangegeven dat het groen op de onderzoekslocatie gehandhaafd blijft. Blauw guichelheil is een zuidelijke soort die sporadisch in ons land groeit, het meest op kalkrijke grond in ZuidLimburg. Daar verkiest ze zonnige, matig droge tot vochtige, matig stikstofrijke, matig voedselrijke zand-leemof mergelbodems.
Bokkenorchis staat op zonnige tot half beschaduwde, matig droge tot vochtige, warme, voedsel- en stikstofarme, basen- en kalkrijke, humushoudende zandgrond en mergel. De grote, forse planten groeien in lage duinstruwelen en duingraslanden, aan bos- en struweelranden, in kalkgraslanden en bermen, op dijken en in hooilanden. De soort is zeer zeldzaam in de kalkrijke duinen, in Zeeland en in Zuid-Limburg. Groot spiegelklokje staat op open, zonnige, vochtige, stikstofarme, matig voedselrijke bodems (zowel op zand, zavel, leem, lichte klei als löss en mergel). Ze groeit op zandige stroomruggen in rivierdalen, op open plekken van dijken en bermen, in graanakkers, op stoppelvelden en braakliggende terreinen. Ook wordt ze adventief - en spoorwegterreinen. Knolspirea staat op zonnige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, niet bemeste, vrij droge tot vochtige, neutrale, vaak kalkhoudende, stikstofarme leem-, löss- en mergelbodems met een wisselende waterstand. Ze groeit in kalkgraslanden, op heiden op basische rotsbodem, in bermen en in boszomen. Wilde ridderspoor is te vinden op matig voedselrijke kalkhoudende zandige klei in wintergraanakkers en op ruderale omgewerkte terreinen op kalkgrond. Het is adventief op plekken waar graan wordt overgeslagen en komt voor op stroomruggen. Deze bodemtypes en geschikte groeiomstandigheden komen op de onderzoekslocatie niet voor.
Nader onderzoek naar beschermde plantensoorten wordt niet noodzakelijk geacht.
24
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.
6.1 Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels Huismus De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. Steenuil en kerkuil De steenuil en kerkuil en hun leefgebied zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soorten staan tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn.
De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantings De nesten van kerkuilen zijn eveneens het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 3 Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar De steenuil heeft twee relevante typen verblijfplaatsen. Dit zijn: de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is. Steenuilen gebruiken hun nestplek ook buiten de voortplantingsperiode. Ze hebben daarnaast ook andere plekken op het erf die ze regelmatig gebruiken. Dit ook om parasietinfecties tegen te gaan. Het mannetje gebruikt een verblijfplek in de directe omgeving van het nest als het vrouwtje aan het broeden is. Overdag verblijven de
25
uilen tijdens rustperioden vaak op vaste roestplekken. Dit doen ze in de dekking van beplanting of gebouwen of in de nestholte. Al deze plekken worden niet gerekend tot de vaste rustplaatsen, maar zijn wel onderdelen van de functionele leefomgeving die hoort bij het nest (BIJ12, 2017). De steenuil en kerkuil kunnen mogelijk gebruik maken van de zolder van opstal 3. Dit gebruik is op voorhand niet uit te sluiten omdat mogelijke braakballen of andere sporen op de niet (veilig) te betreden zolder aanwezig kunnen zijn. Hierdoor wordt nader onderzoek naar deze soorten bij opstal 3 noodzakelijk geacht. Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief Het kraaiennest dat zich bevindt in een boom op de onderzoekslocatie zou mogelijk gebruikt kunnen worden door roofvogels. Voor de verstoringsafstand van nesten in gebruik door roofvogels wordt een afstand van 75 meter aangehouden, volgens het BIJ12 kennisdocument van de buizerd. Door deze verstoringsafstand is het belangrijk om door middel van nader onderzoek aan te tonen door welke soort het nest wordt gebruikt, omdat de bebouwing waar de voorgenomen ingrepen plaats gaan vinden zich op minder dan 75 meter van het nest bevinden. Hiervoor kan in het voorjaar een nesteninspectie worden uitgevoerd.
Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
6.2 Vleermuizen De bebouwing op de onderzoekslocatie waaronder de te slopen (voormalige varkensstal opstal 3) en de te ontwikkelen (opstal 1) bebouwing is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop en ontwikkeling van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn.
26
Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen.
Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. Ten aanzien van in de omgeving verblijvende en foeragerende vleermuizen en mogelijke vliegroutes, wordt aangeraden vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen in de nieuwe situatie en tijdens werkzaamheden die tussen zonsondergang en zonsopkomst plaatsvinden. Vleermuisvriendelijke verlichting kan toegepast worden door verlichtingsarmaturen te gebruiken die naar beneden schijnen en daarmee zo min mogelijk strooilicht veroorzaken, of andere vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurig) toe te passen.
6.3 Overige zoogdieren Eekhoorn In de boom op circa 15 meter ten noorden van de onderzoekslocatie is een voortplantings- en/of winternest van de eekhoorn aanwezig. Artikel 3.10 lid 1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) is van toepassing. De eekhoorn maakt jaarlijks op een andere plek een nest voor het grootbrengen van de jongen. De nesten zijn beschermd in de periode dat het nest gebruikt wordt voor de verzorging van de jongen. De voortplantingsperiode van de eekhoorn begint al in december. In maart en juli worden de jongen geboren die vervolgens 10 weken worden gezoogd. Aan het eind van de herfst worden een aantal winternesten gebouwd om de winter in door te brengen. Elk jaar worden ook de winternesten op een andere plek gebouwd. De winternesten zijn alleen beschermd als deze in gebruik zijn voor de overwintering. In de winterperiode is de eekhoorn afhankelijk van een veilige schuilplaats en van de wintervoorraad, die verstopt is in de nabijheid van de winterverblijven. Wanneer de boom gekapt wordt, gaat mogelijk een beschermde functie voor de eekhoorn verloren. Om de functie van het nest voor de eekhoorn vast te stellen is in dat geval aanvullend onderzoek nodig.