Bijlage 4.7a - Bijlage bij toelichting - Quickscan Wet natuurbescherming Venstraat 1
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING VENSTRAAT 1 TE SINT-MICHIELSGESTEL
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Venstraat 1 te Sint-Michielsgestel Opdrachtgever
Van Hoven & Oomen Postbus 50 4850 AB Ulvenhout
Rapportnummer Versienummer
16921.003 D1
Status
Eindrapportage
Datum
15 september 2021
Vestiging
Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088 - 5001600 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw K.J. van der Hulst, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer J. Bakker, BSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING ............................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING...................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................. 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK .................................................................................................. 7
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ................................................... 8 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 11 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ........................................................................................................................ 11 Vleermuizen................................................................................................................ 13 Overige zoogdieren ..................................................................................................... 15 Reptielen, amfibieën en vissen.................................................................................... 17 Ongewervelden........................................................................................................... 17 Vaatplanten ................................................................................................................ 18
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ....................................................................... 19 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
7
Zorgplicht...................................................................................................................... 8 Soortenbescherming ..................................................................................................... 8 Gebiedenbescherming .................................................................................................. 9 Houtopstanden ........................................................................................................... 10
Broedvogels................................................................................................................ 19 Vleermuizen................................................................................................................ 19 Kleine marterachtigen ................................................................................................. 20 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën ................................................... 20 Overige soort(groep)en ............................................................................................... 21
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ...................................................................... 22 7.1 7.2
Natura 2000 ................................................................................................................ 22 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................... 23
8
HOUTOPSTANDEN ............................................................................................................. 24
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES .................................................................................... 25
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 16921.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Van Hoven & Oomen opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Venstraat 1 te Sint-Michielsgestel. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
R 16921.003 versie D1
Pagina 1 van 26
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 8.500 m²) ligt aan de Venstraat 1 en het perceel aan de overzijde van de Venstraat, circa 2 kilometer ten noordoosten van de kern van Sint-Michielsgestel (figuur 1).
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De landelijk gelegen onderzoekslocatie is bebouwd met diverse opstallen. Aan de Venstraat 1 ligt een geitenboerderij bestaande uit drie aaneengesloten schuren waarin onder andere de geiten staan, hooibalen liggen en materieel is opgeslagen. Ten noorden van de geitenschuur staat een woonhuis welke in gebruik is, twee opstallen die bij het woonhuis horen en een kleiner woonhuis dat al enige tijd leeg staat. Aan de overzijde van de straat ligt een veldschuur. Zie figuur 2 voor een overzicht van de opstallen. De geitenschuur (zie figuur 2, nummer 1) is volledig gelijkvloers en heeft een golfplaten dak. De geitenschuur heeft bakstenen muren waarvan delen betimmerd zijn en muren van golfplaat. Het dak en de nok zijn met netten en roosters dichtgemaakt tegen dieren en vogels van buitenaf. Het woonhuis (2) en de leegstaande woning (3) hebben dakpannen daken. Het woonhuis en de leegstaande woning bestaan beiden uit één verdieping met zolder. De dakgoot en het dak van het woonhuis zijn in goede staat. Openingen aan het dak, bij de kantpannen en bij de nokpannen zijn zoveel mogelijk met specie dichtgemaakt. In de buitenmuur van het woonhuis zitten open stootvoegen. Het leegstaande huis heeft diverse losliggende dakpannen en openingen in het dak en bij de dakrand. Aan de oostkant van het leegstaande woonhuis zit een hondenkennel.
R 16921.003 versie D1
Pagina 2 van 26
De kleine opstallen (4 en 5) zijn gelijkvloers. Deze opstallen hebben een dakpannen dak en muren bestaande uit houten planken. In opstal 4 ligt hout opgeslagen. Opstal 5 wordt gebruikt als overdekt terras. Beide opstallen zijn aan één zijde open, echter is bij opstal 5 een plastic flap bevestigd om deze af te sluiten. Het perceel van de geitenboerderij is verhard met klinkers. Sommige delen van het terrein zijn verhard met betonplaten. In het zuidelijke deel van het perceel zijn hooibalen gewikkeld in plastic opgeslagen. Aan de oostelijke rand van het perceel staan diverse oude materialen, olie- en gastanks, stapels puin en een (onbewoonde) stacaravan. Aan de randen van het perceel is de grond onverhard en begroeid met grassen. Ten noorden van het woonhuis ligt een aangelegde tuin met gazon, heggen en sierplanten. Aan de noord-, oost- en zuidzijde van het perceel loopt een watergang met steile, natuurlijke oevers. De watergang is sterk begroeid met riet in het water en diverse wilde grassen en rietgras op de oevers. Aan de zuidgrens van het perceel staan enkele solitaire bomen. Parallel aan de Venstraat staat een bomenrij. Aan de overzijde van de straat ligt een veldschuur (6), behorend bij de boerderij aan de Venstraat 2. De veldschuur is aan één zijde open en is gelijkvloers. De schuur heeft een golfplaten dak met deels houten en deels bakstenen wanden.
De vloer bestaat uit beton. De schuur staat leeg. Het terrein rondom de schuur is onverhard. Ten oosten van de veldschuur ligt een kleine bosschage, bestaande uit ruwe berk, esdoorn en Spaanse aak. De onderzoekslocatie is onderdeel van de lintbebouwing rondom Sint-Michielsgestel. De onderzoekslocatie wordt omgeven door agrarische percelen zoals wijngaarden en maïsvelden. Op 300 meter ten westen van de onderzoekslocatie ligt een grotere bosschage. Op 1 kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie loopt rivier De Dommel. Op 2 kilometer ten noorden van de onderzoekslocatie ligt het landgoed Pettelaar waaraan de Zuiderplas grenst. In figuur 2a en 2b is een overzicht van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 20 geven een impressie van de onderzoekslocatie, die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Figuur 2a. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
R 16921.003 versie D1
Pagina 3 van 26
Figuur 3b. Topografische kaart onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 4. Vooraanzicht westelijke deel geitenschuur gezien vanaf de Venstraat.
Figuur 5. Binnenzijde schuur met geiten.
Figuur 6. Binnenzijde meest westelijk gelegen deel geitenschuur.
Figuur 7. Vooraanzicht oostelijke deel geitenschuur gezien vanaf de Venstraat.
Figuur 8. Zicht op caravan en gastank gelegen aan de oostelijke rand van het perceel.
Figuur 9. Zicht op het woonhuis vanaf de Venstraat.
R 16921.003 versie D1
Pagina 4 van 26
Figuur 9. Vooraanzicht woonhuis.
Figuur 10. Detailfoto luiken en specie bij kantpannen woonhuis.
Figuur 11. Vooraanzicht van de opstal met overdekt terras achterin de tuin van het woonhuis.
Figuur 12. Vooraanzicht opstal met houtopslag ten oosten van het woonhuis.
Figuur 13. Leegstaande woning, foto genomen met kijkrichting naar het westen.
Figuur 14. Entree leegstaande woning.
Figuur 15. Zicht op de watergang direct ten noorden van het perceel van de geitenboerderij.
Figuur 16. Diverse overgroeide materialen in het oostelijke deel van het perceel van de geitenboerderij.
Figuur 17. De veldschuur.
Figuur 18. Zicht op stalling en binnenzijde van de veldschuur, foto genomen met kijkrichting naar het westen.
Figuur 19. Achterzijde van de veldschuur.
Figuur 20. Bosschage ten overzijde van de veldschuur.
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens om diverse woningen op de onderzoekslocatie te realiseren (zie figuur 21). De leegstaande woning achter het woonhuis zal uitgebreid worden met een eenlaagse
R 16921.003 versie D1
Pagina 5 van 26
aanbouw. De geitenschuur zal gesloopt worden en vervangen door twee nieuwe schuurwoningen. De opgeslagen materialen en mestplaat zullen verwijderd worden. De veldschuur zal tevens gesloopt worden en vervangen door een schuurwoning. Het woonhuis met de bijbehorende kleine opstallen en de omliggende heggen blijven gehandhaafd. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat het voornemen is om geen bomen te kappen.
Figuur 101.
R 16921.003 versie D1
Pagina 6 van 26
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 1 september 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaa - en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
R 16921.003 versie D1
Pagina 7 van 26
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen).
Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
R 16921.003 versie D1
Pagina 8 van 26
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
R 16921.003 versie D1
Pagina 9 van 26
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, N werk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
R 16921.003 versie D1
Pagina 10 van 26
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Deze categorie betreft broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn (categorie 1-4 broedvogelsoorten). Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie vogelsoorten waargenomen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze categorie 1-4 broedvogelsoorten zijn: gierzwaluw, huismus, slechtvalk, steenuil, kerkuil, grote gele kwikstaart, ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief. De gierzwaluw is een koloniebroeder die in Nederland gebonden is aan gebouwen als broedlocatie. De gierzwaluw maakt gebruik van kleine holtes in de bebouwing. Nestlocaties van gierzwaluwen bevinden zich op minimaal 3 meter hoogte en vereisen een vrije aanvliegroute. Het woonhuis heeft een dakpannen dak met overhangende nok- en kantpannen en voorgehangen dakgoot. Openingen bij de dakpannen en zowel onder als boven de dakgoot zijn dichtgemaakt waardoor bij de dakgoot en dakpannen geen invliegmogelijkheden zijn. Enkele openingen zijn aanwezig ter hoogte van de dakgoot aan de achterzijde van de woning. Deze openingen liggen te laag om als broedlocatie voor gierzwaluw te functioneren (zie volgende paragraaf).
De geitenschuur heeft geen geschikte ruimtes onder het dak door het ontbreken van openingen naar het dakbeschot (figuur 24) of het ontbreken van ruimte tussen de steunbalken en het dak (figuur 25). De andere opstallen konden in volledigheid geïnspecteerd worden doordat dakbeschot ontbrak. Er zijn geen (sporen van) nesten waargenomen bij of onder het dak, buiten een oud duivennest. Nader onderzoek naar de gierzwaluw wordt niet benodigd geacht. De huismus is tevens een koloniebroeder die gebonden is aan bebouwing. De huismus maakt gebruik van nissen in het dak, onder dakpannen of andere geschikte invliegopeningen, zoals gaten en kieren, om te broeden. Aan de achterzijde van het woonhuis, aan de hoeken van de dakgoot, zijn twee openingen aanwezig (met poepsporen) waardoor huismus onder het dak kan komen (figuur 22 en 23). Ten tijde van het veldbezoek waren drie huismussen aanwezig in de laurierkers direct naast het woonhuis. De overige bebouwing bevat geen geschikte ruimtes of ontbreekt sporen van nesten waardoor broedlocaties van huismus uitgesloten zijn (zie vorige paragraaf). Aangezien het woonhuis en het groen rondom het woonhuis behouden blijft is nader onderzoek niet noodzakelijk, mits het functioneel leefgebied behouden blijft (zie hoofdstuk 6).
R 16921.003 versie D1
Pagina 11 van 26
Figuur 11. Opening bij het woonhuis aan de hoek van de gevel met zichtbare poepsporen.
Figuur 123. Open stootvoegen aan de buitengevel van het woonhuis (aangeduid
Figuur 24. Binnenzijde geitenschuur golfplaten dak zonder betimmering.
Figuur 25. Binnenzijde dak geitenschuur met betimmering.
De slechtvalk broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals torens, kantoorgebouwen en fabrieksschoorstenen. Dit is niet aanwezig op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving, waardoor het redelijkerwijs uit te sluiten is dat deze soort broedt op de onderzoekslocatie en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. De steenuil en kerkuil hebben de voorkeur voor kleinschalige cultuurlandschappen. De steenuil is een holenbroeder die onder andere bebouwing, nestkasten en holle bomen gebruikt als broedlocatie. De kerkuil broedt typerend in schuren op boerderijerven. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de steenuil meermaals waargenomen rondom een boerderij op 500 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie. De kerkuil is meermaals in het buitengebied van Sint-Michielsgestel foeragerend waargenomen. Bij het woonhuis en de geitenschuur zijn geen voldoende grote openingen of gebruikssporen van uilen waargenomen waardoor een broedlocatie van kerkuil of steenuil in het woonhuis en de geitenschuur uitgesloten is. De overige aanwezige opstallen zijn geïnspecteerd op gebruikssporen van uilen (zowel op de zolder/vloer als op de steunbalken), deze zijn niet waargenomen. Bij gebruik van bebouwing door de uil als vaste rustplaats of broedlocatie zijn vrijwel altijd braakballen op uitwerpselen te vinden.
Nader onderzoek naar de steenuil of kerkuil wordt niet noodzakelijk geacht. De grote gele kwikstaart broedt het liefst bij stromend water in vegetatie of structuren die beschutting bieden zoals sluizen of boomstammen. De watergang rondom het perceel van de geitenboerderij bevat stilstaand water en is daarmee niet geschikt. Het is redelijkerwijs uit te sluiten dat deze soort op of nabij de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van de grote gele kwikstaart wordt niet nodig geacht.
R 16921.003 versie D1
Pagina 12 van 26
De ooievaar broedt op hoge, torenvormige locaties, bijvoorbeeld bovenop nestpalen, op kerken, of in hoogspanningsmasten. De bebouwing is niet torenvormig en dergelijke structuren zijn ook niet aanwezig in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Er zijn geen nesten of nestsporen van de ooievaar aangetroffen nabij de onderzoekslocatie. Het gebruik van de onderzoekslocatie als broedlocatie voor de ooievaar kan hiermee uitgesloten worden en een nader onderzoek is niet benodigd. De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief zijn roofvogels die broeden in bossen of halfopen landschappen, vaak hoog in een boomkruin. Tijdens het veldbezoek zijn geen grote nesten in bomen of andere sporen van de bovengenoemde soorten waargenomen. Het is daarom voor deze vogelsoorten redelijkerwijs uit te sluiten dat deze op de onderzoekslocatie broeden en een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van deze soorten wordt niet nodig geacht. 5.1.2
Broedvogels categorie 5 (nesten in sommige gevallen jaarrond beschermd)
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten zoals ekster en zwarte kraai. Voor de vogelsoorten in deze categorie geldt een jaarronde nestbescherming enkel bij ecologisch zwaarwegende redenen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie geen nesten aangetroffen van bovengenoemde soorten. In een boom nabij de veldschuur zat een grote bonte specht, echter was geen opening in deze of omliggende bomen zichtbaar die kan duiden op een nestlocatie. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie is voldoende broedgelegenheid voor categorie 5 broedvogel soorten, indien zij in de omgeving zouden willen nestelen. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat eventueel aanwezige nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het kan voorkomen dat op een later moment nesten alsnog worden aangetroffen op onderzoekslocatie. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.3
Overige broedvogels
Rondom en in de geitenschuur was een groep spreeuwen aanwezig. In de tuin is een merel en een houtduif waargenomen. Aan het woonhuis en het leegstaande huis hangen mezenkastjes (één per woning). Tijdens het veldbezoek is een oud duivennest met leeg ei aangetroffen op de zolder van het leegstaande woonhuis, vermoedelijk van een Turkse tortel of andere algemene duivensoort. De bebouwing en/of beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan algemene broedvogelsoorten zoals kauw en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. De volgende soorten kunnen op basis van de verspreidingsatlassen van de Zoogdiervereniging worden toegevoegd aan de gegevens uit NDFF: meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis.
R 16921.003 versie D1
Pagina 13 van 26
Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Het woonhuis is in potentie geschikt als vleermuisverblijfplaats door de aanwezigheid van open stootvoegen in de buitenmuur, luiken voor de ramen, incidentele openingen bij het dak en de loodslabben rondom de ramen. De leegstaande woning bevat diverse openingen aan het dak en scheuren in de buitenmuur die ook vleermuisgeschikt zijn (figuur 26 t/m 28). De kleine opstallen met dakpannen dak hebben ruimte tussen de dakpannen en houten dakspanten waar vleermuizen tussen kunnen kruipen of aan kunnen hangen. De geitenschuur heeft geen vleermuisgeschikte openingen bij de betimmerde delen van het dak en er is geen mogelijkheid om tussen de balken te hangen waar het dak open is. De veldschuur heeft tevens geen geschikte ruimtes tussen de balken en het dak en ook geen geschikte hangplaatsen. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen in de geitenschuur en de veldschuur wordt niet aannemelijk geacht.
Figuur 2613. Overzichtsfoto zolder leegstaande woning. Zichtbaar zijn de openingen aan het onderzijde van het dak.
Figuur 27. Opening bij de leegstaande woning tussen bakstenen buitenmuur en aansluiting met het dakpannen dak.
Figuur 28. Opening tussen dakpannen dak en binnenzijde van de leegstaande woning.
In potentie kunnen vleermuizen in de spouwmuren, onder de daken of in de ruimtes van de bebouwing verblijven, uitgezonderd van de geitenschuur en de veldschuur. Het woonhuis en de daar bijbehorende kleine opstallen en groen blijven behouden maar liggen mogelijk binnen de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep. Door het treffen van maatregelen kan verstoring van aanwezige vleermuizen bij het woonhuis en de twee opstallen voorkomen worden. Bij de renovatie van het leegstaande huis kan sprake zijn van verstoring en vernietiging ten aanzien van een vaste rust- of voortplantingsplaats van desbetreffende soorten (zie hoofdstuk 6). De bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Door het dichte bladerdak konden niet alle bomen volledig geïnspecteerd worden (zie hoofdstuk 6). Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk rosse vleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen aangezien de bomen behouden blijven en in de directe omgeving is meer
R 16921.003 versie D1
Pagina 14 van 26
geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de bosschage op 300 meter ten oosten van de onderzoekslocatie en de omliggende agrarische percelen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De bomenrij gelegen op de geitenboerderij parallel aan de Venweg kan ook dergelijke functie vervullen. Door het treffen van maatregelen kan verstoring op voorhand voorkomen worden (zie hoofdstuk 6). 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, bunzing, das, hermelijn, steenmarter en wezel. De bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel hebben de voorkeur voor een kleinschalige landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. De watergang is door de sterke begroeiing een geschikte looproute voor deze marterachtigen. Ook zijn sporen gevonden van kleine zoogdieren (figuur 29), wat een indicatie is van geschikt foerageerhabitat voor marters. De geitenschuur en het woonhuis hebben geen openingen die toegang kunnen verlenen aan de marterachtigen. Het opgeslagen materieel achterin het terrein, de halfopen opstallen en de zol- Figuur 2914. Konijnenkeutels op het ders zijn geïnspecteerd op sporen van de marterachtigen, deze gazon voor het woonhuis. zijn niet aangetroffen. Bij aanwezigheid van een marterachtige in bebouwing is de verwachting dat prooiresten, ontlasting of andere indicatoren van aanwezigheid te zien zijn.
Het wordt niet aannemelijk geacht dat een vaste rust- of voortplantingsplaats op de onderzoekslocatie aanwezig is. Indien de watergang zijn huidige karakter behoud zal een eventuele verbindende functie niet verstoord worden (hoofdstuk 6). Nader onderzoek wordt niet benodigd geacht. De bever komt voor in waterrijke gebieden zoals moerassen, beken, rivieren en meren. Hierbij heeft de bever een voorkeur voor wateren omgeven door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. Een waterdiepte van minimaal 50 centimeter is vereist. Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat de bever voorkomt in de omliggende grotere wateren, zoals De Dommel en de Zuiderplas. Gelet op het voorkeurshabitat van de bever is de aanwezige watergang ongeschikt als leefgebied. Nader onderzoek naar de bever wordt niet benodigd geacht. De das leeft in familiegroepen waarbij gebruik gemaakt wordt van een netwerk van burchten. Het voorkeurshabitat van de das is kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Het leefgebied moet voldoende dekking hebben en weinig verstoring met een groot voedselaanbod. In het buitengebied van Sint-Michielsgestel zijn met regelmaat dassen gezien. Op meer dan 1 kilometer ten noorden van de onderzoekslocatie ligt een dassenburcht. Mogelijk maakt de das gebruik van de omliggende percelen om te foerageren.
Door de voorgenomen ingreep gaat geen oppervlak van potentieel foerageergebied verloren, omdat de onderzoekslocatie verstoorde, bebouwde en verharde percelen betreft. Nader onderzoek naar de das wordt niet noodzakelijk geacht.
R 16921.003 versie D1
Pagina 15 van 26
R 16921.003 versie D1
Pagina 16 van 26
Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor algemene grondgebonden zoogdieren. Tijdens de veldinspectie zijn konijnenkeutels en molshopen aangetroffen (figuur 29), beiden in het grasveld aan de voorzijde van het woonhuis. Voor algemene grondgebonden zoogdieren geldt in de provincie Noord-Brabant een algehele vrijstelling, mits de zorgplicht in acht genomen wordt (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Reptielen stellen specifieke eisen aan de habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie ook geen beschermde reptielen waargenomen. Het is derhalve redelijkerwijs uit te sluiten dat de onderzoekslocatie in gebruik is door reptielen. Amfibieën Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt matig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting en onder de opgeslagen materialen aan de rand van de geitenboerderij. De watergang rondom de onderzoekslocatie kan voortplantingsmogelijkheden bieden aan beide soorten, die tevens onaangetast blijft. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. De naastgelegen watergang zal niet aangetast worden door de voorgenomen ingreep. 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Grote, solitaire bomen in combinatie met geschikte voedselbomen voor grote vos (iep, zoete kers, wilg) ontbreken tevens. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op
R 16921.003 versie D1
Pagina 17 van 26
de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn onder andere de volgende vaatplanten waargenomen: ruwe berk, esdoorn, Spaanse aak, klimop, braam, zomereik, brandnetel, duizendblad, witte klaver en riet. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en vochtig is. In dergelijke pioniersvegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde vaatplanten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
R 16921.003 versie D1
Pagina 18 van 26
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Broedvogels
6.1.1
Huismus
De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Aangezien het woonhuis blijft bestaan en behouden blijft in de huidige vorm zullen de nesten niet beschadigd of verstoord worden. Naast de nesten genieten ook elementen die essentieel zijn voor het functioneren van een huismusnest bescherming. De heggen rondom het woonhuis fungeren potentieel als kwetterplek voor de huismussen die naar waarschijnlijkheid broeden in het woonhuis. De heggen dienen intact te blijven en niet aangetast te worden tijdens de werkzaamheden zodat deze als dusdanig kunnen blijven functioneren. Indien dit niet gewaarborgd kan worden dient een aanvullend huismusonderzoek uitgevoerd te worden, conform het kennisdocument Huismus (BIJ12). 6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien groen en de nestkastjes buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot september worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. 6.2
Vleermuizen
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Verblijfplaatsen De renovatie van de leegstaande woning zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebouw voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonder-
R 16921.003 versie D1
Pagina 19 van 26
zoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Gelet op de grootte van de bebouwing wordt deze ongeschikt geacht als massawinterverblijfplaats. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. De geitenschuur en veldschuur worden ongeschikt geacht voor vleermuisverblijfplaatsen. Het woonhuis, het leegstaande huis en de kleinere opstallen op de onderzoekslocatie zijn potentieel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Het woonhuis en de bijbehorende kleine opstallen blijven behouden.
Om een negatief effect op potentieel aanwezige vleermuisverblijfplaatsen op voorhand te voorkomen dient tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie geen licht op het woonhuis en de bijbehorende opstallen gericht te worden. Trillingen rondom de gevels van het woonhuis en de opstallen dient vermeden te worden. Bij voorkeur wordt tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie gebruik gemaakt van vleermuisvriendelijk verlichting. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig met een laag armatuur en een kleine straal. Door het dichte bladerdek konden de bomen niet volledig op loshangend schors en holtes geïnspecteerd worden. Het huidige planvoornemen is dat geen kap plaatsvind. Indien het planvoornemen wijzigt en bomen gekapt gaan worden dient eerst (bij voorkeur in de winterperiode) een inspectie uitgevoerd te worden om vast te stellen of er vleermuisgeschikte openingen en/of holtes in de bomen aanwezig zijn. Wanneer deze aanwezig zijn zal een aanvullen onderzoek benodigd zijn om uitsluitsel te geven of deze ook daadwerkelijk als dusdanig in gebruik is, alvorens kap mogelijk is. Vliegroute De bomenrij langs de Venweg kan een functie vervullen als vliegroute voor (in de omgeving verblijvende) vleermuizen. Wanneer de vliegroute een essentiële functie heeft geniet deze ook een beschermde functie.
Op voorhand kan verstoring van een vliegroute voorkomen worden, vooropgesteld dat de bomen die als potentiële vliegroute kunnen fungeren gehandhaafd blijven en enkel vleermuisvriendelijke verlichting rondom de bomen wordt toegepast (bij voorkeur geen verlichting). Vleermuisvriendelijke verlichting heeft amberkleurig licht en/of verlichtingsarmaturen die naar beneden schijnen. 6.3
Marterachtigen
De vaste rust- en voortplantingsplaatsen van marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) zijn beschermd door artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Essentiële onderdelen van de voortplantingsplaatsen zijn foerageergebieden, migratieroutes en vaste rust- en voortplantingsplaatsen. De oever van de watergang is door de aanwezigheid van een sterke begroeiing in potentie geschikt als migratieroute van bovenstaande marterachtigen. Indien door de ingreep deze niet meer als migratieroute kan fungeren, bijvoorbeeld door betreding of lichtverstoring, betreft dit een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Aanbevolen wordt om de oevers van de watergangen intact en onbelicht te laten tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie zodat een eventuele overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand uitgesloten is.
R 16921.003 versie D1
Pagina 20 van 26
6.4
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van opgeslagen materieel buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uit te voeren. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
R 16921.003 versie D1
Pagina 21 van 26
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, bevindt zich op circa 2 kilometer afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 30).
Figuur 30. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
Voor de aanlegfase (sloop en bouwwerkzaamheden) wordt aansluiting gezocht bij de in de Wet stikstofreductie en natuurbescherming (Wsn) opgenomen partiële vrijstelling. De vrijstelling geldt voor projecten waarbij slechts tijdelijke emissies vrijkomen, zoals bouwwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van woningen. Voor de bouw- en sloopwerkzaamheden is geen onderzoek stikstofdepositie (AERIUS berekening) benodigd en kunnen significant negatieve effecten uitgesloten worden op basis van de tijdelijkheid van de emissies en eventueel bijbehorende stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof voor het toekomstig gebruik van de drie woningen wordt niet noodzakelijk geacht, gelet op de aard van de ingreep en de afstand tot het nabijgelegen Natura 2000-gebied.
R 16921.003 versie D1
Pagina 22 van 26
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk ligt op circa 250 kilometer ten noordoosten van de onderzoekslocatie. In figuur 31 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 31. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
R 16921.003 versie D1
Pagina 23 van 26
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreft een houtopstand op erven of in tuinen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht. Daarnaast beslaat het oppervlak aan bomen minder dan 10 are. Indien het planvoornemen wijzigt wordt geadviseerd navraag te doen bij de gemeente of voor de te vellen bomen een meldingsplicht geldt.
R 16921.003 versie D1
Pagina 24 van 26
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Van Hoven & Oomen een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Venstraat 1 te Sint-Michielsgestel. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen sloop en nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de geitenschuur en veldschuur te slopen en de leegstaande woning te renoveren, ten behoeve van de realisatie van nieuwbouwwoningen op de onderzoekslocatie. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
nee
nee
nee
heggen intact houden en verstoring huismus voorkomen, potentiële nestplaatsen blijven intact
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek uitvoeren bij leegstaande woning bij kap inspectie op vleermuisgeschiktheid bij bomen uitvoeren
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
aandacht voor verlichting van bosschage
vliegroutes
ja
nee
nee
nee
aandacht voor verlichting bij bomenrij langs de weg
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
watergang onbelicht en onverstoord houden ten behoeve van marterachtigen aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieën
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
R 16921.003 versie D1
Bijzonderheden / opmerkingen*
Pagina 25 van 26
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
2 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
250 m
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
Bij kap navraag doen bij gemeente omtrent kapvergunning
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Uit de quickscan is gebleken dat de leegstaande woning op de onderzoekslocatie in potentie verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen bevat, die door de voorgenomen ingreep verloren zullen gaan. Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden om de daadwerkelijke functie van de leegstaande woning voor de soortgroep vleermuis te bepalen. De bomenrij langs de Venweg kan functioneren als vliegroute. De bosschage bij de veldschuur kan gebruikt worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. Verstoring kan op voorhand voorkomen worden door het gebruiken van vleermuisvriendelijke verlichting rondom de woning, bomenrij en de bosschage. Het woonhuis is potentieel in gebruik door de huismus als broedlocatie. Indien de heggen behouden blijven en de verstoring rond het woonhuis beperkt wordt is er geen reden om aan te nemen dat deze nesten aangetast worden door de voorgenomen ingreep. Het groen en incidenteel de bebouwing kan als nestlocatie van algemene vogelsoorten fungeren. Aanbevolen wordt om buiten het broedseizoen (buiten maart tot september) te kappen en slopen, zodat broedgevallen niet aanwezig zijn. De watergang kan gebruikt worden als looproute door marterachtigen. De watergang dient onbelicht te blijven en vrij van verstoring. Daardoor zal op voorhand een negatief effect op de marterachtigen te voorkomen zijn.
Er is geen sprake van een beschermde houtopstand zoals beschreven in de Wet natuurbescherming. Het planvoornemen is om geen bomen te kappen. Indien dit voornemen wijzigt dient navraag gedaan te worden bij de gemeente naar de eventuele noodzaak voor een kapvergunning. De bomen dienen in de winterperiode tevens op vleermuisgeschikte holtes, ruimtes, spleten en schorst geïnspecteerd te worden. Overtredingen ten aanzien van de paragrafen omtrent gebiedsbescherming (Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland) zijn niet aan de orde. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
Econsultancy Rotterdam, 15 september 2021.
R 16921.003 versie D1
Pagina 26 van 26
GERAADPLEEGDE BRONNEN BIJ12 (2017a). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019Kennisdocument-Steenuil-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ122017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 15 september 2021 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Noord-Brabant, periode 2016-2021. NDFF. Geraadpleegd op 15 september 202115 september 2021 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 15 september 2021 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas.