Bijlage 3. Bomenverordening Boxtel 2022 (1279534).pdf
Tekst van het document
Bomenverordening gemeente Boxtel De raad van de gemeente Boxtel;
gelet op het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van d.d. 18 januari 2022
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;
besluit:
om de volgende verordening vast te stelen:
Bomenverordening gemeente Boxtel
Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a.
bebouwde kom: bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom in het kader van artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Wnb;
b.
beschermde houtopstand: houtopstanden die staan vermeld op de Groene Kaart;
c.
bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo;
d.
bomeneffectanalyse: een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een houtopstand;
e.
boomdeskundige: een deskundige in bezit van minimaal een door een erkend instituut afgegeven certificaat European Tree Worker;
f.
boomkroon: bovenste gedeelte van een houtopstand. De kroon omvat de takken met bladeren en wordt gedragen door de stam van de houtopstand;
g.
boomwaarde: De waarde van een houtopstand uitgedrukt in geld, zoals bepaald/getaxeerd volgens de meest recente van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;.
h.
college: het college van burgemeester en wethouders gemeente Boxtel;
i.
compensatieplan: beschrijving op welke wijze de waarden van de te vellen houtopstand(en) worden gecompenseerd;
j.
dunning: een velling uitsluitend bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei van overblijvende bomen;
k.
Groene Kaart: door het college vastgestelde kaart met daarop aangewezen beschermde houtopstanden;
l.
haag/heg: een lijnvormig landschapselement waarbij struiken of bomen op korte afstand van elkaar in één of meerdere rijen geplant zijn. Een haag/heg wordt periodiek geschoren;
m. hakhout: een beplanting van loofhoutopstand die dicht bij de grond periodiek wordt teruggezet/gesnoeid met de bedoeling dat de stobben opnieuw kunnen uitlopen; n.
hoofdbomenstructuur: op Groene Kaart vermelde structuur;
o.
houtopstand: één of meer bomen of boomvormers of andere houtachtige gewassen;
p.
houtsingel: een lijnvormig landschapselement dat meestal bestaat uit één of meerdere rijen inheemse struiken waartussen één of meer rijen inheemse bomen staan. Een houtsingel kan ook alleen uit struik- of boomvormers bestaan;
q.
houtwal: een op een aarden wal staand lijnvormig landschapselement dat meestal bestaat uit één of meerdere rijen inheemse struiken waartussen één of meer rijen inheemse bomen staan. Een houtwal kan ook alleen uit struik- of boomvormers bestaan;
r.
kandelaberen: het tot op de hoofdtakken snoeien van een daarvoor geschikte houtopstand;
s.
knotten: het afzagen van de kroon van een daarvoor geschikte houtopstand;.
t.
landschapselement: houtopstand buiten de bebouwde kom, die een rij, haag/heg, houtwal, houtsingel, hakhout of struweel met een minimale lengte van 10 m of een minimale oppervlakte van 50 m2, tot een maximale oppervlakte van 1.000 m2. Rijbeplanting bevat niet meer dan 20 houtopstanden, gerekend over het totaal aantal rijen;.
u.
monumentale houtopstand: houtopstand die aan de hand van door het college vastgestelde
v.
nevenbomenstructuur: op Groene Kaart vermelde structuur;
criteria als zodanig is opgenomen op de Groene Kaart; w. struweel: een landschapselement met 1 m tot 6 m hoge houtopstanden, mogelijk aangevuld met hogere bomen; x.
terugzetten: het voor periodiek regulier onderhoud dicht bij de grond snoeien van een beplanting
y.
vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de boomkroon of het
van loofhoutopstand, zodanig dat de stobben opnieuw kunnen uitlopen; wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen en knotten: het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering, dan wel instabiliteit van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben; z.
waardevolle houtopstand: houtopstand die aan de hand van door het college vastgestelde criteria is opgenomen op de Groene Kaart;
aa. Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bb. Wnb: Wet natuurbescherming; cc. zelfstandige eenheid: houtopstanden die in ruimtelijke zin een aaneengesloten geheel vormen.
Artikel 2 Groene Kaart 1.
Het college stelt de lijst Monumentale & Waardevolle bomen en de Groene Kaart vast.
2.
De Groene Kaart bevat een samenhangend geheel van te beschermen houtopstanden, waaronder hoofdbomenstructuren, nevenbomenstructuren, bomenlanen, bomenrijen, boomvlakken, solitaire houtopstanden, landschapselementen en monumentale en waardevolle houtopstanden.
3.
De Groene Kaart kan na eerste vaststelling eenmalig na 1 jaar worden herzien en wordt vervolgens een keer in de 5 jaar door het college herzien.
Artikel 3 Velverbod beschermde houtopstanden 1.
Het is verboden beschermde houtopstanden te vellen of te doen vellen.
2.
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning om beschermde houtopstanden te vellen verlenen dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen.
3.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:
a.
beschermde houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag;
b.
het periodiek scheren, knotten of kandelaberen van de beschermde houtopstand als noodzakelijke beheermaatregel bij vorm- en knotbomen;
c.
beschermde houtopstand die moet worden geveld krachtens een door de raad vastgesteld definitief ontwerp bij ruimtelijke ontwikkelingen;
4.
Het bevoegd gezag kan, indien een beschermde houtopstand direct gevaar oplevert, die noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen, direct in werking treedt. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt.
Artikel 4 Criteria verlening omgevingsvergunning beschermde houtopstanden 1.
Een omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand kan, mits alternatieven voor behoud zijn onderzocht, slechts bij uitzondering door het bevoegd gezag worden verleend, indien: a.
sprake is van een monumentale houtopstand en een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang dat opweegt tegen duurzaam behoud van de houtopstand of;
b.
sprake is van een waardevolle houtopstand en een algemeen maatschappelijk belang of een zwaarwegend individueel belang van niet tijdelijke aard dat opweegt tegen duurzaam behoud van de houtopstand of;
c.
sprake is van een boom met een stamomtrek van meer dan 50 cm die deel uitmaakt van een hoofdbomenstructuur, nevenbomenstructuur, bomenlaan of bomenrij en een algemeen maatschappelijk belang of zwaarwegend individueel belang van niet tijdelijke aard dat opweegt tegen duurzaam behoud van de boom.
2.
De omgevingsvergunning voor vellen kan tevens worden verleend, indien: a.
de reden voor velling een vordering tot verwijdering van de houtopstand in het kader van artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek is;
b.
naar het oordeel van een boomdeskundige: 1.
de verwachte levensduur van de houtopstand minder is dan 5 jaar of;
2.
instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of ernstige schade of;
3.
sprake is van noodzakelijke maatregelen tot behoud van de houtopstand, die niet vallen onder regulier periodiek onderhoud.
Artikel 5 Velverbod overige houtopstanden Groene Kaart 1.
Het is verboden, onverminderd het gestelde in artikel 3, eerste lid, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen. Het gaat om de volgende houtopstanden: a.
op de Groene Kaart aangewezen solitaire houtopstand met een stamomtrek van minimaal 100 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld;
b.
op de Groene Kaart aangewezen boomvlakken of landschapselementen;
c.
houtopstand aangeplant op grond van de artikelen 12 of 13;
d.
houtopstand aangelegd op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan.
2.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a.
houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag;
b.
het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vorm- en knotbomen;
c.
periodiek regulier onderhoud aan landschapselementen;
d.
velling van houtopstanden in eigendom van Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten of Brabants Landschap, mits in opdracht van deze organisaties;
e.
velling op basis van een door het college goedgekeurd beheerplan van houtopstanden in gemeentelijk eigendom;
f.
houtopstand waar voor velling een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder b, van de Wabo is vereist.
3.
Buiten de bebouwde kom geldt het in het eerste lid gestelde verbod niet voor houtopstanden buiten erven en tuinen, mits staand in een zelfstandige eenheid van:
4.
a.
meer dan 10 are of;
b.
rijbeplanting van meer dan 20 bomen gerekend over het totaal aantal rijen.
Knotpopulieren, knotwilgen en hoogstamfruitbomen vallen niet onder de vrijstelling als bedoeld in het derde lid.
5.
Het bevoegd gezag kan, indien een houtopstand direct gevaar oplevert, die noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen, direct in werking treedt. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt.
Artikel 6 Criteria verlening omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5 1.
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning om te vellen weigeren dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen.
2.
De omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand wordt geweigerd, indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden: a.
natuur- en milieuwaarden;
b.
landschappelijke waarde van de houtopstand;
c.
de cultuurhistorische waarden;
d.
de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
e.
waarden voor recreatie en leefbaarheid;
f.
boomwaarde.
3.
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen dan wel onder voorschriften verlenen, indien de reden tot velling een vordering tot verwijdering van de houtopstand in het kader van artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek is.
Artikel 7 Verplichtingen pootgerechtigden 1.
Hij die een zakelijk recht van beplanting op een weg heeft, is verplicht: a.
van zijn voornemen tot het planten, vellen of rooien van beplanting op de weg, ten minste 30 dagen van te voren schriftelijk kennis te geven aan het college;
b.
zich bij dat planten, vellen of rooien te gedragen overeenkomstig de voorschriften, die hem door het college gegeven zijn in het belang van de veiligheid van het wegverkeer;
c.
gevolg te geven aan de schriftelijke lastgeving van het college binnen de bij de last te bepalen termijn de houtopstand of stobben, takken dan wel wortels, die voor het gebruik van de weg gevaarlijk zijn, te verwijderen en de berm aan te vullen;
d. 2.
houtopstanden die dood, omgewaaid of afgebroken zijn, onverwijld te verwijderen.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor gevallen, waarin de provinciale wegenverordening geldt.
Artikel 8 Aanvraag 1.
De omgevingsvergunning moet via het Omgevingsloket schriftelijk en gemotiveerd worden aangevraagd, door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens een publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken, onder overlegging en een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project.
2.
Aanvullend op het eerste lid kan het bevoegd gezag verzoeken tot overlegging van een bomeneffectanalyse, opgesteld door een boomdeskundige, een compensatieplan en/of een rapportage van nader technisch of ecologisch onderzoek aan de houtopstand.
3.
Bij velling van op de Groene Kaart aangewezen boomvlakken of landschapselementen vermeldt de aanvraag: a.
de vierkante meters grondoppervlakte waarin te vellen houtopstanden staan;
b.
het aantal te vellen hakhout of bomen met een minimale stamomtrek van 100 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld.
Artikel 9 Standaardvoorwaarde van niet-gebruik Een omgevingsvergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van feitelijk niet-gebruik tot het moment van onherroepelijk worden van de vergunning, oftewel tot het moment dat: a.
de bezwaartermijn is verstreken zonder dat er bezwaar is aangetekend of;
b.
beslist is op een bezwaarschrift of;
c.
beslist is op een verzoek op voorlopige voorziening.
Artikel 10 Intrekking of wijziging De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd, indien:
a.
ter verkrijging onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is verleend;
c.
één of meer van de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nagekomen;
d.
de houder dit verzoekt.
Artikel 11 Beperking geldigheidsduur 1.
De omgevingsvergunning tot vellen als bedoeld in deze verordening vervalt, indien daarvan niet binnen maximaal 3 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt.
2.
In het geval het een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één houtopstand betreft, is de omgevingsvergunning voor alle te vellen houtopstanden slechts 3 jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één houtopstand of enkele houtopstanden al geveld zijn.
Artikel 12 Bijzondere voorschriften 1.
Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.
2.
In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.
3.
Tot de aan de omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan, indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.
4.
Degene aan wie het voorschrift als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
5.
Bomen aangeplant ter uitvoering van een herplantplicht bij een omgevingsvergunning zijn automatisch en per direct opgenomen op de Groene Kaart.
6.
Tot aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften kunnen behoren: a.
aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna;
b.
aanwijzingen ter bescherming en behoud van in de invloedsfeer voorkomende houtopstanden;
c.
aanwijzingen ten behoeve van de veiligheid op openbaar terrein tijdens en het beheer van openbaar terrein na uitvoering van de vellingswerkzaamheden.
Artikel 13 Herplant-/instandhoudingsplicht 1.
Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze teniet is gegaan,
kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. 2.
Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.
3.
Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: a.
overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;
b.
een bomeneffectanalyse door een boomdeskundige op te laten stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag.
4.
Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
Artikel 14 Afstand tot de erfgrenslijn 1.
De afstand, als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek gemeten vanaf het hart van de stam, is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.
2.
Voor bomen in gemeentelijk eigendom en particuliere beschermde houtopstanden die voor inwerkingtreding van deze verordening zijn aangeplant, is de afstand als bedoeld in het eerste lid vastgesteld op nihil.
Artikel 15 Bestrijding van iepziekte en de iepenspintkever 1.
Dit artikel verstaat onder: a.
iepziekte: aantasting van iepen door de schimmel Ophistoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);
b.
iepenspintkever: insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Sclytus pygmaeus.
2.
Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: a.
indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;
b.
de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen;
c.
de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.
3.
Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.
4.
Het verbod als bedoeld in het derde lid is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter.
5. 6.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. Het niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden voor risico en voor rekening van de aangeschrevene door of namens de gemeente kunnen worden verricht.
Artikel 16 Bescherming gemeentelijke houtopstanden 1.
Het is verboden om houtopstand, die eigendom van gemeente Boxtel is, te beschadigen, te bekladden, te vellen of te beplakken, daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door of namens ambtenaren ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak.
2.
Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een houtopstand, die eigendom van gemeente Boxtel is, aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens met vergunning van het college.
Artikel 17 Strafbepaling 1.
Hij die handelt in strijd met de artikelen 7, 15 of 16, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 3 maanden of een geldboete van de tweede categorie.
2.
Bij de eis tot strafmaatbepaling kan rekening worden gehouden met de boomwaarde.
Artikel 18 Toezicht en opsporing 1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aangewezen personen.
2.
Met de opsporing van de in deze afdeling strafbaar gestelde feiten zijn behalve de ambtenaren, genoemd in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaren.
Artikel 19 Betreding van gebouwen en terreinen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van deze verordening, zijn bevoegd tot het betreden van gebouwen, niet-zijnde woningen, en terreinen zonder toestemming van de rechthebbende, voor zover dit noodzakelijk is voor het toezicht dan wel de opsporing.
Artikel 20 Slotbepaling 1.
Deze verordening kan worden aangehaald als Bomenverordening Boxtel.
2.
Zij treedt in werking op het moment het college de Groene Kaart Boxtel heeft vastgesteld. Op datzelfde tijdstip vervallen: a.
afdeling 3 (Het bewaren van houtopstanden) van hoofdstuk 4 van de Algemene Plaatselijke Verordening Boxtel 2012;
b.
afdeling 3 (Het bewaren van houtopstanden) van hoofdstuk 4 van de Algemene Plaatselijke Verordening Haaren 2013, wijziging 2018.
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Boxtel op 22 maart 2022.
De griffier,
I. Smits
De voorzitter,
R. van Meygaarden
Toelichting Bomenverordening gemeente Boxtel Artikelsgewijs
Artikel 1: Begripsomschrijvingen d. bomeneffectanalyse Waardevolle houtopstanden worden regelmatig (ernstig) beschadigd of vernietigd door bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen. Vaak gebeurt dit ongewenst en onbedoeld, omdat er te laat is gekeken naar de gevolgen voor de bomen, waardoor ze niet ingepast of (onherstelbaar) beschadigd raken. De bomeneffectanalyse (BEA) is een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan voorgenomen bouw of aanleg. De BEA waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een BEA dient uitgevoerd te worden door een boomdeskundige. De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rondom bouw of aanleg. e. boom Afbakening van het begrip ‘boom’ is van belang voor het aangeven van een ondergrens van het velverbod voor bepaalde categorieën bomen. Slechts houtopstanden met een stamomtrek van minimaal 50 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld, vallen onder de term ‘boom’. Het betreft zowel vitaal als afgestorven houtachtig gewas. Hiermee kan voorkomen worden dat een kwaadwillende boomeigenaar ervoor zorgt dat een gezonde boom doodgaat of ‘bij vergissing’ een gezonde boom velt.
Het kan tevens wenselijk zijn om dode bomen te bewaren vanwege hun ecologisch waardevolle functies of omdat er wettelijk beschermde diersoorten in nestelen. j. dunning Dunning is een vorm van vellen die slechts zo ver mag gaan dat hiermee de conditie van de overblijvende bomen zal verbeteren. m. hakhout Hakhout heeft vaak een stamomtrek van minder dan 30 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld. o. houtopstand Het begrip ‘houtopstand’ is onder andere van belang om aan te geven dat bestrijding van boomziekten en bescherming van gemeentebomen tegen vandalisme betrekking heeft op meer houtige gewassen dan alleen bomen met een stamomtrek van minimaal 100 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld. Ook hakhout valt onder deze term. r. kandelaberen Een vorm van snoeien, waarbij alle takken op de gesteltakken op 1,00 - 1,50 m vanaf de stam/harttak worden teruggezaagd. Periodiek snoeien blijft daarna nodig. Het in stand houden door periodieke snoei van de door kandelaberen ontstane kroonvorm is niet omgevingsvergunningplichtig. De eerste keer kandelaberen is wel omgevingsvergunningplichtig. s. knotten
Een beheermaatregel, waarbij alle takken boven de knot (afgezaagde stam, veelal op 1,50 - 2,50 m hoogte) worden afgezaagd. De nieuwe takken worden periodiek (eens in de 3 - 10 jaar) teruggezet: het zogenaamde ‘knotten’. Het in stand houden door periodieke snoei van de door knotten ontstane kroonvorm is niet omgevingsvergunningplichtig. De eerste keer knotten is wel omgevingsvergunningplichtig. y. vellen Elke wijze van het te gronde richten van houtopstand ongeacht of dit gedeeltelijk is, bijvoorbeeld bij snoeien, of volledig, zoals bij rooien (inclusief stobbe verwijderen). Ook ingrepen die een ingrijpende wijziging betekenen, zoals kandelaberen of het snoeien van meer dan 20 procent van het kroonvolume, vallen onder vellen. Dit om het ernstig beschadigen of ontsieren van een boomkroon tegen te kunnen gaan. Het verwijderen van hoofdwortels (belangrijke wortel of wortel die zorgt voor stabiliteit), waarvan kan worden aangenomen dat daardoor de houtopstand ernstige schade oploopt, valt eveneens onder het begrip ‘vellen’. Door de verordening ook van toepassing te laten zijn op het ernstig beschadigen of ontsieren van samengestelde verschijningsvormen, worden grootschalige ingrepen wat betreft bomen eveneens omgevingsvergunningplichtig.
Artikel 3: Velverbod beschermde houtopstanden Lid 5. Indien een houtopstand direct gevaar oplevert, kan het bevoegd gezag besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Dit houdt in dat dan direct tot velling overgegaan kan worden. Belanghebbenden hebben dan wel nog steeds de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar. Dit is van belang, omdat aan de verleende omgevingsvergunning voorschriften kunnen zijn verbonden.
Artikel 5: Velverbod overig Lid 1 onder b. Voor kleinere houtopstand in boomvlakken en landschapselementen wordt per vierkante meter grondoppervlakte omgevingsvergunning aangevraagd. Staan hier echter tevens bomen met een stamomtrek van minimaal 100 cm gemeten op 1,30 m hoogte boven het maaiveld, dan vallen dergelijke bomen separaat onder het velverbod en worden zij separaat in de aanvraag vermeld. Zie hiervoor artikel 8. Lid 1 onder c. Er is een velverbod voor houtopstand die is aangeplant op grond van de artikelen 12 of 13. Dit kunnen houtopstanden zijn met een stamomtrek kleiner dan 100 cm. Leden 3 en 4. Hier staat de reikwijdte van de vrijstelling die noodzakelijk is op grond van het regelverbod van artikel 4.6 van de Wnb. Lid 5. Indien een houtopstand direct gevaar oplevert, kan het bevoegd gezag besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Dit houdt in dat dan direct tot velling overgegaan kan worden. Belanghebbenden hebben dan wel nog steeds de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar. Dit is van belang, omdat aan de verleende omgevingsvergunning voorschriften kunnen zijn verbonden.
Artikel 13: Herplant-/instandhoudingsplicht
De wijze waarop deze zelfstandige herplant- en instandhoudingsplicht wordt uitgevoerd, gebeurt ook op beleidsmatige wijze. De uitwerking kan deel uitmaken van een breder opgezet handhavingsbeleid. Artikel 5:18 van de Wabo biedt de mogelijkheid, indien sprake is van een herstel- of instandhoudingssanctie van het velverbod, onder oplegging van last onder bestuursdwang of dwangsom bij het besluit tot herplantverplichting, tevens te bepalen dat de uitvoering van het besluit eveneens geldt voor de rechtsopvolger.
Artikel 16: Bescherming gemeentelijke houtopstanden Dit artikel is onder andere bedoeld om te voorkomen dat gemeentelijke houtopstanden beschadigd raken door voorwerpen, zoals verlichtingsdraden die lange tijd in houtopstanden blijven hangen. Hetgeen overlast veroorzaakt, houtopstand afknelt en snoeiwerk onmogelijk maakt.