CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Toelichting en regels Berlicum, Plein 13-15

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 21 september 2023, gemeente boxtelBij agendapunt: 9 Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Plein 13-15 te Berlicum25.771 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

DLV ADVIES BERLICUM,

&RESULTAAT

PLEIN 13-15

bestemmingsplan

ENIE

-_

Oostwijk 5

Postbus 511

_

5406

S4OOAMUden

= -

=

| ADVIES

-_

&RESULTAAT

Berlicum, Plein 13-15 bestemmingsplan

Vastgesteld

Datum:

21 september 2023

XT Uden

0413336800 _

infotdiadvies.nl

wm

dtvadvies.nl

DLV ADVIES &RESULTAAT

Inhoudsopgave

Vaststellingsbesluit Toelichting 1.1

Inleiding Aanleiding voor het plan

12

Planlocatie

1.3

Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer Planbeschrijving

Hoofdstuk

1

14 Hoofdstuk

2

21

Huidige situatie

22

Gewenste

Hoofdstuk

3

31

Rijksbeleid

32

Provinciaal

33

situatie

Beleidskader beleid

Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk

4

Ruimtelijke- en milieuaspecten

41

Milieu

42

43

Ecologie Archeologie en cultuurhistorie

44

Verkeer en parkeren

Wateraspecten

45 Hoofdstuk

5

Uitvoerbaarheid

51

Economische

52

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.3 Hoofdstuk

6

61

uitverbaarheid

Handhaving Wijze van bestemmen Doel en reikwijdte

62

Onderdelen van een bestemmingsplan

6.3

Voorliggend bestemmingsplan

Bijlagen bij de toelichting Landschappelijk inrichtingsplan Akoestisch

onderzoek

Bodemonderzoek

70 183

Resultaten berekeningen Aerius Calculator

580

Onderzoek

603

flora

en

fauna

Archeologisch onderzoek Omgevingsvergunning verbouw en restauratie van rijksmonumentale boerderij Plein 15

646 741

Planregels Hoofdstuk Artikel

1 1

Artikel 2 Hoofdstuk

2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

944 944

954

Bestemmingsregels

955

Artikel 3

Agrarisch

955

Artikel 4

Wonen

969

DLV ADVIES &RESULTAAT

Artikel 5

Waarde - Archeologie 1

973

Artikel 6

Waarde - Archeologie 4

975

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels Overgangs- en slotregels

977

985

Hoofdstuk

3

Artikel 7 Artikel 8

Artikel 9 Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Hoofdstuk

4

977 978

980 981

983

Artikel

13

Overgangsrecht

985

Artikel

14

Slotregel

986

987

Bijlagen bij de regels age 1

Akoestisch rapport

988

Lijst van Bedrijfsactiviteiten

1101

Werken

1105

en

werkzaamheden

Landschappelijk inrichtingsplan

1114

DLV ADVIES &RESULTAAT

DLV ADVIES &RESULTAAT

Vaststellingsbesluit

DLV ADVIES &RESULTAAT

Toelichting

DLV ADVIES &RESULTAAT

Hoofdstuk 1 141

Inleiding

Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel" en de herzieningen en actualisaties daarop van gemeente Sint-Michielsgestel ten

behoeve van het omschakelen van de aan het Plein 13-15 gevestigde veehouderij naar een agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij, het afsplitsen van de agrarische bedrijfswoning met nummer 15 van het

agrarisch bedrijf en het splitsen van de monumentale af te splitsen bedrijfswoning met nummer 15 in twee wooneenheden. Het is daarbij wenselijk de agrarische bestemming ter plaatse van de betreffende woning

te wijzigen in een woonbestemming.

De huidige bedrijfswoning aan het Plein 15 betreft een monumentale

boerderij welke is aangemerkt als Rijksmonument. Voor het behoud van de cultuurhistorische waarde van

deze boerderij is het tevens wenselijk deze te splitsen in twee wooneenheden. In het hoofdstuk "Planbeschrijving” (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer voert momenteel een agrarisch bedrijf zijnde een veehouderij uit aan het Plein 13 en 15 te Berlicum. De dochter en schoonzoon van de initiatiefnemer hebben aangegeven plannen te hebben voor het ontwikkelen van een tweetal woningen in de monumentale boerderij aan het Plein 15 en hebben daar in samenwerking met de gemeente, de monumentencommissie en een architect reeds plannen voor gemaakt die door ieder enthousiast zijn ontvangen. Daamaast wenst de initiatiefnemer, gezien de ligging van de locatie en de elkaar steeds sneller opvolgende ontwikkelingen in de veehouderij, waarbij het steeds moeilijker wordt om ter plaatse een veehouderij te blijven uitvoeren op een volwaardige en duurzame wijze, de veehouderij te beëindigen en om te schakelen naar een agrarisch grondgebonden bedrijf, niet zijnde een veehouderij. Ten slotte wenst de initiatiefnemer, bij wijze van neventak, eveneens te voorzien in voorzieningen voor statische opslag op het om te schakelen agrarisch bedrijf. De gemeente is reeds bezig met een nieuwe gebiedsvisie gevolgd door een omgevingsplan voor het

gebied, waarin de gewenste omschakeling van het bedrijf en de woning, de nevenactiviteit en de splitsing van de woning meegenomen

kan worden. Echter duurt de procedure voor deze gebiedsvisie en het

omgevingsplan erg lang. Voor de initiatiefnemer en diens dochter en schoonzoon komen daarmee de plannen voor de gewenste woningen in de knel en daardoor zou het gaan wonen in het pand niet meer in

de toekomstplanning van het gezin passen. Om deze reden wenst de initiatiefnemer een eigen afzonderlijke bestemmingsplanprocedure te doorlopen. De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente

heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 31 van de Wet

uimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren

op ruimtelijk en/of milieutechnisch Vak.

1.2

_

Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan het Plein 15 te Berlicum en ligt aan de oostkant van Berlicum n het landelijk gebied van gemeente Sint-Michielsgestel. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Berlicum, sectie L, nummers 1205 en 1387 In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

DLV ADVIES &RESULTAAT

Doornhoek

f

Plein

&

Laar

Uitsnede topografische kaart locatie.

Bron: J.W.

1.3

van Aalst, wawopentopo.nl.

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgeste!" van de gemeente Sint-Michielsgestel, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2010, onverkort van toepassing. Tevens is het bepaalde in de herzieningen en actualisaties op het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel", voor zover relevant, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur zijn vanuit het geldende bestemmingsplan ter plaatse de bestemming

‘Agrarisch' en de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwak’

'maximaal aantal wooneenheden: 2', ‘historisch landschappelijke gebied’

'besloten gebied' en 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' van toepassing.

DLV ADVIES &RESULTAAT

enkelbestemming Agraisch

oubbelbestemming Waarde

-Archeologie 1

CS

Souwak

== TLZ

Mastvoering maxdmaat ztal wooneenheden:2

Gebiedsaanduiding

G

Gebiedsaanduiding

istorsch andschappeljk gebied Gebiedsaanduidng verwevingsgebied

Gebiedsaanduiding

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan.

Bron:

wawruimtelijk eplannen.nl.

Naast de locatie, aan het Plein 11, is een niet-agrarisch bedrijf gelegen. Echter is dit bedrijf reeds beëindigd en omgeschakeld naar een woonbestemming. Dit is meegenomen in een van de herzieningen op het geldende bestemmingsplan, het "Actualisatieplan Buitengebied", zoals is vastgesteld op 9 juli 2015. Zoals te zien in de volgende figuur is het naastgelegen niet-agrarisch bedrijf aan het Plein 11 in dat plan omgeschakeld naar een woonbestemming. Enkelbestemming Wonen

ubbelbestemming aarde - Archeologie

LS

T

ouwek Gebiedsaanduiding overige zone - historisch landschappelijk gebied

Gebiedsaanduiding reconstructiewetzone

verwevingsgebied

10

DLV ADVIES &RESULTAAT

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Actualisatieplan Buitengebied”. Bron: waw ruimtelijkeplannen.nl. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële

herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op

uimtelijk en/of milieutechnisch Vak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch Vak.

14

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: * _ Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.

* _ Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de proúncie en de gemeente. * _ Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanwllende onderzoeken beschreven. * Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. * Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

11

DLV ADVIES &RESULTAAT

Hoofdstuk 2 21

Planbeschrijving

Huidige situatie

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Sint-Michielsgestel. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouwgronden. De verkavelingsstructuur betreft een blokverkaveling met een grootschalige opzet. De onderlinge kavels

worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele niet-agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen. Op de locatie is momenteel een agrarisch bedrijf, zijnde een melkrundveehouderij. Ter plaatse mogen

volgens de vigerende vergunning de volgende dieren worden gehouden *

60 melk- en kalfkoeien;

°

59 wouwelijk jongvee;

°

2 paarden.

Deze dieren worden momenteel gehuisvest in de reeds aanwezige stallen. Naast de aanwezige stallen zijn ter plaatse twee bedrijfswoningen, waarvan één monumentale boerderij aanwezig met de daarbij

behorende bijgebouwen. Tevens zijn ter plaatse bedrijfsgebouwen voor opslag en stalling van machines en materialen en voorzieningen voor de opslag van voer aanwezig.

Ter plaatse is een bouwak toegekend. Het huidige bouwwak is ongeveer 1,25 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

12

DLV ADVIES &RESULTAAT

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: wruimtelijkeplannen.nl.

22

_

Gewenste

situatie

221 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is vomemens ter plaatse de monumentale bedrijfswoning aan het Plein 15 van het bedrijf af te splitsen en om te schakelen naar een burgerwoning. Daarbij wenst de initiatiefnemer de monumentale boerderij te splitsen in twee wooneenheden, mede voor de instandhouding van het Rijksmonument. De voorgenomen ontwikkeling is n goed overleg met de gemeente, de

monumentencommissie en een architect tot stand gekomen en biedt een meerwaarde voor het behoud van het monumentale pand.

De huidige aanwezige bedrijfsbebouwing ten noordwesten van de om te schakelen en te splitsen monumentale woning zal als bijgebouwen bij de wooneenheden worden betrokken. Daarbij zal een deel van de kapschuur, ongeveer de helft daarvan, worden gesloopt. Na sloop van een deel van de kapschuur zal per wooneenheid nog ongeveer 200 m? aan bijgebouwen aanwezig zijn. De te behouden bijgebouwen bij de wooneenheden worden middels een aanduiding op de verbeelding vastgelegd. 13

DLV ADVIES &RESULTAAT

De huidige paardenstalling in de uiterste noordwest hoek van het perceel zal, om een soepele overgang te creëren in beginsel worden behouden, maar zal niet mede worden bestemd. In feite ontstaat daarmee een strijdige situatie. De gewenste overganssituatie zal echter in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer worden geregeld, waarmee de paardenstalling vooralsnog kan blijven behouden, maar op termijn zal worden verwijderd. Het agrarisch bedrijf aan het Plein 13 zal in stand gehouden worden. Echter is het voor de initiatiefnemer niet langer wenselijk ter plaatse vee te houden. Derhalve zal het bedrijf worden omgeschakeld naar een

agrarisch grondgebonden bedrjf, niet zijnde een veehouderij. Daarmee kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de af te splitsen woning worden gewaarborgd.

Het agrarisch bedrijf zal worden

voorzien van een aanduiding die een veehouderij ter plaatse uitsluit. Wel wenst de initiatiefnemer nog twee paarden te houden. Deze worden echter hobbymatig gehouden en maken geen deel uit van de bedrijfsvoering ter plaatse. Omdat de paarden hobbymatig worden gehouden

en omdat het houden van paarden niet wordt aangemerkt als veehouderij is geen sprake van veehouderij activiteiten.

Ten slotte wenst de initiatiefnemer te voorzien in statische opslag als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf. Het is daarbij wenselijk een reeds bestaande stal in te zetten voor deze nevenactiviteit. Het betreft de stal gelegen direct achter de bedrijfswoning met nummer 13. De overige aanwezige bedrijfsbebouwing zal worden ingezet voor de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, niet zijnde veehouderij. Het huidige bouwvak zal met de voorgenomen ontwikkeling worden verkleind tot een passende omvang.

Een en ander is op de verbeelding behorende bij dit plan weergegeven.

22.2

Landschappelijke

inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren

gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving

is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is n de volgende figuur weergegeven.

14

DLV ADVIES &RESULTAAT

_ gewenst ri uitzicht op paardenweide

Tekening landschappelijke inpassing. Bron: h8 ontwerpbureau.

Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 1 van deze onderbouwing. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

15

DLV ADVIES &RESULTAAT

Hoofdstuk

31 3.1.1

3

Beleidskader

Rijksbeleid _ Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgewingsvsie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvsie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.

Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel Iokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie,

circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland fink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen.

Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit e komen en

tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterkerte maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische)

steden. Omgevingskwaliteit is het kembegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit &n milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid,

veiligheid en milieu.

In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op

samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Riijk wordt veel gevraagd van de

leefomgeving. De ambities vwagen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden

verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen.

De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgwdige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regjo's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.

Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij s het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld.

2.

Duurzame

3.

en

circulaire economie:

Hierbij s het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en verwoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale coridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk n bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd.

4.

Geleidelijke en zorgwuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij s het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 16

DLV ADVIES &RESULTAAT

aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin

uimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Riijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan

decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.

Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet

aan de eigenheid van de regio's. gemeenten,

Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en

maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al

deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI.

Bij de uitvoering van

de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel

van de boven- als van de ondergrond.

Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief beleid. De NOVI

onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes

1.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies.

2.

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.

3.

Afwentelen

wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provncies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provncies

en gemeenten. De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barto). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en

aanwllende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verderte worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen

in de paragraaf

"Besluit algemene regels ruimtelijke ordening” (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AM\B) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMB

Ruimte heeft de eerdere ontwerp AM\B

Ruimte 2009 vervangen. Juridisch

wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de

inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvsie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen.

Het Barro is gericht op

doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AM\B

Ruimte die eind 2009 is aangeboden en

deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens:

“Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 17

DLV ADVIES &RESULTAAT

gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit.”

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dt binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal

belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden.

Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro

vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie s niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke

ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een

motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: “muimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Aan de hand van deze definitie kan gesproken worden van een stedelijke ontwikkeling. Op basis van

jurisprudentie (uitspraken ABRNS 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) is echter bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand

als één woningbouwiocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling n beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van meer dan 11 woningen die als

één woningbouwiocatie kunnen worden aangemerkt Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dt daarmee verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist.

3.2

_

Provinciaal

beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant” vastgesteid. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurterende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de prowncie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van 18

DLV ADVIES &RESULTAAT

de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat.

De Omgevingsvisie gaat over twee vragen: + Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? * _ Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en

klimaatproof zijn. De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers,

maar ook door de voortrekkersrol in de

transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De prowncie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid,

maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen.

n dat kader

stelt de prowincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste

natuumetwerk

uitstekend

functioneert.

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbewinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging

uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector

is,

maar dan op een schonere en slimmere manier. Daamaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving

als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproofte zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daamaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam,

gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daamaast dient voldoende ruimte

beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.

Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd:

* _ Werken aan de Brabantse energietransitie; + _ Werken aan een klimaatproof Brabant; * °

_ Werken _ Werken

aan de slimme netwerkstad; aan een concurrerende, duurzame economie.

Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Voor de omschakeling van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en voor het splitsen van een

monumentaal pand in twee wooneenheden zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Ook voor het omschakelen van een veehouderij naar een grondgebonden bedrijf, niet zijnde veehouderij zijn

geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendige wijze wordt gebouwd. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een veehouderijbedrijf beëindigd en omgeschakeld naar een

grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij. Hiermee zal de uitstoot van methaan, geur, fijnstof, ammoniak,

venallen.

stikstofoxiden en mogelijke ziektekiemen en/of zoönosen

vijwel geheel komen te

Er is daarmee sprake van een verbetering van het woon- en eefklimaat ter plaatse, sprake van

een verminderd effect op belangrijke natuurgebieden,

sprake van een vermindering van de mogelijke 19

DLV ADVIES &RESULTAAT

risico's op de volksgezondheid ter plaatse en sprake van een verminderde uitstoot van broeikasgassen en/of andere mogelijk schadelijke stoffen. Er is daarmee sprake van een verduurzaming van het bedrijf op de locatie.

Bij de splitsing van het pand zal het pand worden gerenoveerd volgens de huidige eisen ten aanzien van energie, duurzaamheid en isolatie. Daarmee zal het energieverbruik ter plaatse afnemen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de prowncie. Bij de renovatie van het pand zal het dusdanig worden ingericht dat sprake is van duurzame en klimaatbestendige woningen. Daamaast kunnen bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijkheden worden onderzocht voor een verdere verduurzaming van de woning(en) en/of naar mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstelingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.2.2 _ Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim Omgevingsverordening Ruimte Noord-Brabant is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 16 november

2021 de (laatst geconsolideerde versie van de) Interim Omgevingsverordening vastgesteld, waarmee de tot dan toe geldende Verordening Ruimte werd vervangen. Op 11 maart 2022 is door de proncie de

Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Omgevingsverordening zal echter pas in werking treden wanneer de Omgevingswet in werking treedt, naar verwachting 1 januari 2024. Tot die tijd geldt het

beleid zoals is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, zoals eveneens op 11 maart 2022 door de prowncie gewijzigd is vastgesteld. De gewijzigde regels van de Interim

Omgevingsverordening zijn opgenomen n de meest recente versie, welke op 1 oktober 2022 is geconsolideerd en in werking is getreden.

Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als '(gemengd) landelijk gebied' en 'stalderingsgebied. Binnen het gebied dat is aangemerkt als stalderingsgebied gelden aanvullende voorwaarden voor (de

ontwikkeling van) veehouderijbedrijven.

Bij de voorgenomen ontwikkeling i geen sprake van een

(ontwikkeling van een) veehouderijbedrijf. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn daarmee

niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Voor wat betreft de omschakeling van een veehouderij naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij, zijn in de omgevingsverordening specifieke regels opgenomen.

In artikel 3.54 is

opgenomen dat omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijfn gemengd landelijk gebied mogelijk is onder de volgende voorwaarden:

"Artikel 3.54 Grondgebonden teeltbedrijf in Landelijk gebied Lid1

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de ontwikkeling van een teeltbedrijf op een bestaand bouwperceel of in de uitbreiding van een bouwperceel waarbij

a.

de bouwof uitbreiding van een teeltondersteunende kas ís toegestaan tot ten hoogste 5.000 m?

b.

de bouwof uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen is toegestaan tot ten

hoogste 3 hectare. Lid2

In afwijking van het eerste lid, onder b, kan een bestemmingsplan de bouw of uitvoering van meer dan 3 hectare permanente teeltondersteunende voorzieningen toelaten als:

a.

dit past bij het ontwikkelingsperspectief van het gebied, waarbij ook een mogelijke functie van het gebied voor klimaatadaptieve maatregelen is betrokken;

b. c.

de percelen niet in Aardkundig waardevol gebied liggen; de effecten van de ontwikkeling op het water- en bodemsysteem en omliggende waarden worden

afgewogen; d.

maatregelen worden getroffen en geborgd waardoor de ontwikkeling bijdraagt aan een waterrobuuste 20

DLV ADVIES &RESULTAAT

inrichting van het gebied en een verstoring van de hydrologische situatie ter plaatse wordt gemitigeerd; en

e.

juridisch en financieel is geborgd dat de voorzieningen na afloop van het gebruik worden verwijderd.

Lid3

In afwijking van Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik , eerste Lid ‚ onder c‚ kan een bestemmingsplan dat van toepassing is op Landelijk gebied voorzien in permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten

het bouwperceel van het teeltbedrijf, als: a.

b.

de voorzieningen geconcentreerd worden en aansluiten op een bouwperceel ;

dit past binnen het ontwikkelingsperspectief van het gebied, waarbij ook een mogelijke functie van het gebied voor klimaatadeptieve maatregelen is betrokken;

c.

i voldaan aan Artikel 3.9 Kwaiteitsverbetering landschap; en

d.

is voldaan

aan de voorwaarden

uit het eerste of tueede

d.”

Ad. 3.54, lid 1, sub a:

Eris geen sprake van de bouw en/of een uitbreiding van een kas. Aan

deze

voorwaarde

wordt

voldaan.

Ad. 3.54, lid 1, sub b:

Er is geen sprake van permanente teeltondersteunende voorzieningen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan,

Het tweede en derde lid bevatten regels voor uitzonderingen op het eerste lid ten aanzien van permanente

teeltondersteunende voorzieningen. Gezien daar geen sprake van is, is het bepaalde in lid 2 en 3 van artikel 3.54 niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Aan de voorwaarden voor het omschakelen naar een grondgebonden teeltbedrijf wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan. Voor wat betreft wonen in het (gemengd) landelijk gebied zijn in de omgevingsverordening specifieke

regels opgenomen. Vanuit de omgevingsverordening zijn alleen bestaande burgerwoningen in het buitengebied toegestaan. Nieuwe burgerwoningen zijn, vanuit artikel 3.68 van de verordening, in beginsel

uitgesloten. In artikel 3.69 s echter een afwijking opgenomen op het verbod uit artikel 3.68. Deze afwijking luidt als volgt:

"Artikel 3.69 afwijkende regels wonen In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: 3.

de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel,

als ís

verzekerd dat

b.

1.

de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven;

2

overtollige bebouwing wordt ges!oopt.

de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing

als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. c.

n het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat:

1.

ergeen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt;

2

overtollige bebouwing worat ges!oopt.”

Het omschakelen van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning is mogelijk op basis van artikel 3.69, sub c‚ mits geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en overtollige bebouwing

wordt gesloopt. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een deel van de huidige kapschuur (ongeveer de helft) worden gesloopt. Er is daarmee sprake van sloop van overtollige bebouwing.

Bij de voorgenomen

ontwikkeling vindt wel splitsing n meerdere woonfuncties plaats. Vanuit artikel 3.69, sub b kan splitsing 21

DLV ADVIES &RESULTAAT

van een cultuurhistorisch waardevol pand in meerdere woonfuncties mogelijk worden gemaakt indien de splitsing bijdraagt aan het behoud en/of het herstel van de bebouwing.

Bij de voorgenomen ontwikkeling

draagt de voorgenomen splitsing bij aan het behoud van de bebouwing. Hiermee kan de voorgenomen ontwikkeling met toepassing van de afwijking uit artikel 36.9 sub b en c mogelijk worden gemaakt.

Naast de specifieke voorwaarden voor een ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen:

“Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid1:

Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingsk waliteit met een veilige, gezonde Ieefomgeving. Lid2:

Voor een goede omgevingsk waliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:

3.

zorgvuldig ruimtegebruik:

b.

de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering;

c.

meerwaardecreatie."

Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanwllende bepalingen opgenomen. Voor zorgwidig ruimtegebruik gelden de volgende aanwllende bepalingen: “Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid1:

Zorgwuldig ruimtegebruik houdt in dat: a.

de toedeling van functies n beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing,

behalve in de gevallen dat:

b.

1.

nieuwestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk;

2

erfeitelijk of vanuit kwalitatieve overegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet

gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke

ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c.

gebouwen,

bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd

binnen een bouwperceel. Lid 2:

Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel.” Ad. 3.6, lid 1, sub a:

Er is geen sprake van nieuwestiging.

Tevens is geen nieuw ruimtebeslag nodig voor de voorgenomen

ontwikkeling. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een functiewijziging binnen het huidige

ruimtebeslag. Met de voorgenomen ontwikkeling zal het maximale ruimtebeslag zelfs afnemen door verkleining van het bouwak

en een aanduiding voor de maximale opperakte aan bijgebouwen. Aan deze

voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.6, lid 1, sub b: Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Ladder

duurzame verstedelijking” (paragraaf 3.1.3). Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan 22

DLV ADVIES &RESULTAAT

Ad. 3.6, lid 1, sub c:

Alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 3.6, lid 2:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een bestaand bouwperceel. Dit bouwperceel zal niet worden uitgebreid ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling, maar worden verkleind. Tevens vindt de ontwikkeling plaats in reeds bestaande bebouwing. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Eris, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgwldig ruimtegebruik. Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening

de volgende aanwllende voorwaarden opgenomen: "Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid1:

De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge uisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid2:

De lagenbenadering omvat de effecten op:

3.

de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;

b.

de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuumetwerk,

energienetwerk,

waterwegen waaronder een

goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.

de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en

de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3:

Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde,

vanuit het

verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.”

Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied

(mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.

Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanwllende bepalingen: “Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid1:

Meeruaardecreatie omvat een evenuichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: 3. b.

de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat: de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Lid2:

De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kualiteitsverbetering

landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.” 23

DLV ADVIES &RESULTAAT

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een veehouderijbedrijf beëindigd en omgeschakeld naar een grondgebonden agrarisch bedrjf, niet zijnde veehouderij. Daarnaast wordt de monumentale bedrijfswoning met nummer 15 van het bedrijf afgesplitst, omgeschakeld naar een burgerwoning en gesplitst in twee wooneenheden. Bij de beëindiging van de veehouderij zal de uitstoot van mogelijk schadelijke stoffen, zoals ammoniak, methaan (of andere broeikasgassen), mogelijke ziektekiemen en/of zoönosen vrijwel geheel komen te veallen. Daamaast zal de geurhinder aan de omgeving en de uitstoot van fijnstof aanzienlijk afnemen. Hiermee is sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat en een positief effect op belangrijke natuurgebieden. Daamaast zal de voorgenomen daarmee ontwikkeling bijdragen aan de klimaatdoelstellingen. Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf

"Landschappelijke inpassing” (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk

inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd.

Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de

mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd n artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Tevens zal een deel van de kapschuur worden gesloopt. Ook sloop van bebouwing is in artikel 3.9

opgenomen als mogelijkheid voor kwaliteitsverbetering en is daarmee eveneens aan te merken als een vorm

van meerwaardecreatie.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgwdig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en

sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.

De voorgenomen ontwikkeling past daammee binnen het beleid zoals is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.3

Gemeentelijk beleid

331 Structuurvisie Buitengebied SintMichielsgestel De gemeente Sint-Michielsgestel heeft op 21 december 2011 de structuunúsie buitengebied Sint-Michielsgestel vastgesteld. Deze structuurúsie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente ten aanzien van het buitengebied op hoofdlijnen. De structuurúsie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. De kem van de visie is ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd en versterkt doordat initiatieven hier aan bijdragen. Dat wil zeggen, mensen die een initiatief willen ontwikkelen helpen ook mee om het wensbeeld te realiseren (investering in ruimtelijke kwaliteit). Vanuit de visie gelden algemene uitgangspunten voor nieuwe ontwikkelingen. Daarbij wordt gestuurd op

een zorgwidige planologische toetsing van een nieuwe ontwikkeling, waarbij verschillende aspecten als milieu, natuur, archeologie, cultuurhistorie en water zorgwldig afgewogen dienen te worden. Zoals nader

omschreven en aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten” (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen op het gebied van de verschillende aspecten,

waarmee sprake is van een zorgwidige planologische toetsing. Daarmee wordt aan de algemene uitgangspunten voldaan.

De locatie is vanuit de visie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als buitengebied. Voor het buitengebied zijn specifieke beleidslijnen opgenomen in de vsie. In het buitengebied wordt onderscheid gemaakt tussen bebouwingsconcentraties en het overige buitengebied. De locatie is niet n een van de aangemerkte bebouwingsconcentraties gelegen en is daarmee in het overige buitengebied gelegen. 24

DLV ADVIES &RESULTAAT

In het overige buitengebied, buiten de bebouwingsconcentraties, waar de bebouwing meer verspreid is, zijn mogelijkheden voor nieuwe economische activteiten, al zijn die minder ruim dan in de bebouwingsconcentraties. Hierbij wordt nog een onderscheid gemaakt tussen cultuurhistorische panden en gebouwen zonder cultuurhistorische waarde. Het hergebruik van vijkomende agrarische bebouwing n het overig buitengebied dient in eerste instantie te

passen binnen de drie hoofdfuncties die aan het buitengebied worden toebedeeld, te weten landbouw, recreatie en natuur (en landschap). Naast ruimte voor de drie hoofdfuncties worden er beperkt aanvullende

mogelijkheden geschapen voor statische opslag van goederen, aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven en landbouwgebonden activiteiten zoals verbrede landbouw en paardenhouderijen.

Overige functies, als

maneges, agrarisch verwante bedrijven en agrarisch technische bedrijven met een grote verkeersaantrekkende werking, kleinschalige ambachtelijke bedrijven in categorieën 1 en 2, maneges,

dienstverlenende bedrijven, zorg- en maatschappelijke functies blijft beperkt tot daarvoor geschikte bebouwingsconcentraties.

In het overige buitengebied wordt voor deze activiteiten geen ruimte geboden.

Om cultuurhistorische waardevolle bebouwing te kunnen behouden is functieverruiming ten behoeve van wonen toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van agrarisch hergebruik van een voormalige agrarische locatie.

De veehouderij zal worden omgeschakeld naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij. Daaraast zal als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf worden voorzien in statische opslag.

Aan statische opslag als nevenactiviteit wordt vanuit de vsie ruimte geboden. Verder is sprake van een functieveruiming ten behoeve van wonen door splitsing van een cultuurhistorisch waardevol pand. Dit past

binnen de uitgangspunten uit de visie die zijn opgenomen voor het overige buitengebied. Voor de verschillende ontwikkelingen in het overige buitengebied zijn de volgende voorwaarden van belang: * ° * ° * ° « _

* * _ * _ * _ * _

Functieverandering is alleen van toepassing op fysiek bestaande, legale vijgekomen en vijkomende gebouwen in het buitengebied; De activiteit dient qua aard, milieubelasting, uitstraling en intensiteit te passen binnen de omgeving: Ermag door de nieuwe activiteit geen overlast of hinder worden veroorzaakt; Ervindt geen beperking plaats van bestaande agrarische bedrijven: Belangrijke (toekomstige) agrarische ontwikkelingen mogen niet worden gehinderd; Het hergebruik voor andere niet-agrarische functies wordt niet toegestaan in het landbouwontwikkelingsgebied; Nieuwe activiteiten mogen geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben. Getoetst wordt op de verkeersintensiteit en het vachtverkeer in relatie tot het wegennet, de veiligheid, de overlast voor mens en natuur en de parkeerdruk, gebaseerd op de verkeersindices; Parkeren, laden en ossen dient op eigen terrein plaats te nden: De parkeergelegenheid wordt landschappelijk ingepast met behulp van gebiedseigen beplanting: Buitenopslag en opslag in kassen is niet toegestaan; Ervindt geen aantasting plaats van (potentiële) landschappelijke, cultuurhistorische of natuurlijke waarden. Ook de effecten op de waarden in de wijdere omgeving worden hierbij meegewogen: De activiteiten zijn niet strijdig met de overige rechtsregels, zoals de milieu-, horeca- en stankwetgeving;

* * *

*

° * «

De bebouwing wordt aan de hand van een erfbeplantingsplan landschappelijk ingepast met behulp van gebiedseigen beplanting; Bestaande bebouwing mag worden vervangen door nieuwe bebouwing mits het totale bedrijfsoer opperdakte (BVO) niet wordt vergroot: Detailhandel of groothandel is niet toegestaan, uitgezonderd huisverkoop van eigen geproduceerde waren, als vorm van verbrede landbouw of als kleinschalig artistiek en/of ambachtelijke product. Huisverkoop dient plaats te nden in de bestaande bebouwing en betreft maximaal 100 m?; Voor nieuwe initiatieven dienen diverse onderzoeken verricht te worden, waarin diverse waarden en

milieuaspecten worden getoetst; Functieveruiming kan gepaard gaan met een verplichte sloop van overtollige bebouwing en een extra compensatie in natura of storting in een fonds; Mestsilo's, kuilplaten, erfverharding tellen niet mee als vijkomende bebouwing, maar moeten wel gesloopt worden; Hergebruik is niet toegestaan op de locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden 25

DLV ADVIES &RESULTAAT

gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven en buiten de locaties waar sloop van bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de Regeling Beëindiging

Veehouderijen (RBV) en de regeling Ruimte-voor-Ruimte (RVR). Er is sprake van een fysiek bestaande legaal monumentaal pand. Zoals nader aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van onevenredige hinder aan de omgeving, geen sprake van een (verdere) beperking van bedrijven en functies n de omgeving, sprake van een activiteit passend in de omgeving, geen sprake van de ligging van de locatie in een landbouwontwikkelingsgebied, geen sprake van een verkeersaantrekkende werking, geen sprake van buitenopslag, geen sprake van een aantasting van de mogelijk voorkomende waarden ter plaatse en in de omgeving, geen sprake van detailhandel of groothandel en geen sprake van de toepassing van andere regelingen. Daamaast zal parkeren geheel op eigen terrein plaatsnden, zal sprake zijn van sloop van overtollige bebouwing en zal sprake zijn van een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Aan de gestelde algemene voorwaarden voor ontwikkelingen in het overige buitengebied kan daarmee worden voldaan. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de Structuurvsie Buitengebied Sint-Michielsgestel van gemeente Sint-Michielsgestel.

2

DLV ADVIES &RESULTAAT

Hoofdstuk 4

Ruimtelijke- en milieuaspecten

41

Milieu

411

Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een ljst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:

1.

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);

2.

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam,

en binnen aanvaardbare voorwaarden,

kunnen uitoefenen.

In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van

milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde nommen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken.

Dit houdt in dat

wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij. Voor dergelijke bedrijven gelden vanuit de VNG handreiking de volgende richtafstanden: *

Geur:

+

Fijnstof: 10 meter.

10 meter.

* _ Geluid:

30 meter.

+

10 meter.

Gevaar:

Het dichtstbijzijnde gevoelig object betreft de afte splitsen bedrijfswoning met nummer 15 die wordt

omgeschakeld naar een burgerwoning en wordt gesplitst in twee wooneenheden. De af te splitsen woning is, gemeten van de gevel van de woning tot aan het bouwvak van het om te schakelen bedrijf, op een

afstand van ongeveer 8 meter gelegen. Hiermee wordt niet aan de gestelde richtafstanden voldaan. Verder is het bouwak

van het de woning aan Plein 11 direct aangrenzend aan het gewenste werkterrein

van het om te schakelen bedrijf met nummer 13 gelegen. Ten aanzien van deze woning wordt daarmee eveneens

niet aan de richtafstanden voldaan.

De richtafstanden uit de VNG handreiking zijn geen harde afstanden maar richtlijnen waarvan, mits goed gemotiveerd, van kan worden afgeweken. Ten aanzien van het om te schakelen bedrijf dienen de aspecten geur, fjnstof, geluid en gevaar daarom nader worden gemotiveerd. In de paragraaf "Geur” (paragraaf 4.1.2) is nader omschreven dat ten aanzien van geur geen

belemmeringen te verwachten zijn en dat op de woningen in de omgeving ten aanzien van geur een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. De voorgenomen ontwikkeling zal daamaast, zoals nader omschreven in de paragraaf "Luchtkwaliteit”

(paragraaf 4.1.3), niet leiden tot belemmeringen ten aanzien van de luchtkwaliteit. Ook ten aanzien van luchtkwaliteit kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op de omliggende woningen worden geborgd.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Geluid” (paragraaf 4.1.4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige geluidshinder aan de omgeving en zal ter plaatse van de af te splitsen woning geen sprake zijn van een overschrijding van de normen. Ten slotte is in de paragraaf "Extere veiligheid” (paragraaf

4.1.5) nader omschreven dat ten aanzien van 27

DLV ADVIES &RESULTAAT

externe veiligheid geen sprake is van mogelijke belemmeringen. Er is geen sprake van een verhoogd risico op omliggende woningen.

Hiermee is voldoende gemotiveerd van de richtafstanden af te wijken en zal geen sprake zijn van onevenredige milieuhinder aan de omgeving. Voor het overige zijn er geen gevoelige objecten binnen 30 meter van de bedrijfsbebouwing van de

initiatiefnemer gelegen. Daarnaast zijn de af te splitsen woning van de initiatiefnemer en de woning met nummer 11 dichterbij gelegen dan de overige gevoelige objecten in de omgeving.

Gezien de voorgenomen

ontwikkeling niet zal leiden tot onevenredige hinder aan de afte splitsen woning en/of aan de woning met nummer 11 zal ook geen sprake zijn van een mogelijke hinder aan omliggende gevoelige objecten in de

omgeving. Tevens wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een veehouderijbedrif beëindigd en omgeschakeld naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij. Een veehouderij veroorzaakt een grotere hinder

aan de omgeving dan een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij, met name op het gebied van geur en luchtkwaliteit. Met de beëindiging en omschakeling van de veehouderij zal de hinder

:aan de omgeving daarmee alleen maar afnemen, wat leidt tot een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgewing.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is daamaast sprake van het afsplitsen van de monumentale bedrijfswoning van het agrarisch bedrijf en de omschakeling daarvan naar een burgerwoning. Daamaast zal de af te splitsen monumentale woning worden gesplitst in twee wooneenheden. Burgerwoningen veroorzaken geen onevenredige hinder aan de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee dan ook niet Ieiden tot een onevenredige (toename van de) hinder aan de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de

omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen.

Dit i echter vooral van belang wanneer sprake is

van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning van het bedrijf afgesplitst en omgeschakeld naar een burgerwoning. Omdat het een bestaande woning betreft is in feite geen sprake

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=2a1762fb-b4bf-49cc-934d-253af368417a