Bijlage 2 - Regels bestemmingsplan Oud Herlaer Haanwijk
Tekst van het document
75
11.3.3 Het vergroten van de woning De inhoud van de bestaande woning mag worden vergroot, indien onder andere voldaan is aan de volgende voorwaarde: a. het een inpandige verbouwing van een karakteristieke boerderij betreft. 11.4 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van de sociale veiligheid; e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding. 11.5 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. detailhandel; b. een verkooppunt voor motorbrandstoffen (incl. LPG); c. seksinrichtingen; d. kamperen; e. opslag van goederen en materialen voor de gevellijn; f.
permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijgebouwen betreft, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen woonzorgboerderij' waar tijdelijke bewoning is toegestaan voor zover het niet gaat om een zelfstandige wooneenheid;
g. bewoning als afhankelijke woonruimte, met uitzondering van mantelzorgwoningen; h. (proef)boringen naar gas, waaronder schaliegas.
76
11.6 Afwijking van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan een afwijking verlenen voor: 11.6.1 Een aan huis gebonden beroep in bijgebouwen of een aan huis gebonden bedrijf in hoofd- of bijgebouwen Een aan huis gebonden beroep in bijgebouwen of een aan huis gebonden bedrijf in hoofd- of bijgebouwen is toegestaan, indien onder andere voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 100 m2 van de woning, de gronden en/of bijgebouwen gezamenlijk; b. alleen detailhandel die rechtstreeks verband houdt met het ter plaatse uitgeoefende beroep of bedrijf is toegestaan; c. de activiteit dient te worden uitgeoefend door de bewoner; d. de activiteit mag uitsluitend worden uitgeoefend in de vorm van de categorie 1 en 2 bedrijven conform de in bijlage 4 opgenomen Lijst van Bedrijfsactiviteiten; e. horeca is niet toegestaan; f.
het beroep of bedrijf mag geen onevenredig verkeersaantrekkende werking hebben;
g. voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd zoals bedoeld in artikel 21, lid 21.2; h. buitenopslag is niet toegestaan; i.
reclame-uitingen zijn niet toegestaan;
j.
laden en lossen mag uitsluitend op eigen terrein plaatsvinden;
k. de activiteit dient milieuhygiënisch aanvaardbaar te zijn; l.
de bebouwing ten behoeve van aan huis verbonden bedrijf niet is gelegen binnen de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - nieuw herlaer'.
11.6.2 Dagrecreatieve voorzieningen als nevenfunctie Dagrecreatieve voorzieningen als nevenfunctie bij de woning zijn toegestaan, indien onder andere voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. het uitsluitend een theetuin met een maximum oppervlakte van 100 m² (gezamenlijke oppervlakte van binnen- en buitenruimte) of een atelier betreft; b. deze binnen de bestaande bebouwing plaatsvindt;
77
c. door de wijziging geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden mag plaatsvinden; d. voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd zoals bedoeld in artikel 21, lid 21.2. 11.6.3 Een bed&breakfast accommodatie in bijgebouwen Een bed&breakfast accommodatie in bijgebouwen is toegestaan, indien onder andere voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de accommodatie voor maximaal 5 kamers en voor maximaal 10 personen is toegestaan. Dit is inclusief de aanwezige accommodatie in het hoofdgebouw; b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer; c. deze binnen de bestaande bebouwing plaatsvindt; d. voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd zoals bedoeld in artikel 21, lid 21.2; e. de werkzaamheden dienen door de bewoner te worden uitgeoefend. 11.6.4 Verblijfsrecreatieve voorzieningen als nevenfunctie De volgende nevenactiviteiten zijn toegestaan: a. verblijfsrecreatie (minicamping, camperplaatsen en/of trekkershutten) met een maximale oppervlakte van 1 hectare met dien verstande dat: 1. de al bestaande (mini)campings niet van deze nevenactiviteit gebruik mogen maken; 2. er maximaal 5 trekkershutten opgericht mogen worden; 3. er maximaal 10 camperplaatsen opgericht mogen worden; 4.
een standplaats op een minicamping heeft een minimale oppervlakte van 230 m² en een camperplaats heeft een minimale oppervlakte van 100 m2; 5. verblijfsrecreatie uitsluitend plaatsvindt in de periode van 1 maart tot en met 1 november en van 16 december tot en met 16 januari; 6. de afstand van het terrein tot de woningen van omwonenden dient minimaal 50 meter te bedragen; 7. de minicamping deels op de aangrenzende agrarische bestemming mag worden opgericht;
78
8. er landschappelijke inpassing plaatsvindt van minimaal 30% van de oppervlakte van de minicamping. indien onder andere voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1. de woning als hoofdfunctie aanwezig is en blijft; 2. door de wijziging geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden plaatsvindt; 3. voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd, dan wel op het deel van de minicamping welke op de aangrenzende agrarische bestemming is opgericht, zoals bedoeld in artikel 21, lid 21.2; 4. de aanwezige landschappelijke en ecologische kwaliteiten mogen niet worden aangetast; 5. op basis van een erfbeplantingsplan dient de landschappelijke inpassing verzekerd te zijn; 6. de werkzaamheden dienen door de bewoner te worden uitgeoefend. 11.7 Wijzigingsbevoegdheden Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen voor: 11.7.1 Woningsplitsing Het splitsen van de woning in twee wooneenheden is toegestaan, indien onder andere voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. het cultuurhistorisch waardevolle bebouwing betreft; b. kenmerkende architectonische eigenschappen dienen te worden behouden; c. de wijziging mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven; d. splitsing is alleen toegestaan als deze past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma; e.
de overtollige gebouwen dienen eerst te worden afgebroken tot een oppervlakte welke per woning maximaal is toegestaan, te weten 100 m² alvorens tot splitsing mag worden overgegaan; f.
door de komst van de nieuwe woningen er geen milieuhygiënische belemmeringen optreden;
79
g. ten aanzien van de sloop van het op het moment van de ter visie legging van het ontwerp-bestemmingsplan aanwezige surplus aan vrijstaande (bij)gebouwen gelden de volgende bepalingen: 1. het maximaal toegestane oppervlak aan bijgebouwen van 100 m² worden verhoogd mits de bebouwing, welke niet als woning wordt gebruikt, wordt gesloopt. De verhoging bedraagt 50 procent van het te slopen surplus aan bebouwing. Het maximaal toegestane oppervlakte van bijgebouwen mag na afbraak niet meer bedragen dan 200 m²; 2. er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing van de nieuwe bijgebouwen; 3. cultuurhistorisch waardevolle objecten mogen niet worden gesloopt; h. de inhoud van de karakteristieke boerderij mag niet worden vergroot; i.
de inhoud van de karakteristieke boerderij moet vóór de splitsing ten minste 900 m³ bedragen;
j.
de inhoud van de woningen bedraagt na splitsing ten minste 400 m³ per woning;
k. de inhoud van de gesplitste woningen mag niet worden vergroot; l.
de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast;
m. de ontwikkeling dient hydrologisch neutraal te zijn. 11.7.2 De omschakeling van de bestemming Wonen met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing' naar een (niet)grondgebonden agrarisch bedrijf De omschakeling van de bestemming Wonen met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing' naar een (niet-)grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan, indien onder andere voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de noodzaak van de omschakeling middels een ondernemingsplan is aangetoond, waarbij vooraf advies wordt ingewonnen bij de SAB voor het aantonen van de noodzaak van de omschakeling; b. de bestemming Wonen met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen vrijkomende agrarische bebouwing' wordt gewijzigd naar de omliggende agrarische bestemming met dien verstande dat het niet mogelijk is binnen de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden; c. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast;
80
d. alle bedrijfsbebouwing die niet noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering wordt gesloopt, behoudens voor zover deze cultuurhistorische waarden bezit; e. op basis van een erfbeplantingsplan dient de landschappelijke inpassing verzekerd te zijn, waarbij rekening moet worden gehouden dat de landschappelijk inpassing aansluitend aan het bouwvlak dient te worden opgericht met een minimum van 15% van het totale bouwvlak; f.
de landschappelijke inpassing dient opgenomen te worden door middel van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing';
g. de ontwikkeling dient hydrologisch neutraal te zijn. 11.7.3 De omschakeling van de bestemming Wonen met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing' naar de bestemming Bedrijf buiten bebouwingsconcentratie De gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing' welke buiten bebouwingsconcentraties vallen kunnen worden gewijzigd in de bestemming 'Bedrijf', ten behoeve van: 1. statische opslag tot een maximale oppervlakte van 1000 m². De opslag mag niet bestemd zijn voor de handel dan wel worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf; 2. agrarisch-technische bedrijven, zonder grote verkeersaantrekkende werking, tot een maximale oppervlakte van 400 m²; indien onder andere voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. alle bedrijfsbebouwing die niet noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering dient te worden gesloopt; b. omliggende (agrarische) bedrijven niet worden belemmerd; c. de gronden niet zijn gelegen binnen de aangegeven aanduiding 'reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied' dan wel indien sprake is van een duurzame locatie indien de gronden zijn gelegen binnen de op de verbeelding aangegeven 'reconstructiewetzone – verwevingsgebied'; d.
op basis van een erfbeplantingsplan dient de landschappelijke inpassing verzekerd te zijn, waarbij rekening moet worden gehouden dat de landschappelijk inpassing aansluitend aan het bouwvlak dient te worden opgericht met een minimum van 15% van het totale bouwvlak;
81
e. de landschappelijke inpassing dient opgenomen te worden door middel van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing'; f.
het geen aanduiding 'specifieke vorm van wonen - rbv-locatie' betreft;
g. het initiatief dient milieuhygiënisch aanvaardbaar te zijn; h. voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd zoals bedoeld in artikel 21, lid 21.2; i.
bestaande natuur- en/of landschappelijke waarden mogen niet in onevenredige mate worden aangetast;
j.
de functiewijziging slechts een beperkte verkeersaantrekkende werking heeft, welke bovendien bij de ontsluitingssituatie ter plaatse past;
k. nieuwe bebouwing is niet toegestaan; l.
alle overtollige bebouwing gesloopt moet worden;
m. vestiging is slechts mogelijk, indien sprake is van een maximum oppervlakte van 5.000m2 en het activiteiten betreft met milieucategorie 1 of 2; n. de ontwikkeling dient hydrologisch neutraal te zijn. 11.7.4 De omschakeling van de bestemming Wonen met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing' naar de bestemming Recreatie De gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - vrijkomende agrarische bebouwing' welke buiten de aangeduide bebouwingsconcentraties vallen kunnen worden gewijzigd in de bestemming 'Recreatie', ten behoeve van: 1. dagrecreatieve voorzieningen, zoals een speeltuin en verhuur van fietsen; 2. horeca ten dienste van extensieve recreatie, zoals een theetuin en een ijs/snackverkooppunt tot maximaal 100 m² (gezamenlijke oppervlakte van binnen- en buitenruimte); 3. groepsaccommodatie tot een maximale oppervlakte van 400 m²; indien onder andere voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte aan dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen per vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot 400 m², waarbij cultuurhistorische bebouwing gehandhaafd dienen te blijven; b. aangetoond wordt dat agrarisch hergebruik redelijkerwijs niet haalbaar is; c. aangetoond wordt dat volledige sanering in redelijkheid niet kan worden verlangd;
82
d. het initiatief moet passen binnen de draagkracht van het gebied; e. het initiatief dient milieuhygiënisch aanvaardbaar te zijn; f.
voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd zoals bedoeld in artikel 21, lid 21.2;
g. er geen beperking plaatsvindt van de omliggende agrarische bedrijven; h. de functiewijziging slechts een beperkte verkeersaantrekkende werking heeft, welke bovendien bij de ontsluitingssituatie ter plaatse past; i.
buitenopslag niet is toegestaan;
j.
de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast;
k. de gronden niet zijn gelegen binnen de aangegeven aanduiding 'reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied'; l.
de ontwikkeling voldoet aan de randvoorwaarden in de Verordening ruimte 2014 omtrent de vestiging van niet-agrarische functies in de groenblauwe mantel dan wel het gemengd landelijk gebied of soortgelijke randvoorwaarden in een opvolgende provinciale verordening;
m. de ontwikkeling dient hydrologisch neutraal te zijn. 11.7.6 Het wijzigen van de bestemming Wonen in Agrarisch (- met waarden) ten behoeve van vormverandering Het wijzigen van de bestemming Wonen ten behoeve van de vormverandering van het bouwvlak in de bestemming Agrarisch (- met waarden) is toegestaan, indien onder andere voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. het bestaande bouwvlak niet wordt vergroot; b. de bestaande woning wordt gesloopt; c. de verandering noodzakelijk is vanuit verkeerskundig, danwel akoestisch danwel stedenbouwkundig oogpunt; d. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden gelijk danwel verbeterd worden; e. aandacht wordt besteed aan de verschillende deelaspecten namelijk water, landschappelijke inpassing, cultuurhistorie, natuur en landschap, milieu, verstening en veiligheid; f.
deze bevoegdheid in combinatie met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.7.12 wordt uitgevoerd.
83
Artikel 12 Waarde - Archeologie 2
12.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde – Archeologie 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor: a. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto AMK-terreinen en/of terreinen met een hoge verwachting voor Paleolithicum-Neolithicum. 12.2 Bouwregels 12.2.1 In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van: a. ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan ter plaatse van de bestaande fundering wordt gebouwd; b. de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 50 m²; c. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist; d. activiteiten welke niet gepaard gaan met ingrepen in de bodem, dieper dan 0,3 meter of; e. bouwen binnen het bouwvlak. 12.3 Afwijking van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een afwijking verlenen van het bepaalde in 12.2 en toestaan dat in de andere bestemmingen gebouwen worden gebouwd, mits wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning blijkens archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken bouwlocatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;
84
b. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van de burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt veiliggesteld; c. de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. het begeleiden van de bodemverstorende ingrepen door een archeologisch deskundige. 12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden 12.4.1 Verbod Ingeval het gaat om ingrepen: •
buiten het bouwvlak die groter zijn dan 50 m² en dieper dan 0,3 meter;
•
ingrepen binnen het bouwvlak daar waar sprake is van onherroepelijke archeologische resten of;
•
als het gaat om een cultuurhistorisch waardevol object of monument;
dan is het verboden op of in de gronden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag het volgende werk en/of werkzaamheden te verrichten: a. afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, egaliseren, indrijven; b. draineren, onderbemalen, stuwen, graven sloten; c. planten, omzetten grasland/bouwland naar boomteelt en/of sierteelt; d. verharden oppervlakte van meer dan 100 m², leidingen leggen; e. aanleg tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden verlenen indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
85
1. bij de beoordeling van de een werk en werkzaamheden worden de mogelijke gevolgen, zoals weergegeven in bijlage 2, getoetst; 2. burgemeester en wethouders kunnen voor de beoordeling een daartoe bevoegd deskundige aanwijzen; 3. door middel van archeologisch onderzoek dient te worden aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. 12.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 12.4.1 is niet van toepassing op een werk of werkzaamheden die: a. van ondergeschikte betekenis zijn dan wel die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds bestonden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd zijn en niet reeds in strijd zijn met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan of; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan en mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
86
Artikel 13 Waarde - Archeologie 3
13.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde – Archeologie 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor: a. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen waar in 1629 aanvalswerken voor het beleg van 's-Hertogenbosch zijn aangelegd. 13.2 Bouwregels 13.2.1 In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van: a. ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan ter plaatse van de bestaande fundering wordt gebouwd; b. de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 50 m²; c. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist; d. activiteiten welke niet gepaard gaan met ingrepen in de bodem, dieper dan 0,5 meter of; e. bouwen binnen het bouwvlak. 13.3 Afwijking van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een afwijking verlenen van het bepaalde in 13.2 en toestaan dat in de andere bestemmingen gebouwen worden gebouwd mits wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning blijkens archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken bouwlocatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;
87
b. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van de burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt veiliggesteld; c. de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. het begeleiden van de bodemverstorende ingrepen door een archeologisch deskundige. 13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden 13.4.1 Verbod Ingeval het gaat om ingrepen: •
buiten het bouwvlak die groter zijn dan 50 m² en dieper dan 0,5 meter;
•
ingrepen binnen het bouwvlak daar waar sprake is van onherroepelijke archeologische resten of;
•
als het gaat om een cultuurhistorisch waardevol object of monument;
dan is het verboden op of in de gronden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag het volgende werk en/of werkzaamheden te verrichten: a. afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, egaliseren, indrijven; b. draineren, onderbemalen, stuwen, graven sloten; c. planten, omzetten grasland/bouwland naar boomteelt en/of sierteelt; d. verharden oppervlakte van meer dan 100 m², leidingen leggen; e. aanleg tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden verlenen indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
88
1. bij de beoordeling van de een werk en werkzaamheden worden de mogelijke gevolgen, zoals weergegeven in bijlage 2, getoetst; 2. burgemeester en wethouders kunnen voor de beoordeling een daartoe bevoegd deskundige aanwijzen; 3. door middel van archeologisch onderzoek dient te worden aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. 13.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 13.4.1 is niet van toepassing op een werk of werkzaamheden die: a. van ondergeschikte betekenis zijn dan wel die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds bestonden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd zijn en niet reeds in strijd zijn met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan of; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan en mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
89
Artikel 14 Waarde - Archeologie 4
14.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde – Archeologie 4 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor: a. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen met een hoge verwachting voor de periode Neolithicum tot Middeleeuwen en/of terreinen met een middelhoge verwachting. 14.2 Bouwregels 14.2.1 In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van: a. ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan ter plaatse van de bestaande fundering wordt gebouwd; b. de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 100 m²; c. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist; d. activiteiten welke niet gepaard gaan met ingrepen in de bodem, dieper dan 0,5 meter of; e. bouwen binnen het bouwvlak. 14.3 Afwijking van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een afwijking verlenen van het bepaalde in 14.2 en toestaan dat in de andere bestemmingen gebouwen worden gebouwd mits wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden: a.
de aanvrager van de omgevingsvergunning blijkens archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken bouwlocatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;
90
b. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van de burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt veiliggesteld; c. de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. het begeleiden van de bodemverstorende ingrepen door een archeologisch deskundige. 14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden 14.4.1 Verbod Ingeval het gaat om ingrepen: •
buiten het bouwvlak die groter zijn dan 100 m² en dieper dan 0,5 meter;
•
ingrepen binnen het bouwvlak daar waar sprake is van onherroepelijke archeologische resten of;
•
als het gaat om een cultuurhistorisch waardevol object of monument;
dan is het verboden op of in de gronden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag het volgende werk en/of werkzaamheden te verrichten: a. afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, egaliseren, indrijven; b. draineren, onderbemalen, stuwen, graven sloten; c. planten, omzetten grasland/bouwland naar boomteelt en/of sierteelt; d. verharden oppervlakte van meer dan 100 m², leidingen leggen; e. aanleg tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden verlenen indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
91
1. bij de beoordeling van de een werk en werkzaamheden worden de mogelijke gevolgen, zoals weergegeven in bijlage 2, getoetst; 2. burgemeester en wethouders kunnen voor de beoordeling een daartoe bevoegd deskundige aanwijzen; 3. door middel van archeologisch onderzoek dient te worden aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. 14.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 14.4.1 is niet van toepassing op een werk of werkzaamheden: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - nieuw herlaer'; b. van ondergeschikte betekenis zijn dan wel die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; c. reeds bestonden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd zijn en niet reeds in strijd zijn met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan of; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan en mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
92
Artikel 15 Waarde - Archeologie 5
15.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde – Archeologie 5 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor: a. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen waar in historische tijden sprake was van water. 15.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van: a. bouwen binnen het bouwvlak. 15.3 Afwijking van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een afwijking verlenen van het bepaalde in 15.2 en toestaan dat in de andere bestemmingen gebouwen worden gebouwd mits wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning blijkens archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken bouwlocatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van de burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt veiliggesteld; c. de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden, gericht op: 1.
het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen;
93
3. het begeleiden van de bodemverstorende ingrepen door een archeologisch deskundige. 15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden 15.4.1 Verbod Ingeval het gaat om ingrepen: •
buiten het bouwvlak;
•
ingrepen binnen het bouwvlak daar waar sprake is van onherroepelijke archeologische resten of;
•
als het gaat om een cultuurhistorisch waardevol object of monument;
dan is het verboden op of in de gronden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag het volgende werk en/of werkzaamheden te verrichten: a. afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, egaliseren, indrijven; b. stuwen, graven sloten, aanbrengen oeverbeschoeiing; c. planten, omzetten grasland/bouwland naar boomteelt en/of sierteelt; d. verharden oppervlakte van meer dan 100 m², leidingen leggen; Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden verlenen indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1. bij de beoordeling van de een werk en werkzaamheden worden de mogelijke gevolgen, zoals weergegeven in bijlage 2, getoetst; 2. burgemeester en wethouders kunnen voor de beoordeling een daartoe bevoegd deskundige aanwijzen; 3. door middel van archeologisch onderzoek dient te worden aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. 15.4.2 Uitzonderingen
94
Het verbod als bedoeld in 15.4.1 is niet van toepassing op een werk of werkzaamheden die: a. van ondergeschikte betekenis zijn dan wel die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds bestonden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd zijn en niet reeds in strijd zijn met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan of; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan en mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
95
Artikel 16 Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen 16.1 Bestemmingsomschrijving 16.1.1 Algemeen De voor ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen. 16.1.2 Nadere detaillering van de bestemming De cultuurhistorische elementen als bedoeld in 16.1.1 betreffende de elementen die zijn opgenomen op de meest actuele versie van de CHW-kaart van de provincie NoordBrabant en de in bijlage 1 van de planregels beschreven cultuurhistorische en architectonische waarden. 16.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden 16.2.1 Omgevingsvergunningplicht Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de in het schema onder 16.2.4. opgenomen omgevingsvergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te voeren. 16.2.2 Uitzonderingen vergunningenplicht Het onder 16.2.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan b. omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend; c.
welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren; d. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer. 16.2.3 Toetsing aan aanwezige waarden De in 16.2.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 16.1.1. Ten behoeve van de belangenafweging zijn in het schema onder 16.2.4 de toetsingscriteria weergegeven. 16.2.4 Schema omgevingsvergunningsplichtige werken en werkzaamheden Omgevingsvergunningsplichtige werken/werkzaamheden: - het aanbrengen van (half)verhardingen; - het rooien of vellen van houtgewas; - afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem; - graven of dempen van sloten; - verwijderen van perceelsrandbeplanting; - diepwoelen en diepploegen; - het verwijderen van wegen of paden Criteria voor verlening van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden:
96
de werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting tot gevolg hebben van de cultuurhistorische waarden van de landschapselementen die in de cultuurhistorische waarderingskaart als landschapselement zeer hoog en/of hoog zijn aangemerkt.
97
Artikel 17 Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle ensembles 17.1 Bestemmingsomschrijving 17.1.1 Algemeen De voor ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle ensembles’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorische waarden. 17.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving De cultuurhistorische waarden als bedoeld in 17.1.1 betreffen de ensembles die zijn opgenomen op de meest actuele versie van de CHW-kaart van de provincie NoordBrabant en de in bijlage 1 van de planregels beschreven cultuurhistorische en architectonische waarden. 17.2 Nadere eis Burgemeester en wethouders kunnen gelet op het bepaalde in 17.1 nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van bebouwing; b. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen; c. voorzieningen voor de landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing, een en ander op basis van een door de aanvrager over te leggen landschappelijk inpassingsplan.
98
Artikel 18 Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle gebieden 18.1 Bestemmingsomschrijving 18.1.1 Algemeen De voor ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle gebieden’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorische waarden. 18.1.2 Nadere detaillering van de bestemming De cultuurhistorisch waardevolle gebieden als bedoeld in 18.1.1 betreffen de gebieden die zijn opgenomen op de meest actuele versie van de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant. 18.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.2.1 Omgevingsvergunningplicht Het is verboden binnen deze bestemming zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de in het schema onder 18.2.4 opgenomen omgevingsvergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren. 18.2.2 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht Het onder 18.2.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden: a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan reeds een aanlegvergunning of omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend; b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren; c.
welke betreffen het normale onderhoud en/of plaatsvinden in het kader van het normale beheer en gebruik van de gronden. 18.2.3 Verlening De in 18.2.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover voldaan wordt aan de criteria gesteld in 18.2.4. 18.2.4 Schema omgevingsvergunningsplichtige werken en werkzaamheden Omgevingsvergunningsplichtige werken/werkzaamheden: - het aanbrengen van (half-)verhardingen; - het rooien of vellen van houtgewas; - afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem; - graven of dempen van sloten; - verwijderen van perceelsrandbeplanting; - aanleggen van paden; - wijzigen van perceels- of kavelgrenzen; - het aanbrengen van hoogopgaande beplanting anders dan het herplanten van gerooide / gevelde houtopstanden; -het verwijderen van wegen of paden.
99
Criteria voor verlening van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden: de werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting tot gevolg hebben van de cultuurhistorische waarden van de in 18.1 bedoelde gronden.
100