CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 10 Verordening rioolheffing 2022.pdf

Raadsvergadering Boxtel 21 december 2021, gemeente boxtelBij agendapunt: Tariefaanpassingen en overige wijzigingen van de gemeentelijke heffingen voor het jaar 2022 (reg nr 1277414)1.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2022 De raad van de gemeente Boxtel; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 november 2021; gelet op de artikel 228a van de Gemeentewet; beslui t: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 20 22

Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelf standig gedeelte daarvan; b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van af valwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; c. verbruiksperiode: de periode waarop de af rekening van Brabant Water N.V. betrekking heef t; d. water: huishoudelijk af valwater, bedrijf saf valwater of grondwater; e. incidentele lozing: incidentele af voer van water van beperkte duur, zoals bijvoorbeeld af voer in verband met bronnering en bodemzuivering, niet zijnde ontwatering onder vrijverval van een perceel.

Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolhef f ing worden een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling en het transp ort van huishoudelijk af valwater en bedrijf saf valwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk af valwater.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1. 2.

De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt af gevoerd. Voor de belasting wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heef t gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangem erkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heef t gesteld.

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als af zonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing 1.

De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt af gevoerd.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar vooraf gaande verb ruiksperiode naar het perceel is toegevoerd. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 365 dagen, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Indien sprake is van opgepompt water wordt het aantal kubieke meters water gesteld op het aantal kubieke meters water dat in het aan het belastingjaar vooraf gaande kalenderjaar is opgepompt. In af wijking van het bepaalde in het tweede en derde lid, wordt het aantal kubieke meters water bij incidentele lozingen gesteld op het aantal kubieke meters water dat in het belastingjaar op de gemeentelijke riolering is af gevoerd. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water k an worden af gelezen, of b. bedrijf surenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden af gelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

Voor zover de gegevens als bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet bekend zijn, wordt het waterverbruik door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld naar rato van het waterverbruik bij vergelijkbare percelen. Indien de belastingplichtige een bedrijf uitoef ent en kan aantonen dat een bepaalde hoeveel heid water wordt gebruikt als grondstof voor een product van zijn bedrijf , wordt de op de voet van het tweede en derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water verminderd met de hoeveelheid als grondstof voor het product gebruikt water.

Artikel 6 Belastingtarieven De belasting bedraagt bij een hoeveelheid water van maximaal 200 m3 € 184,32. Indien de hoeveelheid af valwater hoger ligt dan 200 m 3 wordt het bedrag zoals genoemd in het eerste lid verhoogd met een bedrag van € 1,69 voor elke m3 boven de 200 m 3. 3. In af wijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid bedraagt de belasting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, bij een hoeveelheid water van: a. 30.001 tot en met 50.000 m 3 € 56.148,00 b. 50.001 tot en met 100.000 m 3 € 64.785,00 c. 100.001 tot en met 500.000 m 3 € 77.740,00 d. 500.001 m3 en meer € 107.976,00 4. Bij incidentele lozingen bedraagt de belasting 5% van het overeenkomstig de voorgaande leden berekende bedrag. 1. 2.

Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. 2.

3.

4. 5.

De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of , zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalf de gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op onthef f ing voor zoveel twaalf de gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, no g volle kalendermaanden overblijven. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op incidentele lozingen.

Artikel 10 Termijnen van betaling 1.

2.

3.

4.

In af wijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald: a. in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 5.000,00 , uiterlijk één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet; b. in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, niet meer is dan € 5.000,00 , in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en de tweede twee maanden later. In af wijking in zoverre van het eerste lid geldt, voor zover de aanslagen worden opg elegd in het belastingjaar waarop zij betrekking hebben, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, niet meer is dan € 5.000,00, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden af geschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie bedraagt.

De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. In af wijking in zoverre van het eerste lid geldt, voor zover de aanslagen niet worden opgelegd in het belastingjaar waarop zij betrekking hebben, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, niet meer is dan € 5.000,00 , en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden af geschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Overgangsrecht De ‘Verordening rioolrecht 2021’ van 8 december 2020, gewijzigd bij besluit van 13 juli 2021, wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2022, met dien verstande dat zij van toepassing blijf t op de belastbare f eiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 12 Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van deze verordening is 1 januari 2022.

Artikel 13 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening rioolhef f ing 2022’. Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 21 december 2021. De gemeenteraad van Boxtel, de griffier, mw. I.H.M. Smits de voorzitter, R.S. van Meygaarden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=4cdd4daa-1115-42f6-92f4-e6e371c5b7f4