CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - TAM-imro omgevingsplan met de ETFAL (toelichting)

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 6 februari 2025, gemeente boxtelBij agendapunt: Raadsvoorstel Omgevingsplan Veldstraat15.481 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM-omgevingsplan Veldstraat ong. Den Dungen MOTIVERING NL.IMRO.0845.TAM2024VeldstrDDN-VA1

1

Titel: Projectnummer: Datum:

TAM-omgevingsplan Veldstraat ong. Den Dungen 2024.103 08-11-2024

Adviesbureau:

Wintraecken Advies B.V.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.

2

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ....................................................................................................................................... 6 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 6 1.2 Ligging en begrenzing van de planlocatie ..................................................................................... 6 1.3 Toetsing aan Omgevingsplan ........................................................................................................ 7 1.4 Wat is een TAM-Omgevingsplan ................................................................................................... 9 1.5 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 9

2.

BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE .................................................................................... 10 2.1 Huidige situatie omgeving ............................................................................................................ 10 2.2 Planlocatie ................................................................................................................................... 10

3.

PLANBESCHRIJVING: RUIMTELIJKE STRUCTUUR EN BEELKWALITEIT .............................. 11 3.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) ......................................................... 16

4.

BELEIDSTOETS ........................................................................................................................... 17 4.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 17 4.2 Rijksbeleid .................................................................................................................................... 17 4.3 Provinciaal beleid ......................................................................................................................... 21 4.4 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 28 4.5 Conclusie ..................................................................................................................................... 32

5.

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU .................................................................. 33 5.1 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................................ 33 5.2 Archeologie en cultuurhistorie ..................................................................................................... 34 5.3 Soortenbescherming (ecologie) en gebiedsbescherming (stikstofdepositie) .............................. 37 5.4 Waterparagraaf ............................................................................................................................ 40 5.5 Bodem .......................................................................................................................................... 43 5.6 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen .......................................................... 44 5.7 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................................................... 45 5.8 Geurhinder ................................................................................................................................... 48 5.9 Geluid ...........................................................................................................................................

51 5.10 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................. 53 5.11 Omgevingsveiligheid .................................................................................................................. 55

3

5.12 Verkeer en parkeren .................................................................................................................. 59 5.13 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen ............................................................................ 60 6.

PARTICIPATIE .............................................................................................................................. 63

7.

JURIDISCH KADER TAM-OMGEVINGSPLAN ............................................................................ 64 6.1 Werkingsgebied / toepassingsbereik TAM-omgevingsplan ......................................................... 64

8.

FINANCIËLE HAALBAARHEID..................................................................................................... 66 8.1 Kostenverhaal .............................................................................................................................. 66

4

BIJLAGEN 1. HILBERINKBOSCH architecten, diverse tekeningen project Kiemveld - Veldstraat, Den Dungen, 2024; 2. De Roever Omgevingsadvies, Quickscan milieuaspecten Veldstraat 5, Den Dungen Referentie: 20240099.v01, 22 februari 2024; 3. ArcheoPro, ArcheoPro, Pilotenstraat/Veldstraat, Den Dungen, 2010 09 09 Opgesteld conform KNA 3.1, Projectcode : 10-244, 9 september 2010; 4. Blom Ecologie, Quickscan Natuur Veldstraat ong. te Den Dungen, Project: 20230960, 16 februari 2024 (herzien); 5. De Roever Omgevingsadvies, Stikstofdepositieonderzoek Veldstraat 5 Den Dungen Referentie: Veldstr5.Stikstof.V02, 1 mei 2024; 6. De Roever Omgevingsadvies, Watertoets Veldstraat 5 te Den Dungen, Referentie: 20240103, 21 oktober 2024; 7. MILON, Verkennend bodemonderzoek Veldstraat ong. te Den Dungen, Projectnummer 20231794, 3 mei 2024; 8. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Veldstraat 5, Den Dungen, Referentie: 20240100.v01.1, 1 mei 2024; 9. Van Wanrooij Bouw & Ontwikkeling, Eindverslag omgevingsdialoog ‘t-Kiemveld, 15 december 2021 10. Goudappel, Onderzoek autobezit sociale huurwoningen, kenmerk: 009759.22072021.N01.01, 22 juli 2021 11. Nota van zienswijzen

5

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om aan de vrijgekomen gronden aan de Veldstraat te Den Dungen 16 appartementen en 8 grondgebonden woningen op te richten. De binnenstedelijke gronden waren tot voor kort in gebruik van de basisschool ’t Kiemveld. De locatie ligt reeds ingeklemd tussen woningen variërend van vrijstaande woningen, twee-onder-een kap woningen en appartementen. Het verzoek is in strijd is met het omgevingsplan “Den Dungen/Maaskantje” van de gemeente Sint-Michielsgestel, aangezien de bestemming ‘Maatschappelijk’ vigeert. Gemeente heeft inmiddels gecommuniceerd dat het verzoek tot stedelijke herontwikkeling wenselijk en haalbaar is. De beoogde locatie is geschikt voor het oprichten van woningen, omdat deze in een woonwijk ligt. Daarbij zal de woningbouw een combinatie van levensloopbestendige woningen en (sociale) huurappartementen omvatten, waarmee een gedeeltelijke invulling wordt gegeven aan de ambities en doelstellingen van het gemeentelijke woningbouwbeleid. 1.2 Ligging en begrenzing van de planlocatie Op navolgende luchtfoto is locatie aan de Veldstraat weergegeven. De planlocatie grenst verder aan het woonpercelen behorende tot de Veldstraat, het Groot Grinsel, de Litserstraat en het Wilgenpad. De planlocatie zelf is thans braakliggend, maar was tot voor kort bebouwd in de vorm van basisschool ’t Kiemveld.

Navolgende afbeelding geeft de planlocatie weer (bron: maps.google.nl).

6

1.3 Toetsing aan Omgevingsplan Ter plaatse van de planlocatie geldt vanaf 1 januari 2024 het tijdelijke deel omgevingsplan. Deze bestaat onder andere uit de ruimtelijke regels uit de vervallen omgevingsplannen.. Op grond van het omgevingsplan “Den Dungen/Maaskantje” rust op het perceel aan de Veldstraat de bestemming ‘Maatschappelijk’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 4’. Voorts geeft het omgevingsplan aan dat de bebouwing moet zijn opgericht binnen het bouwvlak en respectievelijk een maximale bouw- en goothoogte heeft van 10 en 7 meter. De ligging en begrenzing van de voorliggende planlocatie is op navolgende uitsnede van de verbeelding van het vigerende omgevingsplan “Den Dungen/Maaskantje” rood omlijnd aangegeven (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; b. een molen met daarbij ondergeschikte gerelateerde horeca en detailhandel; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk kiosk', een kiosk d. bestaande woningen al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep; e. bestaande bedrijfswoningen; f. parkeervoorzieningen;

7

g.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - cultuur' de instandhouding en bescherming van een rijksmonument, gemeentelijk monument of beeldbepalende bebouwing met bijbehorende onbebouwde gronden zoals bedoeld in Bijlage 2; met daarbij behorende; h. tuinen, erven en terreinen; met daaraan ondergeschikt; i. horeca ten behoeve van de onder a genoemde voorzieningen; j. ontsluitingswegen en paden; k. (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen; l. groen en groenvoorzieningen; m. speelvoorzieningen; n. nutsvoorzieningen. Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. gebouwen ten behoeve van het bepaalde in 11.1 onder a t/m e; 2. bijbehorende bouwwerken ten behoeve van bedrijfswoningen; 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. buiten het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. bijbehorende bouwwerken; 2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - kiosk' een kiosk; c. het aantal woningen mag niet worden uitgebreid. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van bijbehorende bouwwerken, die ook buiten het bouwvlak gebouwd mogen worden; b.

het bebouwingspercentage en de goot- en bouwhoogte mag per bouwvlak niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot-, bouwhoogte (m)’ en ‘maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven. De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

8

Strijdigheid bouwplan met omgevingsplan De vigerende planregelgeving is niet toereikend om onderhavig planvoornemen zonder meer doorgang te laten vinden. De afwijking zit in het feit dat een maatschappelijke bestemming vigeert, waar woningbouw is gewenst. Voorts zullen nieuwe bouwwerken buiten het bestaande bouwvlak worden opgericht. Met gemeente Sint-Michielsgestel is overeengekomen dat, en onder welke voorwaarden, de gewenste woningbouw toch kan worden gerealiseerd. 1.4 Wat is een TAM-Omgevingsplan ‘TAM’ staat voor Tijdelijke Alternatieve Maatregel. Met een TAM-Omgevingsplan is het mogelijk om met de IMRO-standaard voor omgevingsplannen en bijbehorende software het Omgevingsplan te wijzigen. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet is onderkend dat de planapplicaties voor het maken en publiceren van het omgevingsplan in combinatie met het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet) vaak nog onvoldoende functioneren. Daarom is het TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakt. Dit TAM-Omgevingsplan is dus opgesteld op basis van de IMRO-standaard voor omgevingsplannen. Juridisch is het een wijziging van het omgevingsplan. Dit TAMomgevingsplan wordt een apart hoofdstuk van het tijdelijke Omgevingsplan. Uiteindelijk zal het verwerkt worden in het definitieve Omgevingsplan.

1.5 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van de ruimtelijke onderbouwing. Hoofdstuk 1 bevat de inleiding. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot de planlocatie en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. Het hoofdstuk 5 gaat in op de aspecten van het fysieke milieu en de leefomgeving. De maatschappelijke uitvoerbaarheid van het planvoornemen krijgt aandacht in hoofdstuk 6. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 7, het onderdelen financiële haalbaarheid komt aan bod in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 tot slot bevat de conclusie.

9

2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE 2.1 Huidige situatie omgeving De planlocatie ligt ten noorden van het centrum van de kern Den Dungen. In de directe omgeving bevinden zich met name woningen. Op navolgende afbeelding is de planlocatie in relatie tot haar omgeving weergegeven (bron: maps.google.nl).

2.2 Planlocatie Navolgende foto betreft een weergave van de situatie in de directe omgeving van de planlocatie, zoals de architect deze samen met initiatiefnemer deze eerder heeft vastgelegd.

Situatie directe omgeving planlocatie

10

3. PLANBESCHRIJVING: RUIMTELIJKE STRUCTUUR EN BEELKWALITEIT Onderhavig planvoornemen heeft betrekking op een bestaande stedelijke locatie aan de Veldstraat te Den Dungen. Vanwege de bestaande omgeving en de voormalige functie van de planlocatie, mag deze met recht een inbreidingslocatie worden genoemd. Na tenietdoening van de basisschool ter plaatse, is er binnenstedelijke ruimte vrij gekomen waar een nieuwe stedelijke functie plaats zou kunnen hebben. Hiermee wordt onder meer voorkomen dat voor een nieuwe stedelijke functie zoals woningbouw, nieuwe gronden aan de rand van woonkernen moeten worden aangeboord. Voorts biedt de planlocatie de ruimte om woningen op te richten welke aansluiten op de doelgroepen in het gemeentelijke huisvestingsbeleid die thans de woningen wellicht het hardste nodig hebben. Aan de planvorming gaat reeds een lang traject vooraf. Nog voor de tenietdoening van de basisschool is reeds in kaart gebracht wat de belangrijkste kenmerken en kwaliteiten zijn van de directe omgeving. Met de omwonenden en andere belanghebbenden is er een participatietraject doorlopen. Tijdens deze bijeenkomsten is door de initiatiefnemers de plannen gepresenteerd. Daarnaast is tijdens deze bijeenkomsten dieper ingegaan op de gevolgen voor de ontsluiting van deze locatie.

De straten Veldstraat en Groot Grinsel hebben de functie van ontsluitingsstraten (30 km zone) van de woningen die aan deze straten aanwezig zijn. De straat Groot Grinsel komt uit op de straat Litserstraat. Deze straat heeft de functie als ontsluitingsweg en doorgaande straat voor de kern Den Dungen als geheel. Om tot planvorming te komen is vervolgens gekeken naar de direct aangesloten omgeving en de huidige kwaliteiten van de planlocatie, waarop aansluiting kan worden gevonden. De navolgende kaartbeelden zijn opgemaakt ten aanzien van de huidige planlocatie.

Foto’s planlocatie

11

Het bouwplan zal met respect voor de bestaande woonomgeving worden opgericht. Daarnaast is met het in kaart brengen van de bestaande bomen een weloverwogen plan gemaakt. Hierbij zou een drietal bomen met een hoge levensverwachting en kwaliteit behouden worden. Echter, als gevolg van omstandigheden is boom 3 gerooid.

Binnen de planlocatie worden 16 appartementen en 8 grondgebonden levensloopbestendige woningen opgericht: middeldure levensbestendige grondgebonden huurwoningen en sociale huurwoningen. Er is tevens plaats ingericht voor 32 parkeerplekken. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft daarmee positieve invloed op de ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit ter plaatse van de planlocatie. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie met ruimtelijke beeldkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat de ruimtelijke ontwikkeling aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende woonbebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied in stand houdt en, door de voorgestelde aanpassingen,

12

verbetert. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige karakteristiek en identiteit ter plaatse. In de afbeelding hierna is de nieuwe plattegrond van de planlocatie weergegeven. Een volledig overzicht van tekeningen is als bijlage 1 aan deze onderbouwing toegevoegd.

Plattegrond / situatie plan(locatie)

13

Navolgende afbeelding geeft een vogelperspectief van het nieuwe straatbeeld ter plaatse van ’t Kiemveld.

Tot slot een weergave van referentiebeelden van de woningbouw binnen de planlocatie.

14

Energietransitie De toepassing van energietransitie in een nieuwbouwplan is van cruciaal belang voor het realiseren van duurzame, energie-efficiënte en milieuvriendelijke gebouwen. De energietransitie heeft als doel om over te stappen van traditionele, op fossiele brandstoffen gebaseerde energiebronnen, naar hernieuwbare en schone energiebronnen. Bij het ontwerpen en bouwen van een nieuwbouwproject is het daarom essentieel om vanaf het begin rekening te houden met innovatieve en duurzame energieoplossingen. Een belangrijk aspect van de energietransitie in nieuwbouwplannen is de integratie van hernieuwbare energiebronnen. Voor onderhavig planvoornemen kan dit bestaan uit toepassing van zonnepanelen, gebruik maken van geothermische energie of beter omgaan met huishoudelijk water en hemelwater. Het implementeren van zonnepanelen op daken, het gebruik van geothermische warmtepompen en het beter omgaan met water kunnen bijdragen aan het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en het minimaliseren van de ecologische voetafdruk van het gebouw. Energie-efficiëntie speelt ook een sleutelrol in de energietransitie van nieuwbouwplannen. De woningbouw zal gecombineerd kunnen worden met toepassing van hoogwaardige isolatie, efficiënte ventilatiesystemen en geavanceerde verlichtingstechnologieën. Het verbruik van energie zal hierdoor aanzienlijk verminderen.

Klimaatadaptatie Het integreren van klimaatadaptatie in een nieuwbouwplan is een tweede, essentieel belang om te anticiperen op de steeds veranderende klimaatomstandigheden en de impact ervan op de gebouwde omgeving. Klimaatadaptatie omvat maatregelen die ervoor zorgen dat gebouwen en hun omgeving veerkrachtiger zijn tegen extreme weersomstandigheden, zoals overmatige regenval, hittegolven en overstromingen. Een belangrijke focus bij het ontwerpen van nieuwbouwprojecten met klimaatadaptatie in het achterhoofd is watermanagement. Voorbeeld van maatregelen zijn de toepassing van groene daken, regenwaterinfiltratiesystemen en strategisch geplaatste waterretentiegebieden. Door deze maatregelen te integreren, kan overtollig regenwater effectief worden afgevoerd, overstromingsrisico's worden verminderd en de belasting van het rioleringssysteem worden verlicht. Onderhavig plan heeft geen uitbreiding van verhard oppervlakte ten aanzien van het voormalig gebruik als basisschool tot gevolg.

15

De planlocatie heeft meerdere woongebouwen met bijgebouwen. De overige ruimte is groen van karakter en omvat dan ook een bovengemiddelde infiltratiecapaciteit voor hemelwater (bergen en infiltreren in de vorm van een wadi), en heeft met de groenvoorziening een positieve bijdrage ter voorkoming van hittestress. Voorts wordt een afkoppeling van de hemelwaterafvoer geïntegreerd, wordt de openbare ruimte ingericht met veel groen en er zal worden voldaan aan de maximum MPG-waarde (MilieuPrestatie gebouwen), waarbij ook het plan getoetst wordt aan de BCI (Building Circularity Index). 3.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) De evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) houdt in dat de activiteiten die op grond van een omgevingsplan (of BOPA) kunnen worden verricht zich zodanig tot elkaar verhouden, dat ze elkaar niet in de weg zitten. Hoe dit evenwicht er precies uitziet, hangt af van de wijze waar op de betrokken belangen worden gewogen. Net als bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening heeft het bevoegd gezag beleidsruimte bij het bepalen welke belangen bij botsing prevaleren. Het bevoegd gezag heeft bij het wegen van de relevante belangen niet de volledige vrijheid. De speelruimte is – net als nu – beperkt door nationale en provinciale regelgeving. Deze regels zijn instructieregels.

De gemeente is verplicht om een omgevingsvisie vast te stellen. Hierin wordt richting gegeven aan het beleid over de fysieke leefomgeving. Ook andere beleidsdocumenten dragen bij aan het invullen van de weging van belangen en daarmee aan de uitkomst van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In navolgende hoofdstukken zal blijken dat het planvoornemen passend is binnen de bestaande beleidsuitgangspunten: zowel nationaal, provinciaal, regionaal als gemeentelijke. Daarnaast blijkt uit hoofdstuk 4 dat er wordt voldaan aan de milieu- en ruimtelijke voorwaarden.

16

4. BELEIDSTOETS 4.1 Inleiding In het kader van de ruimtelijke onderbouwing is onderzocht of het hiervoor beschreven planinitiatief past binnen het geldende beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. In dit hoofdstuk komen de bevindingen met betrekking tot het relevante ruimtelijke beleid aan de orde 4.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland.

De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,

17

• •

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en Afwentelen wordt voorkomen.

Belangrijkste keuzes in de NOVI • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; • de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland.

Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden. Doorwerking plan(locatie) De voorliggende planlocatie is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt.

Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als

18

vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op de onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving) Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking heeft zorgvuldig ruimtegebruik als doel. De Ladder geeft invulling aan het zorgvuldig en transparant afwegen van besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen. De behoefte wordt aan de toelichting van een omgevingsplan toegevoegd. Dit op basis van artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen.

De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden

19

beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook et ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De ruimtelijke onderbouwing van het planvoornemen moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of de planlocatie binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de ruimtelijke onderbouwing een beschrijving van de behoefte te bevatten. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(locatie) Marktsituatie De gemeente Sint-Michielsgestel streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Dit streven komt onder meer terug in haar beleid ten aanzien van wonen en woningbouw. Zowel het provinciale als gemeentelijke beleid is gericht op het behouden van de leefbaarheid in kleine kernen. Dat is ook waar dit plan aan bijdraagt. Door te zorgen voor nieuwbouw creëren we enerzijds de mogelijkheid om te blijven wonen in de eigen dorpsgemeenschap. Aan de andere kant bieden we een woonmilieu aan dat door prijszetting, landelijk dorps en groen karakter ook een aantrekkelijke optie kan zijn voor woningzoekenden binnen het stedelijk gebied als geheel.

20

Samengevat kunnen we stellen dat in dit plan de woonconsument centraal staat. Het aanbod is afgestemd op de vraag die er is vanuit de lokale bevolking. En daarbij is er ruimte voor opvang van de regionale behoefte om doorstromers binnen de regio te houden. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? De locatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied conform de definitie in artikel 1.1.1 onder h van het Bro. Is de behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied? Zoals hiervoor reeds opgemerkt, is het woningbouwplan in eerste instantie bedoeld voor de groeibehoefte van de kern Den Dungen, als onderdeel van de totale regionale behoefte aan woningen. Aangezien de nieuwe woningen gesitueerd worden in de bestaande kern van Den Dungen is hier sprake van een (her)ontwikkeling op een inbreidingslocatie. Het bestaand stedelijk gebied wordt niet in oppervlakte uitgebreid. Het betekent ook dat voldoende gemotiveerd is dat dit plan en de ontwikkeling zien op zorgvuldig ruimtegebruik en niet leiden tot overprogrammering. Het plan doet geen afbreuk aan de doelstellingen en uitgangspunten, zoals verwoord in de beleidsstukken van de gemeente Sint-Michielsgestel, zoals het gemeentelijke Woonzorgwelzijnsvisie vastgesteld september 2023. Dit beleid heeft als speerpunt het realiseren van middeldure en sociale huurwoningen.

Het voorliggende woningbouwplan is derhalve in overeenstemming met de gemeentelijke prioriteiten, beleidsdoelstellingen en uitgangspunten. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4 (gemeentelijk beleid). Conclusie Onderhavige planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten en doelstellingen van de ladder voor duurzame ontwikkeling: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik middels transformatie van bestaand vastgoed. 4.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant en TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg. Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Omgevingsverordening Noord-Brabant (ontwerp) zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’.

21

Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden. Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken: • zorgvuldig ruimtegebruik; • meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; • betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; • versterking van de economische kennisclusters. Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik.

Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap.

22

TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht.

Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op de planlocatie en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubeschermingsgebied, natuur, water en wegen Aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant. Specifieke ontwikkelingen en maatwerk in Landelijk gebied Watersystemen, -veiligheid en -berging Instructieregels gemeenten, waterschappen en Gedeputeerde Staten: infrastructuur

Van toepassing Ja Nee Nee Nee Ja Ja Ja Nee

Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur, water en wegen Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur, water en wegen’ is de planlocatie aangeduid als ‘Diep grondwaterlichaam’ en ‘Geen attentiezone waterhuishouding’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

23

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op grond van Artikel 4.21 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de verplichting om vanuit de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn om het grondwater dat nu en voor de toekomst geschikt is voor de winning van drinkwaterwater bestemd voor menselijke consumptie te beschermen. De onconventionele winning van koolwaterstoffen brengt risico's met zich mee, die de kwaliteit van het grondwater voor drinkwaterwinning dat bestemd is voor menselijke consumptie bedreigen. Omdat de risico's van deze onconventionele boringen naar koolwaterstoffenonbekend en wellicht onbeheersbaar zijn, is het nodig de grondwaterlichamen die geschikt zijn voor het onttrekken van water bestemd drinkwaterwinning voormenselijke consumptie te beschermen met een verbod. Een omgevingsplan ter plaatse van Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Aangezien in onderhavig geval geldt dat er geen sprake is van een attentiezone waterhuishouding, is er ook geen sprake van feitelijke bescherming. Doorwerking plan(locatie) De aanduidingen ‘Diep grondwaterlichaam’ en ‘Geen attentiezone waterhuishouding’ hebben geen invloed op onderhavig planvoornemen.

Andersom zullen de voorgenomen activiteiten in de vorm van de oprichting van woningen geen invloed hebben op de beide aanduidingen.

24

Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant Binnen het kaartbeeld ‘Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant’ is de planlocatie aangeduid als ‘Stedelijke gebied’ en ‘Beperking grootschalige logistiek’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken in het regionaal ruimtelijk overleg. Dit artikel bevat regels over de verantwoording bij omgevingsplannen en andere planologische besluiten. Hierbij is het nodig ook een relatie te leggen naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met regionale afspraken over de nieuwbouw van woningen De provincie vraagt gemeenten om het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te passen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het doel hierbij is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren. Voorbeelden van dergelijke ongewenste functies zijn glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden of veehouderijen rondom de natuur en stedelijke gebieden. In de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant is verder bepaald dat ruimtelijke plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling, in principe alleen in bestaand stedelijk gebied

25

mogen vallen. Onder voorwaarden zijn ontwikkelingen in hiermee samenhangende zoekgebieden mogelijk. Uit onderhavige toelichting blijkt dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Een omgevingsplan ter plaatse van de aanduiding ‘Beperking grootschalige logistiek’ betekent dat nieuwvestiging, vestiging en uitbreiding van grootschalige logistiek is verboden. Doorwerking plan(locatie) Onderhavig planvoornemen betreft een transformatie van een bestaande locatie, waarbij een stedelijke functie in de vorm van woningen wordt ingepast in een bestaande woonomgeving, op een voor maatschappelijke doeleinden bestemde locatie. Hiermee wordt dus aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte binnen een landelijke kern, stedelijk gebied. De aanduiding ‘Beperking grootschalige logistiek’ is niet van toepassing. Instructieregels gemeenten: specifieke ontwikkelingen en maatwerk in Landelijk gebied Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke ontwikkelingen en maatwerk in Landelijk gebied’ is de planlocatie aangeduid als ‘stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

De aanduiding ‘stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van een woningen in bestaande stedelijk gebied van Den Dungen. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering heeft hier geen

26

invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Doorwerking plan(locatie) De aanduidingen binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en berging’ is de planlocatie aangeduid als ‘norm wateroverlast Stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Onderhavige planlocatie is gelegen in het stedelijke gebied van Den Dungen. De norm ten aanzien van wateroverlast binnen het stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: a. 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b. 1/10 per jaar voor overige gebieden. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting.

27

Doorwerking plan(locatie) De genoemde inspanningsverplichting is van toepassing op onderhavig planvoornemen. Er is sprake van transformatie binnen de planlocatie waarbij sloop en nieuwbouw plaatsvindt. In hoofdstuk 5 wordt aandacht besteed aan de omgang met hemelwater binnen de planlocatie. De watertoets als geheel is als bijlage 6 aan de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Conclusie De gemeente Sint-Michielsgestel streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Het plan komt tegemoet aan een actuele behoefte en wordt in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Dus herstructurering, herontwikkeling en transformatie vóór uitleg. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied, betreft intensiever ruimtegebruik met een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening. Onderhavig plan sluit aan bij c.q.

doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstuk 5. 4.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de Structuurvisie SintMichielsgestel 2025, de Woonzorgwelzijnsvisie en het Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen. Daarnaast is er al uitgebreid aandacht besteed aan de vigerende bestemming met daartoe behorende regels in paragraaf 1.3 van deze plantoelichting.

28

Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 Toetsingskader Op basis van de gemeentelijke toekomstvisie ‘Zieners van 2025’ is de ‘Structuurvisie SintMichielsgestel 2025’ opgesteld. Doel van de structuurvisie is het toekomstbeeld te vertalen in een ruimtelijk plan met status, dat voldoet aan de eisen uit de Wet ruimtelijke ordening. Tegelijk met de structuurvisie is de Woonvisie opgesteld. Dit document wordt in een volgende paragraaf behandeld. De hierna volgende afbeelding betreft een uitsnede van de visiekaart van de gemeente weergegeven.

Uitsnede visiekaart

Op basis van een analyse van de huidige situatie worden in de structuurvisie een aantal belangrijke kwaliteiten, maar ook knelpunten onderscheiden. Belangrijke kwaliteiten betreffen de ligging van gemeente Sint-Michielsgestel binnen de invloedssfeer van met name de stad ’s-Hertogenbosch, maar ook Eindhoven en Tilburg, de landschappelijke en groene kwaliteiten zowel binnen de gemeente als daar net buiten (Groene Woud), de hiermee samenhangende recreatieve potentie en het prettig leefklimaat. De belangrijkste knelpunten betreffen de beperkte toegankelijkheid en bereikbaarheid van de natuur en recreatiegebieden, de lage differentiatie in woonmilieus, het ontbreken van een sterke ruimtelijke kwaliteit en identiteit van de dorpscentra en de ongeschikte locatie van bedrijven die qua aard en schaal niet op die specifieke plek thuis horen. De beperkte variatie in

29

woonmilieus laat zich voelen in het beperkte woningaanbod voor starters/jongeren en senioren. Doorwerking plan(locatie) Het plan betreft een transformatie van een binnen de structuurvisie nog als school aangeduide functie. Binnen de woonkern is er veel mogelijk aan stedelijke ontwikkeling (inbreidingslocaties), aangezien dit geen uitbreiding van bebouwd oppervlak oplevert. Daarbij dienen ontwikkeling passend te zijn bij de bestaande situatie en dient de ontwikkeling duurzaam van karakter te zijn, bijvoorbeeld door aandacht voor energietransitie en klimaatadaptatie. Van belang is dat de ontwikkeling passend wordt naar aard en schaal bij de bestaande woonkern en het karakter van de bestaande omgeving. Aansluitend op het visiekaartbeeld kan gesteld worden dat er geen expliciete waarden of kwaliteiten aan de planlocatie zijn toegedicht. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie SintMichielsgestel 2025. Woonzorgwelzijnsvisie (vastgesteld september 2023) De Woonzorgwelzijnsvisie vervangt de woonvisie uit 2016. Zowel de woningmarkt als de beleidsomgeving zijn sindsdien drastisch veranderd. De spanningen op de woningmarkt zien we allemaal van dichtbij vanuit onze eigen familie en kennissen en vanuit de reacties van onze inwoners.

Dan valt vooral op hoe moeilijk het is voor starters en mensen met een bescheiden inkomen om toegang te krijgen tot de woningmarkt. En ook hoe moeilijk het is voor senioren om binnen de eigen kern door te stromen naar een geschiktere woning. De Rijksoverheid is inmiddels duidelijk in een meer regisserende rol gekomen en we lezen in de krant lezen van de snel opvolgende ingrepen op het terrein van de volkshuisvesting. In de aanstaande Wet regie versterking volkshuisvesting wordt van gemeenten gevraagd om uiterlijk in 2024 in samenwerking met lokale partners een woonzorgvisie op te stellen. Het college heeft daarom nu al een nieuwe woonvisie opgesteld met daarin een duidelijke verbinding met welzijn en zorg. Om de opgaven in de woningmarkt van Sint-Michielsgestel in beeld te brengen heeft het college in 2022 een woningmarktonderzoek en woonzorganalyse laten uitvoeren. Aansluitend is het college gestart met het opstellen van de nieuwe visie onder de naam Wij zorgen voor wonen; Programma volkshuisvesting en wonen-welzijn-zorg Sint-Michielsgestel 2023-2028.

30

Doorwerking plan(locatie) Het plan betreft een transformatie van voormalige schoolvoorziening in de dorpskern van Den Dungen. Gemeente wenst ontwikkeling te stimuleren die invulling geven aan de bestaande vraag naar betaalbare woningen voor starters op de woningmarkt, senioren op de woningmarkt en eventueel mensen met een zorgbehoefte. De woningen welke dit plan vormen zijn gericht op senioren en gelijkvloerse appartementen voor mensen met lage of middeninkomens. Dit plan past daarmee goed bij de uitgangspunten van de Woonzorgwelzijnsvisie welke visie als speerpunt heeft het realiseren van middeldure en sociale huurwoningen. Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen Het ‘Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen’ bevat een analyse van bestaand beleid en beschikbare gegevens betreffende de woningmarkt met als doel enerzijds duidelijk maken wat de meer specifieke woonbehoeften per dorp zijn. Anderzijds moet worden bepaald wat nodig is aan woningbouw per dorp om aan de behoeften op lange en korte termijn tegemoet te komen. Voor de dorpen wordt een richtinggevend woningbouwkader meegegeven, gericht op de doelgroepen starters, doorstromers en ouderen. Het richtinggevend woningbouwkader is vertaald naar de verschillende dorpen.

Eén van de belangrijkste kernkwaliteiten van Den Dungen is het feit dat het dorp naam en faam heeft: men kan er wonen in een landelijk, groen en ‘beschermd’ woonmilieu, ook nog eens in de nabijheid van belangrijke voorzieningen. Hierdoor is Den Dungen ook in staat vestigers aan te trekken en te concurreren met ’s-Hertogenbosch en woonplaatsen als Vught, met name op een gunstiger prijs- kwaliteitverhouding. Er is behoorlijk wat keuze op de lokale woningmarkt. Waarvoor opgelet moet worden is dat de prijssprongen niet te groot worden, waardoor de woonconsument noodgedwongen moet blijven zitten waar hij zit. De sprongen van een rijwoning naar een tweekapper, of tweekapper naar vrijstaand, zijn substantieel. Aandacht voor meer prijsdiversiteit is gewenst. De nog op stapel staande plannen zijn vrijwel allemaal inbreidingslocaties met als gevolg dat er gestapeld wordt gebouwd en hetgeen grondgebonden wordt gerealiseerd een stenig karakter krijgt. Dit staat in contrast met de overwegend groene woonmilieus. Van belang is dat deze wat meer stedelijk dorpse nieuwbouwkwaliteit (relatief nieuw voor de gemeente) ook goed tot uitdrukking komt en zo toch kan concurreren met aanbod in de bestaande woningvoorraad. In kwantitatieve zin is gesteld dat er in de periode 2012 tot 2025 in SintMichielsgestel circa 380 woningen aan de woningvoorraad moeten worden toegevoegd.

31

Doorwerking plan(locatie) Het plan betreft een transformatie van een bestaande stedelijke locatie. Gemeente wenst ontwikkeling te stimuleren die invulling geven aan de bestaande vraag naar betaalbare woningen voor starters op de woningmarkt, senioren op de woningmarkt en eventueel mensen met een zorgbehoefte. De woningen welke dit plan vormen zijn gericht op senioren en gelijkvloerse appartementen voor mensen met lage of middeninkomens. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de Woonzorgwelzijnsvisie en het Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen. 4.5 Conclusie De voorgenomen herontwikkeling past binnen het vigerend ruimtelijke beleid van het Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Sint-Michielsgestel.

32

5. ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU Ten behoeve van onderhavige plantoelichting is door De Roever Omgevingsadvies een milieuscan uitgevoerd naar de milieu-hygiënische gevolgen van het planvoornemen op de omgeving en andersom. Quickscans door De Roever Omgevingsadvies zijn aanvullend uitgevoerd op de aspecten, bedrijven en milieuzonering (5.7), geurhinder (5.8), luchtkwaliteit (5.10), omgevingsveiligheid (5.11) en volksgezondheid in relatie tot veehouderijen (5.13) en komen terug in onderhavig hoofdstuk. De milieuscan is in zijn volledigheid als bijlage 2 aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. 5.1 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de Strategische milieubeoordeling-richtlijn (SMB-richtlijn 2001/42/EG, in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen.

Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. Doorwerking plan(locatie) In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de Clijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op?

33

Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Binnen de planlocatie wordt de realisatie van 24 wooneenheden mogelijk gemaakt. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de Dlijst van het Besluit m.e.r. 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. De planlocatie behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort de planlocatie niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig omgevingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Conclusie Het realiseren van de woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

Echter, gelet op het kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r., de ligging van de planlocatie (niet in de buurt van een Natura 2000-gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. Onderliggend plan wordt derhalve niet gezien als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van het Besluit m.e.r. (onderdeel D, categorie D.11.2). 5.2 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden is het nagaan of in of rondom de planlocatie belangrijke archeologische en, cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten

34

en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen.

De archeologische uitgangspunten zijn de volgende: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. In de toelichting van de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de ruimtelijke onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=79cba471-9d70-4ce8-a901-3b1b3b464ec5