CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Omgevingsplan Laar Nieuw Laar_Regels

Beeldvormende informatieavond 14 januari 2026, gemeente boxtelBij agendapunt: Herstelbesluit Laar-Nieuw Laar31.612 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

waarden'.

16.2 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. b. c. d. e. f. g.

detailhandel; een verkooppunt voor motorbrandstoffen (incl. LPG); seksinrichtingen; kamperen; opslag van goederen en materialen voor de gevellijn; permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijgebouwen betreft; (proef)boringen naar gas, waaronder schaliegas.

16.2.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijkeinpassing Gebruik van een (nieuw te bouwen) woning overeenkomstig de functietoedeling is toegestaan, mits deze woning adequaat landschappelijk wordt ingepast. Indien in Bijlage 3 Landschapsinpassing diverse percelen gebundeld van de regels voor het betreffende perceel in een landschappelijk inpassingsplan is voorzien, dan wordt de realisatie en instandhouding uitgevoerd overeenkomstig hetgeen is vermeld in deze bijlage. 16.2.2 Voorwaardelijke verplichting waterberging Gebruik van de nieuw te bouwen woningen overeenkomstig de bestemmingsomschrijving is toegestaan, mits een waterberging van minimaal 30 m3 per woning is gerealiseerd en deze daarna onderhouden en in stand gehouden wordt.

80

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

16.2.3 Voorwaardelijke verplichting cultuurhistorische waarden De spliting van een woning met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' in twee wooneenheden en het gebruik van deze twee wooneenheden is toegestaan, mits: 1.

een splitsing van de woning bijdraagt aan het behoud en herstel van de onderkende cultuurhistorische waarden als bedoeld in Bijlage 4 CHW waardestellingen wederopbouwboerderijen.

16.2.4 Voorwaardelijke verplichting 3 ontwikkellocaties ruimte voor ruimte Het (doen/laten) gebruik(en) van de bestemming 'Wonen - 2' ter plaatse van: a.

b.

c.

de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 1', voorzover het betreft één nog op te richten vrijstaande woning, is uitsluitend toegestaan indien de oppervlakte aan voormalige intensieve veehouderijbebouwing, gelijkstaand aan 1.127 m2 ter plaatse van Laar 27 te Berlicum, is gesloopt, maximaal 1 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan; de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 2', voorzover het betreft één nog op te richten vrijstaande woning, is uitsluitend toegestaan indien de oppervlakte aan voormalige intensieve veehouderijbebouwing, gelijkstaand aan 929,79 m2 ter plaatse van Laar 11 te Berlicum, is gesloopt, maximaal 1 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan; de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 3', voorzover het betreft twee nog op te richten vrijstaande woningen, is uitsluitend toegestaan indien de oppervlakte aan voormalige intensieve veehouderijbebouwing, gelijkstaand aan 1.370 m2 ter plaatse van Schellekesveld 2 te Berlicum, is gesloopt, maximaal 1 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.

16.3 Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteitgebruiksregels Het bevoegd gezag verleent op aanvraag een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, in afwijking van het bepaalde in 16.1 en 16.2.1, voor de navolgende omgevingsplanactiviteiten indien wordt voldaan aan navolgende voorwaarden: 16.3.1 Een aan huis gebonden beroep of een aan huis gebonden bedrijf in hoofd- of bijgebouwen Een aan huis gebonden beroep in bijgebouwen of een aan huis gebonden bedrijf in hoofdgebouwen of bijbehorende bouwwerken is toegestaan, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 100 m2 van de woning en/of bijgebouwen het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer; geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt wordt; alleen ondergeschikte detailhandel die rechtstreeks verband houdt met het ter plaatse uitgeoefende beroep of bedrijf is toegestaan; e. de activiteit dient te worden uitgeoefend door de bewoner; f. de activiteit mag uitsluitend worden uitgeoefend in de vorm van de categorie 1 en 2 bedrijven conform de in Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten in categorie 1 en 2 opgenomen Lijst van Bedrijfsactiviteiten; g. horeca is niet toegestaan; h. het beroep of bedrijf mag geen publieksgericht karakter en geen onevenredig verkeersaantrekkende werking hebben; i.

er dient te zijn voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak; j. buitenopslag is niet toegestaan; k. reclame-uitingen zijn niet toegestaan; l. laden en lossen mag uitsluitend op eigen terrein plaatsvinden; m. de activiteit dient milieuhygiënisch aanvaardbaar te zijn; n. indien gebouwen voor deze functie worden uitgebreid dan dient dit gecombineerd te worden met een kwaliteitsverbetering van het landschap overeenkomstig het bepaalde in provinciale a. b. c. d.

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

81

omgevingsverordening. 16.3.2 Dagrecreatieve voorzieningen als nevenfunctie Dagrecreatieve voorzieningen als nevenfunctie bij de woning zijn toegestaan, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f.

het uitsluitend een theetuin met een maximum oppervlakte van 100 m² of een atelier betreft; deze binnen de bestaande bebouwing plaatsvindt; door de wijziging geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden mag plaatsvinden; de activiteit dient milieuhygiënisch aanvaardbaar te zijn; alleen nevenfuncties die conform het bestemmingsplan voortgezet kunnen worden als vervolgfunctie zijn toegestaan. indien gebouwen voor deze functie worden uitgebreid dan dient dit gecombineerd te worden met een kwaliteitsverbetering van het landschap overeenkomstig het bepaalde in provinciale omgevingsverordening.

16.3.3 Verblijfsrecreatieve voorzieningen als nevenfunctie De volgende nevenactiviteiten zijn toegestaan: a.

verblijfsrecreatie (minicamping en/of trekkershutten) met een maximale oppervlakte van 1 hectare, grenzend aan een agrarisch bouwvlak of een bouwvlak met een andere bestemming met eenvoudige voorzieningen op het bouwvlak, met dien verstande dat: 1. de al bestaande (mini)campings niet van deze nevenactiviteit gebruik mogen maken; 2. er maximaal 5 trekkershutten opgericht mogen worden binnen het bouwvlak; 3. een standplaats een minimale oppervlakte van 230 m² heeft; 4. verblijfsrecreatie uitsluitend plaatsvindt in de periode van 1 maart tot en met 1 november en van 16 december tot en met 16 januari; 5. de afstand van het terrein tot de woningen van omwonenden dient minimaal 50 meter te bedragen; 6. er een woning op het betreffende bouwvlak aanwezig is; 7. indien gebouwen voor deze functie worden uitgebreid dan dient dit gecombineerd te worden met een kwaliteitsverbetering van het landschap overeenkomstig het bepaalde in provinciale omgevingsverordening. 8. er landschappelijke inpassing plaatsvindt van minimaal 30% van de oppervlakte van de minicamping; indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

82

de woning als hoofdfunctie aanwezig is en blijft; de agrarische functie van aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing mag niet onevenredig worden aangetast; door de wijziging geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden plaatsvindt; er dient te zijn voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak; de aanwezige landschappelijke en ecologische kwaliteiten mogen niet worden aangetast; op basis van een erfbeplantingsplan dient de landschappelijke inpassing verzekerd te zijn; alleen nevenfuncties die conform het bestemmingsplan voortgezet kunnen worden als vervolgfunctie zijn toegestaan; de werkzaamheden dienen door de bewoner te worden uitgeoefend.

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

16.3.4 Alternatieve posities beplanting landschapsinpassing Alternatieve posities van de beplanting van een landschapsinpassing zoals bedoeld in artikel 16.2.1 en zoals opgenomen in bijlage 3 Landschapsinpassing diverse percelen gebundeld, zijn toegestaan indien wordt voldaan aan de voorwaarde dat ook met deze alternatieve posities van de beplanting sprake is van een kwalitatief gelijkwaardige landschappelijke inpassing. 16.4 Bouwregels Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Onverminderd het bepaalde in de overige artikelen van deze regels dient voor het bouwen van geluidgevoelige ruimten van gebouwen een afstand van 10 meter uit de wegas in acht te worden genomen. 16.4.1 Woning binnen het bestemmingsvlak Voor het bouwen van een woning gelden de volgende bepalingen: a.

b. c. d. e. f. g. h. i.

per bestemmingsvlak is één woning toegestaan. Indien ter plaatse van het bestemmingsvlak tevens de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' voorkomt, dan geldt in afwijking hiervan dat het maximum aantal wooneenheden maximaal overeenkomt met het aantal als weergegeven op de verbeelding; indien binnen het bestemmingsvlak sprake is van een aanduiding 'bouwvlak', dan is het bouwen van een woning uitsluitend mogelijk binnen de aanduiding 'bouwvlak'; de inhoud van de woning bedraagt maximaal 1.000 m³ exclusief onderkeldering inclusief aan- en uitbouwen; de maximale goothoogte van de woning bedraagt 4 meter en de maximale hoogte bedraagt 10 meter; het hoofdgebouw moet zijn voorzien van een kap met een dakhelling van ten minste 25° en ten hoogste 60°; afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen dient minimaal 5 meter te bedragen; de minimale afstand tot de waterlopen dient minimaal 5 meter te bedragen; woningen en/of vrijstaande bijgebouwen mogen niet vóór de gevellijn gebouwd worden. Indien er geen gevellijn is opgenomen dienen de woningen in de lijn van de omliggende woningen te worden gesitueerd. afstand tot de achterste perceelsgrens dient minimaal 8 meter te bedragen voor de woning binnen het bestemmingsvlak van deze functietoedeling, voorzover het betreft het bestemmingsvlak ten noorden van het Schellekesveld.

16.4.2 Bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a.

b. c.

d. e.

de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken per woning in het bebouwingsgebied: bedraagt niet meer dan: 1. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2 : 50% van dat bebouwingsgebied; 2. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2 : 50 m2 , vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2 ; 3. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2 : 90 m2 , vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2 , tot een maximum van in totaal 150 m2 ; 4. in afwijking van het bepaalde in lid a onder 1 tot en met 3 bedraagt de maximum oppervlakte van bijbehorende bouwwerken 1200 m2 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - 1'; de afstand van de bijbehorende bouwwerken tot de perceelsgrens dient minimaal 1 meter te bedragen; de afstand van een bijbehorend bouwwerk tot de woning bedraagt niet meer dan 30 meter. Indien de bestaande afstand groter is dan 30 meter, dan is deze bestaande afstand toegestaan. Bij herbouw dient te worden voldaan een maximum afstand van 30 meter van een bijbehorend bouwwerk tot de woning. bijbehorende bouwwerken mogen niet vóór de gevellijn gebouwd worden; de maximale goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 meter en de maximale

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

83

hoogte 6 meter. 16.4.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. b.

c. d. e. 16.5

de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de gevellijn niet meer dan 1 meter mag bedragen; bij de woning mag één carport of overkapping worden gebouwd met dien verstande dat: 1. in afwijking van het bepaalde in lid a onder 1 tot en met 3 bedraagt de maximum oppervlakte van bijbehorende bouwwerken 200 m2 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - 1'; 2. de carport of overkapping uitsluitend mag worden gebouwd met een plat dak; 3. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter; 4. de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 25 m²; afstand tot de perceelsgrens dient minimaal 1 meter te bedragen met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen welke op de perceelsgrens gebouwd mogen worden; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 4 meter bedragen; de oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 10 m². Afwijken van de bouwregels

16.5.1 Bijbehorende bouwwerken op perceelsgrens Het bouwen van bijbehorende bouwwerken op de perceelsgrens is toegestaan indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. b.

de situering van de bijbehorende bouwwerken is stedenbouwkundig aanvaardbaar; er dienen zich geen overwegende bezwaren van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, verkeerskundige, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard voor te doen.

16.6 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. b. c. d. e.

ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; ter waarborging van de verkeersveiligheid; ter waarborging van de sociale veiligheid; ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.

16.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden verlenen voor: a.

werken en/of werkzaamheden zoals weergegeven in sub 16.7.1 en 16.7.2 met dien verstande dat voor werken en/of werkzaamheden binnen het bouwvlak of het verharden van minder dan 100 m² buiten het bouwvlak geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden nodig is; indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1. 2. 3.

84

ingeval er twee of meer aanduidingen op de desbetreffende gronden zijn gelegen, het zwaarste regime geldt; bij de beoordeling van de werken en werkzaamheden worden de mogelijke gevolgen, zoals weergegeven in Bijlage 2 Beoordelingscriteria bij omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanleggen, getoetst; het bevoegd gezag kan voor de beoordeling een daartoe bevoegd deskundige aanwijzen;

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

4.

indien het werken en/of werkzaamheden betreft binnen de aanduiding 'archeologische verwachtingswaarde 2' betreft, waarbij de ingrepen groter zijn dan ter plaatse is toegestaan, dient door middel van archeologisch onderzoek te worden aangetoond dat deze archeologische waarden niet worden aangetast.

16.7.1 Historisch landschappelijkgebied afgraven, ophogen; indrijven; onderbemalen; aanbrengen oeverbeschoeiing; planten, omzetten van grasland naar bouwland; verharden oppervlakte van meer dan 100 m². 16.7.2 Besloten gebied afgraven, egaliseren; rooien, omzetten van grasland naar bouwland, omzetten van grasland/bouwland naar boomteelt en/of sierteelt.

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

85

86

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

Hoofdstuk 3 Regels voor overige bouwactiviteiten Artikel 17

Overige bouwregels

17.1 Tussenruimte tussen gebouwen 1. Als tussen bouwwerken op aangrenzende percelen een tussenruimte wordt aangehouden, dan moet deze minimaal één meter breed zijn (bebouwing van ondergeschikte aard wordt hierbij buiten beschouwing gelaten). 2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde onder 1 indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar i s. 17.2 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. 17.3 Uitstel onderzoeken In het kader van een omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' dient indien nodig middels onderzoek aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de voor die activiteit in deze regels gestelde voorwaarden en dat de activiteit uitvoerbaar is. 17.4 Bestaande maatvoering Indien bestaande legale bebouwing een met deze regels afwijkende maatvoering en situering heeft, dan is deze afwijkende maatvoering en situering toegestaan.

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

87

88

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

Hoofdstuk 4 Artikel 18

Regels voor overige activiteiten

Activiteiten met gevolgen voor milieuwaarden

18.1 Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteitmet verschilberekening AERIUS-Calculator Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit verlenen om af te wijken van het bepaalde in de artikelleden 8.2, 9.2, 10.2 van deze regels, onder de navolgende voorwaarden: a.

b.

18.2

de emissie afkomstig van het met deze omgevingsvergunning aangevraagde 'gebruik na wijziging van gronden en bouwwerken’, ten opzichte van de emissie afkomstig van de feitelijke planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan vanuit die gronden en bouwwerken leidt niet tot een toename van stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jr op voor stikstofgevoelige habitats in enig Natura 2000-gebied; of sprake is van een toename van stikstofdepositie als bedoeld onder a, dient als volgt te worden bepaald: 1. er wordt een verschilberekening gemaakt met gebruik van de op het moment van indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning meest actuele versie van het wettelijk voorgeschreven rekenmodel AERIUS Calculator. Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteitniet-agrarische bedrijfsactivteiten

18.2.1 Vergunningplicht aanvangen of veranderen functie dan wel ingrijpende wijziging bedrijfsvoering met mogelijk negatieve gevolgen voor milieuwaarden 1. Het aanvangen of veranderen van een niet-agrarische bedrijfsfunctie dan wel een ingrijpende wijziging van de bedrijfsvoering, zoals bedoeld in artikel 10.1 en met mogelijk negatieve gevolgen voor de milieuwaarden in artikel 18.3 tot gevolg, is uitsluitend toegestaan na verlening van een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit in het verlengde van een aanvraag om een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit volgens het bepaalde in artikel 18.2.2. 2. Bij de aanvraag dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de normen zoals opgenomen in artikel 18.3. 3. In afwijking van het bepaalde in lid 2 kan het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit als bedoeld in lid 1 verlenen, voorzover uit een specifieke beoordeling op maat blijkt dat sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Hierbij dienen de normen van artikel 18.3 en het bepaalde in artikel 2 als referentiekader te worden beschouwd. 4. Het college van burgemeester en wethouders kan, indien dat voor de omgevingskwaliteit van belang is, maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de aangevraagde activiteiten en met betrekking tot de aspecten genoemd in lid 2. 5.

Bij het indienen van een vergunningaanvraag wordt voldaan aan de vereisten van participatie. 6. indien gebouwen voor deze functie worden uitgebreid dan dient dit gecombineerd te worden met een kwaliteitsverbetering van het landschap overeenkomstig het bepaalde in provinciale omgevingsverordening. 18.2.2 Regels voor het doen van een aanvraagomgevingsvergunningomgevingsplanactiviteiten voor de inhoud van de aanvraag 1. De aanvraag wordt, indien van toepassing, bij voorkeur gelijktijdig gedaan met de melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. 2. Bij de aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt:

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

89

a. b.

3.

18.3

adres en nummer van de Kamer van Koophandel van het bedrijf; naam en adres van degene die de functie aanvangt dan wel verandert en, indien dit iemand anders is, van degene die het bedrijf drijft of zal drijven; c. tijdstip waarop de verandering in werking zal worden gebracht; d. aard en omvang van de activiteiten en processen in het bedrijf; e. indeling en uitvoering van het bedrijf, waarbij de grenzen van het terrein van het bedrijf, de ligging en de indeling van de gebouwen en de functie van de te onderscheiden ruimten worden aangegeven; f. een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de ligging van het bedrijf ten opzichte van de omgeving is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl. Indien nodig gaat de aanvraag vergezeld van een onderzoeksrapport waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de van toepassing zijnde milieuwaarden. Normen voor veroorzaken van milieuhinder

18.3.1 Geluid 1. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de tot de inrichting behorende toestellen en installaties en door de tot de inrichting behorende verrichte werkzaamheden en/of activiteiten mag ter plaatse van geluidgevoelige functies niet meer bedragen dan: a. 45 dB(A) in de periode tussen 07.00 uur - 19.00 uur; b. 40 dB(A) in de periode tussen 19.00 uur - 23.00 uur; c. 35 dB(A) in de periode tussen 23.00 uur - 07.00 uur. 2. Het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de tot de inrichting behorende toestellen en installaties en door de tot de inrichting behorende verrichte werkzaamheden en/of activiteiten mag ter plaatse van geluidgevoelige functies niet meer bedragen dan de waarden als aangegeven in lid 1 onder a t/m c, waarbij wordt toegestaan dat elke waarde maximaal wordt vermeerderd met 10 dB. 3. Aan de normen ter plaatse van geluidgevoelige functies wordt geacht te worden voldaan, indien de afstand van de inrichting tot de locatie van de geluidgevoelige functies groter is dan 100 meter. 4. Ook indien sprake is van cumulatie van geluid van wegverkeer en geluid van bedrijven gelden de bovenvermelde binnenwaarden voor dat gecumuleerde geluidniveau. 5. De normen van lid 1 en 2 zijn niet van toepassing op bestaande tot de inrichting behorende bedrijfswoningen. Voor die woningen gelden de regels van het Activiteitenbesluit. 6.

Voor festiviteiten, evenementen en overige geluidshinder niet afkomstig van bedrijven geldt de normstelling en beoordelingsmethodiek voor geluid uit hoofdstuk 4, Afdeling 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Sint-Michielsgestel 2014. Indien de Algemene Plaatselijke Verordening Sint-Michielsgestel 2014 wordt gewijzigd of herzien, wordt rekening gehouden met de gewijzigde of herziene normstelling en beoordelingsmethodiek voor geluid. 7. De Handleiding meten en rekenen Industrielawaai uit 1999 is van toepassing bij het bepalen van de in voorgaande voorschriften toegestane waarden. 8. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen voor de emissie- of immissienormen per bedrijf indien nodig voor het waarborgen van het geluidsniveau als bedoeld onder 1 en 2. 18.3.2 Geur Voor bedrijven geldt dat deze geen nieuwe geurbron binnen het plangebied mogen introduceren. 18.3.3 Licht 1. De hoeveelheid licht veroorzaakt door en/of verband houdende met een bedrijf , zoals terreinverlichting en reclame-uitingen, bedraagt niet meer dan aangegeven in onderstaande tabel (immissienormen). Dagdeel Toetsingspunt

90

07.00 19.00

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

19.00 23.00

23.00 07.00

Verlichtingssterkte Ev (lx) op de grens van woonpercelen (dus woningen incl. tuinen en erven, voorzien van de functietoedeling 'Wonen - 1', Wonen - 2'' of een vergelijkbare bestemming of functie, niet zijnde de eigen bedrijfswoning).

10 lx

10 lx

2 lx

18.4 Maatwerkvoorschriften Het bevoegd gezag kan met het oog op een goed woon- en leefklimaat in het plangebied en de omgeving naar aanleiding van een aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 18.2, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot: a. b. c. d. e. f. g. h. i.

geluid(hinder), voor zover nodig in aanvulling op of afwijking van het bepaalde in artikel 18.3.1; trillingen; stofhinder; luchtkwaliteit externe veiligheid (voorkoming en bestrijding van calamiteiten); bodemkwaliteit duurzaamheid; gezondheid; visuele uitstraling.

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

91

Artikel 19 1.

2.

3.

92

Voorzien in voldoende parkeerbehoefte

Een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden - al dan niet gecombineerd - , waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, is niet toegestaan wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. Bij een omgevingsvergunning, dan wel bij de beoordeling of het gebruik in overeenstemming is met dit bestemmingsplan met verbrede reikwijdte wordt aan de hand van de d.d. 13 oktober 2020 door burgemeester en wethouders vastgestelde "Beleidsregels parkeernormen Sint-Michielsgestel", bepaald c.q. getoetst of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Indien gedurende de planperiode nieuwe parkeernormen worden vastgesteld door de gemeente, treden deze ter toetsing in de plaats van de genoemde vastgestelde beleidsregels. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in onder 19 lid 1 en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien: a. indien de parkeernormen zich naar aard en evenredigheid niet verhouden met de - al dan niet gecombineerde - realisatie van een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden; b. het bepaalde onder a is voorzien van een deugdelijke motivering, waarvan onderdeel uitmaakt een parkeerbalans, en; c.

de afwijkende uitgangspunten voor wat betreft de toepassing van de parkeernorm worden geborgd in de betreffende omgevingsvergunning omgevingsplanaciviteit.

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

Hoofdstuk 5 Artikel 20

Regels voor sectorale aspecten

Leiding - Gas

20.1 Toegestane functies en gebruik De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende functietoedeling, met voorrang mede bestemd voor een gastransportleiding. 20.2 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor het opslaan van goederen, met uitzondering het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding. 20.3

Bouwregels

20.3.1 Voorrangsregeling Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de leidingen als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen prevaleert de functietoedeling 'Leiding - Gas'. 20.3.2 Algemeen In afwijking van het bepaalde bij de andere functietoedelingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze functietoedeling. 20.3.3 Bouwen Ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - gas' is het niet toegestaan om te bouwen binnen een zone van 5 meter aan beide zijden van de hartlijn met uitzondering van tijdelijke voorzieningen ten behoeve van het onderhoud van deze gasleiding. 20.4 Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteitbouwregels Het bevoegd gezag verleent op aanvraag een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor het bepaalde in 20.3 door toe te staan dat in de andere bestemming(-en) gebouwen worden gebouwd, mits de veiligheid met betrekking tot de gasleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbaar object wordt toegelaten. Voorafgaand aan vergunningverlening dient schriftelijk advies te worden ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder. 20.5

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde

20.5.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden zonder een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden tot 5 meter vanaf de aanduiding 'hartlijn leiding - gas' het volgende werk en/of werkzaamheden te verrichten: a. b.

het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven, diepploegen, indrijven of ophogen; het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen en het aanleggen van watergangen;

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

93

c. d. e.

verharden oppervlakte, het aanleggen van leidingen; het aanbrengen van beplantingen en/of bomen en het rooien ervan; het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden, zoals bedoeld in deze bepaling, slechts verlenen mits vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

20.5.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 20.5.1 is niet van toepassing op een werk of werkzaamheden die: a. b.

betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; die reeds bestonden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd zijn en niet reeds in strijd zijn met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan of; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan en mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; mits deze de leiding niet belemmeren en het belang van de leiding niet schaden.

94

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

Artikel 21

Waarde - Archeologie 1

21.1 Functieomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende toedeling van functies, mede voorzien van de volgende functietoedeling: a.

21.2

de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen van kleinere bewoningskernen en de ondergrond van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en kastelen. Bouwregels

21.2.1 In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van: a. ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan ter plaatse van de bestaande fundering wordt gebouwd; b. de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 30 m²; c. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist; d. activiteiten welke niet gepaard gaan met ingrepen in de bodem, dieper dan 0,3 meter; e. bouwen binnen het bouwvlak, tenzij er sprake is van vastgestelde archeologische resten of dat er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object of monument. 21.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van het bepaalde in 21.2 en toestaan dat in de andere functietoedelingen gebouwen worden gebouwd mits wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden: a. b.

c.

21.4

de aanvrager van de omgevingsvergunning blijkens archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken bouwlocatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van de burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt veiliggesteld; de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. het begeleiden van de bodemverstorende ingrepen door een archeologisch deskundige. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden

21.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten ingeval het gaat om ingrepen buiten het bouwvlak en/of ingrepen binnen het bouwvlak daar waar sprake is van vastgestelde archeologische resten of als het gaat om een cultuurhistorisch waardevol object of monument en/of ingrepen die gelijk of groter zijn dan 30 m² en dieper dan 0,3 meter: a. b. c.

afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, egaliseren, indrijven; draineren, onderbemalen, stuwen, graven sloten; planten, omzetten grasland/bouwland naar boomteelt en/of sierteelt;

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

95

d.

verharden oppervlakte van meer dan 100 m², leidingen leggen.

21.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 21.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c.

betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

21.4.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in 21.4.2 zijn slechts toelaatbaar, mits: a. b.

96

werken en werkzaamheden van ondergeschikte betekenis dan wel die behoren tot het op de bestemming van de gronden gerichte normale onderhoud en beheer; werken en werkzaamheden, die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

Artikel 22

Waarde - Archeologie 2

22.1 Functieomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende toedeling van functies, mede voorzien van de volgende functietoedeling: a.

22.2

de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto AMK-terreinen en/of terreinen met een hoge verwachting voor Paleolithicum-Neolithicum. Bouwregels

22.2.1 In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van: a. ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan ter plaatse van de bestaande fundering wordt gebouwd; b. de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 50 m²; c. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist; d. activiteiten welke niet gepaard gaan met ingrepen in de bodem, dieper dan 0,3 meter; e. bouwen binnen het bouwvlak, tenzij er sprake is van vastgestelde archeologische resten of dat er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object of monument. 22.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van het bepaalde in 22.2 en toestaan dat in de andere functietoedelingen gebouwen worden gebouwd mits wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden: a. b.

c.

22.4

de aanvrager van de omgevingsvergunning blijkens archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken bouwlocatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van de burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt veiliggesteld; de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. het begeleiden van de bodemverstorende ingrepen door een archeologisch deskundige. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden

22.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten ingeval het gaat om ingrepen buiten het bouwvlak en/of ingrepen binnen het bouwvlak daar waar sprake is van vastgestelde archeologische resten of als het gaat om een cultuurhistorisch waardevol object of monument en/of ingrepen die gelijk of groter zijn dan 50 m² en dieper dan 0,3 meter: a. b. c. d.

afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, egaliseren, indrijven; draineren, onderbemalen, stuwen, graven sloten; planten, omzetten grasland/bouwland naar boomteelt en/of sierteelt; verharden oppervlakte van meer dan 100 m², leidingen leggen.

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

97

22.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 22.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c.

betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

22.4.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in 22.4.2 zijn slechts toelaatbaar, mits: a. b.

98

werken en werkzaamheden van ondergeschikte betekenis dan wel die behoren tot het op de bestemming van de gronden gerichte normale onderhoud en beheer; werken en werkzaamheden, die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

bestemmingsplan Omgevingsplan Laar Nieuw Laar

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=984c29cc-b068-44da-ba96-904b241cecbc