CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Gewijzigde Verordening Sociaal Domein 2024 Sint-Michielsgestel

Commissie Samenleving, Economie en Bestuur Sint-Michielsgestel 21 november 2024, gemeente boxtelBij agendapunt: Raadsvoorstel Wijziging van de gemeentelijke verordening sociaal domein20.759 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gewijzigde Verordening Sociaal Domein 2024 Sint-Michielsgestel

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1: Algemeen

1.1 Waarom deze verordening? 1.2 Uitgangspunten 1.3 Kernwaarden Hoofdstuk 2: De toegang

2.1 Melding bij de gemeente 2.2 Verwijzing door derden en spoed Hoofdstuk 3: Werk en Participatie

3.1 Algemene bepalingen 3.2 Bepalingen over voorzieningen 3.3 Specifieke bepalingen over de aanspraak op voorzieningen 3.4 Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 3.5 Specifieke bepalingen overige voorzieningen 3.6 Tegenprestatie Hoofdstuk 4: Gezond en veilig opgroeien

4.1 Uitgangspunten bij het bieden van hulp 4.2 Algemene voorzieningen 4.3 Individuele voorzieningen 4.4. Criteria individuele voorzieningen 4.5 Afstemming met andere vormen van hulp Hoofdstuk 5: Leven en wonen in een veilige en gezonde omgeving

5.1 Uitgangspunten, doelen en resultaten 5.2 Zelfstandig en veilig wonen 5.3 Maatschappelijke opvang

5.4 Begeleiding en dagbesteding 5.5 Vervoer 5.6 Mantelzorg Hoofdstuk 6: De vorm van hulp

6.1 Vormen van hulp 6.2 Hulp in natura 6.3 Hulp in geld 6.4 Persoonsgebonden budget 6.5 Eigen bijdrage Wmo-voorzieningen Hoofdstuk 7: Inkomen en schulden

7.1 Minimabeleid 7.2 Bijzondere bijstand 7.3 Individuele inkomenstoeslag 7.4 Bijdrage voor maatschappelijke activiteiten, het Welzijnsfonds 7.5 Schuldhulpverlening 7.6 Zorgkosten Hoofdstuk 8: Afspraken tussen inwoner en gemeente

8.1 Hoe gaan we met elkaar om? 8.2 Afspraken en verplichtingen 8.3 Terugvorderen uitkering 8.4 Beëindigen en terugvorderen voorziening 8.5 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen? 8.6 Vrijlating giften Hoofdstuk 9. Kwaliteit en aanbesteding

9.1 Kwaliteit 9.2 Inkoop en aanbesteding Hoofdstuk 10: Van oud naar nieuw

10.1 Onderzoek naar de werking van de verordening

10.2 Uitvoeringsregels 10.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) 10.4 Intrekken oude verordeningen 10.5 Overgangsrecht 10.6 Ingangsdatum en naam Hoofdstuk 11: Begrippenlijst

Hoofdstuk 1: Algemeen

1.1 Waarom deze verordening? 1.1.1 Wij vinden het belangrijk dat: 

Mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan;

Mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen;

Mensen hun financiën op orde hebben;

Mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen;

Mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zo lang mogelijk zelfstandig en veilig kunnen wonen; en

Kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien.

1.1.2 Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de: 

Participatiewet (PW), de IOAW, de IOAZ;

De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs);

De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);

De Jeugdwet;

De Gemeentewet.

Deze wetten vormen de grondslag voor deze verordening. De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Daarvoor stelt de gemeente dan nadere regels vast.

Waar in deze verordening ‘Gemeentewet’ als grondslag wordt genoemd, wordt daarmee de algemene aanvullings-bevoegdheid van de gemeenteraad bedoeld (art. 121 Gemeentewet) die het mogelijk maakt om aanvullende regels over bepaalde onderwerpen te maken.

Bij een aantal artikelen wordt ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemd. Deze wet bevat bepalingen over onder andere de aanvraag, beslistermijnen, bezwaar en klachten.

1.2 Uitgangspunten Deze verordening is geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De verordening: 1. Is bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen; 2. Is goed te begrijpen; 3. Regelt niet meer dan nodig is; 4. Houdt de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; 5. Kan goed uitgevoerd worden en is duidelijk voor de inwoners; 6. Heeft oog voor alle leefgebieden; 7. Geeft ruimte om af te wijken van regels en maatwerk te leveren als dat in het belang is van de inwoner, zolang dit niet in strijd is met wettelijke nationale of internationale regels. 1.3 Kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden: 1. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de genoemde doelen te realiseren. 2. Inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken.

3. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden, bekenden (het sociale netwerk). 4. Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, krijgen extra hulp om volwaardig mee te doen aan de samenleving. Per hoofdstuk wordt aangegeven welke kernwaarden de basis van de regels vormen.

Hoofdstuk 2: De toegang

Dit hoofdstuk beschrijft globaal de toegang tot het sociaal domein. Welke basisprincipes leidend zijn bij de dienstverlening en het bieden van maatwerk. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer (in één gesprek met één medewerker) kunnen worden gesteld. Dit noemen we een integrale intake. Op basis van de vraagstelling wordt de verdere procedure bepaald. De inwoner wordt hierover meteen geïnformeerd. We werken waar mogelijk op basis van het principe “één gezin, één plan, één regisseur”.

Kernwaarden: 

De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is.

De inwoner kan zijn hulpvragen stellen in één gesprek met één medewerker, ook wanneer deze vragen betrekking hebben op meerdere leefgebieden.

De gemeente vraagt van de inwoner niet meer informatie dan nodig is.

De gemeente gaat zorgvuldig om met de inwoner.

De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.

De hulp is voor de inwoner op een gemakkelijke manier toegankelijk.

2.1 Melding bij de gemeente 2.1.1 De eerste melding Inwoners die een hulpvraag hebben op het terrein van de onder 1.1 genoemde wetten, kunnen een melding doen bij de gemeente. De inwoner kan deze melding schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal doen bij het loket WegWijs. De melding zal worden doorgeleid naar het Wijkteam. Deze melding is nog niet meteen een aanvraag. Op basis van een eerste uitvraag wordt de problematiek geïnventariseerd en wordt bepaald of een

integrale intake nodig is. Mogelijk wordt de inwoner verwezen wanneer de vraag bij een andere instantie hoort.

In het contact bij de eerste melding wordt bij de Quick Scan ook informatie gegeven over onafhankelijke cliëntondersteuning.

Als een melding betrekking heeft op een (mogelijke) aanvraag voor een periodieke uitkering (voor levensonderhoud) op grond van de Participatiewet of IOAW-uitkering dan wordt de inwoner verwezen naar het internetportaal op www.werk.nl. Voor een IOAZuitkering en financiële hulp voor zelfstandigen wordt de inwoner verwezen naar www.155.nl. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen.

2.1.2 Integrale intake Als de melding wordt doorgeleid voor een intake dan wordt een gesprek gepland. Dit kan een telefonisch of een persoonlijk gesprek zijn. Het persoonlijk gesprek kan bij de inwoner thuis zijn (huisbezoek), als de inwoner dit wil of als dat van belang is voor de hulpvraag. De inwoner kan al zijn vragen stellen in één gesprek aan één medewerker. De verdere dienstverlening is gebaseerd op het principe één gezin, één plan, één regisseur.

Van het gesprek maakt de gemeente samen met de inwoner een verslag. Het resultaat van het gesprek is een verwijzing, het opmaken van een aanvraag of een combinatie hiervan.

2.1.3 Gegevens De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het intakegesprek en het daaropvolgende onderzoek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens aan te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn.

2.1.4 Advisering De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen

behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat een deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag.

De procedures van de melding en de aanvraag worden in interne protocollen en instructies vastgelegd.

2.1.5 Verval van recht [Jeugdwet, Wmo] Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen 3 maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen.

2.2 Verwijzing door derden en spoed 2.2.1 Verwijzing [Jeugdwet, Awb] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als de huisarts, een medisch specialist, een jeugdarts, een gecertificeerde instelling, een medisch specialist, een kinder- of jeugd(straf)rechter, de raad voor de kinderbescherming, de O icier van Justitie of de Zorgverzekeraar de jeugdige verwijst naar jeugdhulp. 2. Als de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger na een verwijzing kiest voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract heeft met de gemeente, en de gemeente vergelijkbare jeugdhulp in natura kan laten leveren door een aanbieder waarmee zij een contract heeft gesloten, dan zal de gemeente de kosten van de hulp in natura van de niet-gecontracteerde aanbieder niet vergoeden. 3. De gemeente maakt over verwijzingen afspraken met de partijen genoemd in het eerste lid. 2.2.2 Spoedeisende gevallen [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs] 1. In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is, zonder dat de normale procedure wordt gevolgd. Het kan dan gaan om de volgende hulp: a. Het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen; b. Het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp; c. Het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning; of d.

Het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend; of

e. Schuldhulpverlening. 2. Er is sprake van een spoedeisend geval als de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om hulp niet afgewacht kan worden. Hoofdstuk 3: Werk en Participatie

De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een uitkering worden geholpen bij het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid, als zij kunnen werken. Welke hulp dat kan zijn wordt in dit hoofdstuk beschreven. De hulpmiddelen die worden ingezet heten voorzieningen. Dit hoofdstuk gaat ook over de tegenprestatie die de gemeente van de inwoner met een uitkering kan vragen.

Kernwaarden: 

De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is.

De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.

Iedereen doet mee aan de samenleving.

De inwoner wordt zo goed mogelijk naar algemeen geaccepteerde arbeid geleid.

Betaald werk gaat voor onbetaald werk en inkomensondersteuning van de gemeente.

De hulp wordt afgestemd op de inwoner en is altijd een oplossing op maat behalve als dat op grond de wet niet mogelijk is.

We hebben extra zorg voor kwetsbare groepen.

De aansluiting tussen uitkering en werk wordt voor de inwoner zo gemakkelijk mogelijk gemaakt.

3.1 Algemene bepalingen 3.1.1 Begrippen [PW, IOAW, IOAZ] In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 

De doelgroep: personen die worden genoemd in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet.

Interne werkbegeleiding: De werknemer krijgt dagelijks werkbegeleiding van een collega op de werkvloer, omdat hij anders zijn taken niet kan uitvoeren. Deze begeleiding gaat verder dan wat normaal gesproken gebruikelijk is voor werknemers op hun werkplek

Jobcoaching: Een erkende deskundige biedt methodische hulp aan mensen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers. Deze hulp is gericht op het vinden en behouden van werk.

Overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de Participatiewet;

Persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de Participatiewet;

Praktijkroute: Het proces om iemand uit te doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te geven door loonwaardevaststelling op de werkplek.

Voorziening: Een voorziening die door het college als noodzakelijk wordt gezien. Een voorziening is gericht op hulpmiddelen om aan het werk te gaan. Dit omvat ook persoonlijke hulp bij taken die men moet uitvoeren.

Werkgever: Degene die, op basis van een arbeidsovereenkomst, de bevoegdheid heeft om een werknemer voor een afgesproken periode in zijn organisatie te laten werken.

Werknemer: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst werk uitvoert bij de werkgever. Dit omvat ook een persoon zoals bedoelt in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet, waarbij de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan of van plan is dit te doen.

Wet: Participatiewet.

3.1.2 Maatwerk [PW, IOAW, IOAZ] 1. Doel van de hulp van de gemeente is dat de inwoner voor een langere periode betaald of onbetaald werk vindt dat bij hem past of dat de inwoner werk kan behouden. 2. De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op de persoonlijke situatie en de kansen op de arbeidsmarkt. De gemeente houdt ook rekening met de persoonlijke motivatie van de inwoner, zorgtaken, behaalde opleidingen, arbeidsverleden, geloofsovertuiging en vaardigheden. 3. In een trajectplan legt de gemeente vast welke hulp de inwoner krijgt en wat belangrijk is voor die hulp. Ook wordt vastgelegd welke afspraken met de inwoner worden gemaakt over de hulp en over eigen acties van de inwoner om dichterbij werk te komen.

4. De gemeente kan hulp aanbieden in de vorm van voorzieningen (diensten, geld of goederen). Voorzieningen kunnen worden gegeven aan inwoners uit de doelgroep, maar ook aan werkgevers die deze inwoners aan werk helpen. De gemeente kan voorwaarden en verplichtingen verbinden aan de voorzieningen. 5. De gemeente beoordeelt welke voorziening voor de inwoner het beste kan worden ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget. 3.1.3 Samenwerking [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente werkt samen met UWV, gemeenten in de regio en andere organisaties om inwoners te helpen betaald of onbetaald werk te vinden. 2. De gemeente zorgt ervoor dat werkgevers die inwoners uit de doelgroep werk willen aanbieden, worden ondersteund.

3.2 Bepalingen over voorzieningen 3.2.1 Algemene bepalingen over participatievoorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een voorziening weigeren als: a. De inwoner die gebruikt maakt van de voorziening niet behoort tot de doelgroep; b. De inwoner onvoldoende meewerkt aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. De inwoner een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. De voorziening naar het oordeel van de gemeente onvoldoende bijdraagt aan arbeidsinschakeling; of e. Er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 2. De gemeente kan een voorziening uit dit hoofdstuk beëindigen als: a. De inwoner die gebruik maakt van een voorziening zich niet houdt aan de gemaakte afspraken die in het trajectplan zijn opgenomen of die in de wet staan. b. De inwoner die gebruik maakt van een voorziening niet meer tot de doelgroep van de gemeente hoort.

c. De inwoner die gebruik maakt van een voorziening algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Uitgezonderd zijn voorzieningen die in de wet of deze verordening ook mogelijk zijn na het aanvaarden van werk. d. Als de gemeente vindt dat de voorziening onvoldoende oplevert om snel aan het werk te gaan. e. Als de gemeente vindt dat de voorziening niet meer geschikt is voor de inwoner die gebruik maakt van de voorziening. f. De inwoner die gebruik maakt van een voorziening niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening of de wet worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3. De gemeente biedt de goedkoopst passende voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die binnen het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. De gemeente houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet. 4. De gemeente kan op basis van een uitvoeringsbesluit één of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor één of meerdere voorzieningen. De gemeente moet dan wel nagaan welke alternatieve voorzieningen er beschikbaar zijn.

3.2.2 De wettelijke voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan de volgende wettelijke voorzieningen gericht op re-integratie en participatie inzetten: 1. Ondersteuning bij leer-werktrajecten, zoals bedoeld in artikel 10f van de Participatiewet; 2. Participatievoorziening beschut werk, zoals bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet; 3. Loonkostensubsidie, zoals bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet; 4. Begeleiding op de werkplek zoals bedoeld in artikel 10 da van de Participatiewet. 3.2.3 De regionaal geregelde voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan de volgende regionaal geregelde voorzieningen inzetten uit het Functioneel Ontwerp Werkgeversdienstverlening van de regio Noordoost-Brabant: 1. Werkervaring; 2. Proefplaatsing;

3. Detacheren en uitzenden. 3.2.4 De lokaal geregelde voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan de volgende lokaal geregelde voorzieningen inzetten: 1. Scholing; 2. Persoonlijke ondersteuning; 3. Solliciteren; 4. Nazorg; 5. Parttime ondernemerschap; 6. Aanbodversterking; 7. Sociale activering; 8. Onkostenvergoeding; 9. Tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang; 10. Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding. 3.2.5 Overige algemene bepalingen over voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente stelt nadere regels vast over de inzet en kaders van de genoemde voorzieningen als de wet niet bepaalt dat dit per verordening moet. 2. Voorzieningen die gericht zijn op het verkrijgen van werk worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid volgens de gemeente niet mogelijk is.

3.3 Specifieke bepalingen over de aanspraak op voorzieningen 3.3.1 Participatievoorziening beschut werk [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. 2. De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt. 3. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden. 4. De gemeente biedt voor beschut werk de volgende voorzieningen aan: a. Aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;

b. Uitsplitsing van taken; c. Aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. 5. De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen: a. Hulp bij het invullen van de dag; b. Sociale activering en/of vrijwilligerswerk; c. Scholing; d. Schuldhulpverlening. 6. De inwoner die nog geen beschutte werkplek kan krijgen omdat het voorgeschreven aantal beschutte werkplekken in één jaar al is gerealiseerd, heeft voorrang op inwoners voor wie later is vastgesteld dat zij in aanmerking kunnen komen voor een beschutte werkplek. Zolang er nog geen geschikte werkplek voor de inwoner beschikbaar is, kunnen andere inwoners voorgaan. 3.3.2 Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente stelt vast of een inwoner behoort tot de doelgroep voor loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt de gemeente de volgende criteria in acht: a. een inwoner moet behoren tot de gemeentelijke doelgroep van artikel 7 van de Participatiewet; en b. de inwoner is niet in staat om met een volledige baan het wettelijk minimumloon te verdienen; en; c. de inwoner heeft mogelijkheden om aan het werk te gaan; en; d. de inwoner voldoet aan de criteria in het landelijke besluit loonkostensubsidie Participatiewet. 3.

Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente verstrekt volgens artikel 10d van de Participatiewet, automatisch of op verzoek, loonkostensubsidie aan werkgevers die van plan zijn een werknemer aan te nemen die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Als er een verzoek wordt ingediend, zijn de bepalingen van het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een inwoner betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een

aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. 3. De gemeente stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 4. De gemeente hanteert bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie.

3.3.4. Vaststelling van de loonwaarde [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente stelt de loonwaarde vast volgens de methodiek die is vastgesteld door het regionale werkbedrijf van de arbeidsmarktregio Noordoost-Brabant.

3.3.5 Werkstage (Werkervaring) [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk, een werkstage (werkervaringsplaats) aanbieden. Deze werkstage wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2. Het doel van een werkstage is om inwoners, met behoud van uitkering, op een werkplek werkervaring op te laten doen en/of te leren functioneren in een werkomgeving. 3. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4. De werkstage is alleen mogelijk als de werkgever de stagiair goed begeleidt tijdens de werkstage. De werkgever zorgt ervoor dat de stagiair meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet. 5. De werkervaringsplek wordt vastgelegd in een plan van aanpak dat de gemeente in overleg met de inwoner maakt. Met de werkgever wordt afgesproken welk doel de werkstage heeft, wat de werkzaamheden zijn, begin-en einddatum, afspraken over onkostenvergoedingen, verzekeringen en hoe de begeleiding plaatsvindt. 3.3.6 Proefplaatsing [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner als proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. Een proefplaatsing duurt maximaal 3 maanden met een werkweek van maximaal 40 uur per week. Deze termijn kan worden

verlengd met 3 maanden als dat nodig is om een goed beeld te krijgen van de mogelijkheden van de inwoner. 2. Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen beoordelen of de inwoner geschikt is voor het werk. 3. Voor een proefplaats wordt alleen toestemming gegeven als: a. De inwoner, gelet op vaardigheden en capaciteiten, de werkzaamheden kan uitvoeren. b. De gemeente verwacht dat de plaatsing de kans op arbeidsinschakeling vergroot. c. De werkgever bij het begin van de proefplaatsing schriftelijk aangeeft de inwoner na de proefplaatsing een betaalde baan te willen aanbieden voor minimaal zes maanden. d. Door de plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. e. De werkzaamheden van de inwoner niet eerder onbetaald door hem bij de werkgever (of zijn rechtsvoorganger) zijn verricht; en 4. De gemeente geeft geen toestemming voor een proefplaatsing als zij aan kan nemen dat de inwoner ook zonder proefplaatsing aangenomen kan worden voor dat werk. 5. Als de werkzaamheden op de proefplaats door ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode niet meegenomen in de maximale periode van de proefplaats, bedoeld in het eerste lid. 3.3.7 Detacheringsbaan [PW, IOAW, IOAZ] 1.

De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep begeleiden naar een dienstverband met een werkgever die de inwoner detacheert bij een inlener. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en de inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. De inlenende organisatie betaalt een detacheringsvergoeding waarbij rekening wordt gehouden met de vastgestelde loonwaarde van de werknemer. 4. In de regel biedt de werkgever de werknemer een dienstverband van 38 uur per week aan.

5. Minder dan 38 uur per week is mogelijk als de gemeente dit nodig vindt vanwege in de persoon gelegen factoren. 3.3.8 Scholing [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk voor een langere periode te maken. 2. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de talenten en mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt. 3. Scholing is een onderdeel van een re-integratietraject. 4. Kosten van scholing: a. worden ten laste gebracht van het Participatiebudget; b. kunnen niet ten laste van het Participatiebudget komen als de inwoner voor de kosten van de scholing een beroep kan doen op een andere voorziening. 5. Bij toekenning van scholing kunnen de volgende kosten ten laste van het Participatiebudget worden vergoed: a. opleidingskosten en cursusbijdragen; b. kosten voor boeken en leermiddelen die door het opleidingsinstituut verplicht zijn gesteld; c. examengeld. 3.3.9 Ondersteuning bij leer-werktrajct [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan een jongere die een leer-werktraject nodig heeft om de stap richting werk te zetten, hulp aanbieden die nodig is voor het volgen van een leer-werktraject. Het moet gaan om jongeren: a. Van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b.

Van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. 3.3.10 MijnWerkDichtbij [PW, IOAW, IOAZ] 1. MijnWerkDichtbij is een werkmethode die toegepast wordt bij alle inwoners die een beroep doen op een uitkering op grond van de Participatiewet (bijstand, Ioaw en Ioaz) en bij inwoners die als niet-uitkeringsgerechtigde ondersteuning vragen aan de gemeente.

2. Door toepassing van MijnWerkDichtbij wordt de inwoner direct aan werk geholpen op een werklocatie, wat ook een reguliere werkgever kan zijn. Op basis van de observaties en bevindingen in de diagnosefase wordt een voorstel gemaakt voor een passend vervolgtraject waarin de inwoner met ondersteuning van de voorzieningen in dit hoofdstuk naar (regulier) werk, een leertraject of een zorgtraject wordt geleid. 3.3.11 Solliciteren [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente organiseert jaarlijks verschillende activiteiten om een inwoner aan een baan te helpen, zoals begeleiding bij solliciteren, een banenmarkt of speeddates met werkgevers.

3.3.12 Nazorg [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen.

3.3.13 Parttime ondernemerschap [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente biedt de inwoner die een uitkering ontvangt de mogelijkheid om op kleine schaal als zelfstandig ondernemer te werken als de inwoner niet voldoet aan het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 (Bbz). 2. De gemeente stelt nadere regels vast over het werken als zelfstandige op kleine schaal dat niet voldoet aan het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 (Bbz). 3.3.14 Aanbodversterking [PW, IOAW, IOAZ] Onder aanbodversterking worden re-integratieactiviteiten of re-integratievoorzieningen verstaan die nodig zijn om de inwoner de stap naar werk te laten zetten. Het kunnen diverse voorzieningen zijn. 3.3.15 Sociale activering [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep sociale activering aanbieden als aannemelijk is dat de inwoner in de toekomst betaald werk zal kunnen verrichten. 2. De gemeente stemt de sociale activering af op de mogelijkheden en capaciteiten van de inwoner. 3.3.16 Onkostenvergoeding [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kent een vergoeding voor onkosten toe aan:

a. De inwoner met een uitkering van de gemeente, die onkosten heeft vanwege de inzet van een voorziening in dit hoofdstuk. De vergoeding is gelijk aan de aantoonbare kosten. b. De inwoner zonder uitkering van de gemeente, die onkosten heeft vanwege de inzet van een voorziening in dit hoofdstuk, en die een inkomen heeft dat hoger is dan de bijstandsnorm. De vergoeding is gelijk aan de aantoonbare kosten. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met de nadere regels over draagkracht voor bijzondere bijstand. 2. De gemeente kent een vergoeding voor verwervingskosten toe aan de inwoner, die na een voorziening gericht op het krijgen van werk, algemeen geaccepteerde arbeid heeft aanvaard en aantoonbare verwervingskosten heeft. 3. De vergoeding van verwervingskosten is mogelijk gedurende maximaal 6 maanden, gerekend vanaf de datum van werkaanvaarding. 4. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor verwervingskosten wordt rekening gehouden met de nadere regels over draagkracht voor bijzondere bijstand. 5. Vergoeding van onkosten en verwervingskosten is niet mogelijk als de kosten op grond van een andere regeling worden vergoed. 3.3.17 Tegemoetkoming kinderopvang [PW-IOAW-IOAZ] 1. Inwoners komen in aanmerking voor een tegemoetkoming kinderopvang als: a.

de inwoner zoals afgesproken in het verslag meedoet aan een activiteit die nodig is om dichterbij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, of b. de inwoner op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang nodig heeft, en c. opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner. 2. Kosten van kinderopvang die voor rekening van de inwoner blijven en niet via de Belastingdienst (Kinderopvangtoeslag) worden vergoed, kunnen worden vergoed door de gemeente. 3.3.18 Ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding (OAD) [PW, IOAW, IOAZ, Wmo] 1. OAD is maatschappelijke participatie door het bieden van een ingevulde dag met arbeidstaken. Hiervoor worden: a. structuur en ritme aangereikt; b. sociale vaardigheden bevorderd;

c. arbeidsvaardigheden ontwikkeld in een arbeidsomgeving met collega’s. 2. Doel is om te zien of er op den duur loonwaarde kan ontstaan die voldoende is om toch in aanmerking te komen voor betaald werk met loonkostensubsidie.

3.4 Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 3.4.1. Persoonlijke ondersteuning [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in opdracht van de gemeente. 2. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. Jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. Interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden bij het verrichten van werk, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject. 3.4.2. Voorwaarde toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen vertrekken ten behoeve van een inwoner met een arbeidsbeperking. 2. Bij het toekennen van de persoonlijke ondersteuning gelden, naast de bepalingen in artikel 2, de volgende voorwaarden: a. De inwoner hoort bij de doelgroep en is 18 jaar of ouder, tenzij hij VSO/PROonderwijs heeft gehad. b. De inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken. c. De werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden. d.

Het gaat niet om een Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is. e. Het gaat niet om een niet meeneembare voorzieningen die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of die algemeen gebruikelijk is in een organisatie. f. Er is volgens de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die van de werkgever kan worden verlangd.

g. De kosten van de voorziening zijn volgens de gemeente proportioneel. Dat betekent dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de (maatschappelijke) opbrengsten van uitstroom naar werk. 3.4.3. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij de gemeente worden ingediend door de inwoner of diens werkgever. 2. De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3. De gemeente bepaalt na overleg met de inwoner, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 4. De gemeente verkent, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de inwoner, de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot de best passende hulp met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de Participatiewet. 3.4.4.

Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente benoemd in een beschikking voor het toekennen van persoonlijke ondersteuning of andere voorzieningen in ieder geval: a. Welke persoonlijke ondersteuning of voorziening wordt verstrekt. b. Als subsidie wordt verstrakt geeft de gemeente aan wat de omvang is van het subsidiebedrag. c. De duur en de intensiteit van de ondersteuning. d. De ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening. e. Als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, geeft de gemeente een reden voor de afwijzing; en f. Als het van toepassing is geeft de gemeente aan welke andere ondersteuning of voorziening relevant is voor de inwoner. Dit doen zij op een manier waardoor de inwoner integraal kan worden ondersteund.

3.4.5. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk [PW, IOAW, IOAZ] 1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 26 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen. Dit geldt niet als voorafgaand of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak van ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2. De gemeente neemt een besluit op basis van individueel maatwerk. Daarbij wordt de aard, grootte, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning gewogen. 3.4.6 Jobcoaching [PW, IOAW, IOAZ] 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het Protocol Jobcoach UWV. 2. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van een plan waarin de doelstelling, duur en intensiteit van de jobcoaching omschreven staan. Dit plan wordt door de gemeente aan de hand van het Protocol Jobcoach UWV beoordeeld. 3. De gemeente kan wijzigingen aanbrengen in de in het tweede lid genoemde procedure. 3.4.7 Jobcoaching in natura [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan uit eigen beweging of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 14c tot en met 14h van overeenkomstige toepassing.

3.4.8 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching geven aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, volgens artikelen 14c tot en met 14h worden verleend als: a. De jobcoaching wordt geborgd door middel van een coachingsplan. De jobcoaching bestaat uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van een inwoner behorend tot de doelgroep. De begeleiding is gericht op uitvoeren van de arbeidstaken. b. De omvang en de kwaliteit van de jobcoaching passend is;

c. De continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. De inwoner voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. De gemeente kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat genoeg is voor de organisatie van de jobcoaching. De gemeente draagt zorg voor de kenbaarheid van de, voor het betre ende jaar, van toepassing zijnde tarieven. 4. Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach onder andere: a. Ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of b. Integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en bij de overgang van werk naar onderwijs. 3.4.9 Interne werkbegeleiding [PW, IOAW, IOAZ] 1. Als een inwoner uit de doelgroep begeleiding nodig heeft bij het uitvoeren van werk, die verder gaat dan de gebruikelijke begeleiding die de werkgever biedt, kan de gemeente subsidie verstrekken aan de werkgever. Deze subsidie dekt de aangetoonde meerkosten die gepaard gaan met het organiseren van de interne werkbegeleiding.

3.5 Specifieke bepalingen overige voorzieningen

3.5.1 Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. De gemeente biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. De inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. Het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer.

4. De gemeente brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. 3.5.2 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor een inwoner om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. Ieder product kan als meeneembare voorziening worden gezien als de noodzaak en meerwaarde voor het werken aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten om de voorziening in eigendom te verstrekken.

3.6 Tegenprestatie

3.6.1 Doel van de tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier vindt om de inwoner iets terug te laten doen voor de samenleving.

De gemeente legt inwoners met een grote kans op werk pas een tegenprestatie op in bijzondere situaties.

2. Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving om iets terug te doen voor de inspanningen van de gemeente voor de inwoner. 3. Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met de interesses en capaciteiten van de inwoner. 3.6.2 Doelgroep [PW, IOAW, IOAZ] 1. Deze regeling is bedoeld voor inwoners die een uitkering van de gemeente ontvangen. 2. Uitgezonderd om een tegenprestatie naar vermogen te leveren zijn inwoners met een uitkering die: a. Mantelzorg geven aan een hulpbehoevende;

b. Maatschappelijke activiteiten en/of vrijwilligerswerk verrichten; c. Actief zijn in een traject naar werk, of geen ondersteuning krijgen richting werk omdat ze tot de doelgroep worden gerekend die in staat is om 80% tot 100% wettelijk minimumloon te verdienen; d. Al betaald werk verrichten voor minimaal 20 uur per week. 3.6.3 Opdragen en inhoud van participatie naar vermogen [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die aanvullend van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: a. Niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; b. Niet zijn bedoeld als re-integratie instrument; c. Worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid; d. Niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. 2. Bij het bepalen van de aard, de duur en de omvang van de maatschappelijke participatie houdt de gemeente rekening met de individuele omstandigheden van de inwoner. 3.6.4 Duur en omvang [PW, IOAW, IOAZ] 1. De duur en omvang van de tegenprestatie wordt individueel bepaald. Hierin spelen de volgende factoren een rol: a. De persoonlijke wensen en kwaliteiten van de inwoner; b. De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van de inwoner; c. Het arbeidsvermogen van de inwoner. 2. De omvang van de tegenprestatie is maximaal 26 weken van 10 uur, of 260 uur op jaarbasis. 3.

Zo lang de geldende maximale omvang en duur van de tegenprestatie nog niet is bereikt zal de gemeente de inwoner controleren en wijzen op deze plicht. 4. Op vrijwillige basis en op eigen verzoek kan de inwoner een tegenprestatie leveren als de geldende maximale duur en omvang van de tegenprestatie is bereikt. 3.6.5 Zoektijd en begeleiding [PW, IOAW, IOAZ]

1. De inwoner krijgt zelf de gelegenheid binnen 2 maanden nadat de verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is opgelegd, maatschappelijk nuttige werkzaamheden bij een organisatie te zoeken. 2. Wanneer de inwoner niet binnen deze periode zelf een maatschappelijk nuttige activiteit heeft gevonden, kan door de gemeente een passende plek worden gezocht.

Hoofdstuk 4: Gezond en veilig opgroeien

Kinderen en tieners in onze gemeente moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van hun ouders/verzorgers, de jeugdigen zelf en hun (sociale) netwerk. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jeugdigen en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Als zij daarbij ondersteuning nodig hebben, dan kunnen zij zich melden bij de gemeente. Vervolgens wordt samen bekeken wat mogelijk is. Wanneer een beroep op ondersteuning of hulp nodig is dan wordt deze ondersteuning of hulp zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te beperken. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en tieners tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 jaar waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Kernwaarden: 

De jeugdige moet gezond en veilig kunnen opgroeien.

De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is.

De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.

De hulp wordt afgestemd op de inwoner en op andere vormen van hulp.

We hebben extra zorg voor kwetsbare groepen.

Vrij toegankelijke hulp gaat voor individuele voorzieningen

4.1 Uitgangspunten bij het bieden van hulp [Jeugdwet] 1. Alle hulp en ondersteuning is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en hun sociale netwerk.

2. De gemeente betrekt de wensen van de jeugdige en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet. 3. Algemene voorzieningen en de eigen kracht of inzet van het sociale netwerk worden eerst onderzocht en wanneer mogelijk ingezet. De algemene voorzieningen zijn gericht op preventie. Wanneer het gewenste e ect niet mogelijk is wordt gekeken of jeugdigen en ouders in aanmerking komen voor een individuele voorziening. 4.2 Algemene voorzieningen [Jeugdwet] 1. De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken biedt de gemeente aan (kwetsbare) jeugdigen, hun ouders en hun sociale netwerk de volgende algemene voorzieningen aan: a. het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen samenwerken en elkaar aanvullen; b. informatie, advies en voorlichting; c. kinderopvang en buitenschoolse opvang; d. jeugdgezondheidszorg (GGD: consultatiebureau, jeugdarts); e. activiteiten voor jeugdigen gericht op de ontwikkeling van talent; f. lichte Opvoedondersteuning (geboden door o.a. GGD of wijkteam); g. jeugdgezondheidszorg; h. (school)maatschappelijk werk; i. online hulpverlening; j. voorzieningen voor spoedeisende situaties. Deze hulp is vrij toegankelijk. De jeugdige of zijn ouders heeft hiervoor geen verwijzing nodig. 2.

De gemeente kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. 4.3 Individuele voorzieningen [Jeugdwet] 1. De gemeente kan de volgende vormen van “individuele voorzieningen” aanbieden: a. consultatie en advies; b. respijtzorg;

c. begeleiding; d. daghulp; e. orthopedagogische behandeling; f. GGZ-behandeling; g. dyslexiezorg; h. specialistische intensieve netwerkondersteuning; i. pleegzorg; j. gezinsvervangende/gezinsgerichte zorg; k. verblijf; l. crisishulp. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De jeugdige of zijn ouders hebben daarvoor een verwijzing nodig van een huisarts, een medisch specialist, een jeugdarts, een gecertificeerde instelling, een medisch specialist, een kinder- of jeugd(straf)rechter, de raad voor de kinderbescherming, de O icier van Justitie, of een besluit van de gemeente. 2. De Rijksoverheid biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis aan. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling. 3. De gemeente kan nadere regels vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. 4.4. Criteria individuele voorzieningen [Jeugdwet] 1. Jeugdigen en/of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag: a. binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder geval wordt verstaan: i.

gebruikelijke hulp van ouders en hulp van andere personen uit het sociale netwerk;

ii.

voldoende financiële draagkracht om zelf de hulp te kunnen bieden;

iii.

het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten.

b. door gebruik te maken van een algemene voorziening, of;

c. door gebruik te maken van een andere voorziening die een passende oplossing biedt. 2. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan de gemeente hier slechts een voorziening voor verstrekken: a. als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; b. voor zover de gemeente de noodzaak van de hulp, de mate waarin deze passend is, en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 3. De voorziening als bedoeld in het tweede lid kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. 4. De gemeente kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste en tweede lid. 4.5 Afstemming met andere vormen van hulp [Jeugdwet] De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jeugdige of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken gaan over: a. Procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp; b. Communicatie met andere organisaties en de gemeente; c. Afbakening van taken en verantwoordelijkheden; d.

Aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en specialistische hulp. De afspraken worden vastgelegd in een protocol of in een andere geschikte vorm.

Hoofdstuk 5: Leven en wonen in een veilige en gezonde omgeving

Inwoners met een beperking en/of met langdurige psychosociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen

dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). Het gaat om inwoners die vanwege een beperking, chronische psychische, of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk mee kunnen doen.

Kernwaarden: 

De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.

Inwoners met een beperking moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en leven in hun eigen omgeving.

We hebben extra zorg voor kwetsbare groepen.

De hulp wordt afgestemd op de inwoner.

5.1 Uitgangspunten, doelen en resultaten [Wmo] 1. De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig en veilig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. De maatwerkvoorzieningen van de gemeente stellen de inwoner in staat om: a. zo lang mogelijk zelfstandig en veilig te wonen; b. een huishouden te voeren; c. de woning normaal te gebruiken; d. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; e. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan; f. zelf regie te voeren over het dagelijkse leven; g. Een dagstructuur te hebben. 2. De inwoner kan voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo in aanmerking komen als voldaan is aan de voorwaarden van de wet en deze verordening. 3. Een inwoner komt alleen in aanmerking voor hulp op basis van de Wmo als: a. de hulp langdurig noodzakelijk is; b. de hulp het goedkoopst en meest passend is. 4. De gemeente kan niet altijd hulp geven. De gemeente geeft geen hulp, als

a. de inwoner niet in de gemeente woont behalve als het gaat om beschermd wonen en opvang; b. de inwoner de noodzaak voor hulp had kunnen voorkomen; c. de inwoner de noodzaak voor hulp had kunnen verwachten en zich daarop voor had kunnen bereiden, waardoor de hulp voorkomen had kunnen worden; d. de hulp algemeen gebruikelijk is; e. de inwoner zijn beperkingen zelf kan oplossen; f. de inwoner de gevolgen van zijn beperkingen kan verminderen door zijn dagelijks leven anders te organiseren; g. de inwoner gebruik kan maken van een andere wettelijke regeling of een andere voorziening of van zijn eigen kracht of van zijn sociale netwerk; h. de inwoner de gevraagde hulp zelf al heeft geregeld of aangeschaft nadat hij zich bij de gemeente heeft gemeld voor hulp, maar voordat een besluit is genomen. Dit geldt niet als de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend of als achteraf kan worden vastgesteld dat de hulp noodzakelijk was; i. de aanvraag een voorziening betreft die al eerder aan de inwoner is verstrekt en die bij normaal gebruik nog niet aan vervanging toe zou zijn. Dit geldt niet als: i.

de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om;

ii.

de inwoner (gedeeltelijk) tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;

iii.

de eerder verstrekte voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag van de inwoner.

j. de voorziening een therapeutisch doel heeft; k. de inwoner onvoldoende meewerkt, zodat de gemeente niet kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is; l. De voorziening niet grotendeels op de inwoner zelf is gericht. 5. De gemeente stelt nadere regels vast waarin de door de gemeente te bereiken doelen en resultaten, zoals beschreven in de artikelen in dit hoofdstuk, zijn toegelicht en uitgewerkt.

5.2 Zelfstandig en veilig wonen 5.2.1 Woonvoorzieningen [Wmo]

1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een woonvoorziening kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning niet (meer) mogelijk is. De woonvoorziening stelt de inwoner in staat de woning te bereiken en zich in en om de woning te verplaatsen. 2. Een woonvoorziening kan bestaan uit een verhuiskostenvergoeding. Dit is een vast geldbedrag om de inwoner tegemoet te komen in de kosten van verhuizing en inrichting. 3. De gemeente verstrekt niet altijd hulp in de vorm van een woonvoorziening. De gemeente geeft geen hulp in de volgende situaties: a. De inwoner woont niet het grootste deel van zijn tijd in de woning waar hij een voorziening voor vraagt. b. De beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt of de slechte staat van onderhoud van de woning. c. De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekker woonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning of een onzelfstandige woning. d. De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte. e. Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden. f. Het gaat om een voorziening die in ieder geval gerenoveerd moet worden. g.

De inwoner is verhuisd vanuit: i.

een woonruimte die niet bestemd is om daar het hele jaar te wonen; of

ii.

vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning.

h. De inwoner verhuist naar: i.

een Wlz-instelling of andere zorginstelling;

ii.

een woning die niet geschikt is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daarvoor vooraf schriftelijke toestemming heeft verleend.

i. De inwoner is verhuisd terwijl hiervoor geen aanleiding bestond op grond van zijn beperkingen en er was geen belangrijke reden voor verhuizing.

5.2.2 Hulp bij het huishouden [Wmo] De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp bij het huishouden kan krijgen. Hiermee wil de gemeente bereiken dat de inwoner: a. de woning schoon en leefbaar kan houden; b. kan zorgen voor de eerste levensbehoeften; c. kan beschikken over schone kleding; d. thuis kan zorgen voor de kinderen uit het gezin. 5.2.3 Verplaatsen in en om de woning [Wmo] De gemeente zorgt voor maatwerkvoorzieningen waarmee de inwoner met een beperking in staat wordt gesteld zich voldoende te verplaatsen in en om de woning, of de woning te kunnen bereiken.

5.2.4 Beschermd wonen [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen in de vorm van beschermd wonen als de inwoner als een direct gevolg van psychiatrische, psychosociale of meervoudige sociale problematiek een reële noodzaak heeft om in een beschermde woonomgeving te verblijven. 2. De inwoner komt niet in aanmerking voor beschermd wonen indien: a. de inwoner zelfstandig kan wonen en permanent beschikbare bescherming of begeleiding niet noodzakelijk is; b. de inwoner geen medisch vastgestelde diagnose kan overleggen waaruit de noodzaak tot beschermd wonen blijkt; c. de inwoner wel een medisch vastgestelde behoefte tot een beschermd verblijf heeft, maar nog dagelijks onder medische behandeling staat. 5.3 Maatschappelijke opvang [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Hiermee wil de gemeente bereiken dat de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten en zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving als gevolg van psychische of psychosociale problemen, wordt opgevangen. 2. De inwoner wordt geplaatst in een opvangvoorziening in de regio Den Bosch. Dit geldt niet als er binnen deze regio geen opvangvoorziening beschikbaar is die het beste past bij de behoefte van de inwoner.

3. Er bestaat geen recht op een voorziening voor maatschappelijke opvang als: a. de inwoner ondersteuning nodig heeft bij het uitvoeren van alledaagse levensverrichtingen, waaronder persoonlijke verzorging en het verrichten van basale huishoudelijke taken; b. de inwoner een fysieke of zintuigelijke beperking heeft waardoor de opvang niet of onvoldoende toegankelijk is; c. er duidelijke indicaties bestaan voor dominante verslaving of psychiatrische problematiek die niet door de instelling begeleid kan worden en/of belastend is voor het samenwonen binnen de voorziening; d. de inwoner ernstig verstandelijk beperkt is en daardoor binnen de instelling niet adequaat begeleid kan worden; e. de inwoner niet akkoord wenst te gaan met de huisregels en de verblijfsvoorwaarden van de opvanginstelling waaronder het meewerken aan een zekerheidsstelling voor de betaling van de bijdrage; f. de inwoner zich (na toegang tot de voorziening) ernstig misdraagt jegens andere inwoners in de opvangvoorziening of jegens de medewerkers van de instelling; g. de inwoner zelfstandig kan wonen en permanent beschikbare bescherming of begeleiding niet noodzakelijk is. 5.4 Begeleiding en dagbesteding [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die onvoldoende in staat zijn om zelf overzicht te houden over het dagelijks leven, hulp kunnen krijgen. Hiermee wil de gemeente bereiken dat de inwoner: a.

voor zichzelf kan zorgen; b. om kan gaan met sociale situaties in het dagelijks leven, zoals thuis en met vrienden en familie; c. kan zorgen voor structuur in de dag en nacht; d. een zinvolle dagbesteding heeft, waarin iemand zijn vaardigheden zoveel als mogelijk verbetert of behoudt; e. Zelf besluiten kan nemen en overzicht kan houden. 2. De hulp kan in houden dat inwoners mee doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere begeleide groepsactiviteiten voor een of meer dagdelen per week. 3. De hulp kan inhouden dat inwoners begeleid worden. De begeleiding kan individueel of in een groep plaatsvinden. Het betekent dat de begeleider toezicht

houdt op de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving te communiceren. De begeleider kan ook helpen bij normale (dagelijkse) activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën, maar neemt deze niet volledig over. 5.5 Vervoer [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulp kunnen krijgen als zij geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer of een vervoermiddel. 2. De hulp houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis zodat ze mee kunnen doen, mensen kunnen ontmoeten en sociale verbanden aan kunnen gaan. Om vervoer voor inwoners die dat nodig hebben beschikbaar en betaalbaar te houden kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief vervoer, voordat andere voorzieningen aan de orde kunnen komen. 3. De gemeente verstrekt geen vervoersvoorziening gericht op woon-werk verkeer en zakelijk verkeer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=4dbdd01b-10aa-4164-abd5-0719ec117c78