Bijlage 1 - Bp Woonlocatie Laarzicht, Middelrode – toelichting en regels
Tekst van het document
3.3.3 Compensatiezone M568 noordzijde plangebied
COMPENSATIE NATUURWAARDEN DAS EN STEENUIL EN WATER
Natuurwaarden Om te voldoen aan de compensatieverplichting voor zowel das als steenuil is het noodzakelijk dit perceel optimaal in te richten. Hiertoe is gekozen voor de volgende inrichting (zie ook inrichtingstekening in bijlage 5): Realiseren van voldoende beschikbaar foerageergebied door het: creëren van overhoeken creëren van kruidenzomen creëren van struwelen creëren van kortgrazige percelen, zoals schapen- en paardenweitjes creëren van hoogstamboomgaarden aanplanten van struiken en bomen die noten of vruchten dragen aanleggen van een poel of vijver met flauwe oevers plaatsen van twee nestkasten voor steenuil Zorgen voor voldoende dekkingsmogelijkheden door de aanplant van bijvoorbeeld (knot)boomsingels en struwelen. Zorgen voor voldoende zit- en uitkijkposten, door het aanbrengen van paaltjes (dit kan ook perceelafrastering zijn). Zodra het compensatieperceel functioneel is, is ecologisch beheer noodzakelijk om een duurzame instandhouding te borgen. Bij ecologisch beheer wordt specifiek rekening gehouden met de aanwezige flora en fauna.
38
Borging in bestemmingsplan In het kader van de te doorlopen ruimtelijke procedure is het noodzakelijk het compensatieperceel te verankeren in het bestemmingsplan. Enerzijds door het opnemen van de primaire enkelbestemming 'Natuur'. Daarnaast krijgen deze gronden de algemene aanduidingen 'overige zone - compensatie ecologie', 'specifieke vorm van natuur paardenwei extensief' en 'specifieke vorm van natuur - paardenwei intensief' . Middels deze aanduidingen wordt de planologische koppeling gelegd tussen het compensatie en mitigatieplan.
3.3.4 Compensatiezone M1187 ten noorden van woningbouwlocatie
COMPENSATIE WONINGBOUWOMZETTING ZANDSTRAAT 37, WONINGBOUWONTWIKKELING EN WATER
Natuurwaarden Als gevolg van de omvorming van agrarische gronden naar woningbouw, is er sprake van verstoring van functioneel leefgebied behorend bij een aangetroffen nestlocatie van de steenuil en een dassenterritorium. Het is noodzakelijk het negatieve effect op de voornoemde soorten te voorkomen middels compensatie (ontwikkeling) van geschikt foerageergebied. Voor dit perceel is hiertoe een inrichtingsschets opgesteld (bijlage 5). Bij het opstellen van deze inrichtingsschets is rekening gehouden met de inrichtingseisen voor het creëren van optimale inrichting passend bij de ecologische compensatieopgave. Daarnaast is bij de inrichting rekening houden met de landschappelijke inpassing én de waterhuishouding van de nieuwe woonwijk. De inrichting van dit perceel dient meerdere doelen. Enerzijds biedt de beoogde inrichting een landschappelijke inpassing tussen de woonwijk en het buitengebied. Waarbij ook het ten oosten gelegen agrarische bedrijf grotendeels aan het zicht van de nieuwe wijk onttrokken wordt. Bij de beoogde inrichting van dit perceel wordt verder invulling gegeven aan het versterken van (bestaande) fourageerroutes van de das en het leefgebied van de steenuil. Daarnaast beoogt deze inrichting het behoud van bestaande groenelementen (bomen) en de waterberging voor de nieuwe woonwijk.
Hiertoe is gekozen voor de volgende inrichting: Dempen van de bestaande sloot, zodat er in de toekomst voldoende ruimte blijft voor de groei van bestaande bomen. Inzaaien van gronden als kruidenrijk grasland. De zone tussen de bestaande bomen en de nieuwe sloot (breedte ca. 4,5 meter) is toegankelijk als beheer en onderhoudspad. In de zone tussen de nieuwe sloot en de kadastrale grens wordt een 250 m lange ononderbroken houtwal/singel (perceelrand) gerealiseerd op een verhoging van het maaiveld. Aan de zijde van het agrarisch bedrijf blijft de houtwal op minimaal 2 meter afstand van de kadastrale grens. De erfafscheiding met het agrarische perceel wordt vormgegeven middels een paal en draad hekwerk (toegankelijk voor de das). Op het perceel wordt een nestkasten voor de steenuil geplaatst. Zodra het compensatieperceel functioneel is, is ecologisch beheer noodzakelijk om een duurzame instandhouding te borgen. Borging in bestemmingsplan In het kader van de te doorlopen ruimtelijke procedure is het noodzakelijk het compensatieperceel en de waterberging te verankeren in het bestemmingsplan. Enerzijds door het opnemen van de primaire enkelbestemming 'Natuur'. Daarnaast krijgen deze gronden de algemene aanduidingen 'overige zone - compensatie ecologie' en 'waterberging'. Middels deze aanduidingen wordt de planologische koppeling gelegd tussen het compensatie en
39
mitigatieplan en het waterhuishoudkundig plan. Specifiek voor deze zone wordt er nog een algemene aanduiding 'overige zone - landschappelijke inpassing 1' opgenomen, waarmee de landschappelijke inpassing voor de Woonlocatie en woonperceel Zandstraat 37 wordt geborgd. Dit perceel wordt naast compensatie voor ecologie en water namelijk ook ingezet voor landschappelijke inpassing.
3.4 Compensatiezone M1279 aansluitend aan bestaande watergang
COMPENSATIE WONINGBOUWONTWIKKELING, NATUURWAARDEN DAS EN STEENUIL EN WATER
Aansluitend op de bufferstrook langs de bestaande watergang wordt een deel van de bestaande agrarische percelen ingericht voor periodieke waterberging (zie bovenstaande afbeelding en tekening in bijlage 5). Bij forse neerslag dienen deze gronden als waterberging, hiertoe worden gronden (max 20 – 30 cm) afgegraven. In de droge zomer maanden (grofweg van mei tot oktober) wordt dit gebied begraasd door paarden. Nadere beschrijving van de waterbergingsopgave is opgenomen in paragraaf 5.3. Langs de rand van het perceel worden fruitbomenrij aangeplant (nu staat er een enkele solitaire boom). Dit wordt gedaan om een lijnelement te creëren, te gebruiken als begeleiding voor de Steenuil en Das. Met eveneens voedsel voor de das.
40
3.5 Planbeschrijving bestaande woningen 3.5.1 Christinastraat 1
CHRISTINASTRAAT 1B
In de toekomstige situatie blijft de huidige fysieke situatie ter plaatse van Christinastraat 1 voor het grootste deel onveranderd en blijven de reguliere woningen en de bijgebouwen behouden. Aan de oostzijde van de woningen wordt een deel van de gronden herbestemd voor de compensatie voor de binnen het plangebied aanwezige steenuil. Deze gronden worden als gewijzigd van de bestemming Agrarisch naar Groen. Voor de overige gronden wordt met voorliggend bestemmingsplan slechts de planologische situatie gewijzigd naar de bestaande situatie. De agrarische bestemming rondom de reguliere woningen wordt gewijzigd naar een tuinbestemming waarin het bestaande bijgebouw met een oppervlakte van circa 300 m² kan worden behouden. Gezien met deze planologische verandering de feitelijke situatie niet verandert zal deze ontwikkeling geen invloed hebben op de verkeers- en parkeersituatie. Ook de bestaande ontsluitingen blijven in de toekomstige situatie gehandhaafd.
41
3.5.2 Zandstraat 33 en 35
ZANDSTRAAT 33 EN 35
In de toekomstige situatie blijft de huidige fysieke situatie ter plaatse van Zandstraat 33 en 35 voor het grootste deel onveranderd en blijven de reguliere woningen behouden. De bijgebouwen bij Zandstraat 35 blijven ook behouden. Voor dit perceel wijzigt er planologisch niets. Om ruimte te maken voor de ontsluiting van de nieuwbouwlocatie is met de eigenaren van Zandstraat 33 overeengekomen dat zij perceel M1203 verkopen. Het bijgebouw behorend bij deze woning wordt gesloopt en planologisch ontkoppeld. Voor de woning verandert er planologisch niets.
42
43
Hoofdstuk 4 Beleid In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op: nationaal niveau; provinciaal niveau; gemeentelijk niveau.
4.1 Nationaal niveau 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is één integrale visie, waarin het duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland tot 2050 staat omschreven. Het uitgangspunt van deze visie is dat ruimtelijke ingrepen niet afzonderlijk van elkaar kunnen plaatsvinden, maar dat ze van elkaar afhankelijk zijn. De NOVI is op 11 september 2020 ondertekend en inmiddels in werking treden. De NOVI is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In dit strategisch beleidsdocument schetst de overheid een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Nederland staat de komende jaren voor grote opgaven: de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen, duurzame energie opwekken, klimaatverandering, en de overgang naar een circulaire economie vragen meer ruimte dan er beschikbaar is. Daarom moeten er keuzes worden gemaakt om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig, gezond en welvarend te houden. In dit licht zijn de NOVI de nationale belangen opnieuw gedefinieerd: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5.
Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2-arm is en de daarbij benodigde infrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoendebeschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21.
Ontwikkelen van een duurzame visserij. Analyse Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 116 woningen in het buitengebied van Middelrode en de herinrichting van Noddevelt met de daarbij behorende planologische aanpassingen, zoals omschreven in paragraaf 1.1. Het plan draagt bij aan de opgave om tussen 2020 en 2035 circa 1,1 miljoen woningen toe te voegen aan de bestaande Nederlandse woningvoorraad. Met deze ontwikkeling wordt zorg gedragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften in Nederland. Hierbij worden kwaliteit en bereikbaarheid onder meer als uitgangspunten genomen. Met de bestemmingswijziging ter plaatse van de Christinastraat 1 en het
44
herinrichten van Noddevelt wordt een goede leefomgevingskwaliteit gerealiseerd. Daarnaast wordt bij het realiseren van de Woonlocatie Laarzicht rekening gehouden met het veranderende klimaat en wordt middels diverse maatregelen ervoor gezorgd dat er sprake is van een klimaatbestendige ontwikkeling. Op deze manier draagt het planvoornemen bij aan de nationale doelstelling om de gebouwde omgeving in 2050 CO2-arm, klimaatbestendig en natuurinclusief te maken. Bovendien blijkt uit diverse uitgevoerde onderzoeken, zoals het lucht-, agrarisch geur-, stikstofdepositie-en akoestisch onderzoek ten behoeve van de ontwikkeling van de woonlocatie Laarzicht, dat deze ontwikkeling geen negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid heeft. Hiermee wordt een gezonde en veilige fysieke leefomgeving gewaarborgd. Conclusie Het plan geeft invulling aan het beleid, zoals omschreven in de Nationale Omgevingsvisie.
4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan Woonlocatie Laarzicht was het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) van toepassing. Dit besluit, zijnde een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, is op 30 december 2011 voor een groot deel in werking getreden en bevat regels ter bescherming van de nationale belangen. Het Barro bevat regels voor de borging van dertien nationale belangen. Het gaat hierbij om de volgende belangen: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. Ecologische hoofdstructuur; 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Eind 2023 bevat het Barro echter alleen die regels die voortkomen uit het eerdere ontwerp van de AMvB Ruimte (d.d. 2 juni 2009) en die tevens terugkomen in de SVIR. Het gaat dan ook om regels ter bescherming van de belangen inzake Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Het plangebied ligt op minder dan 20 km van het militaire vliegveld Volkel. Hiervoor gelden bepaalde hoogtebeperkingen. In paragraaf 5.4 vindt hiervan een nadere uitwerking plaats. Daaruit wordt geconcludeerd dat het bouwplan ruim onder de maximaal toegestane hoogte blijft. Het project vormt daardoor geen belemmering voor het nationale belang "Militaire terreinen en objecten". Conclusie Het plan vormt geen belemmering voor de nationale belangen die ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan middels het Barro beschermd zijn.
45
4.1.3 Ladder voor Duurzame Verstedelijking Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017) zoals deze ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan van kracht was. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Nieuwe stedelijke ontwikkeling Alvorens te toetsen aan de Ladder dient te worden vastgesteld of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit begrip is in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro gedefinieerd als ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Ten aanzien van de tot dusver gevormde jurisprudentie ten aanzien van het begrip 'stedelijke ontwikkeling' blijkt dat de omvang van de ontwikkeling een rol speelt.
Is sprake van een kleinschalige ontwikkeling, dan kan weliswaar sprake zijn van een stedelijke ontwikkeling, maar kan dergelijke ontwikkeling als te kleinschalig worden aangemerkt om te worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. In de literatuur wordt bij voorziene ontwikkelingen met betrekking tot woningbouw gesproken over een daadwerkelijke ondergrens. Volgens vaste jurisprudentie zijn elf woningen (welke op één dezelfde locatie worden gerealiseerd) het maximale aantal woningen wat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) als te kleinschalig wordt geacht om als een stedelijke ontwikkeling te kunnen worden gekwalificeerd (ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3542, r.o. 8.2.). Het minimale aantal woningen wat gerealiseerd moet worden (op dezelfde locatie) om als stedelijke ontwikkeling te worden gekwalificeerd is aldus twaalf (ABRvS 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2329, r.o. 6.3). Betekenis voor het plangebied Voorliggend plan, zoals omschreven in paragraaf 1.1, voorziet in het realiseren van een woonlocatie met 116 woningen in het buitengebied van Middelrode. Daarnaast ziet Herinrichting Noddevelt op de herinrichting van het agrarisch bedrijf aan de Zandstraat 37, waarbij onder meer een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning wordt omgezet.
Aangezien het plangebied van de nieuwe woonlocatie een agrarische bestemming heeft, zijn er nog geen reguliere woningen voorzien en betreft voorliggende ontwikkeling een toename van 116 nieuwe woningen ter plaatse van de agrarische gronden tussen de Zandstraat, Diepven en de Christinastraat. Het planvoornemen valt hiermee onder de definitie van een 'stedelijke ontwikkeling'. Verantwoording Om de woningbehoefte te onderbouwen en te voorzien van een motivering waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd kan worden, heeft Companen een Ladderonderbouwing opgesteld: "Laddertoets Nieuwbouw Middelrode" (7749.105; 21 december 2021). Het rapport is als bijlage 6 bijgevoegd. Companen concludeert dat: Sint-Michielsgestel nog onvoldoende plancapaciteit in het vizier heeft om de komende 10 jaar in de woningbehoefte te voorzien; de realisatie van de locatie in Middelrode in de beoogde tijdsperiode noodzakelijk is om in de gemeentelijke woningbehoefte te voorzien; de realisatie van het aantal woningen dat is beoogd in het plan in Middelrode niet op een inbreidingslocatie kan worden gerealiseerd zonder het voorzien in de gemeentelijke woningbehoefte geweld aan te doen; er ook kwalitatief sterke argumenten voor de realisatie van het plan in Middelrode zijn.
Deze betreffen de behoefte van de deelwoningmarkt Middelrode/Berlicum, het voldoen aan de regionale afspraken inzake het programma en het creëren van het gewenste woonmilieu. Conclusie Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
4.1.4 Omgevingswet Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld en heeft als ontwerp ter inzage gelegen vóór 1 januari 2024. Volgens de Invoeringswet Omgevingswet blijft dan het oude recht op het plan van toepassing tot het bestemmingsplan van kracht is.
46
Volledigheidshalve bevat deze paragraaf een korte doorkijk naar de Omgevingswet. Het Besluit kwaliteit omgeving (Bkl), één van de AMvB's van de Omgevingswet, bevat de instructieregels van het rijk waarmee de gemeente bij het opstellen van een plan rekening dient te houden. Deze rijksinstructieregels betreffen de volgende onderwerpen: Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl); Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl); Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4 Bkl); Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 5.1.5 Bkl); Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (paragraaf 5.1.6 Bkl); Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (paragraaf 5.1.7 Bkl); Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8 Bkl).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Analyse Bovenstaande onderwerpen zijn betrokken en onderzocht in het kader van de planontwikkeling, zie hoofdstuk 3 Plan en hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten. Specifiek voor de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 4.1.3 Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Naast de onderbouwing en onderzoek wordt in het plan voorzien in een regeling. Hiermee wordt voldaan aan de rijksinstructieregels opgenomen in het Bkl. Conclusie Het plan geeft invulling aan de instructieregels opgenomen in het Bkl.
4.2 Provinciaal niveau Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in: Omgevingsvisie Noord-Brabant; Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het plan is hieraan getoetst. Ter voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is op 14 december 2018 door Provinciale Staten de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Met de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening vervangen na het inwerking treden van de Omgevingswet. De Omgevingsvisie kent één basisopgave: 'werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit'. Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd: 1. werken aan de Brabantse energietransitie; 2. werken aan een klimaatproof Brabant; 3. werken aan een slimme netwerkstad; 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie. Analyse Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 116 woningen in het buitengebied van Middelrode en de herinrichting van Noddevelt met de daarbij behorende planologische aanpassingen, zoals omschreven in paragraaf 1.1.
Deze ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' provinciale hoofdopgaven. ad 1.
De energietransitie ziet enerzijds op het verminderen van het energieverbruik en anderzijds op verduurzaming van de energie. De nieuwe woningen binnen het plangebied voldoen in ieder geval aan
47
ad 2.
ad 3.
ad 4.
de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen. Nadere uitwerking en mogelijkheden hiervan zullen plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de woningen. Daar komt dan ook de verduurzaming van de energie aan bod, bijvoorbeeld door het aanleggen van een eigen energievoorziening. Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Voorliggend plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer van water plaatsvindt. Het ontwerp van de woningen, de inrichting van de woonpercelen en de openbare ruimte kunnen voorts een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Dit wordt in het bouwplan nader uitgewerkt. Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. De 116 nieuwe reguliere woningen en de nieuwe reguliere woning als gevolg van de omzetting van een agrarische bedrijfswoning kunnen gezien de aard en omvang niet binnen het stedelijk gebied gerealiseerd worden. Daarom is gekozen voor een uitbreidingslocaties in het buitengebied, grenzend aan de kern Middelrode.
In bijlage 6 is is de woonbehoefte onderbouwd en is gemotiveerd waarom de stedelijke ontwikkeling niet binnen het stedelijk gebied gerealiseerd kan worden. Middels deze motivering wordt een stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied passend geacht. Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Door een zorgvuldige inpassing van 116 woningen, de bestemmingswijziging van de gronden aan de Christinastraat 1 en de herinrichting van Noddevelt, wordt een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgeving en daarmee aan het vestigingsklimaat.
Conclusie Het plan geeft invulling aan de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan Woonlocatie Laarzicht was de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV), vastgesteld op 5 december 2023, van kracht. Aan de IOV wordt het plan getoetst. De laatste geconsolideerde versie van de IOV dateert van 1 oktober 2022. De IOV bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld in lijn met de Omgevingswet. De IOV heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor voorliggend plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen 'Instructieregels aan gemeenten' aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid): afdelingen 3.5 tot en met 3.7: de toedeling van functies; afdelingen 3.2 tot en met 3.4: de bescherming van gebiedskenmerken; afdeling 3.1: de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.
4.2.2.1
De toedeling van functies
Het plan is onderdeel van het landelijk gebied. In beginsel zijn daar geen nieuwe woningen en uitbreiding van agrarische bedrijven toegestaan. De IOV kent echter ook uitzonderingsregels waarmee bepaalde nieuwe ontwikkelingen wel mogelijk zijn. Hierna wordt per werkingsgebied aangegeven op welke wijze de voorgestane ontwikkelingen passen binnen de regels van de IOV.
48
UITSNEDE INTERIM OMGEVINGSVERORDENING
Landelijk gebied Ter plaatse van het plangebied zijn de gronden, uitgezonderd van het perceel ter plaatse van Christinastraat 1, als Landelijk gebied aangewezen. Artikel 3.69 'Afwijkende regels (burger)woningen De omzetting van de bedrijfswoning aan Zandstraat 37 kan op basis van dit artikel mogelijk worden gemaakt Op basis van artikel 3.69 'Afwijkende regels (burger)woningen', kan worden afgeweken van artikel 3.68 als een bestemmingsplan voorziet in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel , als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; niet van toepassing; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. niet van toepassing; b. een inpandige splitsing van een beeldbepalende woonboerderij als: 1. een fysieke tegenprestatie wordt geleverd aan het versterken van de omgevingskwaliteit vergelijkbaar met de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimte kavel; en niet van toepassing; 2. de beeldbepalende woonboerderij wordt behouden. niet van toepassing; c. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing; niet van toepassing; d. het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1.
er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; er is geen sprake van een woningsplitsing, er wordt slechts één woning toegestaan;
49
2.
overtollige bebouwing wordt gesloopt; de overtollige agrarische opstallen worden binnen de beoogde woonbestemming ter plaatse van Zandstraat 37 gesloopt.
Gemengd landelijk gebied Daarnaast is het plangebied, uitgezonderd van het perceel aan de Christinastraat 1, als Gemengd landelijk gebied aangewezen. Artikel 3.58 Overig-agrarisch bedrijf in Gemengd landelijk De uitbreiding/vormverandering van het agrarisch bouwvlak van Zandstraat 37 kan op basis van dit artikel mogelijk worden gemaakt. Op basis van artikel 3.58 Overig-agrarisch bedrijf in Gemengd landelijk gebied geldt dat een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel, als de toelichting een verantwoording bevat dat de ontwikkeling noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Analyse Ten behoeve van een duurzame doorontwikkeling van het bedrijf Noddevelt worden de gronden in het oostelijk deel van het perceel ter plaatse van de Zandstraat 37 naar de bestemming Agrarisch-Paardenhouderij omgezet en wordt het perceel heringericht. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening kan de paardenfokkerij en de ondergeschikte nevenactiviteit, ten behoeve van de paardensector en overige agrarische bedrijven, zich verder door ontwikkelen. Verstedelijking afweegbaar Het plangebied is, uitgezonderd van het perceel van Noddevelt en de eerste 75 meter zone vanaf de Zandstraat, als Verstedelijking afweegbaar aangewezen.
Artikel 3.43 Afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar De realisatie van de nieuwbouw woonlocatie kan op basis van dit artikel mogelijk worden gemaakt. Op basis van artikel 3.43 Afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar geldt dat als er vanuit kwaliteit of kwantiteit in Stedelijk gebied onvoldoende ruimte aanwezig is, er de mogelijkheid bestaat dat een stedelijke ontwikkeling binnen het werkingsgebied Verstedelijking afweegbaar wordt gerealiseerd. Deze gebieden zijn in het verleden (2004) na toepassing van de lagenbenadering en afweging aangeduid als gebieden waar -onder voorwaarden- verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden (kunnen) liggen. Als er nieuw ruimtebeslag nodig is, wordt met toepassing van de basisprincipes uit paragraaf 3.1.2 IOV Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies gekeken naar een concrete invulling. Analyse De ligging van het plangebied is in de IOV voor het grootste deel als Verstedelijking afweegbaar aangewezen. Slechts ter plaatse van de huidige woning en bijgebouw aan Zandstraat 33 en bijbehorende omliggende gronden in het zuidoosten van het plangebied is geen aanduiding Verstedelijking afweegbaar opgenomen. Zoals in paragraaf 4.1.3 is gemotiveerd, is er binnen de gemeente en specifiek binnen Middelrode geen mogelijkheid om kwantitatief en op een kwalitatief goede manier voldoende woningen te realiseren.
Het realiseren van de woningen binnen dit eerder aangewezen gebied Verstedelijking afweegbaar is daarmee passend. Het is gewenst deze uitbreiding van het stedelijk gebied ook in het provinciaal beleid te verankeren. Wijziging van de gehele woonlocatie naar Stedelijk gebied kan alleen toegepast worden als sprake is van een plangebied dat feitelijk al als zodanig kan worden beoordeeld. In dit geval is dat nog niet zo. Gronden buiten het werkingsgebied Verstedelijking afweegbaar kunnen indien gewenst en onderbouwd wel gewijzigd worden naar dit werkingsgebied. Aangezien de gronden van de bestaande bebouwing aan de Zandstraat straks onderdeel uit gaan maken van de woonlocatie (ontsluiting en bebouwing) is het gewenst dit deel van het plangebied op te nemen als werkingsgebied Verstedelijking afweegbaar. Om dit te bewerkstelligen, dient bij de provincie voor het deel van het plangebied waar de woonlocatie beoogd is een wijziging van het werkingsgebied worden aangevraagd. Deze grenswijziging wordt dan tevens in de nieuwe Provinciale verordening, de Omgevingsverordening Noord-Brabant (4.2.3), opgenomen.
50
Herbegrenzing werkingsgebied De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Landelijke gebied, waarvan het over grote deel ter plaatse van de beoogde woonwijk in de huidige IOV als Verstedelijking afweegbaar is opgenomen. Voor dit deel samen met het kleine deel in het zuidoosten van het plangebied waar woningen beoogd zijn, maar niet als Verstedelijking afweegbaar is opgenomen, dient het stedelijk gebied te worden uitgebreid. Herbegrenzing naar de werkingsgebieden Landelijk kern en Stedelijk gebied is dan ook voorstelbaar. Bovendien is herbegrenzing voorstelbaar, aangezien het plangebied in de gemeentelijke structuurvisie Sint-Michielsgestel als Zoekgebied voor een stedelijke ontwikkeling is opgenomen. Op grond van artikel 6.2 IOV is herbegrenzing mogelijk. Op grond van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders de grenzen van de werkingsgebieden wijzigen ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling. Bij de herbegrenzing komt het plangebied binnen de gebieden Landelijke kern en Stedelijk gebied te liggen. De voorgenomen grenswijzigingen van het gebied zijn hieronder toegelicht. De toe te voegen gronden Stedelijk gebied hebben een oppervlakte van circa 50 ha. In artikel 5.3 IOV zijn gevallen opgenomen waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd zijn de grenzen van een werkingsgebied te wijzigen. Voor onderhavig plangebied is alleen Lid 1 van toepassing.
Hieronder wordt aangetoond dat er binnen onderhavig initiatief sprake is van een geval zoals genoemd in artikel 5.3 IOV. Als één of meer van de volgende gevallen zich voordoet is wijziging van een werkingsgebied mogelijk: a. de wijziging is nodig voor een doelmatige uitvoering; b. de wijziging draagt bij aan het doel waarvoor het werkingsgebied is opgenomen; c. de wijziging past binnen de uitgangspunten en basisprincipes van deze verordening; d. er is sprake van kennelijke onjuistheden in de begrenzing; e. de begrenzing van een gebied is niet langer in overeenstemming met een bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld. Hieraan wordt voldaan want: De grenswijziging is nodig voor de realisatie van de ontsluiting en bebouwing van de woonlocatie die buiten het gebied Verstedelijking afweegbaar liggen. Het plangebied is een geschikte locatie, aangezien het in de gemeentelijke structuurvisie Sint-Michielsgestel als zoekgebied voor een stedelijke ontwikkeling is opgenomen. Daarnaast waren de gerealiseerde woningen aan het Diepven al een eerste stap om om buiten de geënte noordelijke dorpsrand (Christinastraat) uit te breiden. De achterkanten van de percelen aan het Diepven, die de harde grens met het buitengebied markeren, lijken een aanzet te zijn geweest voor een grotere ontwikkeling.
Om de kernrand meer op te laten gaan in het buitengebied is dan ook een andere meer rafelige dorpsrand gewenst, waarin er meer evenwicht is tussen de kern en het buitengebied. Zo vindt er een logische afronding van de kern Middelrode plaats en wordt een verbetering van de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit gerealiseerd. Hiermee is er sprake van een geval, zoals genoemd onder a, b en c waarvoor de Gedeputeerde Staten het werkingsgebied mag wijzigen. ad a ad b
ad c
Om de ontsluiting van de gehele ontwikkeling als reguliere woningen te kunnen ontwikkelen is het doelmatig de grens te wijzigen. Het doel van het nieuwe werkingsgebied Verstedelijking afweegbaar is het in de toekomst concentreren van bebouwing binnen dit stedelijke gebied. Door de wijziging ligt alle bebouwing en de ontsluiting van het te wijzigen gebied in Verstedelijking afweegbaar. Door de ontwikkeling wordt de noordoostelijke kernrand van Middelrode op een logische manier afgerond. De grenswijziging volgt de reeds bestaande gemeentelijke visie, waarbij de planlocatie is aangeduid als zoekgebied voor een stedelijke ontwikkeling en is daarmee doelmatig. Het plan voldoet aan de uitgangspunten en basisprincipes van de verordening.
Omdat voldaan wordt aan de voorwaarden hebben Burgemeester en wethouders op basis van het ontwerpbestemmingplan een verzoek ingediend tot wijziging van de volgende werkingsgebieden: Overige zone - in Interim omgevingsverordening te verwijderen Landelijk gebied, Gemengd landelijk gebied; Overig - in Interim omgevingsverordening te verwijderen Landelijk gebied, Verstedelijking afweegbaar; Overige zone - in Interim omgevingsverordening toe te voegen Landelijke kern, Stedelijk gebied. Over het geheel genomen maakt de wijziging de voorliggende ontwikkeling mogelijk en wordt daarmee tevens de kern logisch afgerond. Het gehele gebied dat naar 'Landelijke kern' en 'Stedelijk gebied' gewijzigd dient te worden heeft een oppervlak van circa 50 ha. Onder de nieuwe Omgevingsverordening is de aanduiding 'verstedelijking afweegbaar'
komen te vervallen
51
waardoor een herbegrenzing formeel niet meer mogelijk is. Op basis van het herbegrenzingsverzoek heeft de provincie de woonlocatie Laarzicht in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant kaartaanpassingen 2024 (vastgesteld 17 september 2024) aangeduid als Stedelijk gebied, zie paragraaf 4.2.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant.
4.2.2.2
De bescherming van gebiedskenmerken
Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken: Stalderingsgebied; Beperkingen veehouderij; Norm wateroverlast stedelijk gebied; Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied Stalderingsgebied Het plangebied is als Stalderingsgebied aangewezen. Artikel 2.74 Stalderen Op basis van artikel 2.74 Stalderen Lid 1 is opgenomen dat tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.52 Aanvullende regels stalderen geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een hokdieren gevestigd binnen Stalderingsgebied, dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel door de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf voor hokdieren is verboden. Analyse Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 116 woningen in het buitengebied van Middelrode en de herinrichting van Noddevelt met de daarbij behorende planologische aanpassingen, zoals omschreven in paragraaf 1.1. Hiermee worden geen dierenverblijven voor hokdieren gerealiseerd. Beperkingen veehouderij Daarnaast is het plangebied, uitgezonderd van het perceel ter plaatse van Christinastraat 1, als Beperkingen veehouderij aangewezen.
Artikel 3.51 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij Op basis van artikel 3.51 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij Lid 1 is opgenomen dat in afwijking van Artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied, eerste lid aanhef, en Artikel 3.50 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf, eerste lid onder a, binnen Beperkingen veehouderij geldt dat: a. uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij zijn uitgesloten; b. een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten; c. een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitgesloten. Analyse Met voorliggend plan worden geen veehouderijen gerealiseerd. Norm wateroverlast (buiten) stedelijk gebied In artikel 4.4 Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied lid 1 zijn met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, normen voor het buitengebied opgenomen. Deze normen zijn voor het plangebied, uitgezonderd van het perceel ter plaatse van Christinastraat, van toepassing. Ter plaatse van de Christinastraat 1 gelden de normen zoals in artikel 4.2 Norm wateroverlast Stedelijk gebied opgenomen. Analyse Ten behoeve van de waterhuishoudkundige situatie van voorliggend plan is met de genoemde normen in artikel 4.2 en 4.4. rekening gehouden.
In paragraaf 5.3 van de toelichting is de uitwerking van de waterhuishoudkundige situatie beschreven.
52
4.2.2.3
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies
De voor het plan relevante basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zijn: zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; kwaliteitsverbetering van het landschap. Artikel 3.5 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Om te komen tot een goede omgevingskwaliteit moet rekening gehouden worden met: zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in het gebied (toepassing lagenbenadering) en; meerwaardecreatie. Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.
Analyse Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 116 woningen in het buitengebied van Middelrode en de herinrichting van Noddevelt met de daarbij behorende planologische aanpassingen, zoals omschreven in paragraaf 1.1. Gezien de aard en omvang kan de voorgenomen ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd worden. Daarom zullen deze 116 woningen in het buitengebied, aangrenzend aan de kern Middelrode verwezenlijkt worden. In paragraaf 4.1.3 is middels een Ladderonderbouwing de woningbehoefte aangetoond en is een motivering gegeven waarom de ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied mogelijk gemaakt kan worden. Op basis van de Ladderonderbouwing en het provinciaal- en gemeentelijk beleid wordt de voorgenomen locatie passend geacht. Daarnaast wordt het perceel aan de Zandstraat 37 opnieuw ingericht, waarbij de overtollige agrarische bedrijfsopstallen ter plaatse van de beoogde woonbestemming worden gesloopt en de bestaande agrarische bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning wordt omgezet. Met het oog op de herinrichting van het perceel is geen sprake van uitbreiding en wordt zorgvuldig gebruik gemaakt van de ruimte. Ter plaatse van de gronden aan Christinastraat 1 is slechts sprake van een bestemmingswijzing van Agrarisch naar Tuin, rondom de bestaande woonbestemming. Hiermee blijft de bestaande situatie feitelijk onveranderd.
Conclusie Middels voorliggend initiatief wordt een agrarisch bedrijf beëindigd en wordt zorgvuldig gebruik gemaakt van de ruimte in het buitengebied van Middelrode. De voorgenomen ontwikkeling is hiermee in lijn met hetgeen opschreven in artikel 3.6 IOV over zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 3.7 Toepassing van de lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. In artikel 3.7 'Toepassing lagenbenadering' onder lid 2 staat omschreven dat de lagenbenadering effecten omvat op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. De toepassing van de lagenbenadering is een hulpmiddel om de effecten van een ontwikkeling in beeld te brengen. Het gaat daarbij om het effect op de lagen in wisselwerking met elkaar waarbij de factor tijd actief wordt benut.
53
Het is van belang om te weten hoe de omgeving in elkaar steekt en te kijken naar alle lagen: de ondergrond, de netwerklaag, de bovenlaag en de tijdsdimensie. Tussen deze lagen bestaat een wisselwerking. Iedere laag kent zijn eigen dynamiek, verschillende veranderingssnelheid en mate van omkeerbaarheid bij ingrepen. Voor een aantal aspecten die bij de lagenbenadering betrokken worden, bevat de IOV Noord-Brabant specifieke regels, zoals het Natuur Netwerk, de groenblauwe mantel, cultuurhistorische- en aardkundige waarden, stiltegebied en delen van het watersysteem. Er dient rekening gehouden te worden met de laag dynamische ondergrond, maar ook met de effecten op de andere lagen en met toekomstige effecten. Bij de afweging gaat het niet alleen om de effecten op de omliggende functies in het gebied maar ook op effecten van een ontwikkeling elders. Niet alleen de effecten nu maar ook de effecten naar de toekomst. Analyse Het plangebied is in de IOV aangeduid als 'verstedelijking afweegbaar'. Volgens de toelichting van de verordening betreft dit gebieden die in het verleden (2004) na toepassing van de lagenbenadering en afweging zijn aangeduid als gebieden waar – onder voorwaarden – verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden (kunnen) liggen.
Het ontbreken van landschappelijke kwaliteiten van het gebied was de reden dat de planlocatie destijds is aangeduid als 'zoekgebied stedelijke ontwikkeling' en niet als 'gebied integratie stad-land'. Een eerdere aanduiding 'integratie stad-land' zou gevolgen hebben voor de stedelijkheidsgraad van het plan omdat in dat geval de rode ontwikkeling in evenredige verhouding met de ontwikkeling van landschapskwaliteiten dient plaats te vinden. Met het beoogde plan worden 116 woningen gerealiseerd. Concreet ten behoeve van deze ontwikkeling is in hoofdstuk 2 de lagenbenadering uitgevoerd. Uit de lagenbenadering blijkt dat een stedelijke ontwikkeling binnen het plangebied voorstelbaar is. De aanwezige waarden en structuren in en om het plangebied dienen daarbij in acht te worden genomen. In het stedenbouwkundig plan voor deze uitbreiding is rekening gehouden met de aanwezige landschappelijke waarden binnen het plangebied. Daarbij wordt tevens aangesloten op waarden en structuren uit de directe omgeving. Het stedenbouwkundig plan is middels zorgvuldige afweging (tussen ontwikkelaars en gemeente) tot stand gekomen. Conclusie In hoofdstuk 5 van deze toelichting worden de effecten op onder andere de bodem, het grondwater, archeologische waarden, infrastructuur, natuurnetwerk, water, cultuurhistorische waarden en landschappelijke waarden beschreven.
Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling geen nadelige effecten aanwezig zijn. Artikel 3.8 Meerwaardecreatie Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Analyse De meerwaarde wordt gecreëerd door: het realiseren van nieuwe woningen met een divers programma die tegemoet komen aan de behoefte uit de regio ter plaatse van de agrarische gronden tussen de Zandstraat, Diepven en Christinastraat, zie paragraaf 4.1.3 Ladder voor Duurzame Verstedelijking. het realiseren van nieuwe woningen die in het landschap ingepast zijn, waardoor er een kwalitatief hoogwaardige woonwijk wordt ontstaat, zie paragraaf 3.1 Planbeschrijving Woonlocatie Laarzicht en bijlagen 1 Beeldkwaliteitplan en 2 Inrichtingsschets woonlocatie het realiseren van landschapselementen, die bijdragen aan het landschapstype én de ecologie, zie paragraaf 3.3 Planbeschrijving compensatiepercelen en bijlagen 2 Inrichtingsschets woonlocatie en 5 Tekeningen Compensatieplan.
het wijzigen van de bestemming Agrarisch naar Tuin ter plaatse van Christinastraat 1, passend in de aansluitende bestaande woonwijk, zie 3.3 Planbeschrijving compensatiepercelen en bijlage 5 Tekeningen Compensatieplan. een deel van het perceel aan Zandstraat 37 van agrarische- in woonbestemming te wijzigen, waarmee de agrarische bedrijfsactiviteiten op grotere afstand van de kern komen te liggen, zie 3.2 Planbeschrijving Herinrichting Noddevelt en bijlage Inrichtingsschets Zandstraat 37. het wegnemen van de verouderde schuren, behorende bij Zandstraat 37, zie 3.2 Planbeschrijving
54
Herinrichting Noddevelt en bijlage Inrichtingsschets Zandstraat 37. de omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning ter plaatse van de Zandstraat 37, zie 3.2 Planbeschrijving Herinrichting Noddevelt en bijlage Inrichtingsschets Zandstraat 37. de inbreng van 15 ruimte-voor-ruimte-titels binnen het plan welke titels staan voor in het verleden behaalde (milieu)kwaliteitswinst binnen de provincie Noord-Brabant.
Conclusie Middels voorliggend initiatief wordt meerwaarde gecreëerd. De voorgenomen ontwikkeling is hiermee in lijn met hetgeen opschreven in artikel 3.8 IOV over meerwaardecreatie. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Conform artikel 3.9 IOV moeten ruimtelijke ontwikkelingen in landelijk gebied gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Voor het bepalen van de benodigde investering is een categorie-indeling van toepassing, met elk vereisten aan de kwaliteitsverbetering. Hieronder zijn de regels opgenomen die gepaard gaan met de kwaliteitsverbetering van het landschap bij ontwikkelingen in het Landelijk gebied. Ten behoeve van de Kwaliteitsverbetering landschap (artikel 3.9 IOV) geldt : 1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. 2. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in artikel 62 Regionaal Overleg, worden nagekomen. 3. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit omvat mede: a.
de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Analyse Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 116 woningen in het buitengebied van Middelrode en de herinrichting van Noddevelt met de daarbij behorende planologische aanpassingen, zoals omschreven in paragraaf 1.1. De nieuwe te realiseren woonlocatie is landschappelijk ingepast, waarbij er rekening is gehouden met ecologische,landschappelijke- en milieutechnische waarden. Zo zijn de woningen zodanig gesitueerd, dat de randen van het plangebied een open karakter behouden en er overal het landschap beleefbaar is. Richting de groene lob aan de noordoostzijde is een opening en zichtlijn behouden richting dit open landschap. Dit levert een ruimtelijke kwaliteitswinst op. Bovendien blijft met de transformatie van een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning de langgevelboerderij behouden en wordt hiermee ook leegstand en verloedering voorkomen.
Met de sloop van de overtollige schuren aan Zandstraat 37 wordt tevens bijgedragen aan het verbeteren van de kwaliteit van het landschap. Daarnaast wordt met de bestemmingswijziging van Agrarisch naar Tuin ter plaatse van de gronden aan Christinastraat 1, de gronden van een bestemming voorzien die passend is bij de reeds geldende woonbestemming ter plaatse en de beoogde woonbestemming rondom. Daarnaast worden met het plan door de ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte ten behoeve van de kwaliteitsverbetering 15 ruimte-voor-ruimte-titels binnen het plan ingebracht. Deze titels staan voor in het verleden behaalde (milieu)kwaliteitswinst. Aanvulling Structuurvisie Buitengebied Sint-Michielsgestel In het beleidsdocument Aanvulling Structuurvisie Buitengebied Sint-Michielsgestel is de regeling Kwaliteitsverbetering van het landschap voor de gemeente Sint-Michielsgestel opgenomen. De regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ is van toepassing op bestemmingsplannen die ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maken. Voor bepaalde activiteiten maakt zij echter een uitzondering
55
aangezien deze al een verplichte kwaliteitsverbetering in zich hebben. Het gaat dan om ontwikkelingen in het kader van de ruimte-voor-ruimte regeling en ontwikkelingen in ecologische hoofdstructuur (EHS) waar een compensatieplicht geldt. Binnen de regio is een aantal aspecten van de beleidsregel kwaliteitsverbetering van het landschap verder uitgewerkt en in een afsprakenkader met de provincie vastgelegd (10 januari 2013). Het afsprakenkader richt zich op twee aspecten: 1. De verdere afbakening van het toepassingsbereik; 2. De (minimale) hoogte van de gevraagde inspanning (basisinspanning). Deze beleidsregel is van toepassing voor ontwikkelingen met een ‘substantiële’ invloed op het landschap. De regio is van mening dat ontwikkelingen met een grote impact het meest moeten investeren in kwaliteitsverbetering. De achterliggende gedachte van de regeling is tenslotte ook dat de negatieve impact die een ontwikkeling op het landschap heeft (veelal verstening en verdichting) moet worden verevend met een proportionele kwaliteitsinvestering. Door op deze manier te handelen, ontstaat er per saldo een positieve ontwikkeling voor het buitengebied.
De regio heeft ter operationalisering van deze beleidskeuze mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen ondergebracht in drie categorieën: Categorie 1: geen impact, geen tegenprestatie verplicht; Categorie 2: beperkte impact, landschappelijke inpassing, passend bij een goede ruimtelijke ordening; Categorie 3: grote impact, landschappelijke inpassing ‘plus’, passend bij een goede ruimtelijke ordening en in verhouding staand tot de waardeontwikkeling. In voorliggend plan is sprake van een planmatig stedelijke ontwikkeling. Ten aanzien van de landschappelijke inlassingen geldt dat er sprake is van: 1. een categorie 2 ontwikkeling: hiervoor is geen tegenprestatie vereist en volstaat een landschappelijke inpassing. het vervormen en vergroten van het agrarisch bouwblok tot 1,5 ha (met daarbinnen het verplaatsen van de rijbak) voor de reeds bestaande paardenhouderij met nevenactiviteiten. De bestaande algemene bestemming Agrarisch wordt beperkt; De landschappelijke inpassing vindt plaats aansluitend aan aangepaste bouwvlak binnen de aanduiding 'overige zone - landschappelijke inpassing'; het terugbrengen van de in het vigerende bestemmingsplan reeds bestaande planologische bouwmogelijkheid voor een tweede (bedrijfs)woning binnen dit bouwvlak.
De landschappelijke inpassing vindt plaats aansluitend aan aangepaste bouwvlak binnen de aanduiding 'overige zone landschappelijke inpassing 2' en de bestemmingswijziging van Agrarisch naar Tuin ter plaatse van de gronden aan de Christinastraat 1. 2. een categorie 3 ontwikkeling: Op het moment dat een ontwikkeling in categorie 3 valt, is een kwaliteitsverbetering verplicht die in verhouding staat tot de waardeontwikkeling als gevolg van de bestemmingsverandering. Voor de kwantificering van deze proportionaliteit is door de regio een onderscheid gemaakt in planmatige (stedelijke) en niet-planmatige ontwikkelingen. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is de hoogte van de tegenprestatie gesteld op vaste afdracht per m², zijnde minimaal 1% van de uitgifteprijs. Bij niet-planmatige ontwikkelingen is de hoogte gesteld op minimaal 20% van de grondwaardevermeerdering als gevolg van de bestemmingsveranderingvoor het overige deel van het ontwikkelingsgebied waar de nieuwbouwontwikkeling zal plaatsvinden. Het plan voor de woningbouwontwikkleing betreft een planmatig stedelijke ontwikkeling. De minimum bijdrage is 1% van de uitgifteprijs.Op dit moment is het stedenbouwkundig plan voor de locatie nog niet gereed. Daarmee is er nog geen berekening van het bedrag voor de compensatie van de waardevermeerdering van de gronden en de wijze waarop het bedrag wordt besteed te geven.
Met de beoogde inrichting van het plangebied (woonlocatie met omliggende compensatie percelen) zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan (zie bijlage 1 en op de inrichtingstekening van het totale plangebied in bijlage 2) wordt voldaan aan de tegenprestatie voor de herbegrenzing. De afspraken rondom realisatie zijn verankerd in een anterieure overeenkomst. en de omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning aan de Zandstraat 37. Hier geldt de verplichting tot het realiseren van een landschappelijke tegenprestatie. Voor de tegenprestatie van de omzetting naar de reguliere woning is de methodiek voor een landschappelijke tegenprestatie die uitgaat van een forfaitair bedrag op basis van grondwaardevermeerdering (bestemmingswinst) van toepassing. In bijlage 7 is de berekening van de investering in het landschap opgenomen. Deze landschappelijke investering zal plaatsvinden in de bestemming Natuur direct aansluitend aan
56
het ontwikkelingsgebied. In bijlage 5 is een tekening waarin de landschappelijke inrichting van de zone met de bestemming Natuur is getoond.
4.2.2.4
Conclusie
Met het oog op de voorgenomen grenswijzigingen, zoals in deze paragraaf beschreven, wordt het plan passend geacht binnen de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.
4.2.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening Noord-Brabant in werking getreden. De Omgevingsverordening komt grotendeels inhoudelijk overeen met de IOV. Een verschil is dat in de Omgevingsverordening Noord-Brabant het werkingsgebied Verstedelijking afweegbaar, zoals opgenomen in de Interim Omgevingsverordening, is komen te vervallen. Onder de Omgevingsverordening krijgt de gemeente meer ruimte om een eigen afweging te maken voor ontwikkelingen buiten de kernen mits een afweging is gemaakt in een gebiedsvisie en de lagenbenadering is toegepast. De mogelijkheid voor een nieuwe duurzame stedelijke ontwikkeling ter plaatse van Landelijk gebied is opgenomen in artikel 5.56. Artikel 5.56 Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling Lid 1 In afwijking van Artikel 5.55, eerste lid, aanhef, kan een omgevingsplan voorzien in een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen, ter plaatse van Landelijk gebied als: a. binnen Stedelijk gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of ander geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; c. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12; d. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 7.2; e.
de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting is afgestemd op de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving, waaronder de met deze verordening te beschermen en te ontwikkelen waarden, en; f. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting houdt rekening met een duurzame afronding van het Stedelijk gebied. Lid 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een planmatige ontwikkeling ten behoeve van een samenhangende stedelijke structuur, die voorziet in de reguliere opvang van de woon- of werkbehoefte van een kern maar die vanwege de omvang niet als stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Lid 3 Artikel 5.8, eerste lid onder a, is niet van toepassing op dit artikel. Analyse Het plangebied is geheel gelegen binnen het werkingsgebied Landelijk Gebied. De voorwaarden voor een duurzame stedelijke ontwikkeling ter plaatse van Landelijk gebied volgens artikel 5.56 van de Omgevingsverordening komen in hoofdlijnen overeen met de voorwaarden in artikel 3.43 van de IOV voor een stedelijke ontwikkeling binnen Verstedelijking afweegbaar, zie paragraaf 4.2.2.1 De toedeling van functies. Paragraaf 4.1.3 van dit plan bevat op basis van de Ladder duurzame verstedelijking de onderbouwing van de woningbehoefte en waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd kan worden. De ontwikkeling past binnen de regionale afspraken.
Het plandeel van de woningbouwlocatie Laarzicht is in het verleden (2004) op basis van de lagenbenadering op de provinciale kaart aangeduid als een gebied waar -onder voorwaarden- verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden (kunnen) liggen. Paragraaf 4.2.2.1 De toedeling van functies bevat een uitgebreide onderbouwing dat aan deze voorwaarden en daarmee ook aan artikel 5.56 van de Omgevingsverordening wordt voldaan. In de Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025, zie paragraaf 4.3.1, is het plangebied als een zoekgebied voor een stedelijke ontwikkeling is opgenomen. In de nieuwe Omgevingsvisie Sint-Michielsgestel (vast te stellen op 3 oktober