CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Postelstraat, Esch- Bijlage 1.5 Quickscan flora en fauna

Raadsvergadering Boxtel 16 april 2024, gemeente boxtelBij agendapunt: Bestemmingsplan Postelstraat, Esch4.533 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toets flora en fauna Postelstraat te Esch Datum

: 22 mei 2019

Projectnummer

: P19-0205

Opdrachtgever

: Bureau Verkuylen

Veldwerk

:

Opgesteld door

:

Kwaliteitscontrole

:

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens woningen te realiseren op een perceel aan de Postelstraat te Esch. Door middel van de toets flora en fauna wordt in beeld gebracht of de werkzaamheden strijdigheid opleveren met de Wet natuurbescherming en hoe eventuele strijdigheid met deze wet voorkomen kan worden. 1.2 Doel Doel van het onderliggende onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Het in deze rapportage beschreven onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in de soortlijsten van beschermde flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de Wet natuurbescherming wordt gehandeld.

2

Wettelijk kader

In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Deze toets flora en fauna is gericht op soortbescherming. Vanwege de lokale aard van de voorgenomen werkzaamheden en de ligging van het plangebied worden negatieve effecten op beschermde gebieden niet verwacht. De delen over bescherming van gebieden en houtopstanden uit de Wet natuurbescherming en het beleid voor het NNN worden daarom buiten beschouwing gelaten. 2.1 Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen

en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn, §3.1 Wnb; 2. Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt, §3.2 Wnb; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven, §3.3 Wnb. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In Tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Categorie 1 (§ 3.1 Wnb)

Categorie 2 (§ 3.2 Wnb)

Categorie 3 (§ 3.3 Wnb)

Art 3.1 lid 1

Art 3.5 lid 1

Art 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende

Het is verboden soorten in hun

Het is verboden soorten opzettelijk te

vogels opzettelijk te doden of te

natuurlijke verspreidingsgebied

doden of te vangen

vangen

opzettel jk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2

Art 3.5 lid 4

Art 3.10 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten,

Het is verboden de

Het is verboden de vaste

rustplaatsen en eieren van vogels te

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

vernielen of te beschadigen, of nesten

van dieren te beschadigen of te

van dieren opzettelijk te beschadigen

van vogels weg te nemen

vernielen

of te vernielen

Art 3.1 lid 3

Art. 3.5 lid 3

-

Het is verboden eieren te rapen en

Het is verboden eieren van dieren in de

deze onder zich te hebben

natuur opzettel jk te vernielen of te rapen

Art 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te

Het is verboden dieren opzettelijk te

storen, tenzij de storing niet van

verstoren

-

wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort -

Art 3.5 lid 5

Art 3.10 lid 1c

Het is verboden plantensoorten in hun

Het is verboden plantensoorten in hun

natuurlijke verspreidingsgebied

natuurlijke verspreidingsgebied

opzettel jk te plukken en te verzamelen,

opzettel jk te plukken en te verzamelen,

af te snijden, te ontwortelen of te

af te snijden, te ontwortelen of te

vernielen

vernielen

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan:  Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is;

2 van 14

Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid; Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing.

3

Beschrijving plangebied

Het plangebied bestaat uit twee schuren en een perceel met zand, containers, struweel, één berk en hopen stenen en zand. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Esch en wordt omringd door huizen en tuinen. In figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. Figuur 2, op de volgende pagina, toont een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving. Op pagina 4 en 5 staan enkele foto’s van het plangebied.

Figuur 1. Ligging van het plangebied (gele lijn) (bron: Google Maps)

3 van 14

Figuur 2. Globale begrenzing van het plangebied (gele lijn) (bron: Google Maps)

Foto 1. Noordwesten van plangebied richting noordoosten

Foto 2. Grote schuur in plangebied

Foto 3. Noorden van plangebied richting zuiden

Foto 4. Kleine schuur in plangebied

4 van 14

Foto 5. Midden van plangebied richting zuiden

Foto 6. Zuiden van plangebied richting noorden

Foto 7. Noordoosten van plangebied richting noordwesten

Foto 8. Dakrand van grote schuur

Foto 9. Nok van grote schuur

Foto 10. Dakpannen van grote schuur

Foto 11. Dakrand van kleine schuur

Foto 12. Stapel puin naast beide schuren

Foto 13. Stapel puin met struweel in noorden van plangebied

Foto 14. Composthoop in het zuiden van plangebied

5 van 14

4

Natuurwaarden

In het kader van deze toets flora en fauna heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden. Aan de hand van bekende verspreidingsgegevens uit onder andere verspreidingsatlassen en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is bepaald welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied voorkomen. Daarnaast heeft een veldbezoek plaatsgevonden. Tijdens het veldbezoek zijn alle op de locatie aanwezige habitats opgenomen. De aanwezigheid van deze habitats vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de habitats zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. De aanwezige habitats zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde plant- en diersoorten. Op basis van expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Ook is tijdens het veldbezoek het plangebied onderzocht op het voorkomen van invasieve exoten. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 15 mei 2019 in de ochtend onder de volgende weersomstandigheden: helder, droog, circa 12°C en windkracht 3. 4.1 Flora Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied kluwenklokje (§3.3 Wnb) en kruipend moerasscherm (§3.2 Wnb) voorkomen.

Binnen vijf kilometer afstand van het plangebied komen kranskarwij (§3.3 Wnb) en drijvende waterweegbree (§3.2 Wnb) voor.   

Kluwenklokje is tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Het is daarom uitgesloten dat deze soort voorkomt in het plangebied. Kruipend moerasscherm is een oeverplant. Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater is het uitgesloten dat deze soort voorkomt in het plangebied. Kranskarwij is een soort van blauwgraslanden en komt alleen nog voor in natuurreservaten. In het plangebied ontbreekt geschikt habitat. Het is daarom uitgesloten dat deze soort voorkomt in het plangebied. Drijvende waterweegbree is een waterplant. Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater is het uitgesloten dat deze soort voorkomt in het plangebied.

4.2 Amfibieën Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied de volgende beschermde soorten amfibieën zijn waargenomen: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander (alle §3.3 Wnb), kamsalamander en poelkikker (beide §3.2 Wnb). Binnen vijf kilometer afstand zijn de volgende soorten waargenomen: Alpenwatersalamander, meerkikker, vinpootsalamander (alle §3.3 Wnb), boomkikker, heikikker en rugstreeppad (alle §3.2 Wnb). Het plangebied is ongeschikt als voortplantingshabitat door het ontbreken van oppervlaktewater. Mogelijk kan het plangebied door algemene en niet-kritische amfibieën (Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker) worden gebruikt als land- en overwinteringshabitat. Deze soorten kunnen verblijfplaatsen vinden in de grond of tussen vegetatie en puin (Foto’s 12, 13 en 14). Kamsalamander, poelkikker, vinpootsalamander, boomkikker, heikikker en rugstreeppad zijn zeldzame of kritische amfibiesoorten.  

Kamsalamander is een soort die voorkomt in kleinschalig cultuurlandschap. Het plangebied is voor deze soort ongeschikt. Poelkikker verplaatst zich binnen 100 à 200 meter van het voortplantingshabitat. In de omgeving van het plangebied is geen geschikt voortplantingshabitat van poelkikker aanwezig. 6 van 14

 

 

Vinpootsalamander overwintert vrijwel niet op land. Het plangebied is voor deze soort ongeschikt. Boomkikker gebruikt als landhabitat gevarieerde en complexe vegetaties, zoals braamstruweel, op een bodem met een hoge grondwaterstand. Boomkikker overwintert op vorstvrije plekken in de grond. Het plangebied is voor deze soort ongeschikt. Heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen rond infrastructuur en bebouwing. Rugstreeppad overwintert op het land in muizenholletjes, onder tegels, pallets en tractorbanden en dergelijke. Tussen het voortplantingshabitat en het land- en overwinteringshabitat kunnen enkele kilometers liggen. Echter liggen tussen de vindplaats en het plangebied te veel barrières (wegen, watergangen en akkers) waardoor het voor rugstreeppad onbereikbaar is.

Het voorkomen van bovengenoemde zeldzame en kritische soorten in het plangebied is zodoende uit te sluiten. Effectbeoordeling Wanneer het struweel en de hopen met puin en dergelijke worden verwijderd kunnen verblijfplaatsen van Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker worden vernietigd en individuen worden verwond. Mitigerende maatregelen Voor bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten hoeven geen mitigerende maatregelen genomen worden. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §2.1. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op wordt gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Voor Alpenwatersalamander geldt deze vrijstelling niet. Onder de Wet natuurbescherming mag voor Alpenwatersalamander gebruik worden gemaakt van een goedgekeurde gedragscode. In dit geval dient gewerkt te worden volgens de gedragscode flora en fauna voor Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van de Vereniging Stadswerk Nederland.

Voor het zorgvuldig handelen dient de volgende periode en werkwijze te worden gehanteerd:  Het uitvoeren van graafwerkzaamheden en het verwijderen van struweel en puin op locaties waar Alpenwatersalamander voorkomt, vindt plaats in de periode buiten de overwinteringsperiode van deze soort. Dit betekent dat deze werkzaamheden mogen worden uitgevoerd in de periode half april tot half oktober. 4.3 Reptielen Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied levendbarende hagedis is waargenomen, en binnen vijf kilometer afstand hazelworm en ringslang (alle §3.3 Wnb). Vanwege de ligging in de bebouwde kom en de barrières (wegen, watergangen en akkers) tussen het plangebied en geschikte natuurgebieden, is het voorkomen van (beschermde) reptielsoorten in het plangebied uitgesloten. 4.4 Vogels Tijdens het veldbezoek zijn houtduif, huismus, merel, tortelduif, heggemus en spreeuw in het plangebied aangetroffen en zijn geen nesten gevonden.

7 van 14

Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied de volgende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn waargenomen: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, steenuil en wespendief (alle §3.1 Wnb). Binnen vijf kilometer van het plangebied zijn ook oehoe, slechtvalk en zwarte wouw waargenomen (alle §3.1 Wnb). Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vogels. De berk en de struwelen bieden nestgelegenheid voor algemene vogelsoorten. De daken van de schuren bieden geschikte nestplaatsen voor huismus en gierzwaluw (Foto’s 9, 10 en 11). Effectbeoordeling Bij het verwijderen van het struweel en de berk wordt het plangebied minder geschikt als foerageergebied doordat rustplaatsen en plaatsen die dekking bieden verloren gaan. Bij het kappen of snoeien van de berk en bij het slopen van de schuren gaat nestgelegenheid verloren. Voor algemene vogelsoorten blijft in de omgeving broed- en foerageergebied behouden, zodat geen negatieve effecten optreden. De nesten van huismus en gierzwaluw zijn jaarrond beschermd. Indien deze soorten nesten hebben in de schuren leidt sloopt tot negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

Mitigerende maatregelen Doordat gierzwaluw en huismus jaarrond beschermde nesten hebben, moet nader onderzoek worden gedaan naar het gebruik van de schuren als nestgelegenheid door deze soorten. Het onderzoek naar huismus dient te worden uitgevoerd tussen 1 april en 20 juni. Onderzoek naar gierzwaluwen dient te worden uitgevoerd in de periode van 1 juni tot 15 juli. Mogelijk vormt het plangebied een essentieel onderdeel van het leefgebied van huismus, door de aanwezigheid van voldoende dekking in het struweel en van zand om te stofbaden. Het nader onderzoek naar huismus dient ook in beeld te brengen welke functies het plangebied voor de huismus heeft. Voor de vogels zonder jaarrond beschermde nesten zijn de nesten strikt beschermd tijdens het broedseizoen. Het snoeien en kappen van bomen en struiken dient te worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. In de omgeving van het plangebied blijft voor algemene vogels voldoende geschikt foerageergebied aanwezig, dit hoeft niet te worden gemitigeerd. 4.5

Zoogdieren

Vleermuizen Uit het bronnenonderzoek (NDFF en Korsten & Regelink, 2010) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende soorten vleermuizen voorkomen: baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (alle §3.2 Wnb). Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen, maar in de omgeving zijn weinig geschikte lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als vliegroute (zoals watergangen en laanbomen).

8 van 14

In het plangebied staan geen holtebomen waarin vleermuizen kunnen verblijven. Wel zijn de daken van de twee schuren in het plangebied geschikt als verblijfplaats (Foto’s 8 en 11). Overige zoogdieren Uit het bronnenonderzoek (NDFF) blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied de volgende zoogdieren zijn waargenomen: algemene (spits)muizen, bunzing, damhert, das, eekhoorn, egel, haas, konijn, ree, steenmarter, vos, wezel (alle §3.3 Wnb) en bever (§3.2 Wnb). Binnen vijf kilometer afstand van het plangebied zijn boommarter, hermelijn, wild zwijn en woelrat waargenomen (alle §3.3 Wnb). Voor damhert, das, eekhoorn, haas, ree, vos, bever, boommarter en wild zwijn ontbreekt in het plangebied geschikt habitat. Het voorkomen van deze soorten in het plangebied is uitgesloten. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor algemene (spits)muizen, egel en konijn. Mogelijk wordt het plangebied ook als onderdeel van het grotere leefgebied gebruikt door bunzing en wezel. Tussen de vindplaatsen van deze soorten en het plangebied liggen weinig barrières en wel voldoende dekking. Van hermelijn en steenmarter liggen de vindplaatsen verder van het plangebied en ook liggen er meer barrières tussen en te weinig dekking. Algemene (spits)muizen en egel verblijven mogelijk in het plangebied in de stapels puin of het struweel (Foto’s 12, 13 en 14).

Van konijn, steenmarter en hermelijn zijn geen sporen aangetroffen in het plangebied. Het is onwaarschijnlijk dat deze soorten in het plangebied verblijfplaatsen hebben. Mogelijk gebruiken bunzing en wezel het plangebied als verblijfplaats, ook deze soorten kunnen verblijven in de stapels puin en onder het struweel. Effectbeoordeling Bij het verwijderen van de vegetatie in het plangebied wordt het voor vleermuizen minder geschikt als foerageergebied. Door het ontbreken van lijnvormige elementen in de omgeving is het plangebied mogelijk al niet optimaal om te foerageren. De effecten van de voorgenomen werkzaamheden zijn niet significant negatief. Bij het slopen van de schuren gaan mogelijk geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Bij het verwijderen van het struweel en de andere vegetatie wordt het plangebied voor algemene (spits)muizen, egel, konijn, bunzing en wezel minder geschikt als foerageergebied. Voor bunzing en wezel vormt het plangebied geen essentieel onderdeel van het leefgebied door de relatief kleine omvang (0,2 hectare). Voor deze soorten hebben de voorgenomen plannen geen significant negatieve effecten.

Bij het verwijderen van het struweel, de andere vegetatie en de hopen met puin in het plangebied kunnen verblijfplaatsen van algemene (spits)muizen, egel bunzing en wezel worden vernietigd en individuen worden verwond. Mitigerende maatregelen Nader onderzoek is nodig om uit te kunnen sluiten of verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de schuren in het plangebied. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden bepaald welke effecten optreden, of een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is en welke mitigerende maatregelen genomen dienen te worden. Onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient te worden uitgevoerd gedurende de periode 15 mei tot en met eind september. Voor algemene (spits)muizen, egel, konijn geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten hoeven geen mitigerende maatregelen genomen worden. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §2.1. 9 van 14

Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op wordt gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Voor bunzing en wezel geldt in de provincie Noord-Brabant geen vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten dient te worden gewerkt buiten de kwetsbare periode, de kraamtijd. De kraamtijd duurt van 15 maart tot 1 september. Dit betekent dat het verwijderen van struweel en hopen met puin kan plaatsvinden van 1 september tot 15 maart. 4.6 Overige soortgroepen Bevindingen van het veldbezoek tonen aan dat in het plangebied geschikte habitats ontbreken voor beschermde soorten vissen, dagvlinders, libellen, weekdieren en kevers. Het voorkomen van beschermde soorten uit deze soortgroepen kan daarom worden uitgesloten.

10 van 14

5

Conclusie

Uit het veldonderzoek is gebleken dat in het plangebied de aanwezigheid van beschermde soorten planten, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, weekdieren en kevers kan worden uitgesloten. Algemene en niet-kritische amfibieën maken mogelijk van het plangebied gebruik als land- en overwinteringshabitat. Voor bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor Alpenwatersalamander geldt deze vrijstelling niet en moet worden gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Dit houdt in dat graafwerkzaamheden en het verwijderen en vegetatie en hopen met puin alleen kunnen plaatsvinden tussen 15 april en 15 oktober. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor algemene vogels, de voorgenomen werkzaamheden zullen hierop geen negatief effect hebben; in de omgeving is voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. De berk en het struweel in het plangebied bieden geschikte nestgelegenheid voor vogels, het snoeien en kappen van bomen en struiken dient te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels en wanneer geen broedgeval aanwezig is. Mogelijk zijn de schuren in het plangebied geschikt als nestgelegenheid voor huismus en gierzwaluw. Huismus en gierzwaluw hebben jaarrond beschermde nesten.

Het slopen van de schuren is een overtreding van de Wet natuurbescherming wanneer ze door deze soorten worden gebruikt. Mogelijk is het plangebied voor huismus ook geschikt als onderdeel van het leefgebied door aanwezigheid van zand om te stofbaden en voldoende dekking in het struweel. Nader onderzoek naar huismus dient te worden uitgevoerd tussen 1 april en 20 juni. Nader onderzoek naar gierzwaluwen dient te worden uitgevoerd in de periode van 1 juni tot 15 juli. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen, in de omgeving van het plangebied is voldoende geschikt foerageergebied aanwezig, de voorgenomen werkzaamheden hebben hierop geen significant negatieve effecten. Mogelijk worden de schuren in het plangebied gebruikt als verblijfplaats door gebouwbewonende vleermuissoorten. Het slopen van de schuren leidt tot een overtreding van de Wet natuurbescherming wanneer deze door vleermuizen worden gebruikt. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient te worden uitgevoerd gedurende de periode 15 mei tot en met eind september. Mogelijk is het plangebied geschikt als foerageergebied voor algemene (spits)muizen, egel, konijn, bunzing en wezel. Voor bunzing en wezel vormt het plangebied geen essentieel onderdeel van het leefgebied, het is maar 0,2 hectare. Mogelijk is het plangebied geschikt als verblijfplaats voor algemene (spits)muizen en egel.

Voor algemene (spits)muizen, egel en konijn geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Bunzing en wezel maken mogelijk ook gebruik van het plangebied als verblijfplaats, voor deze soorten geldt geen vrijstelling. Bij het verwijderen van struweel en hopen puin dient buiten de kraamtijd te worden gewerkt. De werkzaamheden kunnen plaats vinden tussen 1 september en 15 maart. Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht, zie §2.1 van dit rapport. Advies en aanbevelingen De volgende maatregelen dienen te worden genomen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen:  Nader onderzoek naar huismus in de periode 1 april en 20 juni 11 van 14

   

Nader onderzoek naar gierzwaluw in de periode 1 juni tot 15 juli Nader onderzoek naar vleermuizen in de periode 15 mei tot 30 september Kappen en snoeien van bomen en struiken buiten broedseizoen en wanneer geen broedgeval aanwezig is Graafwerkzaamheden en het verwijderen van vegetatie en hopen puin tussen 1 september en 15 oktober (in verband met Alpenwatersalamander, marters en broedende vogels)

De nadere onderzoeken naar de aanwezigheid van huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen dienen te worden uitgevoerd volgens de bepalingen in de Kennisdocumenten van de betreffende soorten, de soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus en het Vleermuisprotocol. In deze documenten staat beschreven welke onderzoeksinspanning minimaal gedaan moet worden om de aanwezigheid van betreffende soorten te kunnen uitsluiten. Hieraan wordt getoetst in het geval van een ontheffingsaanvraag. Wanneer uit de nadere onderzoeken blijkt dat verblijfplaatsen van vleermuizen en/of nestplaatsen van huismussen en/of gierzwaluwen aanwezig zijn én de voorgenomen plannen negatieve effecten tot gevolg hebben voor de aanwezige soorten, dan is het noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming te verkrijgen voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd. Om de ontheffing te kunnen verkrijgen dient te worden beschreven welke soorten aanwezig zijn, op welke manier deze het plangebied gebruiken, welke negatieve effecten optreden als gevolg van de voorgenomen plannen, welk wettelijk belang er voor de plannen geldt, een alternatievenafweging en mitigerende maatregelen. De mitigerende maatregelen, zoals het aanbieden van alternatieve verblijf- en nestplaatsen (kastjes) dienen te worden getroffen voordat de bestaande verblijf- en nestplaatsen worden aangetast.

Daarnaast dient bij de ontheffingsaanvraag te worden aangegeven op welke wijze in de nieuwbouw permanente verblijf- en nestplaatsen voor de aanwezige soorten worden gerealiseerd. Als de ontheffingsaanvraag aan deze vereisten voldoet, dan is een ontheffing te verkrijgen. Rekening dient te worden gehouden met een proceduretijd van 20 weken tussen ontheffingsaanvraag en ontwerpbesluit. Daarna volgt een inzagetermijn van 6 weken waarna bij geen bezwaren het besluit definitief is. Het is aan te raden dit traject te laten begeleiden door een deskundige.

In Tabel 2 is een overzicht van de mogelijk aanwezige soorten en de maatregelen die genomen moeten worden weergegeven. Tabel 2. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten Soort(groep)

Bescherming

Functie

Mogelijk

Ontheffing

plangebied

effect

nodig

Maatregelen

Bastaardkikker, bruine k kker, gewone pad, kleine

Land- en §3.3 Wnb

watersalamander en

overwinterings-

Nee, Ja

habitat

volledige

-

vr jstelling

meerk kker

Alpenwatersalamander

Nee, mits

Land- en §3.3 Wnb

overwinteringshabitat

Ja

maatregelen worden uitgevoerd

Graafwerkzaamheden en verw jderen van vegetatie en hopen van puin uitvoeren tussen 15 april en 15 oktober

12 van 14

Soort(groep)

Bescherming

§3.1 Wnb Algemene vogels

(nest niet jaarrond beschermd)

Huismus

Ontheffing

plangebied

effect

nodig

Nestgelegenheid in bomen en

(nest jaarrond

in schuren en

beschermd)

leefgebied

(nest jaarrond

§3.2 Wnb

Ja

stru ken Nestgelegenheid

beschermd) Vleermuizen

Mogelijk

§3.1 Wnb

§3.1 Wnb Gierzwaluw

Functie

Nestgelegenheid in schuren Foerageergebied

Maatregelen

Nee, mits

Snoeien en kappen

maatregelen

wanneer geen

worden

broedgeval aanwezig is

uitgevoerd

en buiten broedseizoen

Ja

Mogel jk

Ja

Mogel jk

Nee

-

Nader onderzoek in de periode1 april en 20 juni.

Nader onderzoek in de periode 1 juni tot 15 juli. Nader onderzoek in de

Vleermuizen

§3.2 Wnb

Verblijfplaatsen

Ja

Mogel jk

periode 15 mei t/m 30 september

Algemene (spits)muizen, egel

Nee, §3.3 Wnb

Foerageergebied

Ja

en konijn

Nee, §3.3 Wnb

Verblijfplaatsen

Ja

egel Bunzing en wezel

Bunzing en wezel

-

vr jstelling

Algemene (spits)muizen en

volledige

volledige

-

vr jstelling §3.3 Wnb

§3.3 Wnb

Foerageergebied

Verblijfplaatsen

Nee, plangebied is niet essentieel

Ja

-

-

Nee, mits

Verwijderen van

maatregelen

vegetatie en hopen van

worden

puin uitvoeren tussen 1

uitgevoerd

september en 15 maart

Literatuur    

 

Bij12. Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Kennisdocument. Versie 1.0 Juli 2017 Bij12. Gierzwaluw Apus apus. Kennisdocument. Versie 1.0 Juli 2017 Bij12. Huismus Passer domesticus. Kennisdocument. Versie 1.0 Juli 2017 Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging- rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van Economische Zaken. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, lees hier wat de Wet Natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3 december 2016. 13 van 14

Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.

www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.eis-nederland.nl www.ravon.nl © NDFF - quickscanhulp.nl 10-05-2019 14:37:46

14 van 14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=aec7a0ce-e250-4b5e-8a73-60ce5ab0f8ac