CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Broekstraat 5, Esch- Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan

Raadsvergadering Boxtel 16 april 2024, gemeente boxtelBij agendapunt: Bestemmingsplan Broekstraat 5, Esch13.371 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

27

Er zijn op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem is in de fractie > 20 mm geen asbest aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm asbest aangetoond in een gehalte dat de interventiewaarde ruim overschrijdt. Deellocatie D: In de bodem zijn zintuiglijk geen verontreinigen aangetroffen. De bodem is licht verontreinigd met PCB. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Er zijn op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem is in de fractie > 20 mm geen asbest aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm asbest aangetoond in een gehalte dat de interventiewaarde overschrijdt. Conclusie en advies De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de aangetoonde verontreinigingen, bevestigd. Geadviseerd wordt om ter plaatse van de inspoelzones (deellocaties C en D) de aangetoonde asbestverontreiniging middels een door het bevoegd gezag goedgekeurd Plan van Aanpak te saneren. In afwijking van het advies uit het onderzoeksrapport zal in dat Plan van Aanpak ook de verontreiniging ter plaatse van gat B11 worden meegenomen. Gelet op de omstandigheden is het namelijk hoogst aannemelijk dat het om een zeer beperkte verontreiniging gaat.

Op deze manier worden onnodige onderzoekslasten bespaard. Het Plan van Aanpak wordt voorafgaand aan de sloop van de stallen ter goedkeuring aan bevoegd gezag overlegd. Voor het overige terreindeel bestaan geen belemmeringen voor de voorgenomen sloop en nieuwbouw op de onderzoekslocatie.

5.2

Geluid

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Beoordeling plan Het plangebied ligt niet binnen de wettelijke zone van een vliegveld, spoorweg of gezoneerd industrieterrein zoals bedoeld in de Wgh. Daarom zijn deze aspecten niet relevant voor dit plan. Het plangebied ligt echter wel binnen de zone van de Broekstraat, Witvensedijk en Esscheweg. Omdat het hier echter niet gaat om het toevoegen van een woning of reconstructie van een weg is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Hoewel er geen nieuwe toetsing aan de Wet geluidhinder hoeft plaats te vinden, dient in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ wel te worden gemotiveerd dat er gelet op het heersende geluidsniveau sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Op navolgende uitsnede van de kaart ‘Geluid in Nederland (Lcum)’ van Atlas Leefomgeving blijkt dat ter plaatse van de bestaande woning sprake is van een gecumuleerde geluidbelasting van 52 dB. Dit wordt gekwalificeerd als “redelijk” en gelet op de schaal van de kaart is er zodoende sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De waarde 52 dB ligt ter vergelijking met de Wet geluidhinder immers lager dan de maximale ontheffingswaarde voor geluid vanwege een weg op een nieuwe woning in buitenstedelijk gebied (53 dB) en is lager dan de voorkeursgrenswaarde (55 dB) vanwege een spoorweg op de gevels van een woning.

28

Uitsnede van de structuurvisie kaart (deel B) van de Structuurvisie Haaren

5.3

Luchtkwaliteit

Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) De uitwerking van het begrip ‘niet in betekende mate’ staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven.

Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter.

29

Beoordeling plan Dit bestemmingsplan voorziet in een bestemmingswijziging van een bestaande woning aan de Broekstraat 5. Gelet op deze omstandigheden valt het project waarvoor dit bestemmingsplan is gemaakt, zeer ruim onder de ondergrens van de categorie “niet in betekenende mate” bijdragend. Bovendien wordt met dit bestemmingsplan geen gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk gemaakt. Het is dan ook niet nodig om een luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan worden gemotiveerd dat ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Dat kan aan de hand van de kaarten ‘Stikstofdioxide 2020 (NO2)’, ‘Fijn stof 2020 (PM10)’ en ‘Fijn Stof 2020 (PM2,5)’ van RIVM zoals digitaal te raadplegen in de Atlas Leefomgeving. Van die kaarten kan worden afgelezen dat ter plaatse van het plangebied de concentraties ruimschoots onder de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentraties voor NO2 en PM10 (beiden 40 µg/m³) en PM2,5 (25 µg/m³) blijven. Zodoende kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied dusdanig is dat gesproken kan worden over een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit plan.

5.4

Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. Beoordeling plan Met dit bestemmingsplan wordt een bestaand agrarisch bouwvlak gesaneerd waar voorheen een agrarisch bedrijf (veehouderij) was gevestigd. Vanuit deze locaties komt eventuele milieuhinder dan ook volledig te vervallen. De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning, waardoor geen nieuwe wooneenheden worden toegevoegd. In de directe omgeving van de planlocatie liggen voornamelijk woonbestemmingen en een landgoed. Op een afstand van ongeveer 100 meter ten westen van het plangebied ligt een paardenhouderij / -fokkerij.

Volgens bovengenoemde VNG-publicatie en de Handreiking “De paardenhouderij in het omgevingsrecht” geldt hiervoor een richtafstand van 50 meter. Aan die richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Verder komen er binnen 150 meter van het plangebied geen andere relevante functies voor met mogelijke hinder voor de planlocatie. Ter plaatse kan dan ook goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.

5.5

Geur en veehouderijen

Voor de geurbeoordeling van agrarische bedrijven in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt een specifiek toetsingsregime. De Wgv schrijft voor op welke wijze een bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij een milieuvergunning aanvraagt. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten (zoals woningen) en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de ‘omgekeerde werking’ genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder.

30

Voor wat betreft geurhinder en veehouderijen betekent dit enerzijds dat een goed woon- en leefklimaat moet worden gegarandeerd ten opzichte van geurgevoelige objecten, anderzijds mogen veehouderijen en derden niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. In de Wgv wordt onderscheid gemaakt tussen veehouderijen waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Voor de diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, is bepaald hoe hoog de geurbelasting (uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht) mag zijn op een geurgevoelig object. Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld geldt een vaste afstand conform de Wgv. Beoordeling plan Met dit bestemmingsplan wordt een bestaand agrarisch bouwvlak gesaneerd waar voorheen een melkveehouderij was gevestigd. Vanuit deze locaties komt eventuele geurhinder dan ook volledig te vervallen. Er worden geen nieuwe geurgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Wel wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Het betreft een geurgevoelig object dat na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij.

Zodoende geldt volgens de Wgv een vaste afstand van 50 meter tot een veehouderij met welke diersoort dan ook, aangezien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. De dichtstbijzijnde veehouderij is de paardenhouderij / -fokkerij op 100 meter ten westen van het plangebied. Zodoende ligt de betreffende woning op voldoende afstand van veehouderijen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet desondanks worden afgewogen of ter plaatsen een acceptabel woonen leefklimaat kan worden gegarandeerd als de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Dat kan met behulp actuele kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant kan worden bepaald wat de kwaliteit van de leefomgeving ter plaatse is. Uit de kaart is op te maken dat ter plaatse van het plangebied een zeer goed woon- en leefklimaat (0-3 ouE/m³) heerst. Het is dan ook verantwoord de woning Broekstraat 5 om te zetten naar een burgerwoning en zodoende in stand te houden op deze plaats.

Kaart achtergrondbelasting geur. Het plangebied is blauw omcirkeld. (Bron: Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant)

31

Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geurhinder en veehouderij geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.

5.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. 5.6.1 Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling basisnet van toepassing. Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof.

De norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. 5.6.2 Beoordeling plan Dit bestemmingsplan maakt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan geen nieuwe risicobron of nieuw (beperkt) kwetsbaar object mogelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt desondanks de externe veiligheid ten aanzien van de voormalige bedrijfswoning in beeld gebracht.

Uitsnede EV signaleringskaart. Plangebied is met rode marker aangeduid.

32

Risicobronnen De volgende risicobronnen komen in de omgeving van het plangebied voor: • Buisleidingen: Op een afstand van ongeveer 100 meter ten oosten en 200 meter ten zuiden van de planlocatie ligt een buisleiding voor aardgas. Het plangebied ligt niet binnen de PR10-6-contour van de leiding. Slechts een zeer beperkt deel aan de westzijde van het plangebied valt binnen het invloedgebied van de gasleiding (1% letaliteit). Daarom is een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Verderop in deze paragraaf wordt hierop ingegaan. • Transportroute: o Spoorlijn Boxtel-Den Bosch: Op een afstand van ongeveer 900 meter ten oosten ligt de spoorlijn Boxtel-Den Bosch. Wettelijk gezien is de Regeling Basisnet leidend voor wat betreft transport van gevaarlijke stoffen over het spoor. Het nabijgelegen spoortraject (tracé Vught Aansl. - Boxtel) is niet opgenomen in de huidige Regeling Basisnet en formeel gezien hoeft hier dan ook geen rekening mee te worden gehouden. Over deze spoorlijn vindt momenteel ook geen structureel transport van gevaarlijke stoffen in bulk plaats. De spoorlijn maakt echter deel uit van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) Meteren-Boxtel, waarbij in de toekomst transport van gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn kan plaatsvinden.

o Rijksweg A2: Op een afstand van ongeveer 2 kilometer ten oosten van de planlocatie ligt de A2 die is opgenomen in het Basisnet Weg. Het relevante traject ‘A2: Knp. Vught - Knp. Ekkersweijer’ heeft geen plasbrandaandachtsgebied en geen PR10-6-contour. • Inrichtingen: Er zijn geen relevante risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied gelegen. Verantwoording groepsrisico Met dit plan neemt de personendichtheid niet verder toe. Zowel in de huidige als toekomstige situatie is sprake van een woning en verder is er binnen het plangebied geen sprake van (beperkt)kwetsbare objecten. Gelet op de afstand tot de verschillende risicobronnen zijn geen onaanvaardbare risico’s te verwachten. Aangezien het plangebied binnen het invloedsgebied van een hoge druk aardgasleiding is gelegen, is een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig. Gelet op de afstand tot de leiding kan worden volstaand met het Standaard advies scenario fakkelbrand van standaardverantwoording van Brandweer Brabant-Noord (Veiligheidsregio), die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Conclusie Gelet op het voorgaande levert het aspect externe veiligheid geen belemmering op voor dit bestemmingsplan.

5.7

Milieueffectrapportage

Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekking in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve van ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht bij een bestemmingsplan: 1. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; 2. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; 3. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.

33

Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Beoordeling plan Binnen het plangebied wordt een agrarisch bedrijf met overige opstallen en erfverharding gesaneerd. De bedrijfswoning blijft, net als een cultuurhistorisch waardevolle schob, behouden en wordt omgezet naar een burgerwoning . Gelet op de aard en omvang van het plan is geen sprake van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ of ander project dat op de C- of D-lijst voorkomt en waarvoor een (vormvrije) m.e.r.-ontwikkeling nodig is.

5.8

Gezondheid

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid en dat de ontwikkeling op de betreffende locatie verantwoord is gelet op het aspect gezondheid. Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor in de omgeving van agrarische bedrijven Het betreft specifiek de aspecten geitenhouderijen, endotoxinen en spuitzones. In deze paragraaf wordt het project aan deze aspecten getoetst. Daarbij moet op voorhand worden opgemerkt dat de ontwikkeling de sanering van een voormalige veehouderij omvat, waarbij de bestaande bedrijfswoning als burgerwoning wordt behouden. Er wordt dan ook geen nieuw gevoelig object mogelijk gemaakt. 5.8.1 Veehouderijen Naar aanleiding van recente publicaties over mogelijke relaties tussen gezondheidsklachten en de aanwezigheid van veehouderijen is de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 opgesteld. Deze handreiking bevat een stappenplan dat in beginsel is bedoeld om toe te passen bij de ontwikkeling van een veehouderij. Uit onder andere paragraaf 3.2 van de Handreiking volgt echter dat het verstandig is om met behulp van dit stappenplan in te gaan op ruimtelijke plannen voor woningbouw (of andere gevoelige objecten) op veehouderijen in de omgeving.

Het stappenplan vormt in dat geval een afwegingskader voor risico’s vanwege veehouderijbedrijven in de omgeving van een dergelijk project. Beoordeling plan Binnen een straal van anderhalve kilometer van het plangebied komen geen varkens- of pluimveehouderijen voor. De dichtstbijzijnde veehouderij met rundvee is gevestigd op ongeveer 375 meter ten noordwesten van het plangebied. De dichtstbijzijnde paardenhouderij / -fokkerij ligt op ongeveer 100 meter ten westen van het plangebied. Gelet op deze afstanden tot veehouderijen is een toets aan de hand van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 niet nodig. Het plangebied ligt wel binnen een zone van twee kilometer rondom een geitenhouderij, die op ruim 1,6 kilometer ten oosten van het plangebied is gevestigd. Voorliggend bestemmingsplan maakt echter geen nieuwe woning mogelijk en ligt op ruime afstand van de geitenhouderij, ook nog eens buiten de heersende windrichting in Nederland. Dit in combinatie met het van kracht zijnde ‘geitenmoratorium’ en het feit dat andere bestaande (burger)woningen (waaronder de kern Esch) op een kortere afstand van de geitenhouderij liggen, wordt het gezondheidsrisico ter plaatse ondanks de ligging binnen twee kilometer van een geitenhouderij acceptabel geacht. Het aspect gezondheid vanwege veehouderijen vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

34

5.8.2 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Als gevolg van die afweging kan het nodig zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen gevoelige functies zoals woningen en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Beoordeling plan Uit recente (lucht)foto’s is op te maken dat in de omgeving geen boomkwekerij of fruitteelt aanwezig is. Feitelijk komen op dit moment dan ook geen gewassen voor waar opgaand wordt gespoten en zodoende een spuitzone in acht moet worden genomen. De kans hierop is ook gering nu aan de westzijde en noordwestzijde van het perceel een burgerwoning is gelegen en aan de noordzijde een (planologisch beschermd) bosgebied ligt. De zuidelijke gronden zijn in eigendom van initiatiefnemer. Daarnaast bevat het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2020’ bepalingen omtrent het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen ter bescherming van gevoelige functies. Het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen binnen een afstand van 30 meter tot gevoelige functies is aangemerkt als strijdig gebruik. Daarmee is de naar burgerwoning om te zetten voormalige agrarische bedrijfswoning op dit moment al beschermd tegen drift als gevolg van spuiten met gewasbeschermingsmiddelen.

Die bepaling wordt in voorliggend bestemmingsplan overgenomen. Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

35

36

HOOFDSTUK 6. UITVOERBAARHEID 6.1

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente is hiertoe verplicht wanneer er sprake is van een bouwplan in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: • het kostenverhaal anderszins is verzekerd; • het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en • het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Beoordeling plan In dit geval is geen sprake van een bouwplan in de zin van het Bro. Er bestaat dan ook geen wettelijke verplichting tot kostenverhaal voor gemeente Boxtel. Ambtelijke kosten worden gedekt via het heffen van leges.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Omgevingsdialoog Op dinsdag 22 augustus 2023 heeft een bewonersbijeenkomst plaatsgevonden in het kader van de bestemmingsplanwijziging Broekstraat 5 te Esch. De conclusie was dat iedereen kon instemmen met het plan. Het verslag van de bewonersbijeenkomst is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. 6.2.2 Overleg volgens artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg dient te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en diensten van de provincie en het Rijk in zoverre belangen van deze overheden in het geding zijn. Vanwege hun belang bij dit bestemmingsplan wordt dit plan in ieder geval ter vooroverleg toegestuurd aan waterschap De Dommel en de provincie Noord-Brabant. 6.2.3 Zienswijzenprocedure Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegen, na voorafgaande publicatie in het lokale huis-aan-huisblad en het Gemeenteblad. Gedurende de periode van terinzagelegging zal een digitale versie van het bestemmingsplan raadpleegbaar zijn via de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Een ieder heeft de mogelijkheid zijn of haar zienswijze(n) op het plan naar voren te brengen.

37

38

HOOFDSTUK 7. JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 7.1

Onderdelen bestemmingsplan

Het bestemmingsplan ‘Broekstraat 5, Esch’ is een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. Voorliggend document vormt de toelichting bij het bestemmingsplan ‘Broekstraat 5, Esch’. Dit bestemmingsplan heeft een uniek en eigen identificatienummer, namelijk NL.IMRO.0757.BP01Broekstr5Esch-VST1.

7.2

Toelichting op de verbeelding

In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

7.3

Toelichting op de regels

7.3.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Artikel 1 bevat een uitleg van de begrippen die in de planregels voorkomen. Artikel 2 bepaalt de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot. 7.3.2 Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en voor welke doeleinden de in die bestemmingen opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Het wijzigingsplan bevat de volgende bestemmingen: Agrarisch Het voormalige agrarische bouwvlak dat niet bij de woonbestemming wordt betrokken houdt de oorspronkelijke agrarische bestemming, maar dan zonder bouwvlak. Op die manier kan agrarische bodemexploitatie van de gronden worden voortgezet, maar zijn de bebouwingsmogelijkheden beperkt. Groen De bestaande landschapselementen aan de west- en oostzijde hebben de bestemming ‘Groen’ gekregen. De instandhouding van deze landschapselementen is geborgd door de opname van een aanlegvergunningenstelsel in deze bestemming. Tuin Deze bestemming is opgenomen aan de voorzijde (straatzijde) van de woning en cultuurhistorische waardevolle schob.

Binnen de bestemming is het gebruik als tuin toegestaan, maar ook erfontsluiting en parkeren. Gebouwen zijn binnen de bestemming niet toegestaan.

39

Wonen De woning met bijbehorend erf krijgen de bestemming ‘Wonen’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met de daarbij behorende tuinen en ervan en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Voor wat betreft de bouwmogelijkheden is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen (de woning), bijbehorende bouwwerken (aan-, uit- en bijgebouwen), en bouwwerken, geen gebouwen zijnde (zoals erfafscheidingen). Per categorie is daarbij in de regels een maximale maatvoering opgenomen, bijvoorbeeld de maximale goothoogte, bouwhoogte, inhoud en/of oppervlakte. De cultuurhistorisch waardevolle schob heeft een aanduiding gekregen ten behoeve van het behoud ervan. Te onderkennen cultuurhistorische waarden zitten in de exterieure kenmerken van het gebouw: • bouwmassa, naar hoofdafmeting en onderlinge verhoudingen; • dakvorm, nokrichting, dakhelling, dakoverstekken, goot- en daklijsten en schoorstenen; • gevelindeling door ramen, deuropeningen en erkers. In de regels is de schob met een sloopvergunningenstelsel beschermd. Voorts is bepaal dat, in geval van sloop van het hele gebouw of een gedeelte ervan, herbouw dient plaats te vinden conform de te onderkennen cultuurhistorische waarden of vergelijkbaar. Onder de specifieke gebruiksregels is bepaald welke activiteiten strijdig zijn met het wijzigingsplan.

Ook is bepaald onder welke voorwaarden een bedrijf of beroep aan huis kan worden toegestaan. Waarde – Archeologie 2 Ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden is deze dubbelbestemming opgenomen. Binnen dit artikel is bepaald welke bodemingrepen zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. 7.3.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels die gelden voor het hele plangebied. Het betreft de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. Anti-dubbeltegelregel De anti-dubbeltelregel heeft als doel te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie is mogelijk gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruik gemaakt. Algemene bouwregels Dit artikel bevat regels ten aanzien van ondergronds bouwen en ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing. Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat regels ten aanzien algemeen strijdig gebruik.

Daarnaast is geregeld in welke algemene gevallen het bevoegd gezag omgevingsvergunning kan verlenen om een deel van de woning of vrijstaand bijbehorend bouwwerk te gebruiken als afhankelijke woonruimte of voor bed and breakfast. Algemene aanduidingsregels Binnen dit artikel zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de gebiedsaanduiding ‘Overige zone – Natuur Netwerk Brabant ecologische verbindingszone’. Het gaat vooral om beperkingen ten aanzien van het bouwen en verharden ter bescherming van de ecologische verbindingszone. Algemene afwijkingsregels In de algemene afwijkingsregels is geregeld in welke algemene gevallen het bevoegd gezag omgevingsvergunning kan verlenen om van bepaalde regels uit het wijzigingsplan af te wijken.

40

Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen met betrekking tot het verschuiven of overschrijden van bestemmingsgrenzen. 7.3.4 Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregel van het bestemmingsplan. In de overgangsregels is het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik geregeld. In de slotregel is bepaald onder welke titel het plan kan worden aangehaald.

41

42

BIJLAGEN Bijlage 1. Berekening kwaliteitsverbetering van het landschap, Rho Adviseurs; Bijlage 2. Wnb-ontheffing, ODBN; Bijlage 3. Stikstofdepositieberekening, Pittiger in Planologie; Bijlage 4. Actualisatie stikstofberekeningen, Rho Adviseurs; Bijlage 5. Bodemonderzoek, Econsultancy; Bijlage 6. Standaard advies fakkelbrand, Brandweer Brabant-Noord; Bijlage 7. Verslag omgevingsdialoog.

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=017a6bc6-ae2a-4e12-87fe-625b7874c074