A.10 - Bijlage 10 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. 051023 def
Tekst van het document
AANMELDNOTITIE VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING HERONTWIKKELING Wonen op de Donk Den Dungen
Datum:
05-10-2023
Projectnummer: 2021.169 (mer)
Adviesbureau:
Wintraecken Advies B.V.
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies B.V.
1
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING ____________________________________________________________________3 2. KENMERKEN EN PLAATS VAN HET PROJECT ___________________________________4 3. KENMERKEN VAN DE POTENTIËLE EFFECTEN __________________________________6 4. FLORA EN FAUNA EN GEBIEDEN ______________________________________________12 5. CONCLUSIES _________________________________________________________________13
Bijlagen: 1) Quickscan soortenbescherming 2) Stikstofdepositieberekening 3) Landschapsplan Donksestraat Den Dungen 4) Akoestisch onderzoek industrielawaai 160523
2
1. INLEIDING Aan de Donksestraat 19 te Den Dungen, dichtbij het centrum, is een agrarisch bedrijf gevestigd. Achter de woonboerderij staan diverse stallen en schuren voor deze bedrijfsvoering in combinatie met een kleinschalig graafmachineverhuurbedrijf. De agrarische- en verhuuractiviteiten op deze locatie worden beëindigd. Door het verwijderen van de bebouwing en het vervallen van de milieuhinder komt hierdoor ruimte voor de ontwikkeling van woningbouw aan de rand van Den Dungen. Meer concreet betreft onderhavig planvoornemen de oprichting van 43 – netto: 41 – nieuwe woningen in verschillende segmenten en voor verschillende doelgroepen, ten westen van en direct aansluitend op de kern van Den Dungen. Het plan ‘Wonen op de Donk’ krijgt hiermee een totaal van netto 41 nieuwe woningen omdat de woonboerderij aan de Donksestraat 19 behouden blijft en wordt gesplitst in 2 woningen en aan de Donksestraat 19b, planologisch-juridisch beschouwd, reeds een woning is toegestaan. Verder krijgen waterberging, infrastructuur (waaronder parkeervoorzieningen) en groeninrichting een expliciete plek binnen het planvoornemen. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).
Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Op de planlocatie wordt in het kader van de kruimelgevallenregeling de realisatie van extra wooneenheden mogelijk gemaakt. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’.
Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. De planlocatie behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort de planlocatie niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.
3
2. KENMERKEN EN PLAATS VAN HET PROJECT 2.1. Gegevens inrichting Naam / adres: Donksestraat 19 Den Dungen 2.2. Beschrijving activiteit 2.2.1. Huidige situatie Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 60 meter van de kerk, het dorpshart van Den Dungen. Het plangebied is gelegen ten westen van de kern Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel. De directe omgeving van het plangebied wordt gevormd door agrarische gronden (aan de westzijde), woningen (aan de noord- en westzijde) en niet-agrarische bedrijvigheid in de vorm van een landbouwmechanisatiebedrijf en een kantoor (aan de zuidzijde).
Op de hierna volgende luchtfoto’s zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied rood omlijnd aangegeven (bron: maps.google.nl).
4
2.2.2. Beschrijving van het project Het (bouw)plan ziet op de oprichting van 43 – netto: 41 – nieuwe woningen in verschillende segmenten en voor verschillende doelgroepen: mix van koop- en huurwoningen, type woningen, grootte kavels, circa 20% onder de huurtoeslaggrens.
Voor wat betreft de gemaakte stedenbouwkundige en landschappelijke analyse, uitgangspunten, visie en keuzes, beeldkwaliteit, verkavelingsopzet e.d. wordt op de eerste plaats verwezen naar het ‘Landschapsplan Donksestraat Den Dungen’ van Van Dooren Landschap. Dit landschapsplan is als bijlage 3 opgenomen. De planlocatie is altijd in agrarisch gebruik geweest en ligt aan de rand van de kern van Den Dungen in een als zodanig aangewezen bebouwingsconcentratie. De Donksestraat vormt als het ware een van de bestaande dorpsafrondingen van de kern Den Dungen. 2.3. Locatie activiteit Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel” (onherroepelijk: 2013) geldt dat voor het plangebied de bestemming ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ (deels) en ‘Waarde – Archeologie 4’ (deels) vigeren. Verder zijn nog de gebiedsaanduidingen ‘bebouwingsconcentratie’, ‘historisch landschappelijk gebied’, ‘archeologische verwachtingswaarde 2’ en ‘reconstructiewetzone – verwevingszone’ van toepassing. Bouwwerken mogen enkel worden opgericht binnen het (agrarische) bouwvlak en ter plaatse zijn maximaal twee wooneenheden toegestaan. Op de uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan “Buitengebied SintMichielsgestel” – zie navolgende afbeelding – zijn de ligging en globale begrenzing van het plangebied rood omlijnd aangegeven.
5
2.4. Tijdspad / procedure Initiatiefnemer kan de ontwikkeling realiseren middels een bestemmingsplanprocedure.
3. KENMERKEN VAN DE POTENTIËLE EFFECTEN De kenmerken van de potentiële effecten op het milieu worden toegelicht in de volgende paragrafen. 3.1. Geurhinder en bedrijven en milieuzonering Geurhinder (Wgv) In de directe omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. Gesteld kan worden dat de individuele hinder van veehouderijen geen belemmeringen oplevert. De cumulatieve geurbelasting bedraagt minder dan 3 odour units, wat neerkomt op een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat. Aan het gestelde in de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente SintMichielsgestel’ en de ‘Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 gemeente SintMichielsgestel’ kan worden voldaan. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats buiten de geurcontouren van 14,0 ouE/m3 van alle veehouderijen in de omgeving. Als norm voor de afstanden geldt 50 meter. Binnen 50 meter van de ruimtelijke ontwikkelingen liggen geen veehouderijen. Voor de achtergrondbelasting bestaan geen normen, maar kan de mate van geurhinder worden beoordeeld op basis van geurhinderpercentages. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001).
De geursituatie beschrijven wij in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. De
6
voorziene ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats in een gebied met een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat (op basis van de achtergrondbelasting). De voorgrondbelasting, afstanden en achtergrondbelasting vormen geen knelpunt voor de ruimtelijke ontwikkeling. Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) Ten behoeve van het planvoornemen is door G&O Consult een akoestisch onderzoek naar de gevolgen van het industrielawaai uitgevoerd. Conclusie van het onderzoek is dat ter hoogte van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de inrichting aan de Donksestraat 17b niet verder beperkt in zijn planologische mogelijkheden. Hierna is de conclusie letterlijk overgenomen uit de onderzoeksrapportage. Het integrale rapport is als bijlage 4 toegevoegd. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A) etmaalwaarde wordt met de representatieve bedrijfssituatie overschreden ter hoogte van de beoogde bestemmingplan grens. Ook vinden er overschrijdingen plaats met de maximale geluidsniveaus van 65 dB(A) etmaalwaarde op de bestemmingplan grens én op enkele beoogde woningen. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A) etmaalwaarde wordt met de maximaal toegestane geluidsbelasting van een categorie 3.1 bedrijf overschreden ter hoogte van de beoogde bestemmingplan grens.
Ook vinden er overschrijdingen plaats met de maximale geluidsniveaus van 65 dB(A) etmaalwaarde op de bestemmingplan grens. Ter hoogte van de tuinen aan de zuidkant van de planlocatie heerst een redelijk tot goede milieukwaliteit. Ter hoogte van de overige buiten ruimte heerst een redelijk tot goede milieukwaliteit. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijke tot goed woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden verondersteld dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. Met inachtneming van de opmerkingen genoemd in hoofdstuk 6.2 is ter hoogte van de beoogde woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De inrichting aan de Donksestraat 17b te Sint –Michielsgestel wordt door de realisatie van de woningen niet verder beperkt in zijn planologische mogelijkheden. Gevolgde stappen: De ontwikkeling vindt plaats binnen de geluidcontour van een bedrijf waardoor stap 2 noodzakelijk is. Hiervoor is een akoestisch onderzoek opgesteld. Uit de berekeningen blijkt dat: • Voor het gemiddeld geluidniveau zowel in de maximale bestemmingsplansituatie als de representatieve situatie voldaan wordt aan de toetsing voor een rustig gebied conform stap 2.
• Voor het piekgeluid vanuit de maximale bestemmingsplansituatie wel en voor de representatieve situatie niet voldaan wordt aan de toetsing voor een rustig gebied conform stap 2 • Voor het piekgeluid wordt – op 1 dB in de dagperiode na - wel voldaan aan de normering behorende bij stap 3. Het toepassen van stap 3 kan worden gemotiveerd: • Maatregelen aan de bron of in de overdracht zijn niet reëel. • Activiteiten die leiden tot overschrijdingen vinden alleen in de dagperiode plaats. • Er is ter plaatse van de woningbouwontwikkeling sprake van een redelijk tot goed woon- en leefklimaat. • Met een wettelijk gegarandeerde standaard gevelwering van 20 dB wordt in de nieuwe woningen ruim voldaan aan het geluidniveau uit het Bouwbesluit.
7
In de nabijheid van het plangebied komt geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het initiatief. Daarnaast levert het initiatief ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven. Spuitzones Op de naast het plangebied gelegen percelen wordt gras geteeld. Een boomgaard ligt op een ruime afstand van 220 meter Dit blijkt uit navolgende afbeelding.
Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over de minimaal aan te houden afstand tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen woningen en gevoelige functies. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woningen. De 50 meter afstand is echter een indicatieve en willekeurige afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten en spuitfrequentie intensiever dan bijv. bespuitingen in de lage bomenteelt of aardappelteelt. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht.
Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering Op basis van jurisprudentie kan worden gesteld dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk wordt geacht. Daarnaast is het op basis van jurisprudentie mogelijk om deze afstand te verkleinen als daar onderzoek aan ten grondslag ligt en dient per geval een locatiespecifieke afweging plaats te vinden. Hierbij dient opgemerkt te worden dat vrijwel alle jurisprudentie en discussie met betrekking tot spuitzones betrekking heeft op het telen van fruit- en laanbomen. Dit
8
is dus niet van toepassing op de boomgaard die op 220 meter afstand van het plangebied ligt. Op omliggende gronden wordt alleen gras geteeld. Ten aanzien van onkruidbestrijding bij gras wordt direct op de bodem gespoten waardoor geen sprake is van verwaaiing van de bestrijdingsmiddelen. De 50 meter zone is gebaseerd op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zonder driftreductie bij fruitbomen. Op grond van uit artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit geldt dat er bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen tenminste 75% driftreductie moet worden behaald. Daarbij wordt over het algemeen aangenomen dat de spuitzones vanwege de voorgeschreven driftreductie van 75% kleiner zijn dan de gangbare 50 meter die in beginsel werd gehanteerd voor de beschreven wijziging van het Activiteitenbesluit. Spuitapparatuur moet vanaf 1 januari 2019 voorzien van zijn van een drukregistratievoorziening. Het plangebied grenst op 220 meter aan een boomgaard waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Voor het overige is het perceel aan de Donksestraat voor meer dan de helft ingeklemd tussen de woningen en tuinen. Hiermee is de locatie al gelegen tussen de gevoelige functies. Er is daardoor sprake van een beperkte verdichting van de bebouwingsrand. Concluderend kan worden gesteld dat ter plaatse van de beoogde woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden geborgd.
Doordat de gronden al omringd zijn door de aanwezigheid van gevoelige functies is er geen sprake van een significante verslechtering van de gebied. Het aspect spuitzonering vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Vanuit de aspecten geurhinder en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan. 3.2. Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie.
De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; • een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk
9
effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven.
De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3%. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken). De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. In de context van het besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als ‘gevoelige bestemming’ gezien. Doorwerking plan(gebied) Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt.
Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen een zone van 300 meter vanaf de rand van een Rijksweg en ook niet binnen een zone van 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg.
10
Het plan heeft geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Den Dungen ook geen negatieve invloed op het plangebied. Ter toelichting kan worden vermeld dat de huidige luchtkwaliteit nabij het plangebied globaal afgeleid kan worden uit beschikbare informatie aan de hand van: • het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie fijnstof (PM10) boven 50 µg/m3; • de grenswaarde voor jaargemiddelde fijnstofconcentratie van 40 µg/m3; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (40 µg NO2/m3). Op de website van het milieu- en natuurplanbureau zijn grootschalige concentratiekaarten (GCN-kaarten) van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Uit de gegevens blijkt dat voor Sint-Michielsgestel het volgende geldt: • het aantal dagen dat overschrijding van het daggemiddelde concentratie fijnstof plaatsvindt is minder dan 25. De norm van 35 dagen of meer wordt niet overschreden; • het jaargemiddelde fijnstofconcentratie bedraagt 25-30 µg/m3. Deze blijft daarmee onder de norm van 40 µg/m3; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide ligt tussen de 10-30 µg NO2/m3.
Deze blijft beneden de norm van 40. De normen voor luchtkwaliteit worden in de huidige situatie niet overschreden. Op navolgende afbeelding, afkomstig van de NSL-monitoringstool, zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 nabij het plangebied (op ruim 1 kilometer afstand) weergegeven. Uit de afbeelding blijken de volgende concentraties NO 2, PM10 en PM2,5.
Onderstaand vastgestelde waarden van een selectie van dichtstbijzijnde rekenpunten.
11
De immissienormen voor deze stoffen volgen uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer en bedragen: - NO2: 40,0 μg/m3 - PM10: 40,0 μg/m3 - PM2,5: 25,0 μg/m3 Op een afstand van meer dan1 kilometer meter van de weg (de rekenpunten uit de NSLmonitoringstool) wordt ruimschoots aan de normen voor luchtkwaliteit voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan. Het plan heeft derhalve geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Den Dungen ook geen negatieve invloed op het plangebied. Het plan zelf biedt daarmee geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. De realisatie van het plan houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit. Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
4. FLORA EN FAUNA EN GEBIEDEN Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb) Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn. Hierbij moet voor de beoogde situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden.
Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van de geplande woningen heeft Exlan een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd. Hierna is de conclusie van het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 1 opgenomen.
12
Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden.
Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Daarnaast heeft G&O Consult onderzoek uitgevoerd naar de met de ontwikkeling samengaande mogelijke stikstofdepositie. In het stikstofdepositieonderzoek is voor de aanleg- en gebruiksfase van het plan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn (zie bijlage 2). Conclusie Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
5. CONCLUSIES Het realiseren van de woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Echter, gelet op het kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r., de ligging van het plangebied (niet in de buurt van een Natura 2000gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. Onderliggend plan wordt derhalve niet gezien als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van het Besluit m.e.r. (onderdeel D, categorie D.11.2).
13