6 - Bijlage 2 - Quickscan Wet natuurbescherming ANO (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Bodenven 1 te Den Dungen Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-1153
Datum:
6 december
2022
(geanonimise rd)
Samensteller:
Collegiale toets: Opdrachtgever: Contactpersoon:
Disclaimer Blom
Ecologie
werkzaamheden Niets
B.V.
is
niet
aansprakelijk
en/of gegevens verkregen
voor van
schade
die
voortkomt
uit
toepassing
van
de
resultaten
van
Blom Ecologie B.V.
uit deze
rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. worden
BLOM
ECOLOGIE
Inhoud 1 Inleiding
4
1. 1
Planlocatie
5
1. 2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2. 1
Uitvoering onderzoek
7
2. 2
Soortenbescherming
7
2. 3
Gebiedsbescherming
9
2. 4
Houtopstanden
10
2. 5
Houdbaarheid en toepassing
10
3 Beoordeling
11
3. 1
Soortenbescherming
11
3. 2
Gebiedsbescherming
18
3. 3
Houtopstanden
19
4 Samenvatting
20
4. 1
Soortenbescherming
20
4. 2
Gebiedsbescherming
20
4. 3
Houtopstanden
20
5 Conclusie
21
5. 1
Conclusie
21
5. 2
Uitvoerbaarheid
21
5. 3
Vervolgstappen
21
5. 4
Te treffen maatregelen
22
Inleiding Aan
de Bodenven 1 te Den Dungen is een bedrijfsperceel met bedrijfspand en een bedrijfswoning gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bedrijfsbebouwing op de planlocatie te slopen ten behoeve van 5 nieuwe woningen. Het perceel wordt hierbij ook opgesplitst. De bedrijfswoning blijft behouden en veranderd naar een burgerwoning. De bedrijfswoning blijft in de huidige staat behouden. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van Bedrijf" naar ‘Wonen’. De
beoogde
ruimtelijke ingreep
mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna beschermde natuurgebieden (soortenbescherming), (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten te van de ruimtelijke ingreep daarop. Wintraecken
Advies
heeft
B.V.
begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. onderzoeken
Onderzoeksdoelen e
Is
het
bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven zoals het bepaalde in de Wro (art. 5.1.6 Bro)? krachtens de Wet Welke, natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura of de kenmerken en waarden van beschermde 2000-gebieden wezenlijke provinciaal aangewezen gebieden? Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke? uitvoerbaar
e
e
e
e
(geanonimiseerd)
Figuur1.1
De
planlocatie
is
gelegen
aan
de Bodenven
1 te Den
Dungen.
4
on ECOLOGIE BLOM
1. 1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Bodenven 1 te Den Dungen (figuur 1. 2) . De planlocatie betreft een bedrijfsperceel met een bedrijfspand en een bedrijfswoning. Het bedrijfspand bestaat uit gemetselde muren met luchtspouw en een zadeldak bedekt met metalen damwandplaten. Aan de zuidzijde van het perceel is een grasveld met een vijver en bomen gesitueerd. De rest van het perceel is verhard in de vorm van bestrating. In figuur 1. 3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1. 2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Bodenven 1 te Den Dungen.
De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door bebouwd gebied. Ten zuidwesten zijn agrarische percelen gesitueerd. Het centrum van Leur ligt op circa 900 m ten noorden van de planlocatie. Circa 1, 9 km ten noordoosten ligt de ‘Zuid-Willemsvaart’. De dichtstbijzijnde provinciale weg betreft de N617 en is gelegen op circa 950 m ten zuidwesten van de planlocatie.
Figuur 1. 3
Op de planlocatie is men voornemens om het bedrijfspand te slopen.
5
Figuur 1. 4
1. 2
Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een bedrijfspand ten behoeve van 3 nieuwe woningen. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •
slopen van bedrijfsbebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwe woningen: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
6
IN Methode Dit
oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering Het
onderzoek
veldbezoek
is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 22 november 2022 en is De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: uitgevoerd door ing. droog, 7/8 bewolkt, 5° Celsius en windkracht 0-1(Bft). wordt
een
(geanonimiseerd)
Vaak
zijn
planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de van het karakter en van de kan een afstand planlocatie. Afhankelijk ligging planlocatie afwijkende aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna. worden
2.2
er
al gegevens
onder
andere
bekend
beheerd
over
een
in
Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vaogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 5.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 5.5) en Andere soorten (Wnb art. 5.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijf plaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht.
Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1.
2.
5.
Het
is verboden
opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid e vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.
4.
Het
is verboden
Het
verbod, bedoeld
vogels als bedoeld in het vierde
invloed is op de staat
in het eerste lid
lid, is niet
instandhouding
van
van
van
de
opzettelijk te storen. toepassing indien de storing desbetreffende vogelsoort.
niet
van
wezenlijke
Habitatrichtlijn (Wnb art. 5.5) 1.
Het
is verboden
in het
wild levende
dieren
van
soorten,
Habitatrichtlijn, bijlage bij Verdrag natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk
van
Bern
Il
2. 5.
het
Het
is verboden
dieren als bedoeld
Het
is verboden
eieren
van
in het
of
genoemd in bijlage IV, onderdeela, bij de bijlage | bij het Verdrag van Bonn, in hun
te doden
of te vangen.
eerste lid
opzettelijk te verstoren.
dieren als bedoeld
in het eerste
lid in de natuur
rustplaatsen
van
opzettelijk te vernielen
of te rapen. 4.
Het e
is verboden
beschadigen
de
voortplantingsplaatsen
of
dieren als bedoeld
in het eerste lid
of te vernielen.
7
GA ECOLOGIE BLOM
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3. 10) 1. Onverminderd artikel 3. 5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2. 1 Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Havik Ooievaar Sperwer Buizerd Huismus Ransuil Steenuil Gierzwaluw Kerkuil Roek Wespendief Grote gele kwikstaart Oehoe Slechtvalk Zwarte wouw Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Ekster Kleine bonte specht Tapuit Boerenzwaluw Gekraagde roodstaart Kleine vliegenvanger Torenvalk Bonte vliegenvanger Glanskop Koolmees Zeearend Boomklever Grauwe vliegenvanger Kortsnavelboomkruiper Zwarte kraai Boomkruiper Groene Specht Oeverzwaluw Zwarte mees Bosuil Pimpelmees Grote bonte specht Zwarte roodstaart Brilduiker Hop Raaf Zwarte specht Draaihals Huiszwaluw Ruigpootuil Eidereend IJsvogel Spreeuw
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3. 10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1. 11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:
8
Tabel 2. 22 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie NoordBrabant. Vrijgestelde soorten Aardmuis Bastaardkikker Bosmuis Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis
2. 3
Gewone pad Haas Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn Meerkikker Ondergrondse woelmuis Ree
Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wild zwijn Woelrat
Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.
Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Brabant Binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingplan van toepassing op het Natuurnetwerk Brabant strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken. Binnen het Natuurnetwerk Brabant gelden regels omtrent nieuwe ontwikkelingen. Zo is bijvoorbeeld het realiseren van nieuwvestiging toegestaan als een deel van het desbetreffende NNB door stedelijke gebied loopt, en de nieuwvestiging geen aantasting geeft aan de ecologische waarden en kenmerken van het NNB. Wanneer er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn, zijn ontwikkelingen binnen het NNB ook mogelijk. Bij verlies van ecologische waarden en kenmerken geldt een compensatieplicht. Groenblauwe mantel De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuurnetwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe mantel.
Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal) intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-) intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden. Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Het concrete beleid in een gebied behorend tot de groenblauwe mantel is uitgewerkt door de desbetreffende gemeente. 9
2. 4
Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m 2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4. 1) :
a) b) c) d) e) f)
houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; houtopstanden op erven of in tuinen; fruitbomen en windschermen om boomgaarden; naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; kweekgoed; uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2. 5
Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
10
3 Beoordeling 3. 1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: bokkenorchis en groot spiegelklokje (NDFF 2012-2022) . Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: conifeer, gewone klimop, gewone melkdistel, grote brandnetel, haagbeuk, hazelaar, kleine maagdenpalm en zomereik. Verharding is aanwezig in de vorm van bestrating. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De bokkenorchis komt voor op zonnige tot halfbeschaduwde, matig droge tot matig vochtige, voedselarme en kalkrijke gronden. De soort groeit voornamelijk op zeeduinen, graslanden (c. q. kalkgrasland en hooiland) , bosranden en bermen (wilde-planten Bokkenorchis, 2022) .
Het groot spiegelklokje komt voor op zonnige, open, vochtige, matig voedselrijke en kalkrijke gronden. De groeiplaatsen van de soort zijn hierbij akkers, bermen, dijken, braakliggende grond en langs spoorwegen (wilde-planten Groot spiegelklokje, 2022) . De planlocatie betreft voor de bokkenorchis en groot spiegelklokje geen geschikte standplaats. Tevens kent de tuin een goed onderhoudsbeeld. De aanwezigheid van de bokkenorchis en groot spiegelklokje is derhalve uitgesloten. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, damhert, das, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2012-2022) .
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, damhert, das, rode eekhoorn en steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever leeft in de buurt van watergangen met voldoende bomen of struweel aan de oever. Op de planlocatie is oppervlaktewater alleen aanwezig in de vorm van een vijver. In de omgeving van de planlocatie zijn ook geen watergangen aanwezig met een struweelrijke oever. Negatieve effecten ten aanzien van de bever kunnen worden uitgesloten. Het damhert leeft in lichte loofbossen en gemengde bossen. Heeft voorkeur voor oudere bossen met dichte onder begroeiing. Belangrijk is de aanwezigheid van voldoende gras. Komt ook voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden (Zoogdiervereniging Damhert, 2022) . Het damhert is éénmaal waargenomen 2 km ten zuiden van de planlocatie en betreft een ontsnapt individu. De planlocatie betreft een bedrijfsperceel met een bedrijfspand en een onderhouden tuin. De planlocatie betreft geen bosgebied en er zijn geen bosgebieden aanwezig in de buurt van de planlocatie.
11
De planlocatie betreft derhalve geen essentieel leefgebied. Negatieve effecten ten aanzien van het damhert kunnen uitgesloten worden. De das komt voor in gebieden met kleinschalige akker- en weidelandschappen waar voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen aanwezig zijn. Belangrijk voor de das dat er voldoende voedselaanbod is, een goed vergraafbare grond en voldoende dekking aanwezig is in de buurt van de burcht (Bij12 kennisdocument Das, 2017) . De das is op circa 1, 3 km afstand van de planlocatie waargenomen (NDFF 2012-2022) . Op of rond de planlocatie is geen dassenburcht aanwezig. Het grasperceel aan de zuidzijde van de planlocatie is omheind met hekwerk en is derhalve niet goed toegankelijk voor de das. Tevens kent de tuin een hoog onderhoudsbeeld en wordt de planlocatie intensief gebruikt. Vanwege de mate van verstoring en alternatief leefgebied ten zuidwesten van de planlocatie, is de aanwezigheid van de das op de planlocatie derhalve uitgesloten. De rode eekhoorn leeft in bosrijke gebieden zoals loofbossen of gemengde bossen. De soort nestelt in boomholten, oude nesten van kraaien of eksters, of nestkasten. De rode eekhoorn is op circa 720 m afstand van de planlocatie waargenomen (NDFF 2012-2022) .
Op de planlocatie zijn geen grote aaneengesloten bosgebieden aanwezig waar de rode eekhoorn gebruik van kan maken en er zijn geen kapwerkzaamheden beoogd op de planlocatie. Tussen de dichtstbijzijnde waarneming en de planlocatie is stedelijk gebied aanwezig en er zijn geen begeleidende groenstructuren aanwezig waar de rode eekhoorn gebruik van kan maken. Tevens zijn er geen nesten aangetroffen van de rode eekhoorn in de bomen op de planlocatie. De aanwezigheid van de rode eekhoorn op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De steenmarter leeft in kleinschalig parklandschap, in de buurt van boerderijen, dorpen of steden. Voor het vinden van voedsel zijn houtwallen, bosjes of greppels van belang. De soort gebruikt boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders of kruipruimtes als schuilplaats (Zoogdiervereniging Steenmarter, 2022) . Op circa 740 m afstand van de planlocatie is de steenmarter waargenomen (NDFF 2012-2022) . Op de planlocatie zijn geen takken- of steenhopen, dichte struwelen of boomholten aanwezig. Tevens zijn in de bebouwing geen openingen welke gebruikt kunnen worden door steenmarter of sporen (c. q. latrines of prooiresten) aangetroffen. De planlocatie betreft derhalve geen rust- of voortplantingsplaats. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden ook geen groenstructuren weggenomen.
Negatieve effecten ten aanzien van de steenmarter kunnen derhalve uitgesloten worden. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, egel, huismuis en mol. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3. 10) . Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2012-2022) . Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3. 5) . Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5. 4) .
12
Op
de
planlocatie zijn
alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijf plaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijf plaatsen aangetroffen. Er worden geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijf plaatsen van boombewonende vleermuizen.
bastdelen, scheuren,
De
slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijf plaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijf plaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bedrijfsbebouwing bestaat uit gemetselde muren met en een metalen damwandplaten dak. Invliegopeningen zijn aanwezig onder de dakgoot en luchtspouw in stootvoegen. Via deze openingen kunnen gebouw bewonende vleermuizen de luchtspouw betreden. Tevens istijdens het veldbezoek een gewone dwergvleermuis waargenomen tussen de muur en houten lat aan de noordzijde van het bedrijfspand. Hierdoor is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het van Gebaseerd de bekende wegnemen vleermuisverblijfplaatsen. op de van de en het verspreidingsgegevens, ligging planlocatie (stedelijk gebied) type bebouwing is voor van de vleermuissoorten: potentie verblijfplaatsen volgende gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis (tabel 5.1).
Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels veldbezoeken in de periode april-september H5.5). (zie te
Naast
de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden geen groen- of lijnvormige structuren weggenomen. Een essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute wordt derhalve niet aangetast.
(geanonimiseerd)
Figuur 3.1
Invliegopeningen
voor
stootvoegen(boven). een
gewone
gebouw Tevens
bewonende
vleermuizen
is tijdens het veldbezoek
zijn aanwezig onder de dakgoot en de noordzijde van het bedrijfspand
aan
dwergvleermuis aangetroffen (onder).
15
on ECOLOGIE BLOM
Tabel 3. 1
Samenvatting van de beoordeling van verblijfplaatsen, foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten.
essentiële
vliegroute
en
Vleermuissoort Gewone dwergvleermuis
Potentie
Onderbouwing
Ja
Ruige dwergvleermuis Laatvlieger
Ja Nee
Geschikte openingen in bebouwing en waargenomen individu Geschikte openingen in bebouwing
Gewone grootoorvleermuis
Nee
Ligging in stedelijk gebied en licht verstoring in de omgeving
Meervleermuis
Nee
Watervleermuis
Nee
Afwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving en buiten bekende verspreiding Geen bomenkap
Rosse vleermuis
Nee
Geen bomenkap
Tweekleurige vleermuis
Nee
Buiten bekende verspreiding en afwezigheid van zeer hoge bebouwing voor paarverblijfplaatsen
Vleermuizen algemeen Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute Essentieel foerageergebied
Potentie Nee
Onderbouwing Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen
Nee Nee
Geen aantasting van lijnvormige structuren Geen aantasting van houtopstanden met oppervlaktewater
Geen geschikte openingen bebouwing
van
voldoende
Tabel 3. 2 Samenvatting van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie. Vleermuissoort Zomer Kraam Paar Gewone dwergvleermuis Ja Ja Ja Ruige dwergvleermuis Ja Nee Ja
grootte
in
struweel en
Massawinter Nee Nee
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2012-2022) . Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander en poelkikker. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De kamsalamander leeft in kleinschalige, bosrijke landschappen met houtwallen of struweel. Voortplantingswateren van de soort betreffen poelen, vijvers, matig voedselrijke vennen en leemputten. De soort heeft hierbij een voorkeur voor diepe, geïsoleerde en stilstaande wateren, welke gedeeltelijk zijn begroeid met watervegetatie en geen vis bevat. De soort overwinterd onder stenen, bladafval, in gaten onder wortels en holen (BIJ12 kennisdocument Kamsalamander, 2017) . De kamsalamander is tweemaal op circa 1, 5 km afstand ten zuidwesten van de planlocatie waargenomen en dit betreffen waarnemingen uit 2016 en 2020 (NDFF 2012-2022) . Tussen de waarneming en planlocatie zijn geen poelen aanwezig en de provinciale weg N617 is ertussen gelegen.
Gezien de afstand, afwezigheid van tussen poelen en de aanwezigheid een barrière in de vorm van een weg, wordt de aanwezigheid van de kamsalamander op de planlocatie niet verwacht.
14
Tevens wordt de vijver in de beoogde ruimtelijke ingreep niet aangetast. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de kamsalamander uitgesloten. De poelkikker komt voor in hoogveen, heide, halfnatuurlijke graslanden, laagveen en agrarisch gebied. De soort plant zich voort in vennen, hoogveenputten, kleine wateren, rivierbegeleidende wateren, veedrinkpoelen en sloten. Deze wateren zijn voornamelijk voedselarm tot matig voedselrijk en bevatten een goede waterkwaliteit en een rijke begroeiing van oever- en watervegetatie (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017) . De poelkikker is éénmaal waargenomen op circa 2 km afstand van de planlocatie (NDFF 2012-2022) . De vijver aan de zuidzijde van de planlocatie bevat geen watervegetatie en is voor een deel begroeid met klimop. Gezien er geen rijke oever- en watervegetatie aanwezig is en voor de poelkikker de oeverzone goed begroeid moet zijn, is de aanwezigheid van de poelkikker derhalve uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022) . Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022) . Op de planlocatie is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van een vijver. Deze vijver wordt niet gedempt of aangetast. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: iepenpage en teunisbloempijlstaart (NDFF 2012-2022) . De iepenpage leeft in vochtige bossen, bosranden, parken en grotere tuinen. De soort gebruikt iepen, zoals gladde iep of ruwe iep, als waardplant. Op de planlocatie zijn geen waardplanten van de iepenpage waargenomen, zoals gladde iep of ruwe iep. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden ook geen bomen gekapt. Negatieve effecten ten aanzien van de iepenpage kunnen derhalve worden uitgesloten. De teunisbloempijlstaart leeft in vochtige bossen, bosranden en op warme open plaatsen, waarbij de soort gebruik maakt van braakliggende of ruderale terreinen. Waardplanten van de teunisbloempijlstaart zijn de teunisbloem, kattenstaart, basterdwederik en het wilgenroosje. Soms worden tuinplanten als fuchsia gebruikt als waardplant. De overwintering vindt plaats als pop in de strooisel laag (Vlinderstichting Teunisbloempijlstaart, 2022) .
Deze warmteminnende soort is op het moment bezig met een opmars in Nederland, mogelijk door de gemiddelde temperatuurstijgingen van de afgelopen jaren. Gezien de soort meebeweegt c. q. opduikt met pioniersvegetatie (zoals teunisbloem) kennen de imago’s een zwervend karakter. Op de planlocatie zijn geen waardplanten, zoals de teunisbloem, kattenstaart, basterdwederik, wilgenroosje of fuchsia waargenomen. Het is niet uit te sluiten dat deze waardplanten op de planlocatie kunnen groeien. Gezien het grasperceel wordt onderhouden en groenstructuren in de beoogde ruimtelijke ingreep niet worden aangetast, zijn negatieve effecten ten aanzien van de teunisbloempijlstaart uitgesloten.
15
Op de planlocatie is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, huismus, kauw, koolmees en merel. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022) . Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied.
Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is. (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2022) . Het bedrijfspand beschikt over een dak bekleed met metalen damwandplaten. In de bolling van de damwandplaten zit vogelwering. De dakruimte is niet toegankelijk voor de huismus. De aanwezigheid van de huismus in de bedrijfsbebouwing is derhalve uitgesloten.
Figuur 3. 2 Vogelwering onder de metalen damwandplaten. toegankelijk voor huismussen.
De ruimten onder het dak zijn niet
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen) daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017) . Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. 16
Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Het bedrijfspand beschikt over een metalen damwandplaten dak. In de bebouwing zijn geen invliegopeningen aanwezig waar de gierzwaluw de dakruimte kan betreden. Nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie zijn derhalve uitgesloten. Op de planlocatie zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van roofvogelsoorten. De planlocatie wordt intensief gebruikt en er is voldoende alternatief leefgebied in de directe omgeving aanwezig. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten.
De bomen en struiken op de planlocatie vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
17
3. 2
Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 4, 4 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ (figuur 3. 1) .
Figuur 3. 3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 4, 4 km tot het Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ (bron: nationaal Georegister PDOK) . De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van het bedrijfspand en de realisatie van 3 woningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc. ) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien er sprake is van een grote afstand (4, 4 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Brabant of de Groenblauwe mantel. Op een afstand van circa 1 km ligt het Natuurnetwerk Brabant (figuur 3. 2) . Op een afstand van circa 670 m ligt de Groenblauwe mantel (figuur 3. 3) . Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
18
Figuur 3. 4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1 km tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: www. noord-brabant. tercera-ro. nl) .
Figuur 3. 3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 670 m tot de Groenblauwe mantel (bron: www. noord-brabant. tercera-ro. nl) .
3. 3
Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een kapmelding in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
19
4 Samenvatting 4. 1
Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar gebouw bewonende vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli) . Tabel 4. 1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)
4. 2
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
art. 3. 5
Ja
Mogelijke functie planlocatie
Verblijfplaatsen
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4. 2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming Natura 2000 Natuurnetwerk Brabant Groenblauwe mantel
4. 3
Afstand 4, 4 km 1 km 670 m
Mogelijke effecten Geen Geen Geen
Nader onderzoek N. v. t. N. v. t. N. v. t.
Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
20
5 Conclusie 5. 1
Conclusie De sloop van de bedrijfsbebouwing en de nieuwbouw van 3 woningen aan de Bodenven 1 te Den Dungen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3. 1. 6 Bro) .
5. 2
Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor gebouw bewonende vleermuizen (soortenbescherming) . Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd) . Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
5. 3
Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vier gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB) . Hiervan dienen twee rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3. 1 en 3. 2 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute.
21
5. 4
Te treffen maatregelen • •
•
• •
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht) . Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes) . Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) . De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli) . Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E. e.
a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
22
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www. arcgis. com www. bij12. nl www. nationaalgeoregister. nl www. ndff. nl www. noord-brabant. tercera-ro. nl www. vleermuisprotocol. nl www. vlinderstichting. nl www. zoogdiervereniging. nl
Bijlage 1 Bijlage 2
Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming
23
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Bodenven 1 te Den Dungen en bestaat uit een bedrijfsperceel met een bedrijfspand, -woning en een grasveld. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van het bedrijfspand voor de realisatie van 3 woningen.
Figuur 2
De tuin gelegen aan de zuidzijde van de planlocatie.
24
Figuur 3
Agrarische percelen gelegen ten westen van de planlocatie.
Figuur 4
Een vijver gelegen in de tuin van de planlocatie.
25
Bijlage 2
Vervolgstappen Wnb
Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
26
Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee) . De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3. 3, lid 4) . Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. 1. 2. 3. 4. 5.
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee) . De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3. 8, lid 5) . Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
27
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee) . De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3. 10, lid 2) . 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.
28
BLOM ECOLOGIE Verbindt natuur en
samenleving
(geanonimiseerd) blomecologie.nl
-
_…