CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

14.c - Bijlage 2- Afvalstoffenverordening gemeente Sint-Michielsgestel toelichting

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 11 november 2021, gemeente boxtelBij agendapunt: 14. Raadsvoorstel uitsluitend recht milieustraat Meierijstad en aanpassing afvalstoffenverordening4.581 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TOELICHTING ALGEMEEN DEEL 1. Inleiding Deze verordening dient het belang van de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig afvalstoffenbeheer. Het belang daarvan neemt toe, omdat tegenwoordig anders naar afval wordt gekeken dan in het verleden. Afval wordt steeds meer benaderd als grondstof. In een meer circulaire economie is afval van waarde. Dat betekent duurzaam omgaan met natuurlijke hulpbronnen, zuiniger zijn op grondstoffen, voorwerpen langer en opnieuw gebruiken en optimalere reststromen. Afvalscheiding en inzameling is daarbij van wezenlijk belang. Welke bestanddelen van het afval gescheiden dienen te worden veranderd. Nieuwe technieken maken bijvoorbeeld de scheiding van kunststof mogelijk. Gemeenten werken mee in het Programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) om te komen tot een vermindering van het restafval per persoon per jaar en om een verbetering te bereiken van de kwaliteit van afvalscheiding en -inzameling. Deze verordening moderniseert de regels van de gemeente op dit terrein. 2. Hoofdlijnen van de verordening Scheiden van afvalstromen begint bij huishoudens (huishoudelijke afvalstoffen) en bedrijven (kantoren, winkels, dienstverleners, kortweg KWD) waar die afvalstoffen ontstaan – of waar die in de openbare ruimte terechtkomen. De verordening bevat regels over huishoudelijk afval, bedrijfsafval en afval in de openbare ruimte.

Huishoudelijke afvalstoffen Wat betreft huishoudelijke afvalstoffen heeft het gemeentebestuur de wettelijke taak om te zorgen voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen door middel van de inzameldienst die daartoe bij of krachtens deze verordening is aangewezen. Bij de uitvoering van deze taak wordt de gemeente in de praktijk in toenemende mate ondersteund door het initiatief van andere inzamelaars, zoals scholen, ideële instellingen of anderen die bijvoorbeeld papier, glas of andere bestanddelen van het huishoudelijk afval verzamelen voor inzameling. Deze verordening regelt de aanwijzing van de inzameldienst en van andere inzamelaars en bepaalt welke bestanddelen gescheiden moeten worden aangeboden en dus ook gescheiden moeten worden ingezameld. Bedrijfsafvalstoffen Wat betreft bedrijfsafvalstoffen is de afvalscheiding door KWD bi nnen de gemeente van belang. De inzameling van dergelijk bedrijfsafval kan plaatsvinden door de inzameldienst , maar ook door anderen. Het beheer van bedrijfsafvalstoffen is in belangrijke mate op rijksniveau geregeld door de Wet milieubeheer (Wm) en daarop gebaseerde centrale regelgeving. Deze verordening bevat enkele aanvullende regels die van belang zijn, indien de inzameling van de inzameldienst aan de orde is of die de wijze van aanbieding van bedrijfsafvalstoffen i n de openbare ruimte betreffen.

Afval in de openbare ruimte Wat betreft het afval in de openbare ruimte is het belang van het voorkomen van zwerfafval van belang. Zwerfafval ontstaat niet alleen door illegale dumping, maar kan ook ontstaan uit huishoudelijk afval. Bijvoorbeeld als dat verkeerd is aangeboden of als ter inzameling gereedstaand huishoudelijk afval is doorzocht of omgeschopt. Zwerfafval komt ook in de openbare ruimte terecht via het publiek rondom winkels, eet- en drinkgelegenheden, evenementen of reclame- en promotiecampagnes. De verordening bevat regels voor het bestrijden van zwerfafval.

Grondslag De verordening geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 10.23 van de Wm, waarin de gemeenteraad wordt opgedragen om in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast te stellen. De regels over het zwerfafval houden verband met de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de openbare ruimte, maar zijn vanwege de samenhang met het onderwerp van deze verordening hierin opgenomen. Het gemeentelijke milieubeleidsplan Bij de vaststelling van deze verordening is het gemeentelijke milieubeleidsplan in ogenschouw genomen. Daarin is rekening gehouden met de overweging dat het huidige serviceniveau vastgehouden wordt, de VANG-doelstelling nagestreefd wordt en de kosten voor de inwoners een aandachtspunt blijft. 3. Wettelijke begrippen In het belang van de eenvoud maakt deze verordening slechts in beperkte mate gebruik van begripsbepalingen. Ten eerste zijn geen definities van begrippen gege ven als deze begrippen al op grond van artikel 1.1 van de Wm zijn gedefinieerd. Deze begrippen gelden al onverkort voor de toepassing van deze verordening en zijn daarom niet opnieuw in de verordening opgenomen. Voorbeelden van in de wet gedefinieerde begrippen die ook in deze verordening worden gebruikt zijn afvalstoffen, huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen.

Ten tweede is door de tekst van de verordening consistent in overeenstemming met deze begrippen te formuleren, de behoefte aan bepaalde definities, die in de modelverordening uit 2009 zijn opgenomen, komen te vervallen. Het bovenstaande geldt bijvoorbeeld voor het begrip inzamelen dat in die oude modelverordening werd gebruikt. In deze verordening is slechts sprake van het begrip inzameling. Het begrip inzameling is door de Wm gedefinieerd (zie artikel 1.1) en daarom zonder begripsbepaling opgenomen in deze verordening. Het begrip is letterlijk overgenomen van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen. Inzameling is het begin van het afvalstoffenbeheer. Onder afvalstoffenbeheer verstaat de richtlijn immers: inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars. In de oude modelverordening werd het begrip inzamelen gebruikt om ruimte te laten voor de verschillende middelen en voorzieningen waarmee de inzameling plaatsvindt bij gemeenten en om duidelijk te maken dat het gaat om inzameling van afvalstoffen die ook ter inzameling zijn aangeboden. In deze verordening kan het begrip achterwege blijven. Ten eerste omdat het begrip inzameling, zoals het hier wordt geregeld, eveneens deze ruime praktijk omvat.

Ten tweede omdat in de verordening zelf geen ruimte is gelaten voor inzameling van afvalstoffen zonder dat die worden aangeboden via deze middelen of voorzieningen. Wat betreft de huishoudelijke afvalstoffen regelt deze verordening, enerzijds, dat de inzameling slechts kan geschieden door aangewezen inzameldiensten en, anderzijds, dat door gebruikers van de percelen waar huishoudelijke afvalstoffen ontstaan, deze afvalstoffen slechts mogen worden overgedragen of aangeboden ter inzameling aan deze inzameldienst of inzamelaars, of achterlaten op een daartoe ter beschikking gestelde plek. Inzameling of het aanbieden ter inzameling door of aan anderen is verboden. De verordening regelt eveneens op welke wijze dat plaats dient te vinden. Er zijn regels over gescheiden inzameling van afzonderlijke bestanddelen

van afval, zoals groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) of papier en karton, en over de middelen waarmee dat dient te gebeuren. In onderstaand schema is de terminologie van de artikelen 1.1 en 10.24 van de Wm als volgt gebruikt ten aanzien van de huishoudelijke afvalstoffen: De gebruiker van een perceel Overdragen (aan een inzamelaar) Ter inzameling aanbieden (al dan niet via inzamelmiddelen of -voorzieningen) Achterlaten op een ter beschikking gestelde plaats

De inzameldienst of inzamelaar Innemen (door een inzamelaar) Inzameling (via de betreffende middelen of voorzieningen) door de inzameldienst Inzamelplaats

Het is in deze opzet niet nodig om nog een afzonderlijke begripsbepaling voor ‘inzamelen’ op te nemen, zoals in de oude modelverordening het geval was. De begrippen inzamelmiddel of inzamelvoorziening behoeven geen definitie, nu uit de tekst van artikel 10 voldoende duidelijk is waarover het kan gaan. Voorbeelden, zoals huisvuilzakken, minicontainers, afvalemmers (inzamelmiddelen) of wijkcontainers, brengdepots of verzamelcontainers (inzamelvoorzieningen), zijn genoegzaam bekend en lenen zich niet voor opname in de tekst van de verordening. De begrippen inzameldienst en inzamelaar behoeven geen zelfstandige definitie nu uit artikelen 3 en 4 genoegzaam volgt om wie het gaat. Andere begrippen kwamen in de verordening zo weinig voor dat, een definitie overbodig was en in de artikeltekst zelf uitsluitsel kan worden gegeven. Een voorbeeld is het begrip weg in artikel 17. Uitvoeringsbesluit van het college van burgemeester en weth ouders De verordening delegeert de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels over de volgende onderwerpen aan het college van burgemeester en wethouders:    

 

Het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen (artikel 3, derde lid). De vrijstelling voor categorieën personen en organisaties als inzamelaars (artikel 4, eerste lid). De afzonderlijke bestanddelen (geclausuleerd), frequentie en locatie van inzameling (artikel 7). Het gescheiden aanbieden ter inzameling van huishoudelijke afvalstoffen , inclusief vrijstelling, zoals het nader omschrijven van de bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen of over fracties waarvan vermenging is toegestaan (artikel 8, tweede lid). Het gebruik van inzamelmiddelen en -voorzieningen (artikel 10). De inzameling van bedrijfsafvalstoffen (artikel 13).

Daarnaast is sprake van nadere besluitvorming door het college die strikt genomen geen algemeen verbindende voorschriften inhouden, maar die samen met de hiervoor genoemde regels opgenomen kunnen worden in het uitvoeringsbesluit van het college. Deze besluitvorming gaat over:   

De aanwijzing van de inzameldienst (artikel 3, lid 1) . De dag(en) en tijden waarop de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen plaatsvindt (artikel 9). De aanwijzing van toezichthouders (artikel 21).

ARTIKELSGEWIJS

Artikel 1. Begrippen Het begrip perceel is omwille van de leesbaarheid opgenomen met een vaste toevoeging die bij het gebruik van dit begrip in de verordening telkens moet worden meegelezen. Het gaat immers telkens om percelen waar huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan . Deze toevoeging is opgenomen in verband met de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wm, waarin sprake is van de zorg van de gemeente voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen “bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan”. Wat onder perceel moet worden verstaan kan niet goed op het niveau van deze verordening worden vastgesteld. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1991 (nr. 27597, BNB 1991/333) is een perceel een plaats waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld binnen een particuliere huishouding kunnen ontstaan. Slechts dan is geen sprake van een perceel, indien het gaat om een gedeelte van een onroerende (of roerende) zaak dat blijkens indeling en inrichting niet is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Dit zal telkens naar de feiten en het spraakgebruik bepaald moeten worden.

Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1773) kon ook een woonruimte in een zorgcentrum een particuliere huishouding zijn waa r geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan (zie voor de feiten ECLI:NL:GHDHA:2014:2862). Artikel 2. Doelstelling In dit artikel is het met de verordening te dienen doel vermeld. Deze volgt uit de wettelijke grondslag van de verordening. De toepassing van bevoegdheden op basis van deze verordening zullen derhalve telkens in dat kader moeten plaatsvinden. Doelmatig afvalstoffenbeheer is onderdeel van de bescherming van het milieu. Het begrip afvalstoffenbeheer is in de Kaderrichtlijn afvalstoffen als volgt gedefinieerd: inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars. Artikel 3. Aanwijzing van de inzameldienst In het eerste lid geeft de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders de opdracht om een onderdeel van de gemeentelijke dienst of een onderneming aan te wijzen, die met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen is belast. De zorg voor deze inzameling berust ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wm op de gemeenteraad en het college.

De aangewezen inzameldienst zal aan die zorg praktische uitvoering geven. In het tweede lid wordt onder andere ingegaan op de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen. Redenen van algemeen belang van milieu en gezondheid, die met de aanwijzing van inzameldiensten zijn gemoeid, dwingen ertoe geen regeling op te nemen voor het van rechtswege nemen van aanwijzingsbesluiten in gevallen waarin niet tijdig op een aanvraag zou worden beslist. De regeling van paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is daarom niet van toepassing. Zo nodig kunnen bij het aanwijzingsbesluit beperkingen of voorschriften worden verbonden aan de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Het ligt in de rede dat dit alleen aan de orde is wanneer er ten aanzien van de aan te wijzen instantie bijzondere voorschriften of beperkingen moeten gelden. Nadere regels over de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen kunnen, indien noodzakelijk, door het college op grond van het derde lid worden gesteld. Artikel 4. Regulering van andere inzamelaars

Dit artikel regelt de mate waarin het voor anderen dan de inzameldienst mogelijk is huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. In beginsel is dit verboden. Er zijn echter drie categorieën van andere inzamelaars dan de inzameldienst, die bepaalde bestanddelen v an huishoudelijke afvalstoffen mogen inzamelen. Ten eerste kan het college van burgemeester en wethouders een inzamelaar aanwijzen. Het gaat dan om een beschikking, waaraan op grond van het tweede lid voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. Een aanwijzing wordt niet van rechtswege verleend als sprake zou zijn van niet tijdig beslissen. Ten tweede kan het college bepaalde personen of organisaties vrijstellen door middel van nadere regels. In het eerste lid, onder b, is mogelijk gemaakt dat er met generieke vrijstellingen kan worden gewerkt voor bijvoorbeeld scholen die papier inzamelen of voor andere organisaties of personen die bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen inzamelen als inzamelaar. Ten derde zijn er producenten van bijvoorbeeld witgoed voor wie op grond van de Wm in algemene maatregelen van bestuur verplichtingen bestaan tot inname van afgedankte producten. Het gaat dan om de producentenverantwoordelijkheid. Vanzelfsprekend kan daarvoor geen verbod gelden. De aanwijzing van inzamelaars verschilt qua karakter van de aanwijzing van de inzameldienst.

Het gaat bij de inzamelaars om personen of organisaties die om verschillende redenen behulpzaam willen zijn bij de taak om huishoudelijk afval in te zamelen. Deze aanwijzing hee ft – anders dan de aanwijzing van de inzameldienst – het karakter van een vergunning en gaat niet gepaard met een uitvoeringsplicht. Artikel 5. Inzamelmiddelen en –voorzieningen Eerste lid In dit artikel worden de niveaus van inzameling aangegeven. Hierme e wordt recht gedaan aan de vervaging van het onderscheid tussen huis-aan-huisinzameling en inzameling via brengvoorzieningen op verschillende niveaus. Onder a: Inzameling bij elk perceel (haalsysteem) Op grond van artikel 10.21, eerste lid, van de Wm is de gemeente verplicht tot het wekelijks inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel. Op grond van artikel 10.21, tweede lid, van de Wm wordt daarbij in ieder geval GFT-afval afzonderlijk ingezameld, tenzij daar in het kader van doelmatig beheer van mag worden afgeweken (zie de toelichting op artikel 3). De inzameling bij elk perceel is individueel en vindt plaats bij elke woning via een haalsysteem. De bewoners maken gebruik van individuele inzamelmiddelen. Voor het bewaren en aanbieden van huishoudelijk afval kan van gemeentewege eventueel een bewaar - of inzamelmiddel (vuilniszakken of minicontainers) worden verstrekt.

De inzamelmiddelen worden buitengezet op de dag van inzameling. Bij hoogbouw kunnen inpandige inzamelvoorzieningen worden getroffen, zoals stortkokers of containers. Benadrukt wordt dat een of meer inzamelvoorzieningen bij één flat moet worden gezien als inzameling bij elk perceel. Onder b: Inzameling nabij elk perceel (brengsysteem) In afwijking van artikel 10.21 van de Wm kan de gemeenteraad op grond van artikel 10.26, eerste lid, onder a, van de Wm bij verordening besluiten dat - in plaats van bij elk perceel - nabij elk perceel wordt ingezameld.

Voor de inzameling nabij elk perceel wordt gebruik gemaakt van collectieve inzamelmiddelen. Dit zijn brengsystemen waar een groep huishoudens gezamenlijk gebruik van maakt. Huishoudelijk afval wordt dus niet bij elk perceel - bij elke woning - opgehaald, maar vanaf een centraal punt voor meerdere huishoudens gezamenlijk. De huishoudens beschikken over individuele bewaarmiddelen en moeten deze brengen naar de plaats waar het collectieve inzamelmiddel staat opgesteld. Inzameling nabij elk perceel: clusterplaatsen en inzamelvoorzieningen Inzameling nabij elk perceel kan ook plaatsvinden via clusterplaatsen dan wel boven- of ondergrondse inzamelcontainers. Een clusterplaats is een plaats waar de burger het inzamelmiddel op de dag van inzameling naartoe brengt. Voorbeelden van clusterplaatsen zijn: een park, een plein, een parkeerplaats waar op de dag van inzameling niet mag worden geparkeerd of een centrale plaats op de stoep. Voor beide vormen van collectieve inzameling geldt dat de inzameling laagdrempelig moet zijn. Voor de clusterplaats geldt dat dit het geval is, als de afstand tussen perceel en clusterplaats niet meer is dan 75 meter, waarbij de gemeenteraad in bijzondere gevallen maximaal 125 meter kan toestaan. Voor de inzamelvoorzieningen geldt hetzelfde, echter aangevuld met een aantal extra eisen.

Deze eisen zijn:  de inzamelvoorziening is voor een ieder goed bereikbaar en toegankelijk ;  de afvalstoffen kunnen eenvoudig worden achtergelaten, en  er wordt tussen clusterplaatsen en overige inzamelwijzen nabij elk perceel (de zogenaamde inzamelvoorzieningen) gelegenheid gegeven om ten minste 12 aaneengesloten uren per week huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden. Onder c en d: Inzamelvoorziening op wijkniveau / aangewezen brengdepot Bij inzamelvoorzieningen op wijkniveau kan in de eerste plaats worden gedacht aan glasbakken, textielbakken, etc.. Dit zijn permanent aanwezige voorzieningen. De voorzieningen op wijkniveau kunnen ook mobiel of niet permanent aanwezig zijn. Voorbeelden van dergelijke voorzieningen zijn de chemokar en ‘afvaleilanden’ die gedurende een bepaalde periode in de wijk aanwezig zijn. Het gebruik van de wijkvoorzieningen is niet beperkt tot de gebruikers van een bepaalde groep percelen. In het belang van de doelmatige verwijdering van klein chemisch afval (KCA), glas, papier en karton en textiel kan de gemeente bepalen dat dit afval dient te worden gebracht naar een door de gemeente aangewezen plaats (brengdepot). Tweede lid Wanneer het inzamelmiddel niet door de gemeente wordt verstrekt, kan worden vereist dat het inzamelmiddel aan bepaalde normen voldoet.

Ook kan via deze bepaling worden geregeld dat alleen huisvuilzakken met een gepatenteerde gemeentelijke opdruk mogen worden gebruikt , bijvoorbeeld als wordt gewerkt met een systeem van dure zakken als vorm van tariefdifferentiatie. Voor bepaalde categorieën huishoudelijke afvalstoffen , zoals asbest, kunnen specifieke eisen aan het inzamelmiddel worden gesteld. Artikel 6. Algemene verboden Dit artikel regelt dat het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen niet anders mag geschieden dan via de kanalen die daarvoor in de artikelen 3, 4 en 5 zijn aangewezen. Dit tot de gebruikers van percelen waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld

kunnen ontstaan gerichte verbod is de keerzijde van de in die artikelen tot de inzameldienst en andere inzamelaars gerichte verbod. Artikel 7. Afvalscheiding Dit artikel regelt welke bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk moeten worden ingezameld, met welke frequentie en op welke locatie. Deze locatie kan zijn bij elk perceel, nabij elk perceel of een van deze, met uitzondering van bepaalde gebieden van de gemeente. Artikel 10.21 van de Wm schrijft voor dat het gemeentebestuur, al dan n iet samen met het gemeentebestuur van andere gemeenten, ervoor zorgt dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld voor elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Grov e huishoudelijke afvalstoffen zijn daarvan uitgezonderd. GFT-afval moet volgens dit artikel verplicht afzonderlijk wordt ingezameld. De gemeenteraad kan volgens artikel 10.21, derde lid, van de Wm besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. Deze vrijheid is ingeperkt door artikel 3 van de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. Deze regeling verplicht gemeenten ertoe om afgedankte elektrische en elektronische apparatuur van particuliere huishoudens gescheiden in te zamelen.

Bij de uitoefening van de bevoegdheden met betrekking tot afvalstoffen dient het gemeentebestuur bovendien rekening te houden met het Landelijk afvalbeheersplan (LAP). In het LAP zijn bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen benoemd, die door de consument gescheiden dienen te worden. In het LAP-2 worden de volgende bestanddelen van huishoudelijk afval genoemd die gescheiden kunnen worden ingezameld: GFT-afval; papier en karton; glas; textiel; elektrische of elektronische apparatuur; KCA. Op grond van artikel 10.26 van de Wm kan de gemeenteraad in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de afvalstoffenverordening afwijken: a. van de inzameling bij elk perceel (bepaald mag worden nabij elk perceel); b. van de frequentie van eenmaal per week (bepaald mag worden met welke regelmaat bij de verordening); c. van de inzameling in het gehele grondgebied (bepaald mag worden dat in een gedeelte van het grondgebied geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld); d. van de afzonderlijke inzameling van GFT-afval (bepaald mag worden dat bestanddelen van GFT-afval afzonderlijk worden ingezameld), en e. bepaald mag worden dat GFT-afval met andere daarbij aangewezen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk van het overige huishoudelijk afval wordt ingezameld.

Indien de frequentie waarmee de gescheiden inzameling plaatsvindt lager is dan eenmaal per week, is de inspraakverordening van toepassing en is artikel 5 van de modelverordening verplicht. Dit vloeit voort uit de artikelen 10.26, tweede lid, en 10.27 van de Wm.

Een afvalstoffenverordening die één van deze mogelijkheden benut , dient te worden voorbereid met toepassing van de inspraakverordening die op grond van artikel 150 van de Gemeentewet is vastgesteld (artikel 10.26 van de Wm). Indien toepassing wordt gegeven aan de onderdelen b of c, dan moet de gemeente zorgen voor een daartoe ter beschikking gestelde plaats voor het achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen. Dat laatste is geregeld in artikel 5 van deze verordening. Het regelen van de frequentie en locatie van inzameling wordt in beginsel overgelaten aan het college van burgemeester en wethouders. De gemeenteraad bepaalt wel welke bestanddelen in ieder geval afzonderlijk ingezameld dienen te worden. [Tenzij het college in het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer, zoals een operationele nascheiding, bepaalde best anddelen achterwege wenst te laten.] Dit is onder meer van belang, omdat artikel 8 aan burgers het verbod oplegt om die bestanddelen ongescheiden ter inzameling aan te bieden. Artikel 8. Gescheiden aanbieding Dit artikel regelt de keerzijde van artikel 7. Wat gescheiden moet worden ingezameld, moet ook gescheiden worden aangeboden.

Concrete omschrijvingen van de bestanddelen kan door het college van burgemeester en wethouders in de nadere regels op grond van artikel 8 worden gegeven om discussies te slechten en om in het kader van de handhaving houvast te bieden (welles/nietes-lijst). Ook kan van de vrijstellingsmogelijkheid gebruik worden gemaakt om te regelen dat bepaalde hoeveelheden (fracties) van de bestanddelen mogen voorkomen bij de inzameling van andere bestanddelen. Artikel 9. Tijdstip van aanbieding De tijdstippen voor de inzameling worden door het college van burgemeester en wethouders bepaald. Het gaat hier om een besluit van algemene strekking. Artikel 10. Wijze en plaats van aanbieding Er is een onderscheid tussen inzamelmiddelen en -voorzieningen. Inzamelmiddelen dienen het ter inzameling aanbieden door één huishouden, zoals een minicontainer, afvalemmer of plastic afvalzak. Inzamelvoorzieningen dienen het collectief ter inzameling aanb ieden door meerdere huishoudens, zoals een verzamel- of wijkcontainer. Op grond van dit artikel kunnen inzamelmiddelen worden voorgeschreven. Ook kunnen hier regels worden gesteld over het gebruik van inzamelvoorzieningen. Artikel 11. Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst De inzameldienst kan ook bedrijfsafvalstoffen (of bepaalde bestanddelen daarvan) inzamelen.

Anders dan bij huishoudelijke afvalstoffen geldt voor bedrijfsafvalstoffen echter geen zorgplicht voor de gemeente. Inzameling van bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst is daarom een daarvan te onderscheiden activiteit, waarbij de inzameldienst tegen vergoeding afval inzamelt bij bedrijven. In de praktijk gaat het daarbij veelal om afval uit de KWD -sector of om bouw- en sloopafval, voor zover dit niet wordt gerekend tot het huishoudelijk afval. Artikel 12. Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Alleen die bedrijven die betalen voor de gemeentelijke inzamelvoorzieningen mogen hun bedrijfsafvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst. Artikel 13. Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Het college van burgemeester en wethouders kan, net als bij huishoudelijke afvalstoffen, regels stellen over de wijze waarop de afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden. D e basis voor het stellen van regels over de inzameling van bedrijfsafvalstoffen kan worden gevonden in artikel 10.23, derde lid, van de Wm. De memorie van toelichting zegt hierover: “Ten aanzien van de inzameling van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afv alstoffen mogen ook in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld. Blijkens het derde lid mogen deze regels geen vergunningstelsel inhouden. Dit is krachtens artikel 10.48 Wm voorbehouden aan de minister. Vanzelfsprekend mogen de gemeenten hun bevoegdheid evenmin benutten ter bevoordeling van de eigen inzameldienst en ten nadele van andere aanbieders op de markt.” Het is dus mogelijk om in het belang van het milieu bepaalde dagen aan te wijzen waarop bedrijfsafvalstoffen mogen worden ingezameld. Bijvoorbeeld ter beperking of voorkoming van geluidhinder dan wel aanzuigende werking of om ritten zoveel mogelijk te combineren. Dit artikel kan met name van belang zijn voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen in een (historisch) centrum. Uiteraard kunnen de regels voor alle betrokken inzamelaars gelden die bedrijfsafvalstoffen ophalen. Artikel 14.

Dumpingsverbod Dit artikel heeft primair een milieubeschermende functie en beoogt de gemeenten een instrument te geven om illegale dumpingen, voor zover er geen hogere wet- of regelgeving van toepassing is, of het ontstaan van zwerfafval tegen te gaan. Uiteraard zal in een aantal gevallen het brengen van stoffen op of in de bodem zodanig kunnen gebeuren dat een hogere wet, zoals de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit, van toepassing is. In het eerste lid worden bewust de termen stof en voorwerp gebruikt en niet alleen de term afvalstof, omdat niet altijd duidelijk is of de desbetreffende stoffen of voorwerpen afvalstof fen zijn. In artikel 10.25, onder a, van de Wm is de mogelijkheid voor het opnemen van een dergelijk artikel in de afvalstoffenverordening te vinden. Artikel 15. Zwerfafval in de openbare ruimte Op grond van artikel 10.25, onder a en b, van de Wm kunnen gemeenten in hun afvalstoffenverordening de zwerfafvalproblematiek regelen. Er is sprake van facultatief medebewind. Gemeenten hebben hiertoe de bevoegdheid, maar geen wettelijke plicht. Eerste lid Dit lid gaat over straatafval. Dat is afval dat onderweg ontstaat, buiten een perceel, dat niet als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht dient te komen.

Hiervoor zijn er afvalbakken of andere voorzieningen, zodat men zich daar ter plekke van kan ontdoen (voor zover van zeer beperkte omvang en gewicht). KCA is uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving. Dit afval dient in alle gevallen via de daartoe opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd. Het gaat hier verder per definitie om afvalstoffen die "buiten een perceel ontstaan". Een huishoudelij ke afvalstof, ontstaan binnen het perceel, moet worden aangeboden volgens de bepalingen uit paragraaf 2. Derde lid Het begrip zwerfafval zelf behoeft geen verdere definitie nu uit de redactie blijkt dat van zwerfafval sprake is wanneer ter inzameling gereedstaand afval wordt verspreid, omgestoten, omgeschopt, etc.. De redactie brengt ook mee dat doorzoeken op een manier die geen zwerfafval veroorzaakt, bijvoorbeeld door morgensterren, niet onder het verbod valt. Artikel 16. Zwerfafval rondom inrichtingen

Dit sluit aan bij artikel 2.13 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, maar heeft het meer toegespitst op de problematiek van zwerfafval en wijkt daarom op een aantal punten van dat artikel af. Het dient ter aanvulling op het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 17. Afval en verontreiniging op de weg Het gaat in dit artikel over laden en lossen en het biedt de mogelijkheid om door middel van bestuursdwang tot opruiming te dwingen. Artikel 18. Geen opslag van afval in de open lucht Kern van dit artikel is opslag van huishoudelijke afvalstoffen, waarbij het niet gaat om het bewaren van afvalstoffen voor aanbieding tijdens de eerstvolgende inzameling daarvan. Er is geen behoefte aan een mogelijkheid van ontheffing, nu in het artikel voor gebieden waar, bijvoorbeeld vanwege de bouw, geen ruimte is voor het houden van minicontainers, een vrijstelling kan worden verleend. Waarneembaar gaat in de eerste plaats om zicht. Daarnaast kan sprake zijn van geuroverlast. Artikel 19. Ontdoen van autowrakken Hierin is de afgifte van autowrakken door huishoudens geregeld.

Op grond van artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (BBA) moeten gemeenten in hun afvalstoffenverordening bepalen dat een autowrak, zijnde een huishoudelijke afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan autodemontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of , onder strikte voorwaarden, aan een persoon die in een ander land dan Nederland is gevestigd . Op grond van artikel 7 van het BBA worden autowrakken, afkomstig van huishoudens, uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval. Artikel 20. Strafbare feiten Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 21. Toezichthouders Deze systematiek volgt uit artikel 18.1a van de Wm en artikel 5.10, derde lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikelen 22 tot en met 24. Overgangsrecht, citeertitel, inwerkingtreding en intrekking oude verordening Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting. Gebruikte afkortingen:  BBA: Besluit beheer autowrakken.  GFT: groente, fruit en tuin.  KCA: klein chemisch afval.  KWD: kantoren, winkels en diensten.  LAP: Landelijk afvalbeheersplan.  VANG: Van Afval Naar Grondstof.  Wm: Wet milieubeheer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=6c05008b-b0ff-4b4d-aa6b-989050ef0580