1261263 Bijlage 1 Visie zonne- en windenergie gemeente Boxtel.pdf
Tekst van het document
Visie zonne- en windenergie Boxtel Een afwegingskader voor zonneparken en een verkenning van het potentieel voor windparken Juli 2020
1
1. Inleiding De gemeente Boxtel heeft in juli 2017 de Visie Duurzaam Boxtel 2030 vastgesteld en daarin is de ambitie opgenomen om in 2030 energieneutraal te zijn. Dit wil zeggen dat er dan geen CO2 uitstoot meer isdoor de verbranding van fossiele brandstoffen. In de uitvoeringsagenda bij deze visie is de ambitie opgenomen om op korte termijn een collectief zonnepark te realiseren. In het concept Regionale EnergieStrategie Noordoost Brabant (RES NOB) is een lokale resultaatverplichting voor hernieuwbaar op te wekken elektriciteit opgenomen. Om hier uitvoering aan te geven is een integrale visie nodig met een afwegingskader voor zonneparken en een verkenning van het potentieel voor windparken, zodat een mix van zonne- en windenergie afgewogen kan worden. Om de verlening van tijdelijke omgevingsvergunningen voor zonneparken mogelijk te maken is conform de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant het noodzakelijk dat een afwegingskader voor zonneparken is vastgesteld, waarin de noodzaak voor zonneparken is aangetoond en bepaald is waar (eerst) zonneparken toegestaan én onder welke voorwaarden deze worden toegestaan. Dit afwegingskader wordt door de gemeenteraad vastgesteld en op basis hiervan wordt door het college een voorkeursvolgorde van zonneparken vastgesteld en worden vervolgens door het college hiervoor tijdelijke ‘kruimel’ omgevingsvergunningen verleend.
Voor windparken is het potentieel en mogelijke zoekgebieden onderzocht. Door het ruimtelijke maatwerk is het niet mogelijk om locaties voor windparken in een gemeentelijk afwegingskader vast te stellen. Voor windparken van 5 tot 100 MW is de provincie het bevoegd gezag en voor windparken groter dan 15 MW of met minimaal tien turbines, is een Milieu-effect rapportage (MER-beoordeling) verplicht. Als een gemeente bevoegd is voor het bestemmingsplan (in de toekomst omgevingsplan) en de omgevingsvergunning, kan zij de ruimtelijke- en vergunning-procedure versnellen door de besluitvorming te coördineren. Voor deze gemeentelijke coördinatieregeling is een besluit van de gemeenteraad vereist. Deze visie is tot stand gekomen met raadpleging van het Klimaatpanel 1 en wordt vervolgens ter vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden.
2. Energieneutraal scenario In de rapportage van het scenario-onderzoek “Boxtel energieneutraal in 2030” is op basis van gegevens uit de Klimaatmonitor onderzocht hoe de gemeente Boxtel in 2030 energieneutraal kan zijn. In Boxtel telt de huidige energievraag op tot 3.300 TJ 2. Autonoom neemt dit tot 2030 toe tot circa 3.500 TJ. Dit is het eindgebruik van elektriciteit, warmte en voertuigbrandstoffen samen (inclusief het vervoer op de A2). Al het bekende energiegebruik van de Gebouwde Omgeving, Industrie, Landbouw en de vervoersbewegingen op het grondgebied van Boxtel valt hieronder. Ook is het gebruik van hernieuwbare warmte hierbij opgeteld, denk aan de warmte van bijvoorbeeld houtkachels of uit bodemenergie. In Boxtel wordt nu al 141 TJ hernieuwbaar opgewekt. Stel dat op het energiegebruik 30% bespaard kan worden, bijvoorbeeld door isolatie van gebouwen en de omschakeling naar elektrisch rijden. Dan resteert er nog een opgave van 2.400 TJ (na aftrek besparing en bestaande hernieuwbare opwek) om aanvullend uit hernieuwbare bronnen op te wekken. Door verschuiving van het gebruik van fossiele brandstoffen en aardgas naar elektriciteit kan het grootste deel (60%) van de nog benodigde energie worden opgewekt met zonne- en 1 2
Adviesorgaan waarin vertegenwoordigers van relevante belangengroepen uit de gemeente Boxtel vertegenwoordigd zijn. Bron: scenario-onderzoek “Boxtel energieneutraal in 2030” (Generation Energy, 2019) en Klimaatmonitor
2
windenergie. De warmtevraag kan worden ingevuld door een mix van hernieuwbare warmtebronnen zoals warmte uit grondwater, oppervlaktewater en buitenlucht door het gebruik van warmtepompen, geothermische energie en biogas.
3. Opwekking van hernieuwbare elektriciteit Om na besparing de resterende energievraag van Boxtel met hernieuwbare bronnen op te wekken, kunnen (gegeven de ruimtelijke belemmeringen) op basis van het scenarioonderzoek maximaal 17 moderne windturbines van 3 Megawatt binnen het grondgebied van de gemeente Boxtel geplaatst worden.3 Daarmee wordt 410 TJ oftewel 17% van de vraag opgewekt. Het potentieel aan zon op dak is ingeschat op 280 TJ (12% van de vraag). Als 10% van het agrarisch areaal wordt ingezet voor zonneparken kan aanvullend 270 hectare aan zonneparken 670 TJ opwekken (28% van de vraag). In totaal kan hiermee 1.460 TJ aan hernieuwbare elektriciteit opgewekt worden. Daarmee kan in 61% van de toekomstige vraag voorzien worden. In het overige deel van de toekomstige vraag kan mogelijk voorzien worden door bronnen voor hernieuwbare warmte te benutten en door technologische ontwikkeling. Zo gaat men er vanuit dat het omzettingsrendement van zonlicht naar stroom op termijn verdubbeld kan worden en de kostprijs nog ongeveer een factor 4 omlaag kan. 4 Bronnen voor hernieuwbare warmte worden onderzocht in het proces om te komen tot een gemeentelijke TransitieVisie Warmte naar aardgasvrije wijken, die vóór 2022 door de gemeenteraad vastgesteld moet zijn.
4. Regionale Energie Strategie Elke gemeente, provincie, waterschap en netbeheerder werkt in regionaal verband samen met stakeholders aan een Regionale Energiestrategie (RES). De RES is een instrument om gezamenlijk te komen tot keuzes voor besparing, de opwekking van duurzame elektriciteit en warmte en de daarvoor benodigde opslag en energie infrastructuur. Landelijk werken 30 regio’s samen in het Nationaal programma RES en doen uiterlijk in oktober 2020 een concept bod waarmee in 2030 49% minder CO 2 uitstoot moet zijn dan in 1990. De lokale RES opgave aan hernieuw op te wekken elektriciteit in 2030 bedraagt 290 TJ (=0,08 TWh) en is daarmee veel kleiner dan de totale opgave aan hernieuwbaar op te wekken elektriciteit en warmte. Binnen de RES NOB is overeengekomen dat de gemeenten voor de definitieve vaststelling (uiterlijk juli 2021) zoekgebieden voor zonne- en windenergie onderzocht hebben en voor zonneparken een afwegingskader hebben vastgesteld. Dit komt enerzijds omdat de RES opgave alleen betrekking heeft op de elektriciteit en gebouwde omgeving, terwijl in Boxtel ook veel energie wordt gebruikt in de mobiliteit, industrie en landbouw. Anderzijds komt dit omdat Boxtel de ambitie heeft om in 2030 energieneutraal te zijn, terwijl de RES gericht is op 49% minder CO 2 uitstoot in 2030 en 95% in 2050.
5. Inpassing elektriciteitsnetwerk. Om zonne- en windenergie op het elektriciteitsnet aan te kunnen sluiten, moet er voldoende netwerkcapaciteit beschikbaar zijn. 3
Bij deze inschatting is gerekend met 2500 vollasturen voor windturbines en 1100 vollasturen voor zonnepanelen. Met de huidige stand der techniek is dit aan de hoge kant, maar door innovaties is dit op termijn realistisch. Hierbij is niet beoordeeld of er clusters van minimaal 3 windturbines mogelijk zijn. Dit is wel een voorwaarde uit de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. 4 Roadmap PV systemen en toepassingen
3
De huidige capaciteit om grootschalige opwek van hernieuwbare elektriciteit aan te sluiten is beperkt in verhouding tot de RES opgave binnen de regio. Om ambities waar te kunnen maken én transportschaarste te voorkomen is een uitbreiding van deze capaciteit van het netwerk nodig. Dit vraagt om investeringen in het netwerk en een aanpassing van de Elektriciteitswet, die het mogelijk maakt om het bestaande netwerk slimmer te benutten. Enexis (laagspanning) heeft hiervoor samen met Tennet (hoogspanning) een concept Investeringsplan elektriciteit 2020-2030 opgesteld. 5 Hieruit blijkt dat op korte termijn voor het hoogspanningstation Boxtel een capaciteitstekort dreigt. Uit dit plan blijkt dat het maar de vraag is of de voor de RES opgave benodigde capaciteit vóór 2030 gerealiseerd kan worden. De verzwaring van het netwerk vraagt grote investeringen en veel tijd. Hierbij moet gedacht worden aan de volgende tijdslijnen.
0-3 jaar: Deze tijd vraagt het in het algemeen om wijzigingen in wet & regelgeving door te voeren waardoor beter gebruik gemaakt kan worden van de bestaande mogelijkheden. Hierbij moet gedacht worden aan experimenten met curtailment (tijdelijke opslag in batterijen) en het loslaten van de redundantie-eis (benutten reservekabels). 0-6 jaar: het uitbreiden van bestaande hoofdstations kan in deze periode mogelijk gerealiseerd worden als het hoofdstation uit is te breiden en zowel Enexis als Tennet hiervoor akkoord hebben gegeven. 7-13 jaar: het aanleggen van een nieuw hoofdstation kan deze tijd vragen nadat Tennet akkoord is gegaan met de aanleg.
6. Zonneladder Op 28 mei 2019 is in de Tweede Kamer de Motie Dik-Faber aangenomen. Daarin is gevraagd om in aanloop van de RES te zorgen voor een verankering van de zonneladder in de Nationale omgevingsvisie en er voor te zorgen dat nieuwe zonneparken op natuur- en landbouwgronden worden getoetst aan deze zonneladder of vooruitlopend op deze zonneladder zijn getoetst aan een vergelijkbaar door decentrale overheden vastgesteld afwegingskader. Deze visie vormt dit afwegingskader.
5
Investeringsplan Enexis elektricitei 2020-2030
4
Die zonneladder houdt in dat: - Trede 1:
Je eerst het potentieel voor zonnepanelen op daken moet benutten;
- Trede 2: gebied6.
Je vervolgens het potentieel benut in zonneparken in of nabij het stedelijk
- Trede 3:
Pas in de laatste plaats het potentieel voor zonneparken in het buitengebied benut, waar de inpassing in het netwerk vaak kostbaar is.
Dus in het bovenstaande plaatje eerst voorrang voor laagspanning aansluitingen boven respectievelijk midden- en hoogspanning aansluitingen. Op deze wijze wordt de beschikbare aansluitcapaciteit zo efficiënt mogelijk benut en in overeenstemming gebracht met de vraag. Bovendien zijn daarmee de maatschappelijke kosten het laagst. De tredes in de zonneladder zijn niet volgtijdelijk: ook als het potentieel in trede 1 op daken nog niet volledig benut is, kan gestart worden met de realisatie van zonneparken in trede 2 en 3. Als de tredes na elkaar worden ingevuld lukt het niet om de opgave tijdig te realiseren. Zo benut je het potentieel voor zonnepanelen op bedrijfsdaken op natuurlijke momenten (bv als dakbedekking vervangen wordt of asbest gesaneerd wordt). Daarnaast kun je de plaatsing van zonnepanelen op daken alleen stimuleren en niet afdwingen.
7. Interim omgevingsverordening ruimte Noord-Brabant 7.1 Kader voor zonne-energie Deze zonneladder is opgenomen in de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant en is naast een middel om de maatschappelijke kosten te drukken, ook een middel om de ruimtelijke kwaliteit te kunnen borgen. Op grond van de Interim omgevingsverordening (vastgesteld 25 oktober 2019) is het in artikel 3.41 voor de groen blauwe mantel en het gemengd landelijk gebied mogelijk gemaakt om door het opstellen van een gemeentelijke visie zonneparken de verlening van tijdelijke omgevingsvergunningen mogelijk te maken voor zonneparken met een omvang groter dan 6
In zoekgebieden verstedelijking uit de provinciale Verordening ruimte.
5
5000 m2. In de visie moet worden afgewogen welke locaties binnen de gemeente geschikt zijn gelet op aspecten van zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit. Verder moet de ontwikkeling van zonneparken een maatschappelijke meerwaarde geven. Daarbij wordt gestreefd naar meervoudig ruimtegebruik. Op grond van de Interim omgevingsverordening is binnen buiten de bebouwde kom nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen (zonneparken) om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als:
uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie binnen de bebouwde kom, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is; de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit; de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving; de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.
Verder wordt de maatschappelijke meerwaarde onderbouwd vanuit de volgende criteria:
de mate van meervoudig ruimtegebruik; de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen.
Verder worden aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor een zonnepark de volgende voorwaarden verbonden:
de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonneenergie verwijderd; voor de verwijdering en herstel van de bestaande toestand wordt financiële zekerheid gesteld.
7.2 Kader voor windenergie In de verordening zijn ook randvoorwaarden voor windturbines opgenomen (in artikel 3.37 t/ m 3.40) om de omgevingskwaliteit te kunnen waarborgen. Hierover is het volgende opgenomen: De bouw van windturbines met een hoogte van minder dan 25 meter is een verantwoordelijkheid van gemeenten. In de verordening zijn alleen regels opgenomen voor (middel)grote windturbines. De gemeente onderzoekt binnen de gemeente op welke plekken de plaatsing van windturbines inpasbaar is in de omgeving. In het algemeen geldt dat hierbij zo veel als mogelijk wordt aangesloten bij de karakteristiek van het landschap. Vanwege het grootschalige karakter van de turbines heeft de ontwikkeling bij zogenaamde grootschalige landschappen, zoals grootschalige (middel)zware bedrijventerreinen, hoofdinfrastructuur en het grootschalige polderlandschap de voorkeur. Bijkomend voordeel is dat in een dergelijke omgeving vaak ook minder hindergevoelige functies aanwezig zijn. Een plan dat de nieuwvestiging van windturbines mogelijk maakt bevat de onderbouwing dat de ontwikkeling past bij de maat en schaal van het gebied.
6
Clustering Om verrommeling tegen te gaan zijn er geen mogelijkheden voor de ontwikkeling van solitaire windturbines. Er moet minimaal sprake zijn van drie windturbines in een lijn- of clusteropstelling. De realisatie van de windturbines kan gefaseerd en door meerdere exploitanten geschieden. Tijdelijk karakter Omdat de ontwikkeling van windturbines in beginsel een tijdelijk karakter heeft, is het belangrijk dat er door de ontwikkeling geen planologische rechten ontstaan die op termijn kunnen leiden tot andere gebruiksfuncties of planschade claims. Daarom is aan de ontwikkeling van windturbines in landelijk gebied de voorwaarde verbonden dat deze uitsluitend gerealiseerd kunnen worden met de toepassing van een omgevingsvergunning inhoudende afwijking van het bestemmingsplan waaraan een maximale gebruikstermijn van 25 jaar is verbonden. Hierbij moet zijn verzekerd dat de windturbines na afloop van deze periode worden verwijderd en dat de situatie van voor de realisatie van windturbines wordt hersteld. De ruimtelijke onderbouwing van het besluit biedt ook inzicht in de overige gestelde randvoorwaarden. Het is uiteraard ook mogelijk dat een visie waarin het gemeentelijk beleid is afgewogen als onderbouwing van het besluit dient.
Het vereiste van een omgevingsvergunning is overigens ook efficiënt vanuit het terugdringen van bestuurslasten omdat er geen bestemmingsplanprocedures doorlopen hoeven te worden bij aanvang en bij afloop van het gebruik. Wij verwachten van de gemeente dat zij een overzicht bijhoudt van verstrekte tijdelijke omgevingsvergunningen dat ook openbaar is, zodat het voor eenieder duidelijk is wanneer de gunningstermijn is afgelopen. Uiteraard geldt vanuit het vereiste van tijdelijkheid ook dat de gemeente na afloop van de periode toeziet op de sanering van de windturbine. Binnen stedelijk gebied is het toepassen van de omgevingsvergunning inhoudende afwijking van het bestemmingsplan niet als eis gesteld. Wel moet geborgd zijn dat de windturbines na afloop van de termijn worden gesaneerd. Het ruimtelijk besluit dat de ontwikkeling mogelijk maakt, biedt inzicht in hoe dat geborgd is. Maatschappelijke meerwaarde Om de betrokkenheid van de inwoners en draagvlak voor duurzame energie te vergroten, geldt dat de ontwikkeling maatschappelijke meerwaarde geeft. Een maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd door de maatregelen die zijn getroffen om de impact van de windturbines op de omgeving te beperken en de bijdrage aan andere maatschappelijke doelen.
Dit zijn niet alleen doelen vanuit duurzaamheid maar ook gericht op vergroten van draagvlak bijvoorbeeld doordat inwoners kunnen participeren in het project of doordat de ontwikkeling bijdraagt aan maatschappelijke cohesie of (financiële) bijdragen aan maatschappelijke opgaven. Het enkele gegeven dat het project duurzame energie oplevert, is niet voldoende. Een goede invulling van deze voorwaarde garandeert tevens betrokkenheid van de inwoners door meespraak bij het project.
Afstemming Vanuit een zorgvuldig gebruik van de open ruimte, afstemming van duurzame energieprojecten in een gebied en de in sommige gebieden beperkte capaciteit van het netwerk, geldt als randvoorwaarde dat projecten zijn afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder. Bij de afweging spelen diverse aspecten een rol, zoals een
7
efficiënte aansluiting op het energienet in samenspraak met de netwerkbeheerders, de kosten die gemoeid zijn met het aanleggen van energie-infrastructuur maar ook aspecten rondom zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit. Deze aanpak past ook bij de regionale energie strategieën die vanuit het Rijk worden gevraagd. Deze randvoorwaarden wijken af van het Afwegingskader landschap (bijlage 3 van de concept RES NOB). Daarin is een minimale clustergrootte opgenomen van minimaal 5 windturbines en worden natuurgebieden (Natura 2000 en Natuur Netwerk Brabant), oude ontginningen en beekdalen uitgesloten. Binnen Natuur Netwerk Brabant zijn alleen windturbines toegestaan als het een deel van het Natuur Netwerk Brabant betreft dat direct aansluitend op hoofdinfrastructuur ligt, er geen alternatief hiervoor mogelijk is en het verlies aan (ecologische) waarden wordt gecompenseerd.
8. Hoeveel, waar en hoe staan we zonneparken toe? De gemeente stelt een Visie zonneparken op om initiatiefnemers van zonneprojecten duidelijkheid te geven en om er initiatieven aan te kunnen toetsen. De visie doet uitspraken over hoeveel, waar, waar eerst en hoe zonneparken worden toegestaan. 8.1 Hoeveel zonneparken staan we toe? Vanwege transportschaarste kan op korte termijn nooit het benodigde areaal aan zonneparken gerealiseerd worden. Bovendien zijn zonneparken een nieuw fenomeen in onze gemeente waar we aan moeten wennen. Deze visie is daarom bedoeld om voor de korte termijn (binnen een jaar na vaststelling van deze visie) een start te maken met de realisatie van zonneparken binnen de gemeente Boxtel, welke bedoeld zijn als pilot tot de definitieve vaststelling van de RES per juli 2021. Hiermee wordt initiatiefnemers de mogelijk geboden om initiatieven in te dienen voor zonneparken in de gemeente Boxtel in trede 2 en 3 (zie 8.6) voor: •
maximaal 50 hectare zonneparken (maximaal 50 megawatt) in de gehele gemeente
• maximaal 20 hectare omvang per individueel zonnepark dan wel aaneengesloten zonneparken opgeteld. Aaneengesloten zijn zonneparken op aaneensluitende kadastrale percelen of parken die uitsluitend gescheiden zijn door een (spoor-)weg of watergang. De maximale omvang van 20 hectare is opgenomen, omdat grotere parken niet passen binnen het kleinschalige landschap van het Groene Woud. Ook hierbij is het Afwegingskader landschap (bijlage 3 van de concept RES NOB) leidend en moet het zonnepark aansluiten bij de maximale kavelgrootte in het gebied en hiervoor worden ingepast. De doelstelling is wat ruimer dan de geschatte netwerkcapaciteit die beschikbaar is. Hiermee wordt uitbreiding van de netwerkcapaciteit gestimuleerd en is er ook ruimte als initiatieven onverhoopt niet doorgaan. De uiteindelijke beoordeling of een initiatief technisch kan worden ingepast op het netwerk is aan de netbeheerder. Na inschrijving worden aanvragen beoordeeld op basis van de voorwaarden uit 8.7 en worden alleen de initiatieven binnen trede 2 gehonoreerd, voor zover voornoemd plafond van 50 hectare niet wordt overschreden. Is er dan nog ruimte, dan komen de hoogste scorende initiatieven in trede 3 in aanmerking. De gemeente maakt aan alle inschrijvers de waardering van de initiatieven bekend en daarmee is duidelijk welke initiatieven voor een 8
positieve tijdelijke omgevingsvergunning in aanmerking komen. Als deze initiatiefnemers niet binnen zes maanden na bekendmaking een aanvraag voor een tijdelijke omgevingsvergunning indienen, kan de inschrijver met het hoogste waardering die niet in aanmerking is gekomen dan in aanmerking komen voor een positieve tijdelijke omgevingsvergunning. Tenslotte komen alleen indieners in aanmerking voor een positieve omgevingsvergunning als onderdelen die gewaardeerd zijn, ook worden aangevraagd. Als men weigert daar de aanvraag op aan te passen, wordt deze geweigerd en komt de eerstvolgende inschrijver met de hoogste waardering in aanmerking. 8.2 Procedure beoordeling initiatieven: Stap 1: Het indienen van een initiatief wordt beschouwd als een principeverzoek, waarover leges in rekening worden gebracht. Dit verzoek bevat minimaal: 1. Een situatieschets met begrenzing en opstelling panelen, omvormers, gebouwen en landschapselementen. 2. Technische gegevens (panelen, omvormers, montagesysteem, aansluiting op elektriciteitsnetwerk); 3. Concept-inrichtingsplan waarin verantwoord wordt: waarom de locatie geschikt is, hoe de omvang wordt ingepast binnen het landschap, hoe de maatschappelijke meerwaarde en meervoudig ruimtegebruik wordt vorm gegeven. 4: Concept-participatieplan: de beoogde proces- en financiële participatie.
Stap 2: Na indiening worden de ingediende initiatieven getoetst op ontvankelijkheid. Niet ontvankelijke initiatieven krijgen twee weken de tijd om hun initiatief aan te vullen. Als deze niet worden aangevuld binnen deze termijn, worden deze buiten behandeling gelaten en kunnen ze eventueel in een volgende ronde meedoen. Stap 3: Hierna volgt de inhoudelijke beoordeling en wordt een advies gevraagd aan de Werkgroep Uitvoering Bestemmingsplannen Buitengebied Boxtel (WUBBB), die wordt aangevuld met maximaal twee door het college aangewezen externe deskundigen ter ondersteuning van de werkgroep. Daarbij wordt het initiatief getoetst aan de Beleidsregel Kwaliteitsverbetering voor het Buitengebied (gemeente Boxtel, 2015). Stap 4: Aan de hand van de inhoudelijke beoordeling en het advies van de WUBBB wordt een voorkeursvolgorde ter besluitvorming voorgelegd aan het College. Hieruit blijkt of initiatiefnemers een aanvraag in kunnen dienen voor een tijdelijke omgevingsvergunning. Stap 5: De initiatiefnemers die een aanvraag kunnen indienen, moeten binnen 6 maanden na bekendmaking door het college een ontvankelijke aanvraag omgevingsvergunning indienen. Deze aanvraag moet voorzien zijn van een ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast moet de uitvoerbaarheid van de businesscase aangetoond zijn (afspraken grondeigenaar en
9
netbeheerder). Ook het concept participatieplan dient concreet gemaakt te worden door een dialoog te voeren met omwonenden en andere relevante partijen, zodat duidelijk is of er draagvlak in de omgeving aanwezig is. Ook moet inzichtelijk zijn hoe de exploitatie van het zonnepark wordt uitgevoerd en welke entiteit de projectorganisatie krijgt. Voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning dient een exploitatie- en planschadeovereenkomst tussen de gemeente en aanvrager worden gesloten, die in ieder geval het volgende bevat: - realisatie en beheer van de landschappelijke inpassing; - realisatie en beheer maatschappelijke meerwaarde; - de proces- en financiële participatie; - de verwijdering van het zonnepark en het herstel van het oorspronkelijke gebruik; - het verhalen van eventuele planschade bij de aanvrager en de vergoeding van gemeentelijke procedurekosten. Stap 6: Beoordeling omgevingsvergunningaanvraag en verlening van de vergunning. Tevens wordt getoetst of de aanvraag overeenkomt met het ingediende initiatief. Op basis hiervan kan een subsidie SDE++ worden aangevraagd of gebruik gemaakt worden van de regeling verlaagd tarief (postcoderoosregeling). Deze regeling wordt in 2021 vervangen door een subsidieregeling.
Op grond van het Besluit vereiste verklaring van geen bedenkingen Boxtel van 10 december 2019 is voor zonneparken buiten de bebouwde kom groter dan 1,5 hectare of met een bebouwingsoppervlakte groter dan 2.500 m2 een VVGB van de gemeenteraad verplicht om daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen. 8.3. Evaluatie Na de eerste openstelling en realisatie volgt een evaluatie en wordt een nieuwe doelstelling voor een volgende fase bepaald. Idealiter is de methode toekomstbestendig in de zin dat de kwantitatieve doelstelling na elke openstelling wordt geactualiseerd, waarbij de weging van de te beoordelen aspecten aangepast kan worden, terwijl zoekgebieden en voorwaarden gelijk kunnen blijven. Hierbij dient weer afstemming met de netbeheerder (Enexis) en omliggende gemeenten (RES) plaats te vinden. Na vaststelling van deze visie volgt nader onderzoek naar locaties voor windenergie en op basis hiervan wordt een afwegingskader voor windenergie ter vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden. 8.4 Onderbouwing van de noodzaak om in Boxtel zonneparken te realiseren De Interim omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant schrijft voor dat aangetoond wordt dat zonneparken nodig zijn voor het behalen van de energiedoelstelling. Dit is onderbouwd in het scenario onderzoek Boxtel Energieneutraal 2030.
De energiebehoefte op langere termijn en hoe hierin voorzien kan worden is bekend (zie scenario-onderzoek en hoofdstuk 2) en hiervoor is naast 290 TJ zonnepanelen op daken, 410 TJ aan windturbines, in ieder geval 270 hectare aan zonneparken noodzakelijk. 8.5 Wáár kunnen zonneparken gerealiseerd worden?
10
Vanuit provinciaal beleid worden alleen natuurgebieden uitgesloten en zijn tijdelijke zonneparken afweegbaar in het Gemengd landelijk gebied en Groen blauwe mantel. Daarnaast worden in het provinciaal beleid aardkundig waardevolle gebieden en cultuurhistorische vlakken (zoals de bolle akkers in Liempde) uitgezonderd. Verder vormt het Afwegingskader landschap uit bijlage 3 van de concept RES NOB een leidend principe voor mogelijke locaties. Aanvullend kan de gemeente meer gebieden beschermen door ze vrij te waren. Wij willen de volgende twee gebieden uitsluiten: - Delen van het Dommeldal (als zodanig aangeduid op kaart 1, bijlage 1) : de kwetsbare beekdalen van Het Groene Woud worden volgens het afwegingskader van de RES gevrijwaard. Dit deel van het Dommeldal bezit belangrijke archeologische en cultuurhistorische waarden. - Het gebied ten Zuiden van Liempde (als zodanig aangeduid op kaart 1, bijlage): dit gebied is in de provinciale Interim omgevingsverordening aangeduid als attentiezone waterhuishouding binnen het thema natuur en isbedoeld om natte natuurparels te beschermen. In dat gebied mag de waterhuishouding niet verstoord worden. Door de aanleg van een zonnepark wordt de grond geroerd en afgedekt en dit kan schadelijke gevolgen hebben voor de waterhuishouding. De natuurwaarden in het gebied worden door de gemeente en Brabants Landschap verstrekt (hooilanden).
Deze gebieden bezitten belangrijke waarden en is er voor alsnog voldoende ruimte om zonneparken te realiseren in de overige gebieden. Deze gebieden worden daarom uitgesloten op basis van landschappelijke kwaliteit. Zon mag wind niet in de weg staan Daarnaast is in het gesprek met het Klimaatpanel genoemd: sta zonneparken juist dáár toe waar geen windturbines mogelijk zijn. Daarmee wordt voorkomen dat zonneparken de latere ontwikkeling van windparken in de weg staan. Het scenario onderzoek voor Boxtel bevat een kaart (pagina 43) met de gebieden waar geen ruimtelijke restricties gelden voor windturbines opgenomen zijn. Omdat die gebieden beperkt zijn én over het algemeen niet liggen in trede 2 of 3 (zie hoofdstuk 9), is er geen reden om hier aan te nemen dat zonneparken de ontwikkeling van windparken in de weg zullen staan, te meer omdat windparken volgens provinciaal beleid alleen zijn toegestaan in ruimtelijke clusters van minimaal 3 windturbines. Toekomstige toevoeging Esch In de kaarten 1 tot en met 4 uit de bijlage 1 is ter illustratie de begrenzing van de kern Esch opgenomen. Dit grondgebied wordt na de gemeentelijke herindeling in 2021 aan de gemeente Boxtel toegevoegd en maakt nu geen onderdeel uit van deze visie Zonneparken. In een volgende fase kan dit grondgebied wel toegevoegd worden aan de visie.
8.6 Wáár eerst? Het gebied waar zonneparken in beginsel mogelijk zijn, is op te delen in ‘treden’, conform de Interim omgevingsverordening waarin het principe van de ‘Zonneladder’ (kamermotie DikFaber, 2018) is overgenomen (zie 6). Het doel van deze treden is om het buitengebied zo veel mogelijk te sparen. Initiatieven in trede 1 hebben voorrang op initiatieven in trede 2, die op hun beurt weer voorrang hebben op de initiatieven in trede 3 (zie bijlage kaart 2). Onderstaande is een interpretatie van de zonneladder als beschreven in de Interim omgevingsverordening. 11
Trede 1: de bebouwde kom + gebieden waarvoor al uitbreidingsplannen zijn; Trede 2: gebieden die zijn aangemerkt al ‘stedelijk afweegbaar’, maar waarvoor nog geen uitbreidingsplannen zijn. Hieronder vallen ook voormalige vuilstorten, voor zover deze niet al uitgesloten zijn en gebieden die niet landbouw of natuur als primair gebruik hebben. Specifiek worden hierbij genoemd bermen langs infrastructuur, maar ook (ernstig) vervuilde gronden, die niet meer geschikt zijn voor de geldende gebruiksfunctie. Verder valt de rioolwaterzuiveringsinstallatie in trede 2. Trede 3: Het resterende landelijke gebied (groen blauwe mantel en gemengd landelijke gebied).
De precieze afbakening is weergegeven in kaart 2 van bijlage 1.
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de ruimte in trede 2 (verstedelijk afweegbaar) te beperkt is voor de gehele opgave. Afhankelijk van de keuze voor een mix van zon en wind, zijn ook zonneparken noodzakelijk in trede 3. 8.7 Het hoe?: Voorwaarden voor zonneparken Vanuit de provinciale omgevingsverordening gelden een aantal voorwaarden ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit en maatschappelijke meerwaarde (zie 7.1). Kort samengevat geldt op basis hiervan een aantal algemene voorwaarden waaraan elk zonnepark moet voldoen: A1: De omgeving moet participeren in het project. A2: De biodiversiteit op en direct nabij de projectlocatie moet toenemen. A3: De ruimtelijke kwaliteit is geborgd met een landschappelijk inpassingplan. A4: De maatschappelijke kosten voor de inpassing op het elektriciteitsnetwerk moeten zo laag mogelijk zijn. A5: De recreatieve/toeristische waarde moet toenemen. Daarnaast gelden er aanvullende voorwaarden in specifieke gebieden aangeduid in bijlage 1, kaart 4.
B1: In het gebied met een waterbergingsopgave geldt dat met het initiatief een invulling moet worden gegeven aan de waterbergingsfunctie. B2: In een zone van 1000 meter rondom de Kampina moet de stikstofdepositie afnemen.
8.8 Systematiek waardering initiatieven De voorwaarden op basis waarvan initiatieven beoordeeld en gewogen worden zijn hier beschreven. Onder A zijn 5 algemene en onder B 2 locatiespecifieke voorwaarden genoemd. De initiatiefnemer moet in zijn plan ingaan op de voor die locatie geldende
12
voorwaarden. De initiatieven worden volgens onderstaande systematiek beoordeeld en gewogen. A1: De omgeving moet participeren in het project . Conform de Interim omgevingsverordening moet de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde hebben en moet bijdragen aan maatschappelijke doelen. Die waarde is niet geheel in geld uit te drukken en moet groter zijn dan alleen het opwekken van hernieuwbare energie. De maatschappelijke meerwaarde kan ook het draagvlak vergroten als er bijvoorbeeld meerdere ruimtelijke opgaven in een gebied gecombineerd worden. Het Klimaatakkoord bevat de doelstelling dat 50% van alle zon- en windparken op land in eigendom is van de directe omgeving. Dit is in het Klimaatakkoord uitgewerkt in de participatiewaaier7. De participatiewaaier bevat een overzicht van verschillende vormen van projectparticipatie (zowel ontwerp- als financiële participatie). Boxtel deelt die doelstelling en hecht belang aan lokaal eigenaarschap. Projectparticipatie kan bestaan uit: 1. De mate waarin belanghebbenden in de omgeving eigenaar zijn en/of financieel profiteren van het initiatief. Dit kan door een deel van de opgewekte zonnestroom gratis beschikbaar te stellen aan omwonenden ter compensatie. Dit kan ook door minimaal 50% van het benodigde eigen vermogen voor de investering te verkrijgen via crowdfunding door de uitgifte van lokale zonne-obligaties.
Daarnaast kunnen inwoners indirect meeprofiteren wanneer de eigenaar van een zonnepark jaarlijks een storting doet in een lokaal gebiedsfonds (ten gunste van de lokale duurzaamheid of leefbaarheid). Verder kan een duurzaam energieproject een stimulans zijn voor de lokale economie, als lokale bedrijven betrokken worden bij de ontwikkeling en exploitatie van een zonnepark. Ook kan een zonnepark een educatieve functie hebben. 2. De mate waarin belanghebbenden in de omgeving deelnemen in de planvorming. Hierdoor heeft men meer zeggenschap over de eigen leefomgeving. 3. De mate waarin belanghebbenden in de omgeving gebruik kunnen maken van het gebied, in vergelijking tot de oude situatie. Dit kan door openstelling van het gebied, bijvoorbeeld via een wandel- of fietsverbinding. A2: De biodiversiteit op en direct nabij de projectlocatie moet toenemen. Een initiatief moet voorzien zijn van een plan waaruit blijkt in welke mate dit, in vergelijking met de bestaande situatie het geval is. Daarbij wordt in de beoordeling gekeken naar de verscheidenheid van leven en de versterking van ecosystemen. Hierbij dient gebruik gemaakt te worden van Beleidsregel kwaliteitsverbetering voor het buitengebied (gemeente Boxtel, 14 april 2015) en daarbij behorende Handreiking kwaliteitsverbetering voor initiatiefnemers in het buitengebied van Boxtel (juni 2015).
Op kaart 4 is ook de groen blauwe mantel apart aangegeven. In dit gebied geldt de ambitie om de biodiversiteit te verbeteren omdat dit een buffergebied is naar het Natuur Netwerk Brabant (NNB) gekoppeld aan water. Als hier de biodiversiteit toeneemt is het effect groter door de ligging ten opzichte van het NNB dan wanneer je biodiversiteit verbetert in ‘gemengd landelijk gebied’. Ook voor het ‘gemengd landelijk gebied’ geldt de ambitie om de biodiversiteit te verbeteren, maar die ambitie is hoger voor de groen blauwe mantel. 7
Participatiewaaier, Klimaatakkoord 2019
13
Het initiatief moet een bijdrage leveren aan het ontwikkelen van nieuwe natuur. De gemeente heeft een taakstelling in het realiseren van nieuwe natuur binnen het Natuurnetwerk Brabant. Het Groenontwikkelfonds Brabant heeft hiervoor een businessmodel ontwikkeld. De percelen die in of tegen het Natuurnetwerk Brabant liggen en nog niet als ‘natuur’ zijn bestempeld kunnen worden ingericht met zonnepanelen en landschapselementen. Over het algemeen liggen die percelen in de groen blauwe mantel. Omdat het Groen Ontwikkelfonds Brabant de opdracht heeft om de ontwikkeling van natuur op deze locaties te stimuleren kan het fonds een gedeelte van de grondwaardedaling voor haar rekening nemen en is er in deze businesscase ruimte om ongeveer 30% van het perceel in te zetten voor hagen, struwelen, waterpoelen en andere natuur/landschapselementen of om de panelen verder uit elkaar te zetten. De zonnepanelen blijven vervolgens 15 jaar staan. In deze periode kan zich tussen de panelen bijvoorbeeld bloemrijk grasland ontwikkeld worden. Na 15 jaar worden de panelen verwijderd en blijft er natuur over. De opbrengsten van de zonnepanelen hebben gedurende 15 jaar als cofinanciering gediend voor de ontwikkeling en bekostiging van de natuur. Dit biedt vooral kansen voor nieuwe natuur die nog verworven en ingericht moet worden.
A3: De ruimtelijke kwaliteit moet zijn geborgd met een landschappelijk inpassingsplan. In dit plan moet worden aangesloten op de landschappelijke kwaliteiten die zijn benoemd in bestaand beleid. Aanknopingspunten hiervoor kunnen worden gevonden in de door de provincie uitgewerkte ‘gebiedspaspoorten’, de Structuurvisie Boxtel en in de Beleidsregel kwaliteitsverbetering voor het buitengebied (gemeente Boxtel, 14 april 2015) en de daarbij behorende Handreiking kwaliteitsverbetering voor initiatiefnemers in het buitengebied van Boxtel (juni 2015). In het afwegingskader landschap bij de RES NOB wordt specifiek genoemd: het aansluiten bij de kavelmaat of het handhaven of herstellen van bestaande landschapselementen zoals houtwallen en randbeplanting. Specifiek kader voor zonneparken is te vinden in de handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie Zuid-Holland. Er moet gestreefd worden naar de inzet van landbouwkundig minder geschikte gronden. Gronden binnen de groen blauwe mantel scoren daarbij hoger dan binnen het gemengd landelijk gebied. Hierbij worden eerst de percelen met de minste agrarische waarde ingezet. Hierbij kan men denken aan percelen, die te nat zijn of ongunstig ontsloten zijn.
Conform de Interim omgevingsverordening moet een zonnepark ook maatschappelijke meerwaarde hebben door de mate van meervoudig ruimtegebruik en de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken. Van meervoudig ruimtegebruik is sprake als andere ruimtelijke opgaven in de omgeving gekoppeld worden aan de aanleg van een zonnepark. Zo kan ‘werk met werk’ gemaakt worden en ontstaat meerwaarde. Hiermee kan het draagvlak in de omgeving vergroot worden. Hierbij wordt gedacht aan een combinatie met waterberging (zie B1), natuur (zie A2), maar ook landbouw, door bijvoorbeeld een zonnepark in combinatie met kleinvee (kippen, schapen) of fruitteelt. Verder kunnen opgaven in infrastructuur gebruikt worden nabij (spoor)wegen, parkeerplaatsen, voormalige stortplaatsen en verontreinigde gronden. Oost-west gerichte opstellingen lenen zich minder voor meervoudig ruimtegebruik dan zuid gerichte opstellingen. Oost-west opstellingen leveren wel gelijkmatiger over de dag stroom en voldoen daardoor beter aan de vraag. Door voldoende ruimte te houden tussen de rijen, kan ook een oost west opstelling ingepast worden. Daarnaast moeten voldoende maatregelen getroffen worden om de impact op de omgeving te bepreken. Dit kan door een landschappelijke inpassing die het zonnepark aan het zicht
14
onttrekt waar dit wenselijk is door aanplanting van een landschapswal of groenblijvende haag.
A4: De maatschappelijke kosten voor inpassing op het elektriciteitsnetwerk. De kosten voor de aansluiting op het netwerk zijn voor rekening van de initiatiefnemer, maar de kosten voor de inpassing van het zonnepark op het netwerk zijn maatschappelijke kosten. Hiermee is rekening gehouden met de roadmap voor PV systemen en toepassingen. 8 Deze moet zo laag mogelijk zijn. Daarbij wordt gekeken naar: 1. Lengte van de aansluiting. Dichterbij scoort beter (uitgedrukt in kabellengte/MW). Meeliften op een bestaande aansluiting windpark is een pré want in potentie is hierdoor minder (nieuwe) kabellengte nodig. 2. Directe nabijheid van voldoende afnemers scoort hoog, middle of nowhere scoort laag. Dit wordt uitgedrukt in een factor (jaargebruik binnen 1 km radius rond park)/(jaaropbrengst park). 3. Maatregelen om de piekbelasting te verlagen en capaciteit optimaal te gebruiken. Gelijkmatige belasting door opstelling en combinatie met wind, peakshaving door aftoppen en opslag. Dat kan uitgedrukt worden in verhouding piekvermogen/jaaropbrengst. Hiervoor worden toetsbare criteria in samenspraak met netbeheerder opgesteld, waarbij gezocht wordt naar eenvoud voor de initiatiefnemer. A5: De recreatieve / toeristische waarde moet toenemen. Deze ambitie wordt benoemd in het provinciaal beleid voor het landelijk gebied.
Een zonnepark kan de bestaande recreatieve waarde van een gebied of een route versterken. Ook kan een zonnepark samengaan met het openstellen van een gebied dat voorheen niet toegankelijk was voor publiek. Bijvoorbeeld bij de combinatie zonnepark met een wandelgebied, of door de aanleg van nieuwe fietsroutes (zie ook het scenario-onderzoek voor Boxtel, waar is gekeken naar recreatieve fietsroutes door de beekdalen in combinatie met zonneparken). B1. In het gebied met een waterbergingsopgave wordt invulling gegeven aan de waterbergingsfunctie. Het afwegingskader landschap RES stelt dat: “In bepaalde gebieden, op afstand van de beek en zijn directe invloedssfeer zijn goed ingepaste, kleinschalige zonneparken denkbaar. Zij kunnen hier mogelijk een rol spelen in de waterhuishouding van het gebied door water vast te houden en de afvoer te vertragen.” Als nadere voorwaarde zijn alleen parken ‘op afstand van de beek’ toegestaan. Er worden alleen zonneparken toegestaan in gebieden met een waterbergingsopgave (zie bijlage kaart 4) als deze ten opzichte van de bestaande situatie een extra functie hebben voor de waterberging. B2: In een zone van 1000m rondom de Kampina moet de stikstofdepositie afnemen. Doordat gedurende de exploitatie van een zonnepark agrarische grond niet bemest kan worden neemt de stikstofdepositie af.
Hoe dichter het zonnepark is gelegen nabij de Kampina (zie bijlage kaart 4), hoe meer de depositie daalt. Maar als na de exploitatie de agrarische functie weer hersteld wordt, kan deze weer toenemen. Als een zonnepark nabij de Kampina wordt aangelegd in combinatie met de beëindiging van een veehouderij, wordt dit hoger gewaardeerd. Voorwaarde is wel dat dit in een overeenkomst wordt vastgelegd. 8
Roadmap PV systemen en toepassingen
15
9. Aanpassen legesverordening voor zonneparken De hoogte van de leges kunnen een belemmering vormen om tot een zonnepark te komen met voldoende maatschappelijke meerwaarde. Om daar aan tegemoet te komen hebben ander gemeenten (bv Cuijk, Mill & Sint Hubert, Heusden) in de legesverordening opgenomen dat bij het bepalen van de bouwkosten van een zonnepark uitgegaan wordt van de kosten van de constructieve werken, bestaande uit de stellingen waarop de zonnepanelen worden geplaatst, de onderstations en eventuele andere bouwwerken, maar uitgezonderd de zonnepanelen zelf en de elektrische installaties (omvormers en schakelingen in de onderstations). Op deze wijze zijn de leges kostendekkend en geeft men meer ruimte aan meerwaarde. Daarom wordt separaat in een voorstel de raad gevraagd de legesverordening als zodanig te wijzigen.
16
10.
Verkenning potentieel voor windparken
10.1 Systematiek onderzoek Om tot een goede mix van grootschalige zonne- en windenergie te komen is inzicht in het potentieel voor windparken in de gemeente Boxtel noodzakelijk. Hiervoor heeft Generation Energy een onderzoek uitgevoerd waarbij op basis van een aantal ontwerpprincipes het ruimtelijk/landschappelijk potentieel inzichtelijk is gemaakt. De concept RES NOB, de provinciale Interim omgevingsverordening en het afwegingskader voor zonneparken uit deze visie vormen hierbij het uitgangspunt. Op basis van drie typen windturbines (zie onderstaande afbeelding) is onderzocht waar clusters van minimaal 5 windturbines volgens het Afwegingskader landschap van de RES NOB of clusters van minimaal 3 windturbines volgens de provinciale Interim omgevingsverordening mogelijk zijn. De rotordiameter en ashoogte van een windturbine zijn bepalende variabelen voor de restricties. Om de windpotentie van Boxtel optimaal inzichtelijk te maken wordt het restrictievrije gebied van verschillende turbines in kaart gebracht. Het is van belang dat de types voldoende verschillend zijn. Op basis van een KleinMidden-Groot principe en de turbinekeuze in projecten uit de buurt wordt de potentie van de volgende referentietypes getest: Turbine type
Potentie
Ashoogte
Diameter
Klein Midden Groot
2.5 MW 4.2 MW 5.6 MW
100 m 130 m 166 m
100 m 130 m 150 m
Onderlinge afstand 5* x Ø = 500 m 5* x Ø = 650 m 5* x Ø = 750 m
* De onderlinge afstand staat in de NEN als 5 x Ø, de NWEA en windontwikkelaars hanteren de vuistregel 4 x Ø (op basis van techniek)
De opbrengst per turbine is afhankelijk van het aantal vollasturen, hieronder een inschatting wat dat op jaarbasis kan opleveren en hoeveel huishoudens daarmee van stroom kunnen worden voorzien:
Volgens het afwegingkader landschap is een minimale clustergrootte van minimaal 5 windturbines gewenst om de opgave te beperken tot grote clusters, waarbij wordt opgemerkt dat het kleinschalige landschap van Het Groene Woud zich niet leent voor grote clusters. Deze minimale clustergrootte van 5 betreft een handvat en geen harde regel. Op grond van de provinciale Interim omgevingsverordening is een cluster van 3 windturbines het absolute minimum voor een windpark en dient bij voorkeur hierbij aansluiting gezocht te worden in stedelijk gebied of nabij grootschalige infrastructuur. Dit betreft een instructieregel en hiervan kan niet afgeweken worden. De onderstaande drie typen zijn onderzocht, die ieder een verschillende hoogte, rotordiameter, onderlinge afstand en jaaropbrengst hebben. Hierbij is voor de onderlinge afstand tussen windturbines uitgegaan van 5 maal de rotordiameter. Dit is de vuistregel van
17
die de NEN aanhoudt. Verder is binnen een zone van 1 kilometer rondom de gemeentegrens ook het potentieel onderzocht. Deze zone is gekozen omdat bekend is dat het potentieel voor windparken gemeentegrenzen overschrijdt.
Uit deze afbeelding blijkt dat het grote type ruim 2 maal zo veel opbrengst heeft als het ‘kleine’ type. Door de kleinere onderlinge afstand en kleinere veiligheidsafstanden die aangehouden hoeven te worden, is het kleine type makkelijker inpasbaar en door de geringere afmetingen is de ruimtelijke impact kleiner. Anderzijds is het de vraag of op grond van de geldende subsidieregeling SDE++ op grond van de opbrengst voor het kleine type een rendabele businesscase opgezet kan worden. Het middelgrote type wordt meer als standaard in de markt gezien, terwijl het grote type meer gericht is op de toekomst. In bijlage 2 is per type windturbine in beeld gebracht op basis van de geluids- en veiligheidsrestricties wat het potentieel is, vervolgens door turbines binnen Natura 2000 en het NatuurNetwerk Brabant uit te sluiten. Daarna zijn potentievlakken voor clusters van 5 of 3 turbines in beeld gebracht. Er is niet aangeven waar binnen deze potentievlakken de windturbines geplaatst kunnen worden. Dit is maatwerk en dit dient nader onderzocht te worden in een vervolgonderzoek. De ruimtelijke kwaliteit van het ontwerp van een windpark speelt hierbij ook een rol en bepaalt of een park ruimtelijk inpasbaar is. Luchtvaart Voor een groot deel van het luchtruim van Nederland geldt een radartoets, ook het luchtruim van Boxtel behoort tot dit gebied.
Daarnaast is er in Boxtel overlap met toetsvlakken die betrekking hebben op radarsystemen die gestationeerd staan op de nabije militaire luchthavens. Een windproject kan hiermee in conflict zijn, maar dit iszeker geen gegeven. Op de kaarten zijn de toetsvlakken in beeld gebracht. Het is aan de gemeente om contact op te nemen met omgevingsmanagement van de Rijksvastgoeddienst (Defensie) om te overleggen over de mogelijkheden van windturbines op deze locaties. Het onderzoek naar het potentieel voor windenergie is besproken met het Klimaatpanel. Door hen is het volgende opgemerkt:
18
De kleinste windturbine die in dit advies is meegenomen (2.5MW) is al een vrij grote turbine. Bij inpassing in het landschap moet hier rekening mee worden gehouden. Doordat het netwerk rond Boxtel waarschijnlijk op korte termijn al maximaal belast is, wordt wind wellicht een lange termijn opgave. Richting de toekomst is het goed om zowel naar zon als wind te kijken, vanuit de Concept-RES NOB lijkt meer aangestuurd te worden op zon. Maar we willen als
gemeente ook duurzame energie hebben als de zon niet schijnt. Voor zon zijn meer ha beschikbaar dan nodig, voor wind zijn er minder gebieden geschikt. Grote stappen kunnen gemaakt worden met wind, maar dan moet het netwerk dat ook aankunnen. Anderzijds kan een relatief klein zonnepark wellicht meteen aangesloten worden. De ambitie is om in 2030 energieneutraal te zijn, en het maken van zowel een korte als een lange termijn planning daarnaartoe is een eerste stap.
10.2 Resultaten onderzoek Uit het onderzoek (zie bijlage 2) blijkt dat met name aan de noordzijde van de gemeente (in het Wilhelminapark) een potentievlak aanwezig is voor een mogelijk windpark met een clustergrootte van 3 tot 5 windturbines (afhankelijke van het type windturbine). Dit potentievlak ligt langs de A2 en past daarbij binnen het ruimtelijke kader voor windturbines van de provinciale Interim omgevingsverordening om windparken bij voorkeur te situeren rond hoofdinfrastructuur. De robuustheid van deze cluster kan vergroot worden door dit potentievlak te koppelen aan potentievlakken in buurgemeenten Vught en SintMichielsgestel. In onderstaande tabel is het potentieel in de gemeente Boxtel en het potentieel samen met clusters in de buurgemeenten Vught en Sint-Michielsgestel vermeld. Daaruit blijkt dat er vooral potentie is voor het kleine en middelgrote type. Het grote type is alleen in een cluster van 3 toe te passen als dit cluster de gemeentegrens van Boxtel overschrijdt. Turbine type Potentie in gemeente Boxtel Potentie van één cluster samen met buurgemeenten
Turbine klein 21,5 TJ/jaar 5 turbines = 107,5 TJ/jaar 20 turbines = 430 TJ/jaar
Turbine middel 40 TJ/jaar 3 turbines = 120 TJ/jaar 6 turbines = 240 TJ/jaar
Turbine groot 53 TJ/jaar 0 turbines = 0 TJ/jaar 3 turbines = 159 TJ/jaar
Hierbij moet wel aandacht besteed worden aan de leidende principes uit het Afwegingskader landschap RES NOB. Op grond van dit afwegingskader zijn sowieso geen windturbines gewenst binnen het kleinschalige landschap van oude ontginningen en beekdalen van Het Groene Woud. Dit afwegingskader betreft een handvat en hoeft niet rigide toegepast te worden. In de zoektocht naar mogelijke locaties pleit dit voor het kleine en middelgrote type turbine, waarvan de inbreuk op het kleinschalige landschap zo klein mogelijk is. Daarnaast moet op grond van het afwegingskader binnen een cluster sprake zijn van een regelmatige afstand tussen windturbines onderling en moet de minimale afstand tussen clusters onderling minimaal 3 kilometer bedragen om deze onderling als een cluster te beschouwen. Daarbij is het koppelen van meerdere clusters met het kleine type qua opbrengst aantrekkelijk, maar dit kan tot verrommeling van het landschap leiden. Hiervoor dient een logische opstelling en ontwerp nader onderzocht te worden. Hiervoor is maatwerk nodig en dit kan de potentie mogelijk vergroten. Daarnaast dient onderzocht te worden of daarmee een rendabele businesscase met de gewenste maatschappelijke meerwaarde en voldoende ruimtelijke kwaliteit bereikt kan worden.
Daarbij dient de inpassing van het windpark in het elektriciteitsnetwerk onderzocht te worden en dient daarbij rekening gehouden te worden met de mogelijkheid om de kabel 19
naar het windpark toe te delen met één of meerdere parken die ook op deze kabel aangesloten worden. Dit kan een gecombineerde businesscase voor een zonne- en een windpark opleveren. Nader overleg met de netwerkbeheerder, buurgemeenten en de grondeigenaren is hiervoor noodzakelijk. De overige potentievlakken liggen voor een deel op het grondgebied van buurgemeenten of liggen grotendeels in beekdalen. Deze zijn op grond van het afwegingskader landschap niet gewenst. Daardoor ligt het bereiken van een voldoende ruimtelijke kwaliteit niet voor de hand. Een deel van de potentievlakken in het zuidelijk deel van de gemeente ligt binnen het toetsingsgebied radar van vliegveld Eindhoven en in dit gebied gelden beperkingen. Uit deze beschouwing blijkt dat de potentie voor wind kleiner is dan de 410 TJ/jaar uit hoofdstuk 3, maar dat er met een zorgvuldig ontwerp wel kansen zijn. Een goede mix tussen zonne- en windenergie is nodig om met hernieuwbare elektriciteit te voldoen aan de vraag, maar die mix hoeft niet op gemeentelijke schaal bereikt te worden. Daarvoor is een regionale afstemming noodzakelijk. Voorgesteld wordt om de potentie voor windenergie nader te onderzoeken en te starten met een onderzoek naar een windpark aan de noordzijde langs de A2, omdat dit kan aansluiten bij hoofdinfrastructuur.
Mocht vervolgens behoefte zijn aan meer windenergie kan ook de potentie elders in de gemeente nader onderzocht worden. Als dit nadere onderzoek is uitgevoerd, wordt een afwegingskader voor windenergie opgesteld, waarin wordt bepaald waar en hoe (onder welke voorwaarden) we windparken we mogelijk willen maken. Dit afwegingskader wordt ter vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden. 10.3 Relatie met zon en netwerk Uit de kaart waarop de relatie van zon en netwerk met wind is zichtbaar gemaakt blijkt, dat potentievlakken voor wind niet liggen op locaties waar zonneparken in trede 2 zijn toegestaan. Dit leidt niet tot concurrentie tussen zonne- en windparken en biedt mogelijkheden om kabels te delen. Dit verlaagt de maatschappelijke kosten en kan businesscases voor zonne- en windparken gunstig beïnvloeden. De ligging van het hoofdstation (hoogspanning naar middenspanning) en de transportverdeelstations (middenspanning naar laagspanning) is ook op deze kaart aangegeven. Daaruit blijkt dat deze gunstig gelegen zijn ten opzichte van gebieden in trede 2 voor zonneparken, maar ongunstig ten opzichte van het noordelijk potentievlak.
20
Bijlage 1: Kaarten zon Kaart 1: Mogelijke uitsluitingsgebieden Kaart 2: Tredes (voorrangsprincipe) Kaart 3: Gebied algemene voorwaarden Kaart 4: Gebiedsspecifieke voorwaarden
Bijlage 2: Kaarten wind Windturbine 2.5 MW Windturbine 4.2 MW Windturbine 5.6 MW
21
Locaties voor duurzame energie: Zon en wind
Adviesnotitie ten behoeve van de visie op grootschalige zonne- en windenergie binnen de gemeente Boxtel
Kaarten Zon
12 Juni 2020
PV Zon - Mogelijke uitsluitingsgebieden
PV Zon - Tredes (voorrangsprincipe)
PV Zon - Gebied algemene voorwaarden
PV Zon - Gebiedsspecifieke voorwaarden
Locaties voor duurzame energie: Zon en wind
Adviesnotitie ten behoeve van de visie op grootschalige zonne- en windenergie binnen de gemeente Boxtel
Kaarten Wind
Windturbine 2.5 MW (Lagerwey)
12 Juni 2020
Volgorde kaarten 1. VEILIGHEID EN GELUID In het Handboek Risicozonering Windturbines is beschreven welke veiligheids- en geluidsnormeringen betrekking hebben op het plaatsen van windturbines. Tevens zijn hierin richtlijnen beschreven hoe deze vertaald kunnen worden naar ruimtelijke afstanden ten opzichte van een bron.
2. INTERIM OMGEVINGSVERORDENING De Provincie heeft een Interim Omgevingsverordening vastgesteld waarin de bestaande regels uit de verschillende verordeningen zijn samengevoegd. In de Interim Omgevingsverordening staan regels voor: • “Burgers en bedrijven: dit zijn zogenaamde rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten voorwaarden om zo’n activiteit te verrichten en geven ook aan of je bijvoorbeeld eerst een melding moet doen voordat je mag beginnen. • Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels. Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren.”
3. ZOOM-IN WINDKAARTEN De vlakken die onderling een afstand van 80 m hebben zijn samengevoegd in potentieclusters. In deze kaart wordt ingezoomed op de drie potentieclusters in het noorden waarvan er 1 geheel binnen de gemeente Boxtel ligt.
4.
Concept-RES NOB
De stuurgroep RES NOB doet een concept-bod voor de hoeveelheid opwek van hernieuwbare energie binnen de RES-regio. Dit bod is tot stand gekomen in een samenwerking van de “Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, colleges en raden van de 16 gemeenten, dagelijkse besturen van 2 waterschappen en Enexis”. Ook alle portefeuillehouders duurzaamheid, gemeenteraden en algemene besturen van waterschappen en stakeholders zijn geraadpleegd. Dit concept-bod is gedaan op basis van een afwegingskader bestaand uit 5 pijlers: Potentie, landschap, maatschappelijke kosten en baten, koppel- kansen en maatschappelijke acceptatie. “Het afwegingskader geeft partijen een handvat, eventueel aanvullend op eigen kaders, om lokaal keuzes af te wegen gericht op realisatie van de opgave. Het is aan partijen (vooral gemeenten) de uitgangspunten wel of niet lokaal verder uit te werken en te borgen in beleid. De 5 pijlers zijn een hulpmiddel. Lokaal kunnen ook andere aspecten een rol spelen in de te maken keuzes. Binnen de RES-organisatiestructuur informeren gemeenten elkaar over de lokale stappen in de energietransitie. De regionale dialoog zorgt ervoor dat de effecten van lokale besluiten op regionaal niveau in beeld worden gebracht.”
Windturbine 2.5 MW - Veiligheid en geluid Ruimte voor windturbines buiten veiligheids- en geluidsrestricties
Windturbine 2.5 MW – Interim Omgevingsverordening Ruimte voor windturbines buiten natuurgebieden: • Natuurnetwerk Brabant (NNB) / • Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Windturbine 2.5 MW - Interim Omgevingsverord. & Concept-RES NOB Potentievlakken met ruimte voor clusters van 3 en 5 turbines
Windturbine 2.5 MW - Potentieclusters Boxtel Ruimte voor windturbines buiten veiligheids- en geluidsrestricties en natuurgebieden • Natuurnetwerk Brabant (NNB) / • Natuurnetwerk Nederland (NNN
Concept-RES Noordoost Brabant KANSEN EN UITSLUITING ZOALS BESCHREVEN IN HET AFWEGINGSKADER LANDSCHAP Geschikt voor zon en wind: • Jonge heide ontginning • (Nabij) grootschalige industrie-en haventerreinen Zorgvuldige inpassing zon en wind: • Nabij of in beschermde dorps -en stadsgezichten; cultuurhistorisch/ar-cheologisch/aardkundig waardevolle gebieden Zon inpasbaar, wind onwenselijk: • Oude zand ontginningen Zon en wind onwenselijk: • Natuurgebieden (Natura2000, NNB) • bijzondere landschappen zoals de Loonse Drunense Duinen, Maasheggen, De Maashorst en het Maasdal • De beken van Dommel, Esschestroom, Aa en Raam en hun aangrenzende, bijbehorende percelen - de beekdalen
Windturbine 2.5 MW – Concept-RES Noordoost Brabant Geschikt voor zon en wind: • Jonge heideontginning • (Nabij) grootschalige industrie
Windturbine 2.5 MW – Concept-RES Noordoost Brabant Zorgvuldige inpassing zon en wind: Nabij of in beschermde dorps- en stadsgezichten Nabij of in waardevolle gebieden qua • Cultuurhistorie • Archeologie • Aardkunde
Windturbine 2.5 MW – Concept-RES Noordoost Brabant Onwenselijk voor wind: Bijzondere landschappen zoals • Loonse Drunense Duinen • Maasheggen • De Maashorst • Maasdal Oude zandontginningen Beken en beekdalen van • Dommel • Essche Stroom • Aa • Raam
Windturbine 2.5 MW - Relatie tot zon en netwerk Potentievlakken wind in relatie tot potentiegebieden PV en onderstations
Windturbine 2.5 MW - Toetsingsvlak Toetsingsvlak radar i.v.m. nabije (militaire) vliegvelden
Locaties voor duurzame energie: Zon en wind
Adviesnotitie ten behoeve van de visie op grootschalige zonne- en windenergie binnen de gemeente Boxtel
Kaarten Wind
Windturbine 4.2 MW (Enercon E-126)
12 Juni 2020
Volgorde kaarten 1. VEILIGHEID EN GELUID In het Handboek Risicozonering Windturbines is beschreven welke veiligheids- en geluidsnormeringen betrekking hebben op het plaatsen van windturbines. Tevens zijn hierin richtlijnen beschreven hoe deze vertaald kunnen worden naar ruimtelijke afstanden ten opzichte van een bron.