CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

11.f - Bijlage 6 - Nota van zienswijzen en wijzigingen (geanonimiseerde bewoners)

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 26 januari 2023, gemeente boxtelBij agendapunt: 11 Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Hooghei9.445 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nota van zienswijzen bestemmingsplan “Hooghei” te Berlicum INLEIDING Bij het bestemmingsplan “Hooghei” zijn een drietal initiatieven betrokken, te weten Natuurbegraafplaats Hooghei, Recreatiepark “Camping de Hooghe Heide” en Opvanghuis Berlicum. Reeds ten tijde van de voorbereiding van het voorontwerp-bestemmingsplan is door de initiatiefnemers informatie verstrekt aan en overleg gevoerd met de direct omwonenden van het plangebied. Daarnaast is een gesprek gevoerd met de Natuurgroep Gestel. Van die bijeenkomsten zijn verslagen gemaakt en als bijlage bij de toelichting opgenomen. In het kader van het vooroverleg was ook Het Groene Hart uitgenodigd. Zij hebben van die uitnodiging geen gebruik gemaakt, maar hebben wel een schriftelijke inspraakreactie ingediend. Ook met de provincie Noord-Brabant is uitvoerig vooroverleg gevoerd, alsook met de overige instanties. Alles wat is ingekomen via het vooroverleg is neergelegd in de Nota van inspraak en vooroverleg welke eveneens als bijlage bij de toelichting is gevoegd. Vervolgens zijn naar aanleiding van de Nota van inspraak en vooroverleg een aantal wijzigingen doorgevoerd in het ontwerpbestemmingsplan “Hooghei” . Eén van de grootste wijzigingen betreft de tegemoetkoming aan omwonenden die hebben aangegeven op de plaats van de uitbreiding liever vaste huisjes te zien dan een camping.

De verplaatsing van de camping naar de plaats van de uitbreiding is dan ook achterwege gebleven. De camping blijft met voorliggend bestemmingsplan waar die nu is en op de plaats van de uitbreiding worden 40 extra huisjes voorzien. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 28 januari tot en met 10 maart 2022 ter inzage gelegen. Van de volgende (rechts)personen zijn zienswijzen ontvangen op het ontwerpbestemmingsplan “Hooghei” te Berlicum: Naam: Provincie Noord-Brabant Vereniging het Groene Hart Brabant Bewoner 1 Bewoner 2 Bewoner 3 Bewoner 4

Datum ontvangst: 16 februari 2022 17 februari/23 maart 2022 21 januari 2022 2 februari 2022 17 februari 2022 7 maart 2022

De ingekomen zienswijzen zijn binnen de daarvoor gestelde termijn ontvangen, zijn v.w.b. de bewoners geanonimiseerd en om die reden genummerd en zullen hieronder inhoudelijk behandeld worden. Onderscheid zal daarbij telkens worden gemaakt in de zienswijzen aangaande respectievelijk de natuurbegraafplaats, het recreatiepark en het opvanghuis.

1

INGEKOMEN ZIENSWIJZEN: Zienswijze 1: Provincie Noord-Brabant Algemeen: Zienswijze 1.1.: Voor de herbegrenzing van het NNB dient de vervolgprocedure te worden doorlopen conform artikel 6.2 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Dit gaat om herbegrenzing van het NNB ter plaatse van het opvanghuis en ter plaatse van de natuurbegraafplaats (parkeerterrein en ontvangstgebouw). Het bestemmingsplan wordt pas vastgesteld als de provincie heeft besloten tot wijziging van de begrenzing. Beantwoording zienswijze: De gemeente Sint-Michielsgestel is bekend met de vervolgprocedure voor een verzoek tot herbegrenzing van het NNB en zal deze procedure in gezamenlijkheid met de provincie afronden voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan Hooghei. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft het verzoek om herbegrenzing NNB inmiddels bij de provincie ingediend. T.a.v. natuurbegraafplaats Hooghei: Zienswijze 1.2: De oppervlakte van het ontvangstgebouw en het parkeerterrein ten behoeve van de toekomstige natuurbegraafplaats is aanzienlijk verkleind. De toelichting van het plan geeft onvoldoende duidelijkheid over waarom dit is doorgevoerd in het ontwerpplan. Zonder nadere onderbouwing kan niet goed worden bepaald of in de juiste omvang wordt voldaan aan de natuurcompensatieverplichting. Beantwoording zienswijze: De zienswijze is gegrond.

De provincie heeft in de vooroverlegreactie op het voorontwerp bestemmingsplan ‘Hooghei’ opgemerkt dat het bouwvlak voor het ontvangstgebouw en de opzet van de toegangsweg en de parkeervoorziening op de natuurbegraafplaats omvangrijk waren, vroeg zich af of dit ruimtebeslag daadwerkelijk nodig was en verzocht dit nader te onderbouwen. Naar aanleiding van deze inspraakreactie zijn het bouwvlak en de opzet voor de parkeerplaats en toegangsweg opnieuw tegen het licht gehouden. Op basis daarvan hebben we deze vlakken aangepast (verkleind) in het ontwerp bestemmingsplan. In de nota van inspraak (bijlage 22 bij de Toelichting) wordt deze wijziging uitgebreid toegelicht. Alle drie de onderdelen: het ontvangstgebouw, de parkeerplaats en de toegangsweg, zijn planologisch bestemd. Het bestemmingsplan maakt het niet mogelijk om deze drie voorzieningen buiten het daarvoor bedoelde bouwvlak en de functieaanduiding te realiseren. Voor de ruimte die met dit bouwvlak en de functieaanduiding in beslag wordt genomen van het NNB, is in afstemming met de provincie een financieel compensatieplan opgesteld (bijlage 6 bij de Regels). Deze financiële compensatie dient uiterlijk zes weken na vaststelling van het bestemmingsplan gestort te worden in de provinciale compensatievoorziening. In de nota van inspraak is over de ruimtebehoefte het volgende vastgelegd.

De onderbouwing met betrekking tot de ruimtebehoefte zal aan de Toelichting worden toegevoegd: “Om te kunnen functioneren als natuurbegraafplaats is een voorziening nodig op het terrein van waaruit uitvaarten georganiseerd kunnen worden en waar informatie over natuurbegraven kan worden verstrekt. Ook is een ruimte nodig voor inpandige opslag ten behoeve van het natuurbeheer. Het informatiecentrum, een kleine ceremonieruimte en inpandige opslag ten behoeve van het beheer 2

van het natuurgebied worden ondergebracht in één (tijdelijk) gebouw op de natuurbegraafplaats binnen het daarvoor bestemde bouwvlak. Dit bouwvlak had in het voorontwerp een oppervlakte van 1.250 m², met daarbinnen de mogelijkheid voor een gebouw van 500 m². Mede naar aanleiding van deze inspraakreactie is het bouwvlak verkleind naar 750 m². De ruimtebehoefte en daarmee de omvang van het gebouw voor het informatiecentrum, kleine ceremonieruimte en inpandige opslag is niet gewijzigd ten opzichte van het voorontwerp en is gelijk gebleven aan 500 m². Een exact ontwerp voor het ontvangst- en ceremoniegebouw wordt later uitgewerkt door Natuurbegraven Nederland en zal passen binnen de planregels”. Een ruimer bouwvlak in eerste instantie bood meer flexibiliteit om het gebouw uiteindelijk zo te situeren dat deze het beste ingepast kan worden in de omgeving. Door nu al na te denken over de situering van het gebouw binnen het bouwvlak, hebben we dit bouwvlak kunnen verkleinen zonder dat de omvang van het gebouw wijzigt en dit effecten heeft op de ruimtebehoefte van het gebouw. Door dit bouwvlak te verkleinen naar 750 m² wordt de ruimtedruk op het NNB geminimaliseerd. Een gebouw van 500 m² is benodigd om de drie voornoemde functies te kunnen realiseren.

“Binnen de bestemming Natuur ligt op de natuurbegraafplaats de functieaanduiding ‘parkeerterrein’ voor een bosparkeerplaats en een toegangsweg (artikel 6.1, lid d). In het voorontwerp had de functieaanduiding voor de parkeerplaats en toegangsweg een oppervlakte van 3.000 m². Dit oppervlak was in het voorontwerp erg ruim opgezet. Naar aanleiding van deze inspraakreactie hebben we opnieuw gekeken naar de ruimtebehoefte voor deze bosparkeerplaats en toegangsweg. Het parkeerterrein is aangepast en verkleind naar 2.000 m². Door een efficiënte inrichting is er voldoende oppervlak om 60 parkeerplaatsen en een toegangsweg aan te leggen in een groene opzet, binnen het daarvoor bestemde vlak. De bosparkeerplaats en de toegangsweg worden uitgevoerd in halfverharding. Parkeerplaatsen of een toegangsweg zullen niet buiten de aanduiding 'parkeerterrein' worden gerealiseerd, dit laat het bestemmingsplan niet toe”. Zienswijze 1.3: De recreatiewoning wordt in mindering gebracht op de compensatieopgave van het NNB ten behoeve van de natuurbegraafplaats. Om als compensatie aangemerkt te kunnen worden dient de sloop van de recreatiewoning in het bos ter plaatse van de toekomstige natuurbegraafplaats planologisch juridisch te worden geborgd in de regels. Beantwoording zienswijze: Dit is een gegronde zienswijze welke in het definitieve bestemmingsplan wordt verwerkt.

De sloop van de recreatiewoning zal middels een voorwaardelijke verplichting in artikel 6.4.6 van de regels worden geborgd. T.a.v. Recreatiepark “Camping de Hooghei Heide”: Zienswijze 1.4: De berekening van de basisinspanning voor kwaliteitsverbetering van het landschap voor het recreatiepark is niet geheel akkoord. a. De provincie merkt op in beginsel het gehele bouwperceel van het recreatieterrein in het kader van de grondwaardebepaling te beschouwen als ‘intensieve recreatie’. De provincie heeft er begrip voor dat de natuurlijke omgeving van het open grasveld bedoeld voor caravans en tenten in verband met de beperkte impact en gebruiksmogelijkheden lager wordt gewaardeerd. Deze differentiatie is echter alleen toegepast in de grondwaardebepaling van de nieuwe situatie (na planwijziging). Dit dient ook verwerkt te worden in de grondwaardebepaling van de bestaande situatie (voor planwijziging). b. Als fysieke kwaliteitsverbeteringen worden de kosten voor planvorming meegerekend. Deze plankosten betreffend geen direct fysieke maatregel ter verbetering van de landschappelijke kwaliteit 3

Beantwoording zienswijze: In overleg met de provincie is besloten dat de investering in kwaliteitsverbetering van het landschap voor dit plan akkoord is, behoudens de voorwaarde dat het recreatiepark Camping De Hooghe Heide de landschappelijke inpassing direct rondom de camping robuuster uitvoert. Daarvoor wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1.5. Zienswijze 1.5: De provincie acht de landschappelijke inpassing voor het recreatiepark vanuit het oogpunt van de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en gelet op de omvang van de ontwikkeling en de ligging in de Groenblauwe mantel, summier. Hoewel de landschappelijke inrichting ten opzichte van het voorontwerp plan is verbeterd, geeft de provincie in overweging, de landschappelijke inpassing substantiëler uit te voeren. Beantwoording zienswijze: Naar aanleiding van de zienswijze van de Provincie Noord-Brabant heeft overleg plaatsgevonden. Tijdens dat overleg is naar mogelijkheden gezocht om extra fysiek te investeren in kwaliteitsverbetering van het landschap. Recreatiepark Camping de Hooghe Heide heeft extra geïnvesteerd in de fysieke tegenprestatie voor de kwaliteitsverbetering van het landschap in de directe omgeving met het landschappelijk inpassen van ongeveer 1.200 m2 weidegrond ten noorden van het recreatiepark.

De provincie heeft per mail van 23 juni 2022 schriftelijk bevestigd dat met die aanpassingen de provinciale belangen van kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals vastgelegd in artikel 3.9 IOV, niet langer in het geding zijn. Zienswijze 2: Het Groene Hart Brabant Algemeen: Door Het Groene Hart Brabant is een zienswijze ingediend met grotendeels dezelfde inhoudelijke standpunten als de ingediende inspraakreactie op het voorontwerpplan. Een nadere onderbouwing van de zienswijze ten opzichte van de nota van inspraak ontbreekt. De gemeente stelt zich daarom op het standpunt dat de weerlegging van de inspraakreactie duidelijk is geweest. Daar waar de inspraakreactie wordt herhaald, wordt verwezen naar datgene wat in de nota van inspraak daaromtrent reeds is aangegeven (bijlage 22 bij de Toelichting). De zienswijze van het Groene Hart (d.d. 21 maart 2022) is onderverdeeld in onderdelen. Onderdelen B en C ontbreken echter. Onderdeel A betreft de zienswijze gericht op het recreatiepark Camping de Hooghe Heide en onderdeel D betreft de zienswijze gericht op het Opvanghuis. Onder onderdeel A zijn tevens zienswijzen opgenomen welke refereren aan natuurbegraafplaats Hooghei of aan de bestemming “natuur” , welke niet van toepassing zijn voor de camping.

Delen van de zienswijzen waarbij – ondanks de onjuiste of onlogische verdeling – duidelijk wordt gerefereerd aan natuurbegraafplaats Hooghei of de bestemming “natuur”, worden voorzien van een reactie onder het kopje “zienswijze 2, t.a.v. de natuurbegraafplaats”. T.a.v. Recreatiepark “Camping de Hooghe Heide”: Zienswijze 2.1: Beleidsmatig wordt gestreefd om de ruimtelijke kwaliteitsdegradatie een halt toe te roepen en te streven naar behoud, herstel en ontwikkeling van een betere ruimtelijke kwaliteit. Het voorliggende bestemmingsplan doet echter precies het omgekeerde en zet een proces van ruimtelijke kwaliteitsafbraak voort.

4

Beantwoording zienswijze: Het plan is getoetst aan de algemene regels voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit van de ruimtelijke kwaliteit (artikel 3.5 t/m 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna IOV)). Het plan voldoet daaraan. Verwezen wordt naar paragraaf 4.3.3.1 van de toelichting, waarin de toetsing van Recreatiepark Camping De Hooghe Heide aan de IOV plaatsvindt. Zienswijze 2.2: Op dezelfde gronden zijn diverse bestemmingsdoeleinden nevenschikkend, terwijl deze onderling tegenstrijdig kunnen zijn. De nieuwe ontwikkelingen voorzien in een toename van ruimtebeslag en gebruiksintensiteit die afbreuk doen aan de andere geldende doeleinden en de beschikbare uit het vigerende bestemmingsplan zijn overgenomen, zijn deze ongewijzigd gebleven. De bestemmingen die zijn gewijzigd en de aanduidingen die zijn toegevoegd, doen geen afbreuk aan de geldende doeleinden. Beantwoording zienswijze: Het plan is getoetst aan de regels voor bestaande niet-agrarische functies in landelijk gebied (artikel 3.71 van de IOV). De gemeente is van oordeel dat het plan hieraan voldoet – er is sprake van een redelijke uitbreiding.

Vigerende gebiedsaanduidingen uit “Buitengebied Sint Michielsgestel” (2013) ter bescherming van het dassenleefgebied, historisch waardevol gebied en besloten gebied, gekoppeld aan een aanlegvergunningstelsel, zijn overgenomen ter bescherming van gebiedswaarden. Zienswijze 2.3: In het voorliggende plan wordt geen gelijkwaardige compensatie voorzien van de verloren gaande waarden met als gevolg een netto achteruitgang van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van het plangebied, met een negatieve uitstraling op de omringende omgeving. Beantwoording zienswijze: Het plan investeert voldoende in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1. Zienswijze 2.4: Gebiedswaarden bestaan uit twee componenten: de actuele en de potentiële aard. Alleen kijken naar de nu waargenomen waarden in een sterk gedegradeerd milieu is onvoldoende. Het gevolg is dat de negatieve milieugevolgen door een project structureel te mild worden beoordeeld. Geen wonder dat de beoogde intensivering van de camping nauwelijks nadelige invloed lijkt te hebben. Er moet worden bezien welke kwaliteit de waarden in potentie kunnen hebben om de werkelijke zwaarte van een project voor de natuurgevolgen te kunnen beoordelen. Beantwoording zienswijze: Het plan investeert voldoende in de kwaliteitsverbetering van het landschap.

Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1. Zienswijze 2.5: Het voorliggende plan voorziet niet in behoud van de bestaande bos- en landbouwwaarden (behalve een klein deel van de paardenweide). Herstel van de historische ruimtelijke en functionele kenmerken vindt nergens plaats en wordt op grote schaal teniet gedaan. Beantwoording zienswijze: Reclamant doelt hier opnieuw bescherming van gebiedswaarden. Dit is vertaald naar het aanlegvergunningenstelsel als bedoeld onder de beantwoording van zienswijze 2.2. Het aanlegvergunningenstelsel is overgenomen in de regels. 5

Zienswijze 2.6: Het verlies van onbebouwd en niet verhard oppervlak wordt niet gecompenseerd door amovering van vergelijkbare oppervlakten elders. Het gaat hier dus om een definitief en fors waardenverlies. Beantwoording zienswijze: Het plan investeert voldoende in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2.1 en 2.2. Hierbij wordt aanvullend opgemerkt dat verhogen van de grondwaterstand een positief effect heeft op herstel van de oorspronkelijke natuurwaarden. De toekomstige bouwpeilen worden 30 cm hoger aangelegd dan het naastgelegen wegpeil. Met de verhoging van de gronden wordt aangesloten bij het oorspronkelijke peil in het gebied. Dit heeft een positief effect op het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken van het gebied. Zienswijze 2.7: De gronden bij de ingang van de camping zijn door verharding, parkeervoorzieningen en verhuurchalets vergaand ongeschikt geraakt als leefgebied voor de das. De gronden ten westen en noorden van het restaurant zijn bij uitstek geschikt als foerageergebied voor de das. Het weidegebied gaat in het voorliggende plan geheel verloren (behoudens een beperkt deel aan de noordzijde) ten behoeve van nieuwbouw en kampeervoorzieningen.

Het voorliggende plan voorziet niet in herstel van dit leefgebied en leidt daardoor op grote schaal tot afbraak van het habitat van de das. Beantwoording zienswijze: Door de jaren heen zijn 3 natuurtoetsen uitgevoerd door Econsultancy. De meest recente daarvan is toegevoegd aan het ontwerp bestemmingsplan. Uit alle 3 de natuurtoetsen is gebleken dat het plangebied ongeschikt is als leefgebied voor de das (jachtgebied + verblijfsgebied). Wij verwijzen u naar bijlage 5 en 6 van de toelichting. Zienswijze 2.8: De gronden bij de ingang, ten noorden van het restaurant en in het oosten hebben hun oorspronkelijk besloten boskarakter door intensieve bebouwing en verharding nagenoeg geheel verloren. Beantwoording zienswijze: Dit is een bestaande planologische en feitelijke situatie. Zienswijze 2.9: Nieuwe natuur kan niet door de mens zelf worden gemaakt. De definitie van goede natuurwaarden is dat deze zo min mogelijk door de mens worden beïnvloed. Beantwoording zienswijze: Er zijn in de huidige situatie geen natuurwaarden aanwezig binnen het plangebied. Het onderhavige plan voorziet in de ontwikkeling van een landschappelijke inpassing door de omvorming van landbouwgronden naar bosgebied. Dit betekent een toename van natuurwaarden binnen het plangebied.

Zienswijze 2.10: Verlies van bodemgebonden natuurwaarden en daarop afgestemde biotische waarden kunnen niet worden gecompenseerd of gemitigeerd. Deze waarden kunnen door de zeer lange vormingsgeschiedenis en het unieke plaatsgebonden karakter niet gelijkwaardig elders worden gemitigeerd of gecompenseerd, omdat deze niet vervangbaar zijn. Een herstel aan massa elders vraagt zeer veel groeitijd en zal nooit gelijkwaardigheid kunnen bereiken, omdat de abiotische 6

omstandigheden en omgevingsinvloed elders altijd anders zullen zijn. De compensatie buiten de gemeente zoals nu is voorzien bij de natuurbegraafplaats brengt een netto natuur- en landschapswaardenverlies voor de gemeente met zich mee. Vanuit de gemeentelijke verplichting zorg te dragen voor een goede ruimtelijke ordening voor haar grondgebied is het feitelijk niet toegestaan om hieraan mee te werken. Beantwoording zienswijze: Voor zover de zienswijze betrekking heeft op de gronden van de uitbreiding van recreatiepark Camping De Hooghe Heide, wordt verwezen naar de reactie op de zienswijzen 2.1, 2.2 en 2.9. In deze zienswijze refereert het Groene Hart aan de compensatie buiten de gemeente zoals voorzien bij de natuurbegraafplaats. Onder ‘zienswijze t.a.v. de natuurbegraafplaats’, punt 2.14 en 2.15 wordt hierop gereageerd. Zienswijze 2.11: In de regelgeving ontbreekt een aanlegvergunningensysteem om mogelijke ingrepen die negatieve gevolgen kunnen hebben op het behoud, herstel of de ontwikkeling van waarden te kunnen beoordelen en handhaven. Zonder een dergelijke regeling zijn voordiende ontwikkelingen niet goed te sturen. Beantwoording zienswijze: De stelling van Groene Hart Brabant dat een aanlegvergunningensysteem ontbreekt om mogelijke ingrepen te kunnen beoordelen en te sturen is niet juist.

De gebiedsaanduidingen en de daarbij behorende regels uit het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Michielsgestel’ zijn in het onderhavige plan overgenomen in artikel 14: Algemene aanduidingsregels. Het bestemmingsplan stelt daarbij regels voor bijvoorbeeld het afgraven, ophogen of verharden van een oppervlakte van meer dan 100 m2. Naast deze aanduidingsregels van toepassing voor de gebiedsaanduidingen, is ook een vergunningsverplichting opgenomen voor bepaalde werken en werkzaamheden (artikel 6.4.2) binnen de bestemming ‘Natuur’. In artikel 6.4.4 is bovendien vastgelegd dat de in 6.4.2 benoemde omgevingsvergunning slechts kan worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de archeologische-, landschappelijke- en natuurwaarden. Daarmee is geborgd dat omgevingsvergunningsplichtige ingrepen met negatieve gevolgen voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de archeologische-, landschappelijkeen natuurwaarden niet toelaatbaar zijn. De gemeente kan daarmee toezien en handhaven op de bescherming van de aanwezige natuurwaarden. Indien volgens de regels een omgevingsvergunning aan de orde is voor een activiteit, dan zal deze getoetst worden aan de planregels. Aan artikel 14 is een beoordelingskader aanlegvergunningenstelsel gekoppeld (bijlage 1 bij de Regels).

Bij beoordeling van een omgevingsvergunningplichtige activiteit worden de mogelijke gevolgen, zoals opgenomen in het beoordelingskader, getoetst. De aanwezige waarden en kenmerken blijven met onderhavig bestemmingsplan ongewijzigd beschermd. Zienswijze 2.12: Het vergraven van de bodem, ophogen of verlagen, het rooien van bomen en aanleg van (half)verharde paden dient onder 6.4.1 Strijdig gebruik te vallen. Werken of werkzaamheden met betrekking tot onderhoud en beheer mogen geen onevenredige aantasting van de te beschermen waarden tot gevolg hebben. Beantwoording zienswijze: De bestemming ‘Natuur’ is voor de camping niet van toepassing.

7

De planregels behorende bij de bestemmingen uit het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied SintMichielsgestel’ zijn in het onderhavige plan overgenomen. In artikel 6.1 is vastgelegd dat de voor ‘natuur’ aangewezen gronden zijn bestemd voor o.a.: a. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuurwaarde en/of ecologische waarde en voor b. instandhouding van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Werken of werkzaamheden dienen daarop te worden beoordeeld. Aanvullend is een aanlegvergunningenstelsel in artikel 6.4.2 opgenomen met bijbehorend artikel 6.4.3 en 6.4.4. Werken of werkzaamheden die worden benoemd in artikel 6.4.2, zoals het aanleggen van paden, wegen of parkeerterreinen, het vergraven van grond voor meer dan 100 m2 en dieper dan 0,5 m, en het rooien van bos, zijn vergunningsplichtig. In artikel 6.4.4 is bovendien vastgelegd dat de in 6.4.2 benoemde omgevingsvergunning slechts kan worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de archeologische-, landschappelijke- en natuurwaarden. Daarmee wordt voorkomen dat werken of werkzaamheden onevenredige aantasting van de aanwezige waarden en kenmerken tot gevolg hebben.

Het aanlevergunningenstelsel is conform het voorliggende bestemmingsplan goed geregeld, in de enkelbestemming “Natuur” en in de gebiedsaanduidingen “historisch landschappelijk gebied”, “besloten gebied” en “leefgebied van dassen”. Zienswijze 2.13: Het begrip halfverharding dient nader gedefinieerd te worden. Feitelijk bestaat er uit milieuoogpunt geen verschil tussen verhard en halfverhard, omdat beide begroeiing voor 100% uitsluiten en dezelfde ruimtelijke versnippering en ecologische barrièrewerking teweeg brengen. Beantwoording zienswijze: Halfverharding is niet aan de orde binnen de bestemmingsregeling voor camping Hooghei. Halfverharding is van toepassing binnen de bestemming ‘Natuur’ (artikel 6.1, lid h), deze bestemming is niet gelegen op gronden van de camping. Onder ‘zienswijze t.a.v. de natuurbegraafplaats’, punt 2.16 wordt hierop gereageerd. Zienswijze t.a.v. natuurbegraafplaats Hooghei: Zienswijze 2.14: Verlies van bodemgebonden natuurwaarden en daarop afgestemde biotische waarden kunnen niet worden gecompenseerd of gemitigeerd. Deze waarden kunnen door de zeer lange vormingsgeschiedenis en het uniek plaatsgebonden karakter niet gelijkwaardig elders worden gemitigeerd of gecompenseerd, omdat deze niet vervangbaar zijn.

Een herstel aan massa elders vraagt zeer veel groeitijd en zal nooit gelijkwaardigheid kunnen bereiken, omdat de abiotische omstandigheden en omgevingsinvloed elders altijd anders zullen zijn. Beantwoording zienswijze: Het Groene Hart Brabant stelt dat er sprake zou zijn van verlies van bodemgebonden natuurwaarden en daarop afgestemde biotische waarde. Onduidelijk is wat Groene hart Brabant verstaat onder bodemgebonden natuurwaarde en wat voor verlies er zou optreden door het initiatief. De term bodemgebonden natuurwaarden komt niet voor in het bestemmingsplan en of provinciale verordening en kent geen specifiek beschermingsregime. Op pagina 38 van de Natuurtoets (bijlage 12 bij de Toelichting) is het volgende vastgelegd: “Het plangebied heeft geen uitgesproken waardevolle geomorfologische en aardkundige waarden. Het bestaat in belangrijke mate uit algemeen voorkomende dekzanden. Het bovenste zandpakket is circa 20 meter dik. Van oude bosbodems (loofhoutbos > 100 jr. oud) is in het plangebied geen sprake. Naaldhout is wel al meer dan 100 jaar aanwezig maar het bos is in het verleden beheerd als productiebos waarbij periodiek het hout is geoogst. In het verleden heeft lokaal al vergraving 8

plaatsgevonden (o.a. realisatie bosvijver). Van de afgraving en ophoging is daarom geen significant negatief effect op de geomorfologische en aardkundige waarden te verwachten.” In de natuurtoets (pagina 33, bijlage 12 bij de Toelichting) wordt aangegeven dat de huidige kwaliteit van het bos gering / gematigd is. Bij voortzetting van het huidige beheer zijn de potenties eveneens gematigd. Met realisatie van de door de inrichting en het beoogde beheer op termijn te verwachten nieuwe beheertypen zal de diversiteit in het gebied toenemen. Dit biedt meer soorten een leefgebied en standplaats in het gebied. Bestaande waarden worden niet aangetast, maar vergroot. De natuurlijke (ecologische) en landschappelijke diversiteit zal in de loop van de tijd juist aanzienlijk toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Voor wat betreft de compensatie van bodemgebonden natuurwaarden, wordt verwezen naar de beantwoording onder punt 2.15. Zienswijze 2.15: De compensatie buiten de gemeente zoals nu is voorzien bij de natuurbegraafplaats brengt een netto natuur- en landschapswaardenverlies voor de gemeente met zich mee. Vanuit de gemeentelijke verplichting zorg te dragen voor een goede ruimtelijke ordening voor haar grondgebied is het feitelijk niet toegestaan om hieraan mee te werken. Beantwoording zienswijze: De natuurbegraafplaats is beoogd in bestaande natuur (NNB).

De ontwikkeling overstijgt daarmee het gemeentelijk bestuursniveau en grondgebied. Bevoegd bestuursorgaan als het gaat om behoud, herstel en uitbreiding van het NNB is de provincie. In dat kader heeft de provincie Noord-Brabant instructieregels opgesteld (paragraaf 3.2.3 van de IOV), waarmee de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB in stand worden gehouden en beschermd, maar daarnaast ook ruimte kan worden geven aan ontwikkelingen. Onterecht stelt het Groene Hart Brabant dat de ontwikkeling van de natuurbegraafplaats een netto natuur- en landschapswaardenverlies voor de gemeente met zich meebrengt. Losgelaten dat het verlies aan areaal NNB gelijkwaardig en conform de instructieregels van de provincie wordt gecompenseerd (zie hiervoor het financieel compensatieplan in bijlage 6 bij de Regels), heeft de ontwikkeling van de natuurbegraafplaats positieve impact op de natuur- en landschapswaarden ter plaatse. Met de ontwikkeling van de natuurbegraafplaats wordt ter plaatse fors geïnvesteerd in verbetering van de natuurkwaliteit (waardevolle natuurbeheertypen) en beleefbaarheid van dit natuurgebied. Deze positieve impact wordt bevestigd in de natuurtoets (paragraaf 7.1.2, Natuurtoets, bijlage 12 bij de Toelichting). Met de ingrepen zoals benoemd in het inrichtings- en beheerplan zal invulling worden gegeven aan de natuurdoelen die er zijn te behalen in het gebied.

De natuurontwikkeling met de natuurbegraafplaats en de winst voor de ecologische waarden, zijn uitgebreid beschreven in het inrichtings- en beheerplan (bijlage 4 bij de Regels). In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ heeft de gemeente zich terecht gebaseerd op de conclusie dat de ontwikkeling van de natuurbegraafplaats een positief effect zal hebben op de natuurdoelen- en kwaliteit en de landschapsstructuur ter plaatse. Zienswijze 2.16: Het begrip halfverharding dient nader gedefinieerd te worden. Feitelijk bestaat er uit milieuoogpunt geen verschil tussen verhard en halfverhard, omdat beide begroeiing voor 100% uitsluiten en dezelfde ruimtelijke versnippering en ecologische barrièrewerking teweeg brengen. Beantwoording zienswijze: Op grond van artikel 6.1, lid h in de regels zijn enkel onverharde- en halfverharde paden en wegen toegestaan. De aanleg van verharding is op basis van het artikel 6.1 uitgesloten. Naar aanleiding van deze zienswijze is aan paragraaf 4.4.4 van het inrichtings- en beheerplan toegevoegd dat de paden op de natuurbegraafplaats worden aangelegd met Achterhoeks padvast. Achterhoeks padvast is een natuurlijk materiaal dat waterdoorlatend is en heeft een duurzaamheidspaspoort met NL Greenlabel 9

A. Halfverharde paden, zeker met een beperkte breedte van 2 meter, worden niet als afzonderlijke of versnipperende elementen gezien. De aan te leggen padenstructuur blijft onderdeel van het NNB en wordt niet gezien als een extra ruimtebeslag op het NNB (pagina 32, bijlage 12 bij de Toelichting). De aanleg van halfverharde paden in Achterhoeks padvast vormt dan ook geen ecologische barrière en leidt ook niet tot ruimtelijke versnippering. Zienswijze 2.17: Er vallen flinke afwijkingen te constateren tussen de archeologische aanduidingen en de feitelijke gegevens op basis van AHN. Beantwoording zienswijze: Onduidelijk is wat Het Groene Hart Brabant bedoelt met deze zienswijze. Het Groene Hart Brabant benoemt niet om welke afwijkingen het gaat. Het AHN zegt niets over de archeologische (verwachtings)waarden in het gebied. In 2009 en 2020 heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden (bijlage 16 en 17 bij de Toelichting). Voor de gronden met een aangewezen archeologische waarde (met dubbelbestemming ‘waarde archeologie 4’) is op basis van het archeologisch onderzoek beoordeeld dat het planvoornemen aanvaardbaar is met betrekking tot het aspect archeologie. In het gebied hebben in het verleden grootschalige, diep reikende verstoringen of aftoppingen plaatsgevonden, waardoor geen negatieve effecten met betrekking tot archeologie zijn te verwachten.

Deze conclusie wordt onderschreven door de regio-archeoloog (bijlage 16 en 17 bij de Toelichting). Aanwezige archeologische (verwachtings)waarden worden met het planvoornemen gerespecteerd. Zienswijze 2.18: De in het inrichtings- en beheerplan opgenomen grondverzetkaart is onduidelijk, omdat het niet alleen gaat om ophogen maar ook over waar dit ophoogzand vandaan komt. De bodemvernieling heeft in dat geval een veel grotere omvang. Beantwoording zienswijze: De ontwikkeling van de natuurbegraafplaats vindt plaats binnen de kaders van het inrichtings- en beheerplan (bijlage 4 bij de Regels). Naast de ophoogkaart, geeft de maatregelenkaart (figuur 11 in het inrichtings- en beheerplan) weer waar welke natuurontwikkelings- en inrichtingsmaatregelen plaatsvinden. Deze maatregelen worden vervolgens in paragraaf 4.3 van het inrichtings- en beheerplan toegelicht. Zo is bijvoorbeeld opgenomen dat ter hoogte van de vochtige zone in het zuiden van het plangebied, de bovenste bodemlaag wordt afgegraven of geplagd ten behoeve van de ontwikkeling van nat-droog gradiënten, passend bij het beheertype N04.02 Zoete plas. De mogelijke effecten van de voorgenomen natuurontwikkelings- en inrichtingsmaatregelen zoals vastgelegd in het inrichtings- en beheerplan zijn door Bureau Waardenburg getoetst in de natuurtoets (bijlage 12 bij de Toelichting).

In de natuurtoets wordt bevestigd dat zowel de ophoging als de afgraving zoals vastgelegd in het inrichtings- en beheerplan geen significant negatief effect heeft op geomorfologische en aardkundige waarden in het gebied. Een fysiek effect op de oorspronkelijke bodemlaag is door de plaatselijke afgraving en ophoging in het verleden uitgesloten (paragraaf 7.1.2, bijlage 12 bij de Toelichting). Geomorfologische en aardkundige waarden zijn niet aanwezig. De beoordeling van deze effecten in de natuurtoets, paragraaf 7.1.2, bodemverstoring, is naar aanleiding van deze zienswijze aangescherpt. Waar mogelijk gebeurt het ophogen met bodemmateriaal dat elders uit het plangebied vrijkomt bij de natuurinrichting; bijvoorbeeld bij de plagwerkzaamheden ten behoeve van de vochtige zone. Dit uitgangspunt is ook vastgelegd in paragraaf 4.4.5 van het inrichtings- en beheerplan. 10

Voor zover grond afkomstig is van buiten het gebied, moet de grond in belang van de bescherming van de bodem voldoen aan (milieu)regels behorende bij de aanwezige achtergrondwaarde van de bodem. In de Wet bodembescherming is bepaald dat grond die wordt toegepast, de achtergrondwaarden niet mag overschrijden (artikel 55, Besluit bodemkwaliteit). Natuurbegraven Nederland dient te allen tijde te voldoen aan de geldende milieuwetgeving. Ophogen met vervuilde grond is daarmee uitgesloten. Waar grond exact vandaan komt is verder niet van belang voor de centrale vraag of het bestemmingsplan is vastgesteld in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Zienswijze 2.19: In het Werkprotocol beheer en gebruik dient bindend te worden voorgeschreven dat de natuurgraven niet met een machine mogen worden gedolven, omdat dit behoud van het bodemprofiel uitsluit. Het handmatig graven met het laagsgewijze terugzetten van het bodemprofiel dient als verplicht te worden voorgeschreven. Beantwoording zienswijze: Allereerst wordt voor de al dan niet aanwezige bodemwaarde en bodemkwaliteit verwezen naar de beantwoording van punt 2.14. Bij het delven van een natuurgraf wordt gebruik gemaakt van een elektrisch kraantje. Deze kraan wordt 30 min voor het graven van een graf en 30 min voor het dichten van een graf ingezet.

Gezien de aard van de werkzaamheden waarvoor de kraan wordt ingezet is er hierbij geen sprake van extra stationair draaiuren. De bodemlagen worden tijdelijk op platen bewaard. Deze zorgvuldige werkwijze is vastgelegd in het werkprotocol beheer en gebruik en gekoppeld aan de regels (paragraaf 2.1.2, bijlage 5 bij de Regels). Daarmee is een zorgvuldige werkwijze juridisch geborgd. Er is geen sprake van aantasting of verstoring van het bodemprofiel. Zienswijze 2.20: Er dient een regeling te komen dat bij de GHG rekening dient te worden gehouden met een toekomstige grondwaterstandsverhoging wegens de nationale en provinciale beleidsvoornemens daartoe. Beantwoording zienswijze: Er zijn geen concrete projecten, plannen of voornemens bekend om de GHG in dit gebied te verhogen. Mocht dit in de toekomst toch gebeuren, dan is initiatiefnemer gehouden om te voldoen aan de wettelijke kaders van de Wet op de lijkbezorging. In het Besluit op de lijkbezorging worden eisen gesteld aan de minimale diepte van een natuurgraf en de minimale afstand tussen de GHG en een natuurgraf, ter plekke van een natuurgraf.

De Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State heeft in de procedure voor natuurbegraafplaats Huis ter Heide (uitspraak 201501288/1/R3, 28 okt 2015) geoordeeld dat de relatie tussen grondwater en (natuur)begraven is geregeld in de Wet op de lijkbezorging en het Besluit op de lijkbezorging. Uit het hydrologisch onderzoek blijkt dat op basis van de voorgenomen inrichtingsmaatregelen zoals vastgelegd in het inrichtings- en beheerplan, wordt voldaan aan de Wet op de lijkbezorging (bijlage 15 bij de Toelichting). De GHG in het kader van de Wet op de Lijkbezorging wordt krachtens die wet beoordeeld door het op grond van die wet bevoegde gezag. Deze beoordeling wordt niet uitgevoerd in het bestemmingsplan. Zienswijze 2.21: In zoverre het huidige plan voor de natuurbegraafplaats voorziet in een inlichting en begraafcapaciteitsberekening op basis van de ophoging en egalisatie zoals nu voorzien, dient dit aangepast te worden uitgaande van het behoud van het bestaande natuurlijke gebiedsreliëf. 11

Beantwoording zienswijze: Het Groene Hart benoemt niet waarom moet worden uitgegaan van het behoud van het bestaande, natuurlijke gebiedsreliëf. Een inlichting en begraafcapaciteitsberekening is niet aan de orde in onderhavig plan. Het uitgangspunt is dat maximaal 10% van de natuurbegraafplaats daadwerkelijk gebruikt mag worden voor natuurbegraven, dit komt neer op 1,08 hectare. In de planregels is vastgelegd dat binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur - natuurbegraafplaats’ een gezamenlijk oppervlakte van maximaal 1,08 hectare natuurbegraven is toegestaan (artikel 6.4.1). Daarmee is dit als maximum juridisch begrensd en geborgd in de regels. Daarnaast is het werkprotocol beheer en gebruik (bijlage 5 bij de Regels) van toepassing. Los van de voorschriften uit het bestemmingsplan gelden verder de wettelijke kaders van de Wet natuurbescherming en de Wet op de lijkbezorging. Op de natuurbegraafplaats bepaalt de natuur waar en hoeveel natuurgaven gerealiseerd kunnen worden binnen het aangewezen gebied. Zienswijze 2.22: Er dient een inrichtingskaart te worden toegevoegd op een topografische goed herkenbare ondergrond die een daadwerkelijke controle en handhaving mogelijk maakt. Beantwoording zienswijze: Voor natuurbegraafplaats Hooghei is een inrichtings- en beheerplan opgesteld (bijlage 4 bij de Regels). Hierin zijn de inrichtings- en beheermaatregelen omschreven.

Ook is kaartmateriaal, waaronder een maatregelenkaart opgenomen waarin is afgebeeld hoe het plangebied zal worden ingericht (figuur 11 in het inrichtings- en beheerplan). De paragrafen uit het inrichtings- en beheerplan en de bijbehorende maatregelenkaart (4.2, 4.3 en 4.4) waarin de inrichtings- en beheermaatregelen zijn opgenomen, zijn gekoppeld aan de planregels. Het inrichtings- en beheerplan vormt daarmee een bindend onderdeel van de planregels en is daarmee juridisch geborgd (artikel 6.1). Wordt hiervan afgeweken, dan kan de gemeente hierop handhaven. De Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State heeft in procedure voor natuurbegraafplaats Huis ter Heide (uitspraak 201501288/1/R3, 28 okt 2015) beoordeeld dat het inrichtings- en beheerplan voldoende duidelijk maakt waar welke maatregelen mogen plaatsvinden en dat dit ook voldoende is begrensd, nu het inrichtings- en beheerplan is gekoppeld aan de planregels. De maatregelenkaart zoals deze is opgenomen in figuur 11 in het inrichtings- en beheerplan, biedt in combinatie met de plankaart als onderdeel van het bestemmingsplan voldoende houvast voor controle en handhaving door de gemeente. Het koppelen van een topografische kaart aan de inrichtingskaart is daarmee niet van belang voor een goede ruimtelijke ordening in het kader van het bestemmingsplan.

Zienswijze 2.23: Te allen tijde dient de bestemmingsregeling Natuur boven het inrichtings- en beheerplan en het werkprotocol te gaan, zodat de gemeente een vinger in de pap heeft nu de precieze inrichtingsplannen te vaag zijn om de vereiste rechtszekerheid te kunnen scheppen. Beantwoording zienswijze: Een natuurbegraafplaats is allereerst en vooral een natuurgebied. Natuurbegraven is een tijdelijke nevenfunctie die passend is binnen de bestemming ‘natuur’. De natuurbegraafplaats is net als de rest van het natuurgebied bestemd als ‘natuur’, wat inhoudt dat het gebied als zodanig moet worden beheerd en in stand gehouden. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State in procedure voor natuurbegraafplaats Maashorst (uitspraak 201501288/1/R3, 28 okt 2015) 12

Heeft de Afdeling beoordeeld dat de voorziene natuurbegraafplaats niet strijdig is met de natuurfunctie. Natuur en natuurbegraven zijn niet tegenstrijdig, de functie natuurbegraven is ondergeschikt aan de bestemming ‘natuur’ in het bestemmingsplan. Dat komt tot uitdrukking in de planregels waarin de voorwaarden zijn neergelegd voor het realiseren van een natuurbegraafplaats binnen de bestemming ‘natuur’ (artikelen 6.1, lid c, 6.4.1, lid b en 6.4.2). Binnen de bestemming ‘natuur’ is toegestaan het gebied ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur - natuurbegraafplaats’ in te richten en te gebruiken als natuurbegraafplaats, uitsluitend als dit plaatsvindt conform paragraaf 4.2, 4.3 en 4.4 in het inrichtings- en beheerplan (bijlage 4 bij de Regels). Waar een natuurgraf mogelijk is, wordt bepaald door de natuur. Daarvoor is het werkprotocol beheer en gebruik (bijlage 5 bij de Regels) opgesteld. Dit werkprotocol is evenals het inrichtings- en beheerplan gekoppeld aan de regels, waarmee is geborgd dat het graven van natuurgraven en het houden van een ceremonie uitsluitend is toegestaan voor zover dit plaatsvindt conform het werkprotocol. Het werkprotocol borgt dat het natuurbegraven en het beheer van het natuurgebied geen negatieve effecten hebben op flora en fauna.

Sterker nog, de ontwikkeling van de natuurbegraafplaats leidt juist tot een versterking en vergroting van de aanwezige waarden en kenmerken van het gebied. Op een natuurbegraafplaats heerst eeuwigdurende grafrust, de natuurgraven worden niet geruimd. Na de laatste natuurbegrafenis beëindigt de functie van natuurbegraven en blijft een natuurgebied bestaan. In de ruimtelijke onderbouwing (zie o.a. hoofdstuk 3 Beleidskader en 4 Milieu en omgevingsaspecten in de Toelichting) is het initiatief aan ruimtelijke aspecten getoetst. Geconcludeerd wordt dat het initiatief past in het geldend beleid en wetgeving. Doordat de planregels voorschrijven dat het inrichtings- en beheerplan en het werkprotocol beheer en gebruik dienen te worden nageleefd, is juridisch geborgd en afdwingbaar dat natuurbegraven ondergeschikt is en blijft aan de hoofdbestemming. Zienswijze 3: bewoner 1 Zienswijzen t.a.v. Recreatiepark “Camping De Hooghe Heide”: Zienswijze 3.1: Reclamant heeft in maart 2021 een vrijstaande recreatiechalet gekocht met vrij uitzicht op het weiland. Door de voorliggende uitbreiding is er niet langer sprake van uitzicht op het weiland. Beantwoording zienswijze: Bij het aangaan van de koopovereenkomst in 2021 was duidelijk dat het ging om een recreatiechalet op een recreatiepark.

Initiatiefnemer is al meer dan 10 jaar bezig met het doorlopen van procedures om te komen tot uitbreiding van het recreatiepark Dit is algemeen bekend, zowel bij de verkoper van het chalet, als bij de gemeente, als bij de andere recreanten. Zienswijze 3.2: Reclamant heeft het chalet aangekocht vanwege de rust. Die zal door de uitbreiding verdwijnen ,zo vreest hij, en bij verkoop van het chalet zal er sprake zijn van een vermogensschade. Beantwoording zienswijze: Uit de bij het bestemmingplan gevoegde akoestisch onderzoek (bijlage 4 bij de Toelichting) blijkt dat de camping ook na de uitbreiding voor wat betreft het geluid voldoet aan alle daarvoor geldende geluidsnormen. Van een belemmering van de rust in objectieve zin is derhalve geen sprake.

13

Bij vermogensschade door de uitbreiding van het recreatieterrein kan desgewenst na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan een verzoek om planschade worden ingediend. Dit betreft een afzonderlijke procedure die losstaat van de procedure rondom het bestemmingsplan. Zienswijze 4, bewoner 2 Zienswijze t.a.v. recreatiepark “Camping de Hooghe Heide” Zienswijze 4.1: Reclamant is van mening dat de bossingel aan de noordzijde onvoldoende robuust is nu de oorspronkelijk voorziene grondwal is vervallen. Liever zag men een robuuste groenstrook van 10 meter aan de noordzijde. Beantwoording zienswijze: Voor wat betreft de grondwal met groenbeplanting is het inderdaad zo dat deze in het voorontwerpplan – mede in overleg met reclamant – was voorzien en nu niet meer. De reden daarvan is dat de provincie Noord-Brabant, welke de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering dient te beoordelen en te toetsen, stelt dat een grondwal met groenbeplanting niet voldoet aan een gebiedseigen inpassing. Vandaar dat is gekozen voor een robuuste groenstrook. Deze robuuste groenstrook is afgestemd met de provincie en voldoet aan de randvoorwaarden die de provincie hieraan stelt.

Naar aanleiding van de ingekomen zienswijze is met omwonenden in overleg getreden en is afgesproken dat een beplantingsplan zal worden gemaakt voor de groenstrook met een breedte van 5 meter, waarbij rekening wordt gehouden met zoveel als mogelijk groenblijvende beplanting vanwege de privacy. Daarbij is afgesproken dat in de eerste jaren na de aanplant de erfafscheiding zal worden voorzien van groen doek waardoor er geen zicht is rechtstreeks op en vanuit de uitbreiding tot het moment dat de robuuste groenstrook voldoende is dichtgegroeid en hoog genoeg om de privacy van reclamanten te waarborgen. Zienswijze 4.2: Er is sprake van bladverliezende beplanting terwijl ook in de maanden dat het groen zijn blad verliest sprake is van activiteiten op het recreatieterrein. Er is dus onvoldoende afscherming richting de woning van reclamanten en hun paarden die zij daar hobbymatig houden. Er dient te worden gekozen voor bladhoudend groen en dit dient ook in de regels te worden gewaarborgd Beantwoording zienswijze: In het beplantingsplan (bijlage regels) is zoveel als mogelijk rekening gehouden met blijvend groene beplanting. Bovendien wordt verwezen naar de afspraak als vastgelegd onder zienswijze 4.1.

Tot de tijd dat het groen voldoende is gegroeid, zal er een erfafscheiding met groen doek worden geplaatst, waarmee de privacy van zowel omwonenden als van campingbezoekers is gewaarborgd. Zienswijze 4.3: Er is een hoogteverschil in maaiveld tussen de woning van reclamanten en het recreatieterrein waardoor een lage erfafscheiding onvoldoende is. Beantwoording zienswijze Bij de beplanting zijn zowel bomen als struiken ingetekend zoals ook in het beplantingsplan (bijlage regels) is aangegeven. Daardoor is zoveel als mogelijk rekening gehouden met het hoogteverschil in maaiveld.

14

Zienswijze 5: bewoner 3 Zienswijze 5.1: Reclamant spreekt dank uit voor de aanpassingen welke in het ontwerpplan zijn doorgevoerd naar aanleiding van de inspraakreacties van omwonenden (zie ook de inleiding). Er zijn desondanks toch nog een aantal punten die reclamant zorgen baren. De geluidswal/aardenwal die in het voorontwerpplan was opgenomen – mede op verzoek van omwonenden- is komen te vervallen en vervangen door een robuuste groenstrook. Daardoor vreest reclamant voor overlast op het gebied van zowel privacy als geluid. Omdat de maaihoogte van hun perceel iets hoger ligt dan de uitbreiding, voorziet men dat er rechtstreeks zicht is op en vanuit de uitbreiding op het terrein van reclamanten. Beantwoording zienswijze: Voor wat betreft de geluidsoverlast is een akoestisch onderzoek bij het ontwerpbestemmingsplan gevoegd (bijlage 4 bij de Toelichting) waaruit nadrukkelijk blijkt datt.o.v. de woning van reclamanten ruimschoots aan de geluidsnormen wordt voldaan, uitgaande van een “worst case” scenario. Voor wat betreft de grondwal met groenbeplanting is het inderdaad zo dat deze in het voorontwerpplan – mede in overleg met reclamant –was voorzien en nu niet meer.

De reden daarvan is dat de provincie Noord-Brabant, welke de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering dient te beoordelen en te toetsen, van mening is dat een grondwal met groenbeplanting niet voldoet aan een gebiedseigen inpassing. Vandaar dat is gekozen voor een robuuste groenstrook. Naar aanleiding van de ingekomen zienswijze is met omwonenden in overleg getreden en is besproken dat een beplantingsplan zal worden gemaakt voor de robuuste groenstrook, waarbij rekening wordt gehouden met zoveel als mogelijk groenblijvende beplanting vanwege de privacy. Daarbij is afgesproken dat in de eerste jaren na de aanplant de erfafscheiding zal worden voorzien van groen doek waardoor er geen zicht is rechtstreeks op en vanuit de uitbreiding tot het moment dat de robuuste groenstrook voldoende is dichtgegroeid en hoog genoeg om de privacy van reclamanten te waarborgen. Een uitvoerig beplantingsplan is als bijlage bij de regels gevoegd. Zienswijze 5.2: Het pad langs het huis van reclamanten mag naar de mening van reclamanten niet worden gebruikt voor campingverkeer. Beantwoording zienswijze: Het is zeker niet de bedoeling dat het onverharde pad langs het huis van reclamant voor campingverkeer wordt gebruikt. Nadrukkelijk is in het bestemmingsplan de aanrijroute richting het recreatiepark zo vormgegeven dat daarvan geen sprake zal zijn.

Het verkeer wordt geleid via de Werstkant, niet via de Hooghei. Mocht er uiteindelijk toch gebruik worden gemaakt van het betreffende pad door campingverkeer, dan zal in overleg worden getreden met de gemeente over de eventuele verkeersmaatregelen die getroffen kunnen worden. Zienswijze 5.3: Reclamant heeft bezwaar tegen het stallen van caravans op de parkeerplaats bij de ingang.

Beantwoording zienswijze: 15

Het is niet de bedoeling dat op de parkeerplaats caravans worden gestald. De locatie heeft de bestemming ‘verkeer’. Deze gronden zijn bestemd voor parkeervoorzieningen. Het gebruik van deze gronden als staanplaats voor caravans past niet binnen deze bestemming. De gemeente kan hierop handhaven als de gronden voor andere doeleinden worden gebruikt dan de bestemming mogelijk maakt. Zienswijze 5.4: Op de heidevelden zoals nu in het plan voorzien wenst reclamant geen speelvelden gesitueerd te zien. Beantwoording zienswijze: Op de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan is de plaats van de speelvelden specifiek vastgelegd met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - centrale voorzieningen’), alsook in het akoestisch onderzoek behorende bij het plan (bijlage 4 bij de Toelichting). Als derhalve speelvelden aangelegd worden op locaties die daartoe niet zijn aangeduid en in het akoestisch onderzoek zijn meegenomen, is sprake van een afwijking van het bestemmingsplan. Hiervoor dient een afzonderlijke vergunningsprocedure voor doorlopen te worden. Hierbij dient altijd een akoestisch onderzoek te worden aangeleverd. Mocht deze procedure aan de orde zijn, dan staan daar opnieuw rechtsmiddelen tegen open.

Zienswijze 6: bewoner 4 Zienswijze 6.1: Reclamant geeft aan dat de B&B aanwezig op hun perceel, niet is ingetekend op de tekening bij bijlagen behorende bij het ontwerpbestemmingsplan. Reclamant is van mening dat de afstand van de camping tot de uitbreiding van de B&B minimaal 50 meter zijn. Hier wordt niet aan voldaan. De camping zal dus 25 meter naar achteren verplaatst moeten worden om de afstand van 50 meter te halen. Beantwoording zienswijze: Deze zienswijze is gelijk aan de inspraakreactie van reclamant waarop middels de Nota van inspraak is geantwoord. Voor wat betreft de negatieve beïnvloeding van het woon- en leefklimaat dient te worden gesteld dat uit akoestisch onderzoek (bijlage 4 bij de Toelichting) blijkt dat aan alle wettelijke geluidsnormen voor langtijdgemiddelden en (na plaatsing van een geluidsscherm ook aan de) piekwaarden uit het Activiteitenbesluit en de VNG-brochure ‘bedrijven en milieuzonering’ wordt voldaan. Er mag vanuit worden gegaan dat daarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en aldus geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat het geluid vanuit de camping op de gevel van de woning ruimschoots binnen de normen blijft.

Gelet hierop valt niet in te zien dat de uitbreiding van de camping wat betreft geluidsoverlast in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is. Zienswijze 6.2: De erfafscheiding aan de noordelijke zijde die nu is ingetekend kent alleen bladverliezende soorten. Graag ziet reclamant bladhoudende groenvoorzieningen. Beantwoording zienswijze Naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen van meerdere omwonenden omtrent de soort en de wijze van de groenbeplanting in de groenstrook heeft de camping toegezegd dat een beplantingsplan zal worden gemaakt voor de robuuste groenstrook, waarbij rekening wordt gehouden met zoveel als mogelijk groenblijvende beplanting vanwege de privacy. In de eerste jaren na de aanplant de erfafscheiding zal worden voorzien van groen doek waardoor er geen zicht is rechtstreeks op en vanuit de uitbreiding tot het moment dat de robuuste groenstrook voldoende is dichtgegroeid en hoog genoeg om de privacy van reclamanten te waarborgen. Een uitvoerig beplantingsplan is als bijlage bij de regels gevoegd. 16

Zienswijze 6.3: Met betrekking tot de lichtinval vanuit het recreatiepark wordt verzocht alle verlichting te verlagen. Beantwoording zienswijze: In natuuronderzoek van Econsultancy is het aspect lichthinder meegenomen. Zij adviseren ter preventie van lichtuitstraling richting het Natuur Netwerk Brabant om met oriëntatieverlichting te werken en de lichtarmaturen van het Natuur Netwerk Brabant af te richten. Dit advies met betrekking tot de lichtuitstraling richting het Natuur Netwerk Brabant is overgenomen als voorwaardelijke verplichting in de planregels (artikel 7.5.5). Bovendien wordt een jaargroen bosstruweel aangeplant tussen het recreatiepark en de eigendommen van reclamant. Straatverlichting zal zodanig geplaats worden dat omwonenden hiervan geen hinder ondervinden. Hinder is daarmee uitgesloten. Zienswijze 6.4: Reclamant vreest voor geluidsoverlast van de camping. De aarden wal die in het voorontwerp bestemmingsplan stond ingetekend is verdwenen. Beantwoording zienswijze: Voor wat betreft de grondwal met groenbeplanting is het inderdaad zo dat deze in het voorontwerpplan was voorzien en nu niet meer. De reden daarvoor is dat de provincie Noord-Brabant welke de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering dient te beoordelen en te toetsen, stelt dat een grondwal met groenbeplanting niet voldoet aan een gebiedseigen inpassing en het geldend beleid.

Vandaar dat is gekozen voor een robuuste groenstrook. Zie ook de beantwoording van punt 6.2. Uit het akoestisch onderzoek dat onderdeel uitmaakt van het ontwerp bestemmingsplan, blijkt dat wordt voldaan aan de geluidsnormen op basis van de Wet geluidhinder. Tevens zijn speeltoestellen niet toegestaan binnen een zone van 50 meter vanaf de grens van de woonbestemmingen aan de woonpercelen van de Hooghei. Zie voor een nadere toelichting de beantwoording onder punt 5.4. Parkeren wordt op basis van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie uitgesloten – parkeren’ en bijbehorend artikel 7.1.1, lid h. uitgesloten in het noordelijk deel van de uitbreiding van het recreatiepark. Ook wordt het verblijf van honden in het uit te breiden deel van het recreatiepark op basis van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie uitgesloten – honden’ en bijbehorend artikel 7.1.1, lid g. uitgesloten. Al deze maatregelen waarborgen dat geluidsoverlast tot een minimum wordt beperkt. Het ophogen van de aarden wal is niet wenselijk, omdat een aarden wal niet passend is in het landschap. Zie de vooroverlegreactie van de provincie over de landschappelijke inpassing/aarden wal waarom deze grotendeels niet meer wordt aangelegd. Zienswijze 6.5: Flora en Fauna binnen het gebied dienen beschermd te worden.

Beantwoording zienswijze: Omrent de flora en fauna zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd waaruit blijkt dat bij een uitbreiding van de camping/recreatiepark aan de Wet natuurbescherming kan worden voldaan. De Quickscan flora en fauna (bijlage 5 van de Toelichting) toont aan dat het uitbreidingsgebied (het weiland) van Recreatiepark/Camping de Hooghe Heide niet geschikt is voor verblijf van beschermde soorten. Zienswijze 6.6: 17

Er is op de inrichtingstekening van de camping een “centrale voorziening” ingetekend met daaraan verbonden een terras. Reclamant gaat er van uit dat in die centrale voorziening horeca zal plaatsvinden en acht het geluid van een dergelijke activiteit niet acceptabel. Beantwoording zienswijze In bijlage 4 behorende bij de toelichting van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek opgenomen, waarmee de geluidsproductie van de ontwikkelingen zoals opgenomen in de inrichtingstekening (bijlage 3 behorende bij de toelichting) is beoordeeld. In de planregels (artikel 7.1.1, lid i.) is vastgelegd dat enkel binnen de functieaanduiding “horeca” , ondergeschikte horeca is toegestaan. In artikel 1.31 is een begripsbepaling opgenomen voor de centrale voorzieningen. V.w.b. het terras dat door reclamanten wordt bedoeld: in het akoestisch onderzoek wordt rekening gehouden met een centrale voorzieningengebouw met aansluitend een buitenruimte. De buitenruimte biedt plaats aan 20 personen. De buitenruimte is geopend van 10.00 uur tot 22.00 uur. Met het geluid afkomstig van deze buitenruimte blijft de conclusie op basis van het akoestisch onderzoek, dat aan alle geluidsvoorwaarden wordt voldaan. Zienswijze t.a.v. natuurbegraafplaats Hooghei Zienswijze 6.7: Verkeershinder / uitlaatgassen met betrekking tot rouwstoet naar de natuurbegraafplaats.

Wie gaat ons garanderen dat er geen hinder van komt? Beantwoording zienswijze: Deze zienswijze is gelijk aan de inspraakreactie waarop middels de Nota van inspraak is geantwoord. In het verleden is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling als natuurbegraafplaats een parkeeronderzoek uitgevoerd (Goudappel Coffeng, 2012). Op basis van huidige wetgeving en de meest recente inzichten die in het kader van andere natuurbegraafplaatsen zijn opgedaan is het verkeersonderzoek in 2020 opnieuw uitgevoerd (bijlage 18 van de Toelichting). Het uitgangspunt is dat er gemiddeld één natuurbegrafenis per dag zal plaatsvinden. Er kunnen zich situaties voordoen waarbij twee natuurbegrafenissen op een dag plaatsvinden, maar nooit gelijktijdig. Na een aanloopperiode van vijf jaar met minder natuurbegrafenissen wordt uitgegaan van gemiddeld 250 natuurbegrafenissen per jaar. Dit aantal is gebaseerd op ervaringscijfers van bestaande natuurbegraafplaatsen en is in overeenstemming met de CROW-kencijfers. Uit het verkeersonderzoek (Goudappel Coffeng, 2020) blijkt dat de toename van het verkeer op de Hooghei door de natuurbegraafplaats verwaarloosbaar is en ruimschoots past binnen het gebruik van de huidige weg Hooghei. Op basis van het verkeersonderzoek wordt verkeershinder als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling uitgesloten.

Als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de natuurbegraafplaats, komen extra uitlaatgassen vrij. In de paragraaf ‘luchtkwaliteit’ van de toelichting op het bestemmingsplan “Hooghei” is geoordeeld dat het effect van de extra verkeersbewegingen op de luchtkwaliteit, zelfs in de uitzonderlijke situatie van twee ceremonies op één dag, verwaarloosbaar is. Ook uit de recentelijk uitgevoerde natuurtoets en de stikstofberekening (bijlagen 12 en 21 bij de Toelichting) blijkt dat negatieve effecten op de gebiedswaarden als gevolg van het toekomstig gebruik zijn uit te sluiten.

Zienswijze 6.8: 18

De flora en fauna in dit gebied moet beschermd worden tegen enkele ‘grotere’ commerciële ondernemingen waar flora en fauna hinder van kan ondervinden. Denk aan beschermde dieren die er leven, zoals dassen, vossen, herten, vogels, reptielen. Beantwoording zienswijze:Deze zienswijze is gelijk aan de inspraakreactie waarop middels de Nota van inspraak is geantwoord. Het hoofddoel van de bestemming ‘natuur’ in het plangebied is de instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van de in het plangebied voorkomende landschappelijke, ecologische en natuurwaarden. Door middel van deze bestemming worden de aanwezige natuurwaarden van het plangebied beschermd. Een natuurbegraafplaats is een tijdelijke nevenfunctie die passend is binnen de bestemming ‘natuur’. Een natuurbegraafplaats wordt beheerd als natuurgebied op basis van gebiedseigen natuurwaarden en -doelen. Natuurbegraven Nederland streeft naar verbetering van de natuurkwaliteit in natuurgebieden waar natuurbegraven mogelijk wordt gemaakt. De inrichtingsmaatregelen zijn erop gericht de natuurwaarden van het gebied te verbeteren en meer soorten een leefgebied en standplaats te bieden. Bestaande waarden worden hiermee niet aangetast, maar vergroot. De natuurambitie van Natuurbegraven Nederland voor het gebied is zelfs door de provincie Noord-Brabant overgenomen in het natuurbeheerplan (Natuurbeheerplan, 2021).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=fba37afe-a0bf-412a-be6f-096754b96782