CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

11.b - Bijlage 1 - Toelichting (1263012)

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 10 juni 2021, gemeente boxtelBij agendapunt: 11 Raadsvoorstel bestemmingsplan Theerestraat ongenummerd20.882 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er is sprake van een verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavige planlocatie. Zie ook bijlage 3.

Lid 3:

In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimte-voor-ruimtekavel indien deze wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken.

Er is sprake van een verkregen bouwtitel ter plaatse van onderhavige planlocatie. Zie ook bijlage 3.

29

Lid 4:

Het bepaalde onder het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat er in totaal 3500 ruimte voor ruimte kavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld;

nvt

Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ is de planlocatie aangeduid als ‘Attentiezone waterhuishouding’ en als onderdeel van het ‘Natuur Netwerk Brabant’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Een bestemmingsplan van toepassing op ‘Attentiezone waterhuishouding’ strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen ‘Natuur Netwerk Brabant’. Onderhavig plan ziet voor op de ontwikkeling van één woning, binnen de aanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding’. Ten aanzien van deze aanduiding geldt dat een bestemmingsplan in ieder geval regels stelt over het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld,

30

voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet. Voorts stelt een bestemmingsplan regels over de aanleg van drainage, het verlagen van de grondwaterstand en het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten. Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier onder andere om het Natuur Netwerk Brabant. Het Natuur Netwerk Brabant hangt samen met het Natuur Netwerk in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden, bekend onder de naam Natura 2000. Bij het opstellen van een bestemmingsplan zijn gemeenten verplicht aansluiting te zoeken bij de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven. Deze waarden en kenmerken zijn per gebied vastgelegd in een beheertypenkaart en in een ambitiekaart. Beide kaarten vormen de kern van het natuurbeheerplan. De beheertypenkaart brengt in beeld wat de actuele situatie is. De ambitiekaart geeft de gewenste eindsituatie (ambitie) aan. Zolang er geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege het NNB geen grond om de activiteit tegen te houden. Wel wordt de activiteit uiteraard nog getoetst aan ander (ruimtelijk) beleid of regelgeving.

In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen geldt binnen het Natuurnetwerk Brabant het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking geen toetsingskader is. De aanduiding ‘Natuur Netwerk Brabant’ valt binnen de grenzen van het bestaande park, waarbinnen met onderhavig planvoornemen geen noemenswaardige ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Bij eventuele ontwikkelingen van grotere schaal, wordt rekening gehouden met reeds eerder vastgestelde regels. Bij oprichting en eerdere ontwikkelingen van het bestaande park zijn reeds de juiste afwegingen gemaakt en zijn regels opgesteld ten aanzien van behoud van deze kernwaarden. Doorwerking plan(gebied) Met het oprichten van een nieuwe woning vindt er een vorm van verstedelijking plaats in het ‘landelijk gebied’, binnen de grenzen van de gronden aangeduid als zijnde ‘Attentiezone waterhuishouding’. Ontwikkelingen binnen deze zone zijn mogelijk, mits rekening wordt gehouden met de vastgestelde regels ten aanzien van de waterhuishouding.

Onderhavig initiatief is voorzien van een watertoets, waarbij de nieuwe ontwikkeling hydrologisch wordt getoetst en is omschreven welke maatregelen worden genomen om de waterhuishouding kwalitatief en kwantitatief op orde te houden. Deze watertoets wordt verder omschreven in hoofdstuk 7 van deze toelichting. De volledige rapportage hiervan is terug te vinden in de bijlage 8 van deze plantoelichting. Op de gronden waarop de aanduiding ‘Natuur Netwerk Brabant’ van kracht is, vindt de ontwikkeling van natuur plaats (zie bijlage 2). Deze natuurontwikkeling komt in plaats van de thans als agrarisch gebruikte gronden. Met onderhavig initiatief wordt een kwaliteitsverbetering gerealiseerd, welke een duidelijke aansluiting vind bij het reeds bestaande en gewaardeerde ‘Natuur Netwerk Brabant’.

31

Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging’ is de planlocatie aangeduid als ‘Reservering waterberging’. Dit is geillustreerd in navolgend kaartbeeld.

Een bestemmingsplan van toepassing op ‘Reservering waterberging’ strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. In hoofdstuk 7 van deze plantoelichting is aandacht besteed aan hoe initiatiefnemer omgaat met het water, hiertoe is een watertoets uitgevoerd, welke ook als bijlage 8 aan deze plantoelichting is toegevoegd. Doorwerking plan(gebied) Met het oprichten van een nieuwe woning vindt er een vorm van verstedelijking plaats in het ‘landelijk gebied’, binnen de grenzen van de gronden aangeduid als zijnde ‘Reservering waterberging’. Ontwikkelingen binnen deze zone zijn mogelijk, mits rekening wordt gehouden met de vastgestelde regels ten aanzien van de waterberging. Onderhavig initiatief is voorzien van een watertoets, waarbij de nieuwe ontwikkeling hydrologisch wordt getoetst en is omschreven welke maatregelen worden genomen om de waterhuishouding kwalitatief en kwantitatief op orde te houden. Deze watertoets wordt verder omschreven in hoofdstuk 7 van deze toelichting. De volledige rapportage hiervan is terug te vinden in de bijlage 8 van deze plantoelichting.

32

Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied’ is de planlocatie aangeduid als ‘Groenblauwe mantel’ en ‘Landelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

De aanduiding ‘Landelijk gebied’ heeft ook zijn plek binnen het eerder behandelde thema ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’. Het ‘Landelijk gebied’ is een veelzijdige gebruiksruimte met functies zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme. De functies zijn zo ontwikkeld dat er ten alle tijden rekening wordt gehouden met omliggende functies en aanwezige omgevingskwaliteiten. Binnen de als ‘landelijk gebied’ en de ‘groenblauwe mantel’ aangeduide gronden zijn onder voorwaarden ontwikkelingen mogelijk. In het landelijk gebied stimuleert de provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. Als ‘Verstedelijking afweegbaar’ samenvalt met de Groenblauwe Mantel, geldt dat de duurzame stedelijke ontwikkeling: a. plaatsvindt in samenhang en in evenredigheid met een groene en blauwe landschapsontwikkeling binnen het gebied of de naaste omgeving; b. geen betrekking heeft op een te ontwikkelen of een uit te breiden zwaar bedrijventerrein.

33

Doorwerking plan(gebied) Met het oprichten van een nieuwe woning vindt er een vorm van verstedelijking plaats in het ‘landelijk gebied’. Onder voorwaarden is deze ontwikkeling mogelijk binnen de ‘groenblauwe mantel’. Onderhavige rapportage is onder meer voorzien van een onderzoek naar aanwezige waarden op het gebied van flora en fauna (bijlage 6) en een onderzoek stikstofdepositie (bijlage 7). In navolging van de onderzoeksresultaten kan de inrichting van de planlocatie plaatvinden op een manier waarmee het behoud en de eventuele versterking van kwaliteiten ter plaatse. Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is de planlocatie aangeduid als ‘stalderingsgebied’ en ‘beperking veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

De aanduidingen ‘Stalderingsgebied’ en ‘Beperkingen veehouderij’ hebben enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van een woning, in het buitengebied van de gemeente Sint-Michielsgestel. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering en beperkingen veehouderij hebben hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels.

34

Doorwerking plan(gebied) De aanduidingen binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging’ is de planlocatie aangeduid als ‘Normvrij gebied’ en ‘Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Binnen ‘Normvrij Gebied’ geldt geen verplichting voor het waterschap om een genormeerd beschermingsniveau te bieden. Onderhavige planlocatie is gelegen in het buitengebied van Sint-Michielsgestel. De norm ten aanzien van wateroverlast buiten Stedelijk gebied is hier dan ook (deels) op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: • 1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen; • 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; • 1/25 per jaar voor akkerbouw; • 1/10 per jaar voor grasland.

35

Voor bebouwing die is gelegen buiten stedelijk gebied geldt de norm van het omringende landgebruik. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting. Doorwerking plan(gebied) De genoemde inspanningsverplichting zal worden geleverd door initiatiefnemer. Hiertoe is een watertoets uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn terug te lezen in hoofdstuk 7. en de gehele rapportage is opgenomen als bijlage 8. Conclusie De functie die wordt opgericht geeft verdere invulling aan het karakter van landelijk wonen, aan de rand van een dorpskern. Een en ander doet geen afbreuk aan het bestaande land(schapp)elijke karakter ter plaatse. Het stedelijke karakter van deze functie is minimaal en passend bij de omgeving. Het Ruimte-voor-Ruimte bouwplan voldoet aan de voorwaarden, zoals genoemd in artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening en is passend binnen de omgeving en de aanduidingen. Met oprichting van de woning wordt geen afbreuk gedaan aan de ambities die de provincie heeft binnen deze structuren. In dit hoofdstuk zijn de belangen en regels van de provincie Noord-Brabant behandeld. Er is verantwoord op welke wijze er met dit plan wordt voldaan of wordt tegemoet gekomen aan de randvoorwaarden die de provincie in haar beleid heeft opgenomen.

Het belangrijkste onderdeel van de verantwoording zit in de kwaliteitsverbetering die vergezeld dient te gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Derhalve is de verantwoording voor voorliggend plan met name daarop gericht. Tevens biedt het aan dit plan toegevoegde inpassingsplan inzicht in de ontwikkeling op het gebied van natuur en landschap. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Onderhavig (bestemmings)plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de structuurvisie en verordening. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en met 10.

4.4 Gemeentelijk beleid Het planologisch-juridische beleidskader van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” is reeds in paragraaf 1.3 aan bod gekomen. In het verdere vervolg van deze paparagraaf worden de gevolgen van de beleidslijnen uit achtereenvolgens de ‘Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel’ en de ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’ beschreven. Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel (2011) Wonen is een niet aan het buitengebied gebonden functie en dus eigenlijk niet gewenst.

36

Door verschillende omstandigheden zijn er stallen leeg komen te staan en vindt er op die manier niet alleen een verrommeling plaats, maar verandert ook de economische en leefbaarheidssituatie in het buitengebied. Stallen werden gebruikt door niet gewenste activiteiten, zoals bijvoorbeeld de wietteelt. Om die verrommeling tegen te gaan en de economische en leefbaarheidssituatie op peil te houden is er een aantal regelingen in het leven geroepen. Met deze regelingen zijn er mogelijkheden geschapen om de niet aan het buitengebied gerelateerde functies (bijvoorbeeld wonen) toch mogelijk te maken. Een voorbeeld hiervan is de Ruimte-voor-Ruimte regeling. Via kwaliteitswinst is het mogelijk om deze functies te verwezenlijken. Uiteindelijk zijn deze regelingen in het provinciaal beleid verwerkt. Het beleid geeft een kader voor de mogelijkheden tot hergebruik van agrarische locaties. Om de aan het buitengebied gerelateerde functies niet te belemmeren is er voor gekozen om, onder voorwaarden, nieuwe functies voornamelijk in bebouwingslinten, -concentraties en kernrandzones plaats te laten vinden vanwege hun vaak reeds gemengde karakter. Onderhavige planlocatie behoort tot een van die kernrandzones. De belangrijkste voorwaarde om niet aan het buitengebied gebonden functies te realiseren is dat zij moeten zorgen voor een kwaliteitsverbetering van het buitengebied.

Een functie kan niet gerealiseerd worden zonder dat er een kwaliteitsslag is gemaakt. Het doel van de structuurvisie is immers om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te verbeteren. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft in deze visie een wensbeeld neergelegd met betrekking tot het buitengebied. Om dit wensbeeld te realiseren is er een kans voor niet aan het buitengebied gerelateerde functies. Onder voorwaarden dat deze functies een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied en daarmee een bijdrage leveren aan het wensbeeld van de gemeente kunnen deze functies plaatsvinden/gerealiseerd worden. Binnen de structuurvisie kan de gemeente strategieën inzetten. Daarnaast kunnen door de gecombineerde inzet van de regeling Ruimte-voor-Ruimte en het toestaan van nieuwe economische dragers meerdere knelpunten tegelijk worden aangepakt. Ook de wijze waarop de gemeente wenst om te gaan met verevening hoort bij de strategie. De prioriteit van de gemeente Sint-Michielsgestel ligt bij het realiseren van groenprojecten en het versterken van karakteristieke landschapsstructuren. Initiatiefnemers trachten de genoemde kwaliteitsslag te bewerkstelligen in samenwerking met een landschapsarchitect, welke een plan opstelt waarin aanwezige waarden landschappelijke en ecologisch waarden worden behouden en waar mogelijk worden versterkt.

Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 (2011) Op de hierna volgende uitsnede van de kaart ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’ is de globale ligging van de planlocatie rood omcirkeld aangegeven.

37

Te zien is dat de planlocatie niet is gelegen binnen een belangrijke kernwaarde, toegekend door gemeente Sint-Michielsgestel binnen deze structuurvisie. Wel is de planlocatie gelegen aan een hoofdroute, inclusief maatregel voor de groenstructuur. Ten aanzien van afwikkeling van verkeer is het dan ook noodzakelijk deze toegekende aandachtspunten in acht te nemen. De Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 heeft weinig tot geen (beleidsmatige) betekenis voor het bouwplan en de planlocatie. Woonvisie 2016-2021 Op 1 juli 2016 is de ‘Woonvisie 2016 – 2021’ in werking getreden. In deze woonvisie legt de gemeente Sint-Michielsgestel de prioriteiten van het woonbeleid voor de komende jaren vast. Daarbij wordt concreet ingezet op de komende vijf jaar, met een doorkijk naar de jaren daarna op het gebied van lange termijn ontwikkelingen die de gemeente in het oog wil houden. Gesteld wordt dat tot en met 2025 er binnen de gemeente 1.125 woningen moeten worden gebouwd om in de huisvestingsvraag op basis van demografische ontwikkeling van de huidige bevolking te kunnen voorzien. Uitgaande van 140 te slopen woningen die zullen worden herbouwd, betekent dit een netto opgave van 985 toe te voegen woningen. In de woonvisie wordt gesteld dat voor 242 woningen nog geen harde afspraken zijn vastgelegd.

Dat betekent dat het aantal woningen dat nog aan het huidige woningbouwprogramma kan worden toegevoegd beperkt is (242 in tien jaar).

38

Met deze laatste ruimte in de woningbouwprogrammering wil de gemeente zorgvuldig omgaan. De gemeente streeft naar een woningbouwprogramma dat aansluit bij de actuele vraag, maar ook bij de toekomstige vraag naar woningen. Dit betekent concreet de resterende woningbouwruimte in te vullen op basis van de volgende uitgangspunten: • Probeer de bestaande plannen waar mogelijk programmatisch te optimaliseren; • Bouw voornamelijk betaalbare woningen voor de lage en midden inkomens (vooral gericht op huur); • Bouw in het centrum (nabij voorzieningen) van de twee grotere kernen (SintMichielsgestel en Berlicum) voor senioren (koop en huur in verschillende klassen); • Bouw met mogelijkheden voor een flexibele invulling voor verschillende doelgroepen (levensloopbestendig). De beoogde herontwikkeling van de projectlocatie vindt niet plaats op basis van het gemeentelijk woningbouwprogramma. De beoogde ontwikkeling komt niet ten laste van de plancapaciteit. Klimaat en duurzaam De gemeente Sint-Michielsgestel wil zich naar de toekomst toe klimaatbestendig en duurzaam ontwikkelen. De gemeente Sint-Michielsgestel verlangt daarom van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord bouwen. Uit ruimtelijk oogpunt bezien, is het belangrijk om te komen tot ‘duurzaam bouwen’.

Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), de belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Slotconclusie gemeentelijk beleid De planlocatie aan de Theerestraat is vanwege de ligging in een kernrandzone in beginsel bij uitstek geschikt voor het toevoegen van een Ruimte-voor-Ruimte woning. Realisatie van de voorziene woning betekent een verdere opvulling van het aanwezige bebouwingscluster met behoud van zichtlijnen en de gewenste openheid van het gebied. Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt tevens dat de landschappelijke en ecologische waarden en de milieu-hygiënische en waterhuishoudkundige situatie behouden, versterkt of verbeterd worden. Belangrijk gegeven is dat de ontwikkelingsmogelijkheden van de nabij gelegen agrarische en niet-agrarische bedrijven niet worden beknot. De nieuwe woning zal verder worden voorzien van een passende architectuurstijl en landschappelijke inpassing. Met het realiseren van het bouwplan wordt verder zoveel als mogelijk rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot duurzaam bouwen. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woonen leefmilieu.

Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden.

39

Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); • afvalreductie; • vastgesteld ambitieniveau (GPR).

40

5. Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • •

•

archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer.

Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De opsteller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom de planlocatie cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke

41

ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(locatie) Cultuurhistorie Volgens het bestemmingsplan geldt ter plaatse de aanduiding ‘historisch landschappelijk gebied’. De globale ligging van de planlocatie is op de hierna opgenomen uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant aangeduid met een rode ster. De planlocatie kan worden gekenmerkt als ‘archeologisch landschap’ en ‘cultuurhistorisch landschap’.

Het cultuurhistorisch belang De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Landschappelijk gezien is Sint-Michielsgestel onderdeel van de Meierij en ten dele van het Groene Woud. Het gehele grondgebied van de gemeente bestaat uit cultuurhistorisch landschap. De Meierij is een gebied dat wordt getypeerd als een kleinschalige en afwisselend kampenlandschap met verspreide bebouwing, kleine essen en struwelen, akkers, grasland, afwaterings- sloten, veel houtsingels en laanbeplantingen. Vorengenoemde elementen maken integraal onderdeel uit van het historisch landschappelijk gebied. De planlocatie bestaat uit een paardenweide, cultuurhistorisch valt dit aan te merken als een kleinschalig graslandperceel. De perceelsomvang en perceelgrenzen blijven ongewijzigd. Als gevolg van de toevoeging van de woning en de

42

inrichting van het perceel als tuin verdwijnt het graslandperceel. De oorspronkelijke grenzen blijven behouden en het perceel behoudt een open karakter, historische elementen (bomenlanen en zichtlijnen) blijven intact of worden versterkt. De toevoeging van een woning aan het bebouwingslint langs de Theerestraat doet geen significante afbreuk aan de intrinsieke waarde en beleving van het historisch landschappelijk gebied. Archeologie Ten behoeve van het planvoornemen heeft Bureau voor Archeologie een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd. Bureau voor Archeologie adviseert de planlocatie vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. De integrale rapportage is als bijlage 4 opgenomen. Deze rapportage is opgevolgd door een selectieadvies van de gemeente Sint-Michielsgestel. Deze is als bijlage 5 aan deze toelichting toegevoegd. Hierna zijn de conclusies en aanbevelingen uit beide onderzoek letterlijk overgenomen.

Conclusies en advies bureau- en inventariserend veldonderzoek De onderzoeksvragen kunnen als volgt worden beantwoord: Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen? In de planlocatie zal een woning worden gerealiseerd. De exacte locatie en de omvang van de woning is bij uitvoering van het onderzoek nog niet bekend. De fundering zal waarschijnlijk reiken tot ca. 80 cm -mv. Wat is de landschappelijke ligging van de planlocatie in termen van geomorfologie, geologie en bodemkunde? Het plan ligt op de overgang van een dekzandrug naar een beekdal. In de ondergrond bevinden zich beekeerdgronden en enkeerdgronden. Uit het booronderzoek blijkt dat het bodemprofiel in het zuidwestelijk deel van de planlocatie bestaat uit een recent verstoord pakket op een BC- op een Chorizont of een recent verstoord pakket op een C-horizont. In het noordoostelijk deel is een recent verstoord/opgebracht pakket op een A- op AC- op C-horizont aanwezig. Het ophogingspakket is in het noordoostelijk deel dikker dan in het zuidwestelijk deel. Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? In boorprofielen 1 en 2 (zuidwesten) is de bovenste 25 tot 50 cm recent verstoord. Omdat hier geen A-horizont aanwezig is wordt geconcludeerd dat het oorspronkelijke bodemprofiel is afgetopt.

In boorprofielen 3 t/m 5 (noordoosten) is de bovenste 70 tot 80 cm recent verstoord en/of opgebracht. Zijn er (aanwijzingen voor) archeologische waarden in de planlocatie aanwezig, en zo ja, wat is naar verwachting de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden in de planlocatie. In het van oorsprong hoge zuidwestelijke deel is de oorspronkelijke bodem afgetopt. Hierdoor wordt de kans op (intacte) archeologische waarden in dit deel gering geacht. Het noordoostelijke deel is opgehoogd. Het is niet zeker of dit deel oorspronkelijk al laag lag (aanzet tot beekdal) of dat het dieper is uitgezand. In beide gevallen is de kans archeologische waarden klein. Indien er (mogelijk) archeologische waarden aanwezig zijn: a. Worden deze archeologische waarden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze? Niet van toepassing. b. Welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met deze archeologische waarden? Niet van toepassing. Bureau voor Archeologie adviseert de planlocatie vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat toch archeologische resten worden aangetroffen bij de graafwerkzaamheden. Eventuele archeologische

43

resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet uit 2015. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Sint-Michielsgestel.

Conclusie en advies selectieadvies: Conclusie onderzoek (verkort) De planlocatie ligt in het archeologisch landschap ‘de Roerdalslenk’. Het ligt op de overgang van een dekzandrug naar een beekdal. In de ondergrond bevinden zich beekeerdgronden of enkeerdgronden. Uit hoogtegegevens blijkt dat het perceel enkele decimeters lager ligt dan de percelen ten noorden en zuiden hiervan, het ligt ook lager dan de openbare weg ten westen hiervan. Dit kan betekenen dat het perceel is verlaagd (uitgezand). Uit kaartmateriaal uit de 18e eeuw en recenter blijkt dat het perceel eerder nooit bebouwd is geweest. De planlocatie ligt binnen de bewoningskern van het oude Theede. Het is daarom niet uitgesloten dat binnen de planlocatie bewoningsresten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aanwezig zijn. Intacte ondiepe archeologische sporen (Paleolithicum-Mesolithicum) worden niet verwacht in verband met het vroegere gebruik van de grond voor landbouw. In de planlocatie zijn vijf boringen gezet tot maximaal 1,7 m -mv. Het blijkt dat het bodemprofiel in het zuidwestelijk deel van de planlocatie onder een recent verstoord pakket een BC- op Chorizont en een recent verstoord pakket op een C-horizont aanwezig is. In het noordoostelijk deel van de planlocatie is een recent verstoord/opgebracht pakket op een A- op AC- op C-horizont aanwezig.

Het ophogingspakket is in het noordoostelijke deel dikker dan in het zuidwestelijk deel. Bureau voor Archeologie concludeert dat ter plaatse van het noordoostelijk deel van de planlocatie een van oorsprong een lager gelegen beekeerdgrond aanwezig was. Dit beeld komt overeen met de bodemkaart. De planlocatie is geëgaliseerd waarbij vermoedelijk grond vanaf het hoger gelegen zuidwestelijke deel over het lager gelegen noordoostelijke deel heen is geschoven. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden in de planlocatie. Het noordoostelijk deel van de planlocatie lag van oorsprong relatief laag en was minder aantrekkelijk voor bewoning. In het zuidwestelijke deel is de oorspronkelijke bodem afgetopt. Hierdoor wordt de kans op (intacte) archeologische waarden in dit deel gering geacht. Advies Bureau voor Archeologie adviseert om op grond van de resultaten de planlocatie vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat toch archeologische resten worden aangetroffen bij de graafwerkzaamheden. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet (uit 2016). In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Sint Michielsgestel.

Selectieadvies Gemeente Sint-Michielsgestel Indien bovenstaande zaken worden aangepast in een definitieve versie van het rapport, kan de gemeente Sint-Michielsgestel instemmen met de inhoud van het rapport en met het advies tot vrijgave van de planlocatie aan de Theerestraat voor verdere ontwikkeling. Mochten de plannen nog wijzigen, dan dienen bepaalde zaken opnieuw te worden bekeken. Omdat - zoals ook door Bureau voor Archeologie aangegeven - altijd nog de mogelijkheid bestaat tot het voorkomen van onverwachte archeologische waarden of resten, zogenaamde toevalsvondsten, geldt

44

dat bij het aantreffen daarvan direct melding dient te worden gedaan conform art. 5.10 van de Erfgoedwet 2015.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie wordt betrokken bij de situering en vormgeving van de woning. Als gevolg daarvan gelden randvoorwaarden voor de situering, vormgeving en beeldkwaliteit van de woning. Tot slot kan worden vermeld dat de planlocatie geen monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit bezit. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie de realisatie van het bouwplan niet in de weg staan. Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.

45

6. Flora en fauna en stikstofdepositie Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb) Vanaf 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming (Wnb). In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, wordt vervangen door deze wet. Doorwerking plan(locatie) Ten behoeve van het planvoornemen heeft Blom Ecologie een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd. Daarnaast heeft De Roever Omgevingsadvies onderzoek uitgevoerd naar de met de ontwikkeling samengaande mogelijke stikstofdepositie. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit beide onderzoeken letterlijk overgenomen. De integrale rapportages zijn als bijlage 6 en bijlage 7 opgenomen. Conclusies en aanbevelingen oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna Blom Ecologie: Conclusies In de planlocatie of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor.

De planlocatie heeft aannemelijk geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De haag, paardenweide en ruige strookjes zijn (beperkt) geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied, Wetland, Nationaal Park of Nationaal Landschap. De planlocatie ligt deels in het Brabants Natuurnetwerk. In het Brabants Natuurnetwerk wordt niet gebouwd en de beoogde ontwikkeling leidt tot een kwalitatieve verbetering. Van externe werking is geen sprake. Tabel 1 Overzicht van de functie van de planlocatie voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

46

Uitvoerbaarheid De realisatie van een woning leidt niet tot de aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun algemene leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Conclusie De realisatie van een woning aan de Theerestraat ong. te Sint-Michelsgestel is uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Aanbevelingen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

• De planlocatie tijdens de werkzaamheden bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiele nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

47

Conclusies en aanbevelingen oriënterend onderzoek stikstofdepositie De Roever Omgevingsadvies: In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de gewenste plan aan de Theerestraat ong. te SintMichielsgestel de te verwachten stikstofdepositie als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.

De planlocatie heeft de planologische aanduiding ‘leefgebied van dassen’. Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat de planlocatie thans geen relevante functie heeft voor de das. Functioneel leefgebied en vaste rust- en verblijfplaatsen zijn niet aanwezig op de planlocatie. De toevoeging van een woning en de aanleg van een tuin met hagen, kruidenrijk grasveld en de aanplant van enkele bomen leidt tot een kwaliteitsverbetering van het perceel voor das. Desondanks is de verwachting dat de das niet in grote mate hiervan zal profiteren omdat de planlocatie aan de rand van de bebouwde kom is gelegen. Conclusie De realisatie van het bouwplan leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Vanuit het oogpunt van flora en fauna en eventuele stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

48

7. Water Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op de beoogde planlocatie, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Het uiteindelijke doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets.

Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Het Waterschap Aa en Maas maakt gebruik van recent waterrelevant beleid en regelgeving. De huidige en toekomstige situatie van de planlocatie en gebiedsspecifieke waterbelangen zijn van belang voor de waterparagraaf. Doorwerking plan(locatie) Ten behoeve van het planvoornemen heeft MILON een watertoets uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 8 opgenomen.

49

Onderzoekslocatie De onderzoekslocatie bevindt zich aan de Theerestraat ong. direct ten het noorden van de bebouwde kom van het zuidelijke deel van Sint-Michielsgestel (ged. kad. M267). De oppervlakte van de te ontwikkelen locatie bedraagt circa 4.150 m2. De onderzoekslocatie is in gebruik als grasland. Ruimtelijk plan Op de onderzoekslocatie heeft men het voornemen om 1 woning met bijgebouw op te richten. In onderstaande tabel is weergegeven hoe de verhardingssituatie er in de huidige en toekomstige situatie uitziet. Tabel 3: verhardingssituatie huidige en toekomstige situatie

De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verharde oppervlakte toeneemt met 570 m2. Afvalwater Huishoudelijk afvalwater dat vrijkomt bij de toekomstige bebouwing dient te worden afgevoerd worden naar het bestaande gemeentelijke vuilwaterriool. Het lijkt volgens de gemeente aannemelijk dat dit hydraulisch past maar noodzakelijke aanpassingen aan het gemeentelijk riool (hoofdriool ligt aan de overzijde van de weg) zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Aansluiting zal gebeuren in overleg met de rioolbeheerder, gemeente Sint-Michielsgestel. Afvoer hemelwater Als oplossingsrichting bij de nieuwbouw woning wordt gedacht aan het aanleggen van een zaksloot of -vijver. Door de aanleg van een dergelijke bergingsvoorziening wordt tegemoet gekomen aan de uitgangspunten van de gemeente Sint-Michielsgestel. Ophogen woonperceel Gezien de lage ligging van de kavel t.o.v.de omgeving zal het woonperceel opgehoogd moeten worden om ervoor te zorgen dat in natte perioden geen wateroverlast ontstaat. Waterschap de Dommel verwacht dat met het toekomstig klimaat en bij een hoge Maas de waterstand op 5,84 m+NAP kan komen te liggen. Gezien onderhavig plan is gelegen binnen het reserveringsgebied waterberging zal het verlies aan waterbergend vermogen door ophoging van het bouwperceel moeten worden gecompenseerd.

De gemiddelde hoogte van het woonperceel is 5,5 m+NAP. Om wateroverlast in de toekomst met meer zekerheid te kunnen voorkomen wordt geadviseerd om het woonperceel op te hogen tot 6,2 m+NAP. Het woonperceel heeft een oppervlak van circa 2250 m2. Er is dus circa 1600 m 3 grond nodig om het woonperceel op te hogen.

50

Natuurontwikkeling Binnen het planproject wordt 3200 m3 grond afgegraven t.b.v. natuurontwikkeling. Deze grond zal deels ingezet worden om het woonperceel op te hogen. Alleen voor het woonhuis zal grond moeten worden aangevoerd omdat de vrijkomende grond niet geschikt is om op te bouwen. Er wordt meer dan genoeg grond afgegraven in het natuurplan om te dienen als compensatie voor het ophogen van het woonperceel.

Conclusie Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Aanvullende maatregelen of voorzieningen zijn niet nodig. Vanuit hydrologisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.

51

8. Milieu-hygiënische verantwoording 8.1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de te ontwikkelen gronden aan de Theerestraat. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. Tot slot wordt inhoudelijk ingegaan op de ruimtelijke inpassing en de beeldkwaliteit van het plan. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.

8.2 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig.

52

In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(locatie) In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In de planlocatie wordt per saldo één extra woning mogelijk gemaakt.

Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling is immers pas noodzakelijk voor de bouw van meer dan 2.000 woningen in aaneengesloten gebied (lijst D, categorie 11.2). 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. De planlocatie behoort niet tot een dergelijk gebied. 3. In hoofdstuk 4, ‘Milieu- en ruimtelijke waardentoets’, zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Zoals in bovenstaande opsomming blijkt, is het niet noodzakelijk om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren in het kader van dit project. Conclusie Gelet op het kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r. en de ligging van de planlocatie (niet in de buurt van een Natura 2000 gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen.

In het kader van de planprocedure is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

53

8.3 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. De wet bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De Woningwet bepaalt dat alleen nog voor bouwwerken die specifiek bedoeld zijn voor het verblijf van mensen, een bodemtoets uitgevoerd moet worden. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te wonen en werken, onderwijs te geven of te genieten. Voorbeelden van bouwwerken waar sprake is van structureel verblijf door mensen zijn woningen, scholen, kantoren maar ook recreatiewoningen en sportkantines. Doorwerking plan(locatie) Ten behoeve van het planvoornemen heeft MILON een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 9 opgenomen.

Vooronderzoek De onderzoekslocatie is braakliggend, in gebruik als paardenwei en volgens historisch topografisch kaartmateriaal nooit bebouwd geweest. De directe omgeving is in gebruik als wonen met tuin. Op het perceel hebben geen activiteiten of calamiteiten plaatsgevonden waarbij de bodem verontreinigd kan zijn geraakt. Op basis van een eerder uitgevoerd bodemonderzoek worden in de bodem geen noemenswaardige verontreinigingen verwacht. Daarom is conform NEN 5740 de hypothese ‘onverdachte locatie’ opgesteld. De totale oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 1.495 m2. Onderzoeksresultaten Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bodem geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van de grond of het grondwater. Analytisch zijn in de grond geen verhoogde gehalten en het grondwater geen verhoogde concentraties aangetroffen. De zintuiglijke waarnemingen komen overeen met de analyseresultaten. Conclusie en aanbevelingen Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Er zijn geen verhoogde gehalten in de grond en geen verhoogde concentraties in het grondwater aangetroffen. Wat betreft de milieuhygiënische bodemkwaliteit bestaat er ons inziens geen belemmering voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie.

Dit verkennend bodemonderzoek is geen bewijsmiddel zoals bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Afhankelijk van de bestemming en toepassing bij afvoer van de grond kan een partijkeuring (AP04) noodzakelijk zijn.

54

Conclusie Het aspect bodem(kwaliteit) staat niet in de weg aan de verdere planvorming.

8.4 Geluid (wegverkeerslawaai) Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.

Doorwerking plan(locatie) Wegverkeerslawaai De volgende objecten worden in Wet geluidhinder beschermd: • woningen; • andere geluidgevoelige gebouwen; • geluidgevoelige terreinen. Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het planvoornemen heeft De Roever Omgevingsadvies een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies van het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 10 opgenomen.

In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de planlocatie aan de Theerestraat ongenummerd te Sint-Michielsgestel berekend. Uit het onderzoek blijkt dat een hogere waarde procedure moet worden gevolgd. De benodigde hogere waarde hangt af van de definitieve locatie van de woning. De geluidbelasting kan worden afgelezen uit de geluidcontouren op afbeelding 7 (uit het onderzoeksrapport). De maximaal te ontheffen grenswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen tot de voorkeursgrenswaarde zijn niet mogelijk of niet gewenst. Aangeraden wordt om bij het ontwerp van het pand nader te onderzoeken of de karakteristieke geluidwering van deze geveldelen voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012. Nader onderzoek is overigens alleen noodzakelijk voor de geveldelen die een scheiding tussen een verblijfsruimte en de buitenlucht vormen.

55

Het wegverkeerslawaai heeft tot gevolg dat er een procedure hogere waarde moet worden gevolgd. Afhankelijk van de definitieve locatie van de woning, is het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de planlocatie – na het aanvragen van de hogere waarde – gewaarborgd. Industrielawaai In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven gelegen die geluidhinder kunnen veroorzaken. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de planlocatie is derhalve gewaarborgd. De akoestische gevolgen van overige bedrijfsactiviteiten in de omgeving van de planlocatie komen in paragraaf 5.3 (milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid) aan de orde. Spoorweglawaai In de directe omgeving van de planlocatie is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai De planlocatie is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Blijkens de kaarten, behorend bij de Milieuverordening Noord-Brabant, is de planlocatie niet gelegen in of nabij een stiltecentrum. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het bouwplan geen belemmeringen op.

8.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.

56

Ad. 2 Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.

Doorwerking plan(locatie) Geurhinder (Wgv) In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. Gesteld kan worden dat de individuele hinder van veehouderijen geen belemmeringen oplevert. De cumulatieve geurbelasting bedraagt minder dan 3 odour units, wat neerkomt op een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat. Aan het gestelde in de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ en de ‘Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ kan worden voldaan. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats buiten de geurcontouren van 14,0 ouE/m3 van alle veehouderijen in de omgeving. Als norm voor de afstanden geldt 50 meter. Binnen 50 meter van de ruimtelijke ontwikkelingen liggen geen veehouderijen. Voor de achtergrondbelasting bestaan geen normen, maar kan de mate van geurhinder worden beoordeeld op basis van geurhinderpercentages. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie beschrijven wij in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’.

Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7

57

van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. De voorziene ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats in een gebied met een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat (op basis van de achtergrondbelasting). De voorgrondbelasting, afstanden en achtergrondbelasting vormen geen knelpunt voor de ruimtelijke ontwikkeling. Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) De planlocatie en de omgeving ervan kunnen worden aangemerkt als het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. De locatie ligt naast het zorgterrein van Kentalis. Voor dit terrein gaat in planologische zin een en ander veranderen. Zo vindt onder meer woningbouw plaats. Voor deze ontwikkeling is reeds een concept-voorontwerpbestemmingsplan opgesteld. Een uitsnede van de concept-verbeelding van dit bestemmingsplan is hierna opgenomen. Het deel van het terrein van Kentalis dat grenst aan de planlocatie is voorbehouden voor woningbouwontwikkeling. Vanuit milieuzoneringsoogpunt levert onderhavige planontwikkeling geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van Kentalis. Onderhavige planontwikkeling levert ook geen belemmeringen voor de huidige activiteiten van Kentalis, niet vanwege de soort activiteiten (zorg en onderwijs) die Kentalis uitvoert, maar ook niet vanwege de afstand ten van de planlocatie ten opzichte van het terrein van Kentalis.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=f9d87ab6-c1e5-4997-8198-699c14804fd8