CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

1 - Toelichting ontwerp bestemmingsplan Bodenven 1 Sint-Michielsgestel

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 22 februari 2024, gemeente boxtelBij agendapunt: 8 Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Bodenven 1 Den Dungen16.243 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

30

onderzoek noodzakelijk geacht. Ter hoogte van de bestaande en gedempte vijver wordt tevens geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Omdat in de rest van het plangebied nog wel potentieel archeologische resten aanwezig kunnen zijn, wordt aanbevolen om hier de huidige archeologische dubbelbestemming te behouden. 9. Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd: Welke methode (n) , techniek (en) en strategie (ën) van Inventariserend veldonderzoek zijn hiervoor geschikt? Niet van toepassing. ADVIES Bij de sloop en nieuwbouw kunnen archeologische resten worden vergraven. Echter, de kans is klein dat op de plek van de te slopen bedrijfsbebouwing nog behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn en de nieuwe woningen komen grotendeels in het vlak waar nu deze bebouwing staat. Het deel dat buiten de bebouwingscontouren ligt, is zo klein dat verder onderzoek niet zinvol is naar oordeel van Bureau voor archeologie. Bureau voor Archeologie adviseert daarom het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet.

In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Sint-Michielsgestel. De integrale rapportage is als bijlage 1 opgenomen. Conclusie vanuit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bouw) plan.

31

6. Flora

en

fauna

en

stikstofdepositie

Toetsingskader Vanaf 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming (Wnb) . In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797) . De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, is vervangen door deze wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2. 8 van de Wnb eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn.

Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, kan de het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer worden gehanteerd als toetsingskader op grond van de Wet natuurbescherming. Inmiddels is een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe tool is de depositie op natuurgebieden berekend. Hoe de resultaten worden beoordeeld is aan het bevoegd gezag. Doorwerking plan (gebied) Ten behoeve van het planvoornemen heeft Blom Ecologie een Quickscan Wet natuurbescherming aan de Bodenven 1 uitgevoerd. Hierna zijn de conclusie en aanbevelingen uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 2 opgenomen.

CONCLUSIE De sloop van de bedrijfsbebouwing en de nieuwbouw van 3 woningen aan de Bodenven 1 te Den Dungen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3. 1. 6 Bro) . Uitvoerbaarheid

32

De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor gebouw bewonende vleermuizen (soortenbescherming) . Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd) . Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vier gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB) . Hiervan dienen twee rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3. 1 en 3. 2 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht) . • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

• De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes) . Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) . • De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli) . Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E. e. a. op aanwijzing van

33

deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vier gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB) . Ten aanzien van een mogelijke stikstofdepositie door toedoen van als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase in het kader van onderhavige ontwikkeling, heeft De Roever Omgevingsadvies een onderzoek uitgevoerd naar de met de ontwikkeling samengaande mogelijke stikstofdepositie. In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van het plan aan Bodenven 1 in Den Dungen de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de relevante Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0, 00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan.

De integrale rapportage is als bijlage 3 opgenomen. Conclusie De realisatie van het bouwplan leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings) plan. Hierbij wordt wel opgemerkt dat nog een aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd wordt.

34

7. Water Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5. 1. 3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Het uiteindelijke doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets.

Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; water als kans; • • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Het Waterschap Aa en Maas maakt gebruik van recent waterrelevant beleid en regelgeving. De huidige en toekomstige situatie van het plangebied en gebiedsspecifieke waterbelangen zijn van belang voor de waterparagraaf. Doorwerking plan (gebied) Ten behoeve van het planvoornemen heeft MILON een watertoets uitgevoerd. Hierna zijn de samenvatting en conclusies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale watertoets is als bijlage 4 opgenomen. De herontwikkeling bestaat uit het wijzigen van een bedrijfsbestemming naar 3 burgerwoningen en het wijzigen van een bedrijfswoning naar een burgerwoning.

Dit heeft tot gevolg dat het verhard oppervlak op locatie toeneemt met circa 330 m2 . Gezien er nieuwbouw gerealiseerd gaat worden stelt het bevoegd gezag dat dit op hydrologisch

35

neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd. Voor het toekomstige verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door het toekomstige verhard oppervlak (m2 ) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0, 06 m) en met de plaatselijke gevoeligheidsfactor (1) . Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3 ) . De benodigde compensatie bedraagt 20 m3 (330 m2 x 0, 06 x 1) . Initiatiefnemer en gemeente Sint-Michielsgestel heeft aangegeven dat voorkeur wordt gegeven aan een individuele oplossing per kavel. Door op de percelen circa 15 m2 in te richten voor de aanleg van een wadi of greppel kan worden voldaan aan de bergingsopgave. Ook kan er eventueel voor gekozen om infiltratiekratten, bijvoorbeeld onder de inrit. Indien de GHG zich minimaal 1, 2 m-mv bevindt dan kan volstaan worden met een krattenveld van circa 10 m2 . Bij deze ghg kunnen er 2 rijen kratten onder elkaar aangelegd worden. De infiltratiecapaciteit dient minimaal 1 meter per dag te bedragen. Gezien de bodemopbouw ter plaatse is de verwachting dat dit gehaald zal worden. Conclusie Na uitvoering van de bergingsopgave is er sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Vanuit hydrologisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings) plan.

36

8. Milieu-hygiënische verantwoording 8. 1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de te ontwikkelen gronden. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. Tot slot wordt inhoudelijk ingegaan op de ruimtelijke inpassing en de beeldkwaliteit van het plan. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is door De Roever Omgevingsadvies uitgebreide quickscan uitgevoerd naar mogelijke milieu-hygiënische gevolgen van het plan op haar omgeving, of andersom.

Daar waar expliciete verdieping in de materie heeft plaatsgevonden is dat als zodanig vermeld. Quickscans door De Roever Omgevingsadvies uitgevoerd op de aspecten bedrijven en milieuzonering (8. 5) , geur (8. 6) , luchtkwaliteit (8. 7) , externe veiligheid (8. 8) en volksgezondheid (8. 9) komen terug in onderhavig hoofdstuk. De volledige rapportage is als bijlage 5 aan deze plantoelichting toegevoegd.

8. 2 M. e. r. -beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit (en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m. e. r. -beoordeling gehanteerd. Een m. e. r. -beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m. e. r. -procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m. e. r. nodig. De vormvrije m. e. r. -beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen.

37

Voor de vormvrije m. e. r. -beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m. e. r. ;

2. de omvang van al die activiteit (en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst) . Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m. e. r. -beoordeling dus niet nodig. In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m. e. r. -plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m. e. r. -beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst) . Bij de vormvrije m. e. r. -beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht) , verkeersaantrekkende werking e. d. ? Wat is het ruimtebeslag? wat is de afstand van de activiteit (en) tot gebieden die gevoelig zijn? • • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan (gebied) In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m. e. r. -plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m. e. r. -beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst) . Om te bepalen of een m. e. r.

-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m. e. r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In het plangebied worden woningen mogelijk gemaakt. Er is echter geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m. e. r. Een m. e. r. -beoordeling is immers pas noodzakelijk voor de bouw van meer dan 2. 000 woningen in aaneengesloten gebied (lijst D, categorie 11. 2) . 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m. e. r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een dergelijk gebied. 3. In dit hoofdstuk, ‘Milieu-hygiënische verantwoording’, worden de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Zoals in bovenstaande opsomming blijkt, is het niet noodzakelijk om een m. e. r. -beoordeling uit te voeren in het kader van dit project.

Conclusie Het realiseren van de woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D. 11. 2) van de bijlage bij het Besluit m. e. r. Echter, gelet op het

38

kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m. e. r. , de ligging van het plangebied (niet in de buurt van een Natura 2000- gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. Onderliggend plan wordt derhalve niet gezien als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van het Besluit m. e. r. (onderdeel D, categorie D. 11. 2) en daarmee is een aanmeldnotitie (vormvrije m. e. r. -beoordeling) niet noodzakelijk.

8. 3 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. De wet bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Doorwerking plan (gebied) Ten behoeve van het planvoornemen heeft Terra Milieu – ter plaatse van de locatie Bodenven 1 – een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 6 opgenomen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat PCB verhoogd wordt aangetroffen ten opzichte van de achtergrondwaarde in het mengmonster van de bovengrond (MB1) . In de overige grond (meng) monsters worden geen verhogingen aangetroffen. In het grondwater worden geen verhogingen ten opzichte van de streefwaarden aangetroffen.

De locatie kan daarom niet meer als onverdacht worden beschouwd, de resultaten van het bodemonderzoek geven echter geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Op basis van dit bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot het wijzigen van de bestemming. Vanuit de resultaten bestaat geen noodzaak tot het uitvoeren van sanerende maatregelen. Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek heeft aanvullend bodemonderzoek plaatsgevonden. Hierna zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 6. 1 opgenomen.

39

5. Conclusie en aanbevelingen 2 spuitcabines (incl. verfkamer en verfkluis) Op basis van de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de bovengrond de parameter PCB licht verhoogd wordt aangetroffen. In de ondergrond worden analytisch géén van de geanalyseerde parameters verhoogd aangetroffen. In het grondwater worden géén van de geanalyseerde parameters verhoogd aangetroffen ten opzichte van de streefwaarden. De hypothese verdacht dient op basis van de analyseresultaten aangenomen te worden. De resultaten van het bodemonderzoek geven echter geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Olievetafscheider (OBAS) Op basis van de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de ondergrond géén van de geanalyseerde parameters verhoogd worden aangetroffen. In het grondwater worden géén van de geanalyseerde parameters verhoogd aangetroffen ten opzichte van de streefwaarden. De hypothese verdacht kan op basis van de analyseresultaten verworpen worden. Zolang de OBAS in gebruik blijft dan blijft de hypothese verdacht van toepassing.

Als de hypothese verwijderd wordt en er wordt zintuiglijk en/of analytisch niets aangetroffen kan de hypothese onverdacht aangenomen worden. Op basis van dit bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot het wijzigen van de bestemming. Vanuit de resultaten bestaat geen noodzaak tot het uitvoeren van sanerende maatregelen Conclusie Het aspect bodem (kwaliteit) staat niet in de weg aan de verdere planvorming.

8. 4 Geluid (wegverkeerslawaai) Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.

40

Doorwerking plan (gebied) Wegverkeerslawaai De volgende objecten worden in Wet geluidhinder beschermd: • woningen; • andere geluidgevoelige gebouwen; • geluidgevoelige terreinen. Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het planvoornemen heeft De Roever Omgevingsadvies een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies van het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 7 opgenomen. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai berekend voor de gewenste woningen op het perceel Bodenven 1 in Den Dungen. Hogere waarden Een hogere waarde is niet nodig omdat niet alle berekende geluidsniveaus komend van de gezoneerde wegen in de omgeving onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bij de geplande woningen bedraagt ten hoogste 43 dB ter plaatse van de oostgevel van het meest rechtse gebouw voor de 2e etage) . De vereiste karakteristieke geluidwering Ga; k bedraagt dan 20 dB (standaardeis uit het bouwbesluit) . Nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is niet nodig. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt bij de woningen wordt geclassificeerd als ‘Zeer Goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3. 5. 1 en 3. 5.

2 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat Industrielawaai In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die geluidhinder kunnen veroorzaken. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied is derhalve gewaarborgd. De akoestische gevolgen van overige bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied komen in paragraaf 8. 5 (milieuzonering) aan de orde. Spoorweglawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai Het plangebied is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden

41

Blijkens de kaarten, behorend bij de Milieuverordening Noord-Brabant, is het plangebied niet gelegen in of nabij een stiltecentrum. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het (bestemming) plan geen belemmeringen op.

8. 5 Milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie) , een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar) , richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en

42

veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Doorwerking plan (gebied) Milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het anderzijds bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Dit wordt milieuzonering genoemd. Onderzoeksvragen Bij het beoordelen van een ruimtelijk plan spelen standaard de volgende vragen: - is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd? - worden omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen geschaad? Om een antwoord te geven op deze vragen is een inventarisatie gemaakt van de milieubelastende en milieugevoelige functies in de omgeving. Uitwaartse of inwaartse milieuzonering Ruimtelijke scheiding kan tot stand komen door uitwaartse of inwaartse milieuzonering. Bij uitwaartse milieuzonering wordt uitgegaan van de milieubelastende functies. In een zone rondom de milieubelastende functies worden woningen geweerd. Bij inwaartse milieuzonering wordt uitgegaan van de milieugevoelige functies.

In een zone rondom de milieugevoelige functies zijn bepaalde milieubelastende functies niet toelaatbaar.

Richtafstanden Voor alle typen bedrijven zijn in bijlage 1 van de handreiking Bedrijven en milieuzonering richtafstanden opgenomen. Het betreft de richtafstanden voor de vier ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn onder andere de volgende uitgangspunten gehanteerd: a. het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; b. de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk en rustig buitengebied. Ten opzichte van een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (behalve voor het aspect gevaar) . Dit is toegelicht in onderstaande tabel.

43

Beoordeling Omgevingstype In de directe omgeving van het plangebied is (met name na bestemmingswijziging) geen sprake van een dusdanige bedrijvigheid dat sprake is van een gemengd gebied. Daarom wordt uitgegaan van het omgevingstype rustig buitengebied. Uitwaartse milieuzonering De beoogde woonbestemming vormt geen milieubelastende functie. Een analyse van uitwaartse milieuzonering is niet nodig. Inwaartse milieuzonering Op basis van de vigerende bestemmingsplannen zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald, zie navolgende tabel. De richtafstanden zijn gebaseerd op een rustig buitengebied.

De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn weergegeven op onderstaande afbeelding.

44

45

Conclusie Dit betekent dat er vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen zijn voor het bestemmingsplan.

8. 6 Geurhinder Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Er wordt onderscheid gemaakt in agrarische geur en industriële (overige) geur. In de vorige paragraaf is beoordeeld dat het plangebied niet binnen de richtafstand voor het aspect geur van industriële of agrarische bedrijven ligt. De richtafstanden voor het aspect geur van agrarische bedrijven volstaan niet in alle gevallen. Daarom wordt hieronder het aspect agrarische geur nader toegelicht. In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, af-standen en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) . De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De standaardnormen uit de Wgv zijn in onderstaande tabel opgenomen.

46

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen en afstanden aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor in de Verordening geurhinder en veehouderij een aangepaste geurnorm of is vastgesteld. Daarom geldt de wettelijke afstand van 50 met en geurnorm van 14 ouE/m3 voor geurgevoelige objecten in het buitengebied. Doorwerking plan (gebied) De veehouderijen in de omgeving en de totale geuremissies per veehouderij zijn weergegeven op onderstaande afbeelding.

Afstanden De dichtstbijzijnde veehouderij aan Woudseweg 29 ligt op ongeveer 470 meter van het plangebied. Ten aanzien van afstanden is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden veehouderijen niet in de belangen geschaad. Voorgrondbelasting De dichtstbijzijnde veehouderij met een relevante geuremissie ligt aan Grote Molenstraat 3A op een afstand van ongeveer 700 meter van het plangebied. Gezien de geuremissie in relatie tot de afstand tot het plangebied kan op voorhand worden gesteld dat de voorgrondbelasting niet relevant zal zijn. Dit is ook af te lezen uit de kaart met de geurcontouren ten aanzien van achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting) , zie afbeelding

47

hierna. Aangezien bestaande geurgevoelige objecten zijn gelegen tussen de veehouderijen en het plangebied worden de veehouderijen niet in hun belangen geschaad. Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting is aangegeven op de volgende afbeelding (kaart ODZOB, maart 2022) .

Het woon- en leefklimaat is ‘zeer goed’. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.

8. 7 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op.

Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen.

48

Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie. De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5. 16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; • een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit.

Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) . Dit komt overeen met 1, 2 microgram/m 3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven.

Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken) . De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden.

49

Doorwerking plan (gebied) Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1. 500 woningen of 66. 667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Uit de uitsnede van de kaart bij de Atlas Leefomgeving op afbeelding 5 blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is, er wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden.

50

51

Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1. 500 nieuwe woningen of 66. 667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op voor de planontwikkeling. Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen een zone van 300 meter vanaf de rand van een Rijksweg en ook niet (meer) binnen een zone van 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg. Hier kan nog aan worden toegevoegd dat woningen niet als ‘gevoelige bestemmingen’ gezien, zodat het Besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing is. Het plan heeft geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Den Dungen ook geen negatieve invloed op het plangebied.

Ter toelichting kan worden vermeld dat de huidige luchtkwaliteit nabij het plangebied globaal afgeleid kan worden uit beschikbare informatie aan de hand van: • het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie fijnstof (PM10) boven 50 μg/m 3 ; • de grenswaarde voor jaargemiddelde fijnstofconcentratie van 40 μg/m 3 ; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (40 μg NO2/m 3 ) . Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Het bestemmingsplan zelf biedt daarmee geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. De realisatie van het bestemmingsplan houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit.

8. 8 Externe veiligheid, kabels en leidingen Toetsingskader Het externe veiligheidsbeleid is bedoeld om de risico’s voor de omgeving ten aanzien van handelingen met gevaarlijke stoffen te beperken en te beheersen. De wetgeving is gericht op het gebruiken, opslaan en productie van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen, als wel het transport van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn de richtlijnen ten aanzien van inrichtingen opgenomen. Daarnaast zijn er

52

richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In deze regelgeving is de verplichting opgenomen om in ruimtelijke plannen de ontwikkelingen te toetsen op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Externe veiligheid heeft dus betrekking op situaties waar iets mis zou kunnen gaan met gevaarlijke stoffen, waardoor mensen gevaar lopen. Voorbeelden van risicobronnen en risicovolle activiteiten zijn: productie, gebruik of opslag en transport van gevaarlijke stoffen (LPG-tankstations en fabrieken, routes voor gevaarlijke stoffen, leidingen) . Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit plaatsgebonden risico wordt vertaald naar een risicocontour rondom een risicobron (bijvoorbeeld een inrichting of een weg) . De maatgevende grens is de 10 -6 contour, dit is de kans van 1 op 1 miljoen dat een onbeschermd persoon omkomt per jaar. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is bedoeld om een inschatting te maken ten aanzien van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde in de verantwoording (dit betekent dat er gemotiveerd van mag worden afgeweken) .

Elke verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied van een risicobron moet verantwoord worden. Hierbij moet ingegaan worden op de wijze waarop deze verandering in het groepsrisico is betrokken bij de besluitvorming. Tevens moeten kwalitatieve aspecten beoordeeld worden, zoals zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Kabels en (buis) leidingen Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, lichtontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen.

De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10 -6 . Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een

53

zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan (gebied) Externe veiligheid inrichtingen Op basis van de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant kan worden geconcludeerd dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichting ligt. Het plangebied ligt derhalve niet binnen PR-contouren en GR-invloedsgebieden van risicovolle (Bevi) inrichtingen. Navolgende uitsnede van de Risicokaart bevestigt dit.

Externe veiligheid vervoer Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke

54

stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Het plangebied ligt aan het Heilig Hartplein / Grote Molenstraat te Den Dungen. Deze wegen zijn echter niet beschouwd in onderzoek naar vervoersstromen van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen in Noord-Brabant (Arcadis, 2010) . Dit wijst erop dat hierover geen significant vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

De weg heeft dan ook geen PR 10-6 contour. Ook is het groepsrisico lager dan 0, 1 maal de oriëntatiewaarde. Een en ander heeft dan ook geen (nieuwe of nadelige) gevolgen voor het veiligheidsrisico. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Er ontstaan geen groter veiligheidsrisico en ook geen extra belemmeringen naar de omgeving toe. Besluit externe veiligheid buisleidingen De risicokaart toont geen aanwezigheid van een (hoge druk) gasleiding op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis) leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht. Overige zonering Er zijn in en nabij het plangebied geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, invliegfunnels of molenbiotopen aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kan zijn op de ontwikkelingen in het plangebied. Conclusie Gesteld kan worden dat het voorgenomen (bestemmings) plan zelf geen extern veiligheidsrisico vormt. Voor wat betreft externe veiligheid zijn er naar de omgeving toe geen belemmeringen te verwachten.

Uitgebreid onderzoek naar externe veiligheid is na deze quickscan dan ook niet nodig.

55

8. 9 Volksgezondheid Er bestaat geen landelijk geldend toetsingskader voor het beoordelen van het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen. In de meeste gevallen wordt gebruik gemaakt van de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0’ van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht d. d. 30 april 2018. Die handreiking bevat een stappenplan waarmee beoordeeld kan worden of volksgezondheid in relatie tot veehouderijen een dusdanig knelpunt vormt, waardoor advies bij de GGD moet worden opgevraagd. Stap 1. Endotoxine Op basis van het endotoxine toetsingskader 1. 0 kunnen voor de diercategorieën vleeskuikens, leghennen en varkens de aan te houden afstanden worden bepaald op basis van de totale jaarlijkse fijnstofemissie. Door deze afstanden aan te houden wordt een te hoge blootstelling aan endotoxine voorkomen. De afstanden worden als volgt berekend:

Op navolgende afbeelding zijn voor alle veehouderijen met varkens of pluimvee de fijnstofemissies aangegeven.

56

De dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij met een relevante emissie van PM10 is de varkenshouderij aan vleeskuikenhouderij aan Woudseweg 49 op ongeveer 650 meter van het plangebied. De emissie van PM10 bedraagt (afgerond) 45 kg/jaar. Met deze emissie is sprake van een endotoxine-afstand van 42 meter. Endotoxine vormt geen belemmering voor het plan. Stap 2. Emissies Onderzocht moet worden of de ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Een toename van geur, fijnstof en/of ammoniak (via vorming van secundair fijnstof) kan mogelijk leiden tot een negatief effect op de volksgezondheid. Het plan leidt niet tot een relevante toename van geur-, ammoniak- en fijnstofemissies. Plangebieden met woningbouw tot 1. 500 woningen per ontsluitingsweg zijn conform de Regeling niet in betekenende mate (NIBM) niet van invloed op de luchtkwaliteit (fijn stof in dit geval) . Daarnaast blijkt uit de kaarten bij de NSL-monitoringstool dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar is. Stap 2 vormt geen knelpunt. Stap 3a. Geur, milieukundige advieswaarden Onderzocht moet worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van de volgende milieukundige advieswaarden:

57

Daarnaast moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de afstandseis van 100 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en 50 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Uit hoofdstuk 3 van de door De Roever Omgevingsadvies opgestelde quickscan blijkt dat aan de milieukundige advieswaarden voor de afstanden en de voor- en achtergrondbelasting voldaan. Stap 3a vormt geen knelpunt. Stap 3b. Geur, gezondheidskundige advieswaarden Onderzocht moet worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van de volgende gezondheidskundige advieswaarden:

Daarnaast moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de afstandseis van 100 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom. Uit hoofdstuk 3 van de door De Roever Omgevingsadvies opgestelde quickscan blijkt dat aan de gezondheidskundige advieswaarden voor de voor- en achtergrondbelasting voldaan (vooral af te lezen uit de afbeelding van de achtergrondbelasting) . Stap 4. Meerdere diersoorten Onderzocht moet worden of er veehouderijen van invloed zijn waar meerdere diersoorten worden gehouden, namelijk a. varkens en pluimvee; of b. rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten) ; of c. kleine herkauwers onderling Ook moet onderzocht worden of er varkenshouderijen en pluimveehouderijen op een afstand van maximaal 100 meter van elkaar liggen en van invloed zijn op het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen met verschillende diersoorten op korte onderlinge afstand van elkaar en op korte afstand van het plangebied. Stap 4 vormt geen knelpunt.

58

Stap 5. Afstanden Onderzocht moet worden of: a. geitenhouderijen binnen 2 km van geurgevoelige objecten zijn gelegen; b. pluimveebedrijven binnen 1 km van geurgevoelige objecten zijn gelegen; c. overige veehouderijen binnen 250 m van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom zijn gelegen. Aan elk van deze afstandseisen wordt voldaan. De dichtstbijzijnde geitenhouderij ligt op 2, 3 km van het plangebied (Venstraat 1 Sint-Michielsgestel) . Stap 6. Mestbe- of verwerking Onderzocht moet worden of in de directe omgeving sprake is van mestbe- of verwerking als zelfstandige activiteit of als nevenactiviteit. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven waarbij sprake is van mestbe- of verwerking. Stap 7. Ongerustheid omwonenden In stap 7 van het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 wordt ingegaan op ongerustheid bij omwonenden. Mocht sprake zijn van ongerustheid bij omwonenden (of toekomstige bewoners) dan kan dat een aanleiding zijn om advies in te winnen bij de GGD. Of sprake is van ongerustheid is door het bevoegd gezag (de gemeente Meierijstad) te beoordelen op basis van meldingen of klachten uit die omgeving. Spuitzones In de omgeving van het plangebied liggen geen gronden waar mogelijk sprake is van een spuitzone. Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor het plan.

Hoogspanningsleidingen In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Het aspect hoogspanningsleidingen vormt geen belemmering voor het plan

59

9. Mobiliteit; verkeer

en

parkeren

Wat betreft mobiliteit en infrastructuur zullen de wijzigingen minimaal zijn. Nieuwe infrastructuur zal niet worden aangelegd en per wooneenheid zullen voldoende parkeerplekken (minimaal 2 parkeerplaatsen per woning) op eigen terrein worden opgericht. Dit is ook zichtbaar in het kaartbeeld zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van deze plantoelichting. Na realisatie van het bouwplan zal de verkeersintensiteit/-druk op de aanwezige infrastructuur niet toenemen ten opzichte van het huidige niveau.

60

10. Juridische opzet 10. 1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen in het plan voorkomen en waarop deze betrekking hebben. De regels geven aan wat de doeleinden zijn van elke bestemming. In aansluiting hierop bevatten de regels bepalingen met betrekking tot de toegelaten bebouwing. Dit alles gerelateerd aan de desbetreffende bestemming. De regels en de verbeelding vormen samen het deel van het bestemmingsplan dat voor een ieder bindend is. De toelichting is niet bindend, maar heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het bestemmingsplan en voor de uitleg van bestemmingen en regels. Het bestemmingsplan dient verder te voldoen aan de Wro , het Bro en de RO-Standaarden 2012: • IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012) ; • SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012) ; • STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012) . Het onderhavige bestemmingsplan is uitgevoerd conform de Wabo en deze standaarden.

10. 2 Systematiek van de regels Aansluiting is gezocht bij de regels van het vigerende bestemming “Den Dungen/Maaskantje”. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt een drietal zaken met betrekking tot de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels, te weten: • de digitale raadpleegbaarheid; • de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012; De regels zijn volgens de SVPB2012 in vier hoofdstukken als volgt opgesteld: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. Op de verbeelding zijn de volgende zaken aangegeven: • de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden; • de grens van het plangebied; • de aanduidingen.

61

11. Uitvoeringsaspecten 11. 1 Economische uitvoerbaarheid Exploitatie De Grote Molenstraat wordt terplekke verbreed en wordt tweerichtingsweg met langsparkeerplekken. Er zijn dus exploitatiekosten op (toekomstig) openbaar gebied. Hierover is een anterieure exploitatieovereenkomst gesloten. Behoudens kosten voor ambtelijke voorbereiding en begeleiding zijn er voor het overige voor de uitvoerbaarheid van de voorgestane ontwikkeling geen andere kosten voor de gemeente in de exploitatiesfeer. Alle kosten verbonden aan de realisatie van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer. Planschade Eventuele tegemoetkomingen in de planschade die uit het bestemmingsplan voortvloeien, zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Het voorliggende bestemmingsplan bevat de kaders waarbinnen de gewenste (plan-) ontwikkeling in het plangebied kan plaatsvinden. De initiatiefnemer kan binnen de stedenbouwkundige en planologische randvoorwaarden zijn (bouw) plan en een bijbehorende exploitatieopzetten uitwerken, waarbij het exploitatierisico geheel bij de initiatiefnemer ligt. De realisatie- en beheerskosten van de uit te werken inrichtings- en bouwplannen zijn voor rekening van de initiatiefnemer.

11. 2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures tot en met de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wet geregeld. In eerste instantie is tussen gemeente en verschillende instanties, waar nodig, overleg over het plan gevoerd. Daarna is het ontwerpplan ter visie gelegd. Omgevingsdialoog Het bestemmingsplan is besproken met de direct aan- en omwonenden. Niet is gebleken van bezwaren tegen de planontwikkeling.

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=b6b6e6ae-62a7-4574-94f6-4cef32697cfa