08.a - Bijlage A - Toelichting ontwerpbestemmingsplan Litserstraat 45 Den Dungen
Tekst van het document
Bestemmingsplan Litserstraat 45 Den Dungen PLANTOELICHTING NL.IMRO.0845.BP2021DGNLTSRSTR45-ON01
1
Titel: Datum: Projectnummer: Status:
Bestemmingsplan Litserstraat 45 Den Dungen 16-02-2021 2020.133 Ontwerp
Adviesbureau: Auteurs: Contactpersoon: (Post)adres:
Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. en mr. David Wintraecken David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl
Telefoon: E-mail: Website:
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond en doel van het plan ................................................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing planlocatie ................................................................... 6 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 7 1.4 Leeswijzer .................................................................................................... 8 2. Bestaande situatie ............................................................................................. 9 3. Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit ............................................................... 10 4. Beleidskader ................................................................................................... 12 4.1 Inleiding .................................................................................................... 12 4.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 12 4.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 14 4.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 21 5.
Archeologie en cultuurhistorie ........................................................................... 25 6. Flora en fauna en stikstofdepositie ..................................................................... 28 7. Water ............................................................................................................ 30 8. Milieu-hygiënische verantwoording .................................................................... 32 8.1 Inleiding .................................................................................................... 32 8.2 M.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 32 8.3 Bodem ....................................................................................................... 34 8.4 Geluid (wegverkeerslawaai) ......................................................................... 34 8.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) ........................................................ 36 8.6 Luchtkwaliteit ............................................................................................. 38 8.7 Externe veiligheid, kabels en leidingen .......................................................... 40 9. Mobiliteit; verkeer en parkeren ......................................................................... 44 10.
Juridische opzet ............................................................................................. 45 10.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument .............................................. 45 10.2 Systematiek van de regels ......................................................................... 45 11. Uitvoeringsaspecten ....................................................................................... 46 11.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................... 46 11.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................ 46 12. Slotconclusie ................................................................................................. 47
3
Bijlagen 1. Bureau voor Archeologie, Rapport 1004, Litserstraat 45, Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel: een bureauonderzoek, 11-02-2021 2. Buro Maerlant, Ecologische quickscan Den Dungen Litserstraat 45, 15-09-2020 3. MILON, Stikstofdepositie toets, projectnummer: 20203259, 15-02-2021 4. MILON, Watertoets ter plaatse van de Litserstraat 45 te Den Dungen, projectnummer: 20203259, 16-09-2020 5. MILON, Verkennend bodemonderzoek Litserstraat 45 te Den Dungen, 20191174, 02-04-2019 6. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Litserstraat 45 Den Dungen, 20201213.v01, 28-08-2020
4
1. Inleiding 1.1 Achtergrond en doel van het plan De eigenaar van de gronden (nummers 1159 en 1160) aan de Litserstraat 45 te Den Dungen – hierna: initiatiefnemer – heeft het planvoornemen om zijn perceel in tweeën te splitsen en zodoende een nieuwe levensloopbestendige seniorenwoning mogelijk te maken. Het huidige perceel is hiervoor groot genoeg. Bijkomend voordeel is dat, bij een kleiner perceel, zijn bestaande woning beter verkoopbaar wordt. Vanwege het ontbreken van een tweede bouwvlak, gekoppeld aan de (bestaande) bestemming ‘Wonen’ staat de vigerende bestemming de gewenste bouw van een extra woning niet toe. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft – onder voorwaarden – ingestemd met een herziening van het bestemmingsplan “Den Dungen/Maaskantje” om een extra woning op de gronden aan de Litserstraat 45 mogelijk te maken. Een belangrijke voorwaarde is dat de op te richten woning zich duidelijk van andere woningen dient te onderscheiden door het feit dat het als een levensloopbestendige woning op de markt zal worden gebracht. Naast de hierboven genoemde specifieke voorwaarden, dient de initiatiefnemer het plan te onderbouwen met een toelichting op de herziening, waaruit blijkt dat het bouwplan geen negatieve ruimtelijke en milieuhygiënische gevolgen heeft voor de planlocatie en de directe omgeving ervan. De toelichting voorziet hierin.
Doelstelling van deze partiële herziening van het bestemmingsplan “Den Dungen/Maaskantje” is om de realisatie van het onderliggende planvoornemen c.q. een woning op het af te splitsen perceel planologisch en juridisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan besteedt aandacht aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de voorgenomen ontwikkeling. Onderzocht is hoe het initiatief zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden van de planlocatie en de directe omgeving ervan. In dit kader zijn, behalve het ruimtelijk-planologische beleid, alle ruimtelijke en milieu-hygienische aspecten alsmede de landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit nader beschouwd. Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van het herzien van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan geeft een planologisch-juridische regeling ten behoeve van de realisatie van het onderliggende bouwplan.
De met dit bestemmingsplan aangetoonde ruimtelijke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid heeft betrekking op het bouwplan voor de ontwikkeling van een woning ter plaatse van de planlocatie aan de Litserstraat 45 te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel.
5
1.2 Ligging en begrenzing planlocatie De planlocatie betreft een ruim perceel. Er is reeds een woning aanwezig welke voor de toekomst behouden blijft. De directe omgeving van de planlocatie bestaat hoofdzakelijk uit woningen, met hier en daar overige stedelijke functies. Navolgende afbeelding betreft een weergave van de kadastrale gegevens op luchtfoto met het bestaande perceel – rode omlijning – en het af te splitsen deel van het perceel ten behoeve van de oprichting van de levensloopbestendige woning – gele omlijning.
Op de hierna volgende luchtfoto’s (bron: maps.google.nl) is de globale ligging van de planlocatie in relatie tot haar omgeving weergegeven. De planlocatie ligt ten noorden van het centrum van Den Dungen.
6
1.3 Vigerend bestemmingsplan Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Den Dungen/Maaskantje” gelden voor de planlocatie de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’. De planlocatie is dubbelbestemd als zijnde ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. Binnen de planlocatie ontbreekt een bouwvlak, met daarmee gepaard gaande bouwaanduiding en maatvoering. Het bouwplan is derhalve primair op dit punt in strijd met het bestemmingsplan: het oprichten van een woning is niet toegestaan. Op de uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan “Den Dungen/Maaskantje“ – zie navolgende afbeelding – is de ligging van de planlocatie rood omlijnd aangegeven.
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in woningen al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep; b. tot en met i: niet van toepassing; f. bed & breakfast tot een maximum van 2 tweepersoonskamers in de woning; g. niet van toepassing; met de daar bijbehorende: h. tuinen en erven; i. verhardingen; met daaraan ondergeschikt: j. (open) water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen; k. groen en groenvoorzieningen; l. nutsvoorzieningen. Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. gebouwen ten behoeve van het bepaalde in 15.1 onder a t/m f; 2. bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de onder a t/m c bedoelde doeleinden; 3. carports, veranda's en overkappingen;
7
4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. buiten het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de onder a t/m c bedoelde doeleinden; 2. carports, veranda's en overkappingen; 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. c. het aantal woningen mag niet worden uitgebreid. De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; met daaraan ondergeschikt: b. in- en uitritten; c. parkeervoorzieningen; d. groen en groenvoorzieningen; e. (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen. De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot de planlocatie en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. De hoofdstukken 5 tot en met 9 gaan in op de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 10 en de onderdelen economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 11. Hoofdstuk 12 tenslotte bevat de slotconclusie.
8
2. Bestaande situatie Het perceel aan de Litserstraat is op het moment niet bebouwd en ingericht als tuin met enkele bomen en struiken. Onderstaande foto is de situatie bezien vanaf de voorzijde van het perceel. De woning aan de rechterzijde betreft Litserstraat 45.
Het perceel waarop de voorgestane ontwikkeling betrekking heeft, wordt omsloten door de Litserstraat, de woningen van Litserstraat 43 en Litserstraat 45 en, aan de achterzijde, enkele woningen van de Pastorijakker.
9
3. Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit De hoofdmassa en hoofdvorm van de nieuwe bebouwing worden afgestemd op de omliggende c.q. naastgelegen bebouwing, maar vormen wel een eigen architectonische eenheid. Er wordt voor wat betreft de beeldkwaliteit van de nieuwbouw en de maatvoering aangesloten bij de stedenbouwkundige uitgangspunten van de gemeente Sint-Michielsgestel, zoals vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan “Den Dungen / Maaskantje”. Dit alles conform het welstandsbeleid. Zo blijven de goot- en nokhoogte en massa bescheiden en het materiaal- en kleurgebruik terughoudend. De architectonische uitstraling van het gebouw is in ieder geval ingetogen. Tevens wordt rekening gehouden met de maximaal toegestane bouwhoogte, zoals deze nu ook aanwezig is op het perceel. Door de grootte van de planlocatie blijft de afstand tot de in naaste omgeving gelegen opstallen voldoende groot. Navolgende afbeeldingen zijn weergaven van de gevels van de te ontwikkelen woning (bron: Architectenbureau Visser en Bouwman bv).
Het initiatief heeft een toegevoegde waarde voor de ruimtelijke omgeving en levert daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige karakteristiek en identiteit ter plaatse.
10
Geconcludeerd kan worden dat het bouwplan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. Er vindt als het ware een logische koppeling plaats met de omliggende c.q. naastgelegen bebouwing. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige en architectonische, en daarmee de ruimtelijke, karakteristiek en identiteit ter plaatse.
11
4. Beleidskader 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor elkaars en eigen belangen. Er kan sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over soortgelijke bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Het beleid van de gemeente Sint-Michielsgestel vormt het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.
4.2 Rijksbeleid De voorliggende planontwikkeling sluit aan bij de doelstellingen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) / AMvB Ruimte om te komen tot de bevordering van krachtige dorpen en steden en duurzaam en zuinig ruimtegebruik. De ontwikkeling voldoet aan de eis om ruimtelijke ontwikkelingen integraal te bezien en zorgvuldig om te gaan met de leefomgeving. Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het initiatief niet in strijd met het rijksbeleid. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden.
Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied,
12
een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens een overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd.
Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of de planlocatie binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd.
Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving.
13
Beoordeling Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (AbRS 18 december 2013, nummer 201302867/1/R4). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Conclusie Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daardoor is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.
4.3 Provinciaal beleid Toetsingskader Omgevingsvisie Noord-Brabant In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen. De Omgevingsvisie kent één basisopgave: ‘werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit’. Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang – hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd: 1. werken aan de Brabantse energietransitie; 2. werken aan een klimaatproof Brabant; 3. werken aan een slimme netwerkstad; 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie. Doorwerking plan(locatie) Onderhavig plan betreft de bouw van één woning. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven. • ad 1. De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie.
De nieuwe woning binnen de planlocatie zal minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen moeten voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de woning. Daar komt dan ook de verduurzaming van de energie aan bod, bijvoorbeeld door het aanleggen van een eigen energievoorziening. • ad 2. Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een
14
•
•
klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer naar de directe omgeving plaatsvindt. ad 3. Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. De woning wordt gerealiseerd binnen de stedelijke kern, op gronden die reeds voor wonen zijn bestemd. Met onderhavig planvoornemen wordt de bestaande ruimte binnen de kern, beter en intensiever benut, waarmee een feitelijke uitbreiding van de kern en afname van onbebouwd gebied buiten de kern, wordt voorkomen. ad 4. Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. De woning wordt zorgvuldig ingepast binnen de huidige bebouwings- en landschapsstructuur. Het initiatief doet daarmee geen afbreuk aan de huidige kwaliteiten en is passend binnen het huidige vestigingsklimaat.
Conclusie Het plan geeft invulling aan de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant. Toetsingskader Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is. Ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten.
15
De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op de planlocatie en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubescherming Landbouw Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Basiskaart Landelijk gebied. Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Watersystemen, -veiligheid en -berging
Van toepassing Nee Ja Ja Nee Nee Nee Ja Ja
Rechtstreeks werkende regels: landbouw Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is de planlocatie aangeduid als ‘Verbod uitbreiding veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant worden algemene regels gegeven waaraan de toelichting bij een gemeentelijk planologisch wonen mogelijk maakt, moet voldoen. Uiteraard dient gekeken te worden naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met de afspraken die in het regionaal planningsoverleg zijn gemaakt over de nieuwbouw van woningen. Deze afspraken worden jaarlijks gemaakt en zo nodig herzien. Zij worden gebaseerd op de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de aantallen te bouwen woningen. Zij kunnen daarnaast betrekking hebben op de aard van de woningen. Daaronder worden onder meer begrepen woningen voor bijzondere doelgroepen, zoals ouderen, personen met een zorgvraag, jongeren en starters op de woningmarkt, in het bijzonder voor zover deze groepen behoren tot de lagere inkomensgroepen.
16
De aanduiding ‘Verbod uitbreiding veehouderij’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van een woning binnen de kern van Den Dungen. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van het verbod op uitbreiding van veehouderijen hebben hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Onderhavige ontwikkeling betreft intensiever ruimtegebruik van een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. Doorwerking plan(locatie) De woonwensen en de leefbaarheid in de dorpen en steden, de behoefte aan gebiedseigenheid en identiteit van stad, dorp en landschap en klimaatverandering staan in de volle aandacht. De provincie Noord-Brabant wil blijven ontwikkelen, maar de provincie stelt ook meer eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Vanwege een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik worden woningen op de eerste plaats binnen de bestaande bebouwde kom geconcentreerd. Voorliggend initiatief ziet op inbreiding op een voor wonen bestemd perceel. Hiermee streeft het plan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Voorts moeten bestaande waarden en kwaliteiten behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt.
Het provinciale beleid, opgenomen in de provinciale omgevingsvisie en verordening, is gericht op het concentreren van stedelijke ontwikkelingen in het bestaand stedelijk gebied. De voorgestane ontwikkeling beantwoordt aan de provinciale ruimtelijke doelstellingen om te komen tot zuinig ruimtegebruik en concentratie van verstedelijking (inbreiden, transformeren, herstructureren en intensiveren). Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is de planlocatie aangeduid als ‘Concentratiegebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
17
De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken in het regionaal ruimtelijk overleg. Dit artikel bevat regels over de verantwoording bij bestemmingsplannen en andere planologische besluiten. Hierbij is het nodig ook een relatie te leggen naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met regionale afspraken over de nieuwbouw van woningen. Voor concentratiegebieden in het stedelijke gebied geldt dat hierbinnen meer mogelijkheden zijn voor ontwikkelingen dan in de gebieden met een andere aanduiding, binnen of buiten een bestaande woonkern. De provincie vraagt gemeenten om het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te passen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het doel hierbij is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren. Voorbeelden van dergelijke ongewenste functies zijn glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden of veehouderijen rondom de natuur en stedelijke gebieden.
In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is verder bepaald dat plannen, die voorzien in een stedelijke ontwikkeling, in principe alleen in bestaand stedelijk gebied mogen vallen. Onder voorwaarden zijn ontwikkelingen in hiermee samenhangende zoekgebieden mogelijk. Uit onderhavige toelichting blijkt dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Doorwerking plan(locatie) Onderhavig planvoornemen betreft een functieverandering c.q. intensivering van het gebruik van een bestaande locatie binnen de stedelijke zone. Hiermee wordt dus aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare
18
ruimte binnen een stedelijke kern en het toevoegen van woningen binnen stedelijke concentratiegebieden. Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is de planlocatie aangeduid als ‘stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
De aanduiding ‘stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van één grondgebonden woning in de dorpskern. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering heeft hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Doorwerking plan(locatie) De aanduidingen binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging’ is de planlocatie aangeduid als ‘Norm wateroverlast Stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
19
Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Binnen ‘Norm wateroverlast Stedelijk gebied’, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als norm een overstromingskans van: a. 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b. 1/10 per jaar voor overige gebieden. Doorwerking plan(locatie) Deze norm betreft een inspanningsverplichting. De genoemde inspanningsverplichting is van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Uit de watertoets (zie bijlage 2) welke is uitgevoerd ten behoeve van onderliggend bouwplan blijkt dat, na het treffen van de aanbevolen aanvullende maatregelen of voorzieningen, er sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Vanuit hydrologisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan (zie verder hoofdstuk 7). Conclusie De gemeente Sint-Michielsgestel streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Het plan wordt in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Dus inbreiding vóór uitleg. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in een bestaande woonkern, betreft herstructurering c.q.
intensiever ruimtegebruik met een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten, waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de omgevingsvisie en de verordening. Onderhavig plan doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)-doelstellingen en uitgangspunten zoals verwoord in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
20
De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstuk 5.
4.4 Gemeentelijk beleid Het planologisch-juridische beleidskader van het vigerende bestemmingsplan “Den Dungen/Maaskantje” is reeds in paragraaf 1.3 aan bod gekomen. In het verdere vervolg van deze paparagraaf worden de gevolgen van de beleidslijnen uit achtereenvolgens de ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’, de ‘Woonvisie 2016-2021 en Uitvoeringsnota Woningbouw 2018’, het ‘Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen’ en het beleid ten aanzien van klimaat en duurzaamheid beschreven. Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 (2011) Toetsingskader Op basis van de gemeentelijke toekomstvisie ‘Zieners van 2025’ is de ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’ opgesteld. Doel van de structuurvisie is het toekomstbeeld te vertalen in een ruimtelijk plan met status, dat voldoet aan de eisen uit de Wet ruimtelijke ordening. Tegelijk met de structuurvisie is de Woonvisie opgesteld. Dit document wordt in een volgende paragraaf behandeld. De hierna volgende afbeelding betreft een uitsnede van de visiekaart van de gemeente weergegeven.
Op basis van een analyse van de huidige situatie worden in de structuurvisie een aantal belangrijke kwaliteiten, maar ook knelpunten onderscheiden. Belangrijke kwaliteiten betreffen de ligging van gemeente Sint-Michielsgestel binnen de invloedssfeer van met name de stad ’s-Hertogenbosch, maar ook Eindhoven en Tilburg, de landschappelijke en groene kwaliteiten zowel binnen de gemeente als daar net buiten (Groene Woud), de hiermee samenhangende recreatieve potentie en het prettige leefklimaat. De belangrijkste knelpunten betreffen de beperkte toegankelijkheid en bereikbaarheid van de natuur en recreatiegebieden, de lage differentiatie in woonmilieus, het ontbreken van een sterke ruimtelijke kwaliteit en identiteit van de dorpscentra en de ongeschikte locatie van be-
21
drijven die qua aard en schaal niet op die specifieke plek thuis horen. De beperkte variatie in woonmilieus laat zich voelen in het beperkte woningaanbod voor starters/jongeren en senioren. Om de kwaliteiten uit te bouwen, de kansen te benutten en de knelpunten en bedreigingen zo adequaat mogelijk te bestrijden, is een ruimtelijk structuurbeeld vervaardigd waaraan een aantal speerpunten is gekoppeld. Eén van de speerpunten betreft de bouwopgave. Er wordt geconcludeerd dat de woningaantallen uit het gemeentelijk woningbouwprogramma tot 2020 (inmiddels tot en met 2021) in principe toereikend zijn om te bouwen voor migratiesaldo nul. Er is echter een bouwachterstand, waardoor de wachtlijsten zijn opgelopen. Bovendien worden er verdere vertragingen verwacht. Er wordt voor gekozen de bouwopgave ook af te stemmen op de woningbehoefte uit ’s-Hertogenbosch, omdat de gemeente deze stedelingen een goed woonmilieu op korte afstand van de stad te bieden heeft. Dit leidt tot de keuze te bouwen bij alle dorpen. Dit heeft de wens als achtergrond om toekomst te bieden aan de dorpen, de dorpsgemeenschappen, de dorpsvoorzieningen en kleine werkgelegenheid. Dit heeft een sociale en humane achtergrond. De dorpen moeten de gelegenheid krijgen om op een waardige en respectvolle wijze en voor alle bevolkingsgroepen te bouwen aan hun eigen toekomst.
Verder ligt de nadruk sterk op de kwalitatieve woningbehoefte. Er moet meer worden gebouwd naar de wensen en behoeften van de inwoners. Hiertoe is onder meer een woonwensenonderzoek uitgevoerd. Duidelijk is in elk geval dat kleinschalig wonen van belang is voor de dorpse uitstraling van de kernen. Doorwerking plan(locatie) Aansluitend op het kaartbeeld op de vorige pagina kan gesteld worden dat er geen expliciete waarden of kwaliteiten aan de planlocatie zijn toegedicht. Bovendien wordt aan de ‘hoofdroute’, ‘groenstructuur’ en ‘maatregel groenstructuur’, voor zover aanwezig, geen afbreuk gedaan. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025. Woonvisie 2016-2021 en Uitvoeringsnota Woningbouw 2018 Toetsingskader Tijdens de raadsvergadering van 23 juni 2016 heeft de raad de Woonvisie vastgesteld. In de Woonvisie legt de gemeente Sint-Michielsgestel de prioriteiten van het woonbeleid voor de komende jaren vast. De Uitvoeringsnota Woningbouw 2018 bevat een verdere uitwerking van de Woonvisie. De Uitvoeringsnota wordt jaarlijks geactualiseerd. Daarbij wordt concreet ingezet op de komende vijf jaar, met een doorkijk naar de jaren daarna op het gebied van lange termijn ontwikkelingen die de gemeente in het oog wil houden.
Gesteld wordt dat tot en met 2025 er binnen de gemeente 1.125 woningen moeten worden gebouwd om in de huisvestingsvraag op basis van demografische ont-
22
wikkeling van de huidige bevolking te kunnen voorzien. Uitgaande van 140 te slopen woningen die zullen worden herbouwd, betekent dit een netto opgave van 985 toe te voegen woningen. In de woonvisie wordt gesteld dat voor 242 woningen nog geen harde afspraken zijn vastgelegd. Dat betekent dat het aantal woningen dat nog aan het huidige woningbouwprogramma kan worden toegevoegd beperkt is (242 in tien jaar). Met deze laatste ruimte in de woningbouwprogrammering wil de gemeente zorgvuldig omgaan. De gemeente streeft naar een woningbouwprogramma dat aansluit bij de actuele vraag, maar ook bij de toekomstige vraag naar woningen. Dit betekent concreet de resterende woningbouwruimte in te vullen op basis van de volgende uitgangspunten: • Probeer de bestaande plannen waar mogelijk programmatisch te optimaliseren; • Bouw voornamelijk betaalbare woningen voor de lage en midden inkomens (vooral gericht op huur); • Bouw in het centrum (nabij voorzieningen) van de twee grotere kernen (SintMichielsgestel en Berlicum) voor senioren (koop en huur in verschillende klassen); • Bouw met mogelijkheden voor een flexibele invulling voor verschillende doelgroepen (levensloopbestendig). Doorwerking plan(locatie) De beoogde herontwikkeling van de projectlocatie vindt niet plaats op basis van het gemeentelijk woningbouwprogramma.
Het plan geeft invulling aan het uitgangspunt om te bouwen met mogelijkheden voor een flexibele invulling voor verschillende doelgroepen. Onderhavig plan wordt gerealiseerd om plaats te bieden aan levensloopbestendige seniorenwoning. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Woonvisie 2016-2021 en Uitvoeringsnota Woningbouw 2018. Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen Toetsingskader Het ‘Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen’ bevat een analyse van bestaand beleid en beschikbare gegevens betreffende de woningmarkt met als doel enerzijds duidelijk maken wat de meer specifieke woonbehoeften per dorp zijn. Anderzijds moet worden bepaald wat nodig is aan woningbouw per dorp om aan de behoeften op lange en korte termijn tegemoet te komen. Voor de dorpen wordt een richtinggevend woningbouwkader meegegeven, gericht op de doelgroepen starters, doorstromers en ouderen. Het richtinggevend woningbouwkader is vertaald naar de verschillende dorpen. Eén van de belangrijkste kernkwaliteiten van Den Dungen is het feit dat het dorp naam en faam heeft: men kan er wonen in een landelijk, groen en ‘beschermd’ woonmilieu, ook nog eens in de nabijheid van belangrijke voorzieningen.
Hierdoor is Den Dungen ook in staat vestigers aan te trekken en te concurreren met ’s-Hertogenbosch en woonplaatsen als Vught, met name op een gunstiger prijs- kwaliteitverhouding.
23
Er is behoorlijk wat keuze op de lokale woningmarkt. Waarvoor opgelet moet worden is dat de prijssprongen niet te groot worden, waardoor de woonconsument noodgedwongen moet blijven zitten waar hij zit. De sprongen van een rijwoning naar een tweekapper, of tweekapper naar vrijstaand, zijn substantieel. Aandacht voor meer prijsdiversiteit is gewenst. De nog op stapel staande plannen zijn vrijwel allemaal inbreidingslocaties met als gevolg dat er gestapeld wordt gebouwd en hetgeen grondgebonden wordt gerealiseerd een stenig karakter krijgt. Dit staat in contrast met de overwegend groene woonmilieus. Van belang is dat deze wat meer stedelijk dorpse nieuwbouwkwaliteit (relatief nieuw voor de gemeente) ook goed tot uitdrukking komt en zo toch kan concurreren met aanbod in de bestaande woningvoorraad. In kwantitatieve zin is gesteld dat er in de periode 2012 tot 2025 in Sint-Michielsgestel circa 380 woningen aan de woningvoorraad moeten worden toegevoegd. Doorwerking plan(locatie) Voor onderhavig planvoornemen is het Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen niet of nauwelijks relevant, aangezien er een uitbreiding van wooneenheden plaatsvindt binnen de dorpskern met stedelijke functie aan de Litserstraat.
Tevens heeft onderhavig planvoornemen betrekking op een bestaande woonbestemming, waarbij enkel een intensivering van het gebruik van een reeds voor stedelijke functie bestemde gronden mogelijk wordt gemaakt. Er wordt feitelijk geen nieuwe stedelijke functie toegevoegd, maar een stedelijke functie geïntensiveerd. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen.
24
5. Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • •
•
archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer.
Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De opsteller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom de planlocatie cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke
25
ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(locatie) Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch belang De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, grasladen en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Landschappelijk gezien is Sint-Michielsgestel onderdeel van de Meierij en ten dele van het Groene Woud. Het gehele grondgebied van de gemeente bestaat uit cultuurhistorisch landschap. De Meierij is een gebied dat wordt getypeerd als een kleinschalige en afwisselend kampenlandschap met verspreide bebouwing, kleine essen en struwelen, akkers, grasland, afwaterings- sloten, veel houtsingels en laanbeplantingen. Vorengenoemde elementen maken integraal onderdeel uit van het historisch landschappelijk gebied. Als gevolg van de toevoeging van de woning en de inrichting van het perceel als tuin verdwijnt het oorspronkelijke graslandperceel.
Het perceel behoudt een open karakter, historische elementen (bomenlanen en zichtlijnen) blijven intact of worden versterkt. De toevoeging van een woning aan het bebouwingslint langs de Liitserstraat doet geen significante afbreuk aan de intrinsieke waarde en beleving van het historisch landschappelijk gebied. Archeologie Het plangebied valt binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ (en de deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’). Deze zone correspondeert grotendeels met een ‘lage verwachting’, zoals aangegeven op de Archeologisch beleidsadvieskaart; zie navolgende uitsnede.
26
Volledigheidshalve heeft Bureau voor Archeologie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Bureau voor Archeologie adviseert het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. De integrale rapportage is als bijlage 1 bij de plantoelichting gevoegd. Conclusie De planlocatie kent geen monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit bezit. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie de realisatie van het bouwplan niet in de weg staan. Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
27
6. Flora en fauna en stikstofdepositie Toetsingskader Vanaf 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming (Wnb). In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, is vervangen door deze wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8 van de Wnb eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn.
Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, kan de het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer worden gehanteerd als toetsingskader op grond van de Wet natuurbescherming. Inmiddels is een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe tool is de depositie op natuurgebieden berekend. Hoe de resultaten worden beoordeeld is aan het bevoegd gezag. Doorwerking plan(locatie) Onderhavig bouwplan wordt uitgevoerd op een reeds voor deze bestemming ingerichte gronden. Volledigheidshalve heeft Buro Maerlant een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusie en het advies zijn hierna letterlijk uit de quickscan overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 2 bij de plantoelichting gevoegd.
Soorten In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende potentiële natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden:
28
Algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd) . Effecten Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, beperkt van aard zijn, en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn over het algemeen géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten. Beschermde gebieden Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens Natura 2000, NNN / de Provinciale Verordening. Er is voldoende aannemelijk gemaakt, dat effecten van het plan op bescherm-de gebieden in de ruimere omgeving uit te sluiten zijn. Advies Doordat de kans bestaat dat broedende vogels aanwezig zijn in of nabij het plangebied, wordt aanbevolen rekening te houden met de broedperiode en werkzaamheden, zoals het verwijderen en/of verplaatsen van bomen en struiken en grondwerk uit te voeren buiten het broedseizoen: na half juli en vóór half maart. Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld, dat geen nesten aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het verstoren van broedende vogels , dat leidt tot het permanent verlaten van een nest, is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan. Ten aanzien van een mogelijke stikstofdepositie door toedoen van als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase in het kader van onderhavige ontwikkeling, heeft MILON onderzoek uitgevoerd naar de met de ontwikkeling samengaande mogelijke stikstofdepositie.
Hierna zijn de conclusies en aanbevelingen letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 3 opgenomen.
Uit de resultaten blijkt dat de stikstofdepositie op geen van de Natura-2000 gebieden groter is dan 0,00 mol per hectare per jaar. Hieruit blijkt dat het realiseren en het gebruik van de woning geen gevolgen heeft voor deze Natura-2000 gebieden. Conclusie De realisatie van het bouwplan leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.
29
7. Water Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op de beoogde planlocatie, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Het uiteindelijke doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets.
Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Het Waterschap De Dommel maakt gebruik van recent waterrelevant beleid en regelgeving. De huidige en toekomstige situatie van de planlocatie en gebiedsspecifieke waterbelangen zijn van belang voor de waterparagraaf. Doorwerking plan(locatie) Ten behoeve van het planvoornemen heeft MILON een watertoets uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale watertoets is als bijlage 4 opgenomen.
De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verhard oppervlak toeneemt met 435 m2. Gezien er nieuwbouw gerealiseerd gaat
30
worden stelt het bevoegd gezag dat dit op hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd. Voor het toekomstige verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door het toekomstige verhard oppervlak (m 2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m) en met de plaatselijke gevoeligheidsfactor (1). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De benodigde compensatie bedraagt 26 m3 (435 m2 x 0,06 x 1). In de toekomstige situatie zal er nog voldoende ruimte zijn om hemelwaterinfiltratie en berging te realiseren op eigen terrein. Door ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk groene ruimte behouden blijft en daarnaast een wadi of vijver aan te leggen, wordt voldaan aan de bergingseis van de gemeente Sint-Michielsgestel en wordt invulling gegeven aan de
voorkeursvolgorde. Conclusie Na het treffen van de aanbevolen aanvullende maatregelen of voorzieningen is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Vanuit hydrologisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.
31
8. Milieu-hygiënische verantwoording 8.1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de te ontwikkelen gronden aan de Litserstraat. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. Tot slot wordt inhoudelijk ingegaan op de ruimtelijke inpassing en de beeldkwaliteit van het plan. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.
8.2 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig.
32
In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(locatie) In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In de planlocatie wordt per saldo één extra woning mogelijk gemaakt.