CConstaterende datBoxmeer (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-R-532b J&V Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

Raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Boxmeer (tot 2022)Bij agendapunt: Voorstel tot besluitvorming omtrent verlenging bestuursovereenkomst met het COA ten behoeve van het azc in Overloon17.260 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

24

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

ROV-maatregelen In de onderstaande afbeeldingen is ter illustratie weergegeven hoeveel ROV 5 en ROV 6 maatregelen in het eerste kwartaal van 2020 zijn opgelegd door het COA. Bij de lagere ROV maatregelen, zeker de ROV 1 en ROV 2 maatregelen, kan sprake zijn van het overtreden van de huisregels van het COA, bijvoorbeeld roken op een plek waar dat niet toegestaan is. Dergelijke feiten vallen echter niet onder de definitie van overlast.25

Grafiek d. Opgelegde ROV-5 maatregelen, eerste kwartaal 2020.

Grafiek e. Opgelegde ROV-6 maatregelen per centrum, eerste kwartaal 2020

25 Zie ook de ketenbrede HTL-instructie van 6 februari 2020: ROV-maatregel 1: geringe impact, 2 en 3:

middelgrote impact, 4 en 5 grote impact, 6 tot en met 11 zeer grote impact.

25

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

De ROV 7, 9 en 11 maatregel zijn niet opgelegd in het eerste kwartaal van 2020. De ROV 8 maatregel is éénmaal opgelegd, namelijk in de HTL in Hoogeveen. COA-medewerkers hebben de mogelijkheid om ROV-maatregelen op te leggen als een asielzoeker overlast veroorzaakt. Uit het onderzoekt blijkt dat de ROVmaatregelen niet aansluiten bij de overlastgevers. Omdat deze asielzoekers vaak in het bezit zijn van geld, is een straf als inhouding van soms enkele euro’s leefgeld niet effectief. Het hoogste geldbedrag dat ingehouden kan worden bedraagt maximaal €12,95 van het leefgeld. Deze maatregel, een van de zwaarste die een COA medewerker kan opleggen, maakt op de overlastgevers weinig indruk, zo blijkt uit de interviews met de medewerkers die hen begeleiden. In het verleden was er de mogelijkheid om een asielzoeker (tijdelijk) de opvangvoorzieningen te ontzeggen Uit het onderzoek blijkt dat medewerkers dat een effectief middel vonden. Als gevolg van het Haqbin arrest is dit niet meer mogelijk. Het COA heeft in plaats hiervan zogenoemde time-out plekken gecreëerd waarnaar een asielzoeker kan worden overgeplaatst in geval van overlast. In de praktijk gaat er een weinig afschrikkende werking vanuit, zo blijkt uit de interviews met de medewerkers die op de AZC’s werkzaam zijn. De time-out kamer is een éénpersoonskamer.

Omdat asielzoekers in een AZC altijd op meerpersoonskamers verblijven, wordt de time out plek niet ervaren als een bestraffing. Medewerkers ervaren het bovendien als een gemis dat er op de AZC’s niet fysiek begrensd kan

26

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

worden, bijvoorbeeld door de beveiliging of BOA’s. Bij de time out kamer op de HTL wordt het als een gemis ervaren dat de kamer niet kan worden afgesloten, waardoor de bewoner zijn bewegingsvrijheid behoudt. Vrijheidsbeperkende maatregelen Als een asielzoeker veel overlast26 veroorzaakt, is het mogelijk om hem een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen en hem in de HTL te plaatsen. Uit het onderzoek blijkt dat dit een positief effect heeft voor wat betreft de rust op het AZC waar de overlastgever verbleef. Het opleggen van de maatregel kan echter enkele uren duren, wat kan leiden tot moeilijke situaties op het AZC omdat het lastig is om de betreffende asielzoeker rustig te krijgen en houden. Daarnaast betekent het opleggen van de HTL maatregel niet automatisch dat de overlastgever daadwerkelijk in de HTL-locatie gaat verblijven. Het is voor asielzoekers mogelijk om afstand te doen van het recht op opvang en zij kunnen in die gevallen met onbekende bestemming vertrekken. Een overlastgever heeft dan weliswaar de COA-opvang verlaten, maar het is mogelijk dat hij zijn overlastgevende gedrag elders voortzetten. Uit het onderzoek blijkt dat dit geen uitzonderlijke situatie is en dat veel overlastgevers met onbekende bestemming vertrekken voor of kort na plaatsing in de HTL.

Als een asielzoeker wél langere tijd op de HTL wordt opgevangen, dan hebben de medewerkers in vergelijking met het Inspectieonderzoek uit 2018 meer middelen tot hun beschikking om de overlast te beperken. Zo mogen de vreemdelingen op grond van artikel 56 van de Vreemdelingenwet niet zonder geldige reden (zoals bezoek aan een arts of advocaat) het terrein van de HTL verlaten. Ten tijde van het vorige Inspectieonderzoek gold dat ook, maar kon dat moeilijk gehandhaafd worden omdat de locatie vrij te betreden en te verlaten was. Bij oprichting van de HTL is dat veranderd; nu verblijven de bewoners in gebouwen, inclusief buitenruimtes, die ze niet zonder geldige reden kunnen verlaten. Het feit dat de bewoners voornamelijk op de HTL-locatie verblijven heeft positieve gevolgen voor de overlast binnen en buiten de HTL. Enerzijds is er minder overlast in de plaatselijke winkels en is er daardoor ook meer draagvlak onder de bevolking voor de opvang van asielzoekers in het reguliere AZC in Hoogeveen. Anderzijds hebben de bewoners van de HTL minder gemakkelijk toegang tot alcohol en drugs, wat zorgt voor meer rust in de HTL. In combinatie met het toevoegen met personeelsleden van de DJI en de DV&O leidt dat tot een meer beheersbare situatie in vergelijking met 2018. Daardoor komen medewerkers meer toe aan het begeleiden van de bewoners, niet enkel het begrenzen.

Desalniettemin vindt af en toe een geweldsincident binnen de muren van de HTL plaats. Uit geweldsrapportages van de DV&O blijkt bijvoorbeeld van vijf incidenten in de periode van eind december 2020 tot begin februari 2021. In de meeste gevallen kon de situatie door de medewerkers van de COA en de DV&O gede-escaleerd worden. In één geval is aangifte van bedreiging gedaan bij de politie. HTL plaatsing van AMV’s gebeurt slechts bij hoge uitzondering en vooral als er sterke twijfels zijn over de gestelde minderjarigheid van de AMV of als de AMV bijna achttien is. Nidos, als wettelijk vertegenwoordiger van de jongere, heeft als uitgangspunt om HTL plaatsing bij een AMV zoveel mogelijk te voorkomen, zo blijkt uit de interviews. Plaatsing in een PON Hoewel plaatsing van een AMV in de HTL bij hoge uitzondering wordt opgelegd, betekent dat niet dat er geen andere mogelijkheden zijn voor AMV’s die veel overlast veroorzaken. Bij minderjarigen die zeer lastig of niet te begeleiden zijn kan COA een AMV aanmelden voor plaatsing op de PON. Nidos gaat daar in principe

26

Het kan daarbij gaan om een incident met een grote impact, maar ook om meerdere kleinere incidenten.

27

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

altijd mee akkoord. De daadwerkelijke overplaatsing gebeurt echter alleen als er plek is op de PON..27 Uit het onderzoek blijkt dat dit rust geeft op het AZC waar de jongere eerst verbleef. Omdat het aantal plekken op de PON (nog) beperkt is, kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden overgegaan tot plaatsing. Nidos is bezig om het aantal plekken uit te breiden. Uit het onderzoek blijkt dat de aanpak in de PON effect heeft, zowel door de kleinschaligheid van de opvang als de intensiteit en kwaliteit van de begeleiding. Uit de interviews met de medewerkers van de politie en Nidos blijkt dat de bewoners nauwelijks overlast veroorzaken en/of crimineel gedrag vertonen. Dit terwijl de bewoners voorafgaand aan hun plaatsing in de regel veel in aanraking zijn geweest met politie en justitie. Asielverzoek met voorrang behandelen In geval van overlast is het de afspraak dat de IND de asielaanvraag van de betrokken asielzoeker met voorrang behandelt. Dat is een manier om ervoor te zorgen dat de asielzoeker, als zijn asielaanvraag wordt afgewezen, op een eerder moment de COA-opvang moet verlaten en bij voorkeur ook terugkeert naar zijn land van herkomst. Uit het onderzoek blijkt dat de IND de asielaanvraag niet in alle gevallen met voorrang behandelt.

IND-medewerkers die verbonden zijn aan het betreffende AZC hebben geen doorzettingsmacht om aanvragen die door een andere afdeling afgedaan moeten worden met voorrang te laten behandelen. In sommige gevallen ervaren de aan de AZC’s verbonden IND-medewerkers gebrek aan urgentiebesef op andere IND-afdelingen. Bij zaken van Dublinclaimanten28 ligt dat anders, zo blijkt uit het onderzoek. Deze worden volgens de werkafspraken met voorrang behandeld. Aanvullend blijkt dat de AMV’s die zich bij de IND in Ter Apel melden maar geen asielverzoek willen indienen momenteel grotendeels buiten beeld van de IND en de DT&V blijven. Omdat de jongere geen asielverzoek heeft ingediend, is hij niet bekend bij de IND en startte de IND bijvoorbeeld geen leeftijdsonderzoek. Met ingang van 1 oktober 2020 wordt wel een leeftijdsschouw gedaan. Dat de jongere minderjarig is, is in de meeste gevallen gebaseerd op de eigen verklaring en niet onderbouwd met een identiteitsdocument. Ook komt de zaak van de jongere niet in de caseload van de DT&V omdat de IND de zaak niet overdraagt. Hierdoor is het mogelijk dat deze AMV’s op COA locaties verblijven zonder dat zij in de verdere migratie keten bekend zijn of hun casus in behandeling is genomen. Het is in die gevallen niet mogelijk een negatieve beschikking af te geven of terugkeer te organiseren.

Bij sommige van de door de Inspecties bezochte locaties betreft deze groep de helft van het aantal geplaatste jongeren. Recent is er over deze situatie overleg geweest tussen DGM, AVIM en de DT&V. De uitkomst hiervan is dat deze groep ook zal instromen in de caseload van de DT&V. Terugkeer met voorrang realiseren Als de IND een negatieve beschikking heeft verzonden aan de vreemdeling, wordt deze uitgenodigd voor een vertrekgesprek met de DT&V. Bij overlastgevers vormt de vrijblijvendheid van deze uitnodiging voor de DT&V een knelpunt. Overlastgevers geven er vaak geen gehoor aan, en daar kan de DT&V niet tegen optreden. Een ander knelpunt is het feit dat een aantal landen van herkomst niet meewerkt aan de afgifte van tijdelijke reisdocumenten voor asielzoekers die gedwongen moeten terugkeren. Omdat overlastgevers in de meeste gevallen niet in het bezit

27 28

Evaluatie Perspectief Opvang Nidos (PON) Begrippenlijst DT&V: de Dublin-overeenkomst bepaalt welk land verantwoordelijk is voor de afhandeling van een asielverzoek. Als een ander land dan Nederland verantwoordelijk is, draagt de DT&V deze zogenoemde Dublinclaimant over.

28

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

zijn van een paspoort, is het daarom niet mogelijk om gedwongen vertrek te realiseren, zo blijkt uit het onderzoek. Na afwijzing van het asielverzoek van een minderjarige is terugkeer naar het land van herkomst nauwelijks te realiseren. Bij minderjarige asielzoekers moet de DT&V namelijk eerst zogenoemde adequate opvang organiseren in het land van herkomst.29 In de praktijk is het bijna onmogelijk om deze opvang, in de vorm van hereniging met familie of opvang in een tehuis, te realiseren. De AMV’s geven de DT&V in de regel geen contactgegevens van hun familie, en de herkomstlanden beschikken niet over tehuizen waar de jongeren opgevangen kunnen worden. Gedwongen of vrijwillig vertrek vindt dan ook zelden plaats. De overlastgevers zijn op de hoogte van deze situatie, en vertrekken na afhandeling van hun asielverzoek zelfstandig uit de COA-opvang. Onbekend is waarheen. Bij minderjarigen die op de PON zijn geplaatst vindt in een enkel geval terugkeer naar het land van herkomst plaats. Door het opbouwen van een band met de bewoners krijgen de medewerkers soms gegevens van de familie en trachten zij een hereniging met de ouders te realiseren. Als het asielverzoek van een HTL-bewoner is afgewezen, vertrekt deze vaak direct uit de opvang. Gedwongen vertrek vindt daarom zelden plaats vanaf de HTL, zo blijkt uit het onderzoek. Vrijwillig vertrek vindt in het geheel niet plaats.

3.3.3

Het strafrecht

Sommige asielzoekers plegen strafbare feiten. Gedacht moet worden aan winkeldiefstal, diefstal uit voertuigen, mishandeling en openlijke geweldpleging. In deze paragraaf beschrijft de Inspectie de bevindingen ten aanzien van de meest relevante onderdelen van het strafrecht. Toepassen snelrecht Overlastgevers zijn vaak relatief kort in Nederland. Hierdoor is de kans klein dat het de politie of het OM lukt om de dagvaarding voor een zitting uit te reiken als een overlastgever verdacht wordt van een strafbaar feit. Daarom verschijnen overlastgevers in de regel weinig op de zitting bij de rechtbank, laat staan dat hun (taak) straf geeffectueerd wordt. Om die reden wordt in sommige politieregio’s (super)snelrecht toegepast. Hierdoor kunnen zij binnen 17 of 3 tot 6 dagen berecht worden, afhankelijk van de keuze voor het snelrecht of supersnelrecht. Bij minderjarige overlastgevers vormt het wisselen van COA locatie een knelpunt. AMV’s verblijven vaak niet lang op eenzelfde AZC en verhuizen vaak naar andere COA locaties. Bij het jeugdstrafrecht moet het dossier dan worden overgedragen aan het arrondissement waar AMV’s op dat moment verblijven en moet de zaak, met alle kansen op vertraging, opnieuw worden ingepland op de zitting bij de rechtbank.

Tegen de tijd dat dat gebeurd is, is de kans groot dat de overlastgever opnieuw naar een andere locatie overgeplaatst is en moet er wederom een overdracht plaatsvinden. Deze gang van zaken leidt regelmatig tot een sepot. Uit de interviews blijkt zodoende dat ook bij minderjarige overlastgevers het toepassen van (super) snelrecht uitkomst biedt. Sfeer Proces-verbaal Uit het onderzoek blijkt dat het opstellen van een zogenoemd sfeer-proces verbaal door de politie het OM beter in staat stelt om de casus te beoordelen. Dit sfeerproces verbaal bevat informatie uit de vreemdelingenketen, zoals bijvoorbeeld informatie over of de betrokken asielzoeker zich aan toezicht onttrekt. Ook kan in het sfeer-proces verbaal worden beschreven wat het strafbare feit heeft betekend 29

B8/6.1 Vreemdelingencirculaire

29

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

voor de omgeving, bijvoorbeeld de medewerkers van het AZC, andere bewoners of omwonenden. Uit het onderzoek blijkt het sfeer Proces-verbaal geschikt voor het gebruik in strafzaken van overlastgevers. Nog niet alle politieregio’s maken er gebruik van. Jeugdstrafrecht Kenmerkend voor het jeugdstrafrecht is dat jongeren in het algemeen minder zwaar bestraft worden. Uit het onderzoek blijkt dat de straffen die opgelegd worden weinig indruk maken op de minderjarige overlastgevers. Opmerkelijk is verder dat de overlastgevers tegenover hun begeleiders aangeven dat ze liever tot jeugddetentie worden veroordeeld dan tot een taakstraf. In jeugddetentie verblijven de overlastgevers in een rustige omgeving en voelen ze minder druk van de groep waar ze onderdeel van uitmaken. Identiteitsonderzoek Uit het onderzoek blijkt dat AVIM en de politie op diverse locaties goede ervaringen hebben als het gaat om het uitvoeren van identiteitsonderzoek bij volwassen en minderjarige overlastgevers na aanhouding voor een strafbaar feit. Er zijn voorbeelden benoemd waarbij tijdens het uitlezen van een telefoon van een AMV gegevens over de identiteit, of zelfs een kopie van een reisdocument werden aangetroffen. De betreffende overlastgever kon daarmee in vreemdelingenbewaring worden gesteld om te worden uitgezet naar het land van herkomst.

Ook zijn er voorbeelden genoemd waarbij op basis van telefoongegevens de meerderjarigheid van een overlastgever kon worden vastgesteld. Ondanks dat het uitlezen van telefoons gezien kan worden als een best practice, blijkt uit het onderzoek dat dit niet altijd wordt gedaan binnen de wettelijke mogelijkheden die daarvoor zijn.

3.3.4

De aansluiting bij de psychiatrie en de verslavingszorg

Overlastgevers zijn in veel gevallen (zwaar) verslaafd. Het gaat daarbij om Rivotril, alcohol, drugs of combinaties daarvan. Ook psychiatrische problematiek komt veel voor. Uit het onderzoek blijkt dat COA medewerkers onvoldoende toegerust zijn om mensen met een verslaving en/of psychiatrische problematiek op een goede manier te begeleiden. Een AZC is immers een plek waar asielzoekers veilig kunnen verblijven, het is geen behandelkliniek. Positief is dat het COA in het opleidingsaanbod voor het personeel aandacht besteedt aan verslavings- en psychiatrische problematiek. Ook zijn er lokale initiatieven waarbij aansluiting wordt gezocht bij organisaties op het gebied van cultuur sensitief begeleiden van verslavings- en psychiatrische problematiek. Gelet op de ernst van de verslavingsen psychiatrische problematiek is dit echter niet voldoende om de bewoners op een veilige manier op te vangen. Een COA-medewerker vertelt: “onder invloed van medicatie en drugs houden bewoners zich bezig met bijvoorbeeld vernieling of brandstichting. Ook automutilatie komt voor. Deze bewoners zijn zwaar verslaafd en geven zich soms op voor therapie, maar verschijnen dan niet op de afspraak bij de therapeut. COA-medewerkers zijn niet opgeleid voor deze problemen. De situatie lijkt meer op een jeugddetentie met geharde jeugdige criminelen dan op een opvangplek voor asielzoekers.”

Verwijzing naar de reguliere verslavingszorg is mogelijk, maar daarbij hangt veel af van de medewerking van de vreemdeling. Als de asielzoeker niet meewerkt aan behandeling tegen zijn verslaving of psychiatrische aandoening, dan is, als laatste redmiddel, in sommige gevallen gedwongen behandeling mogelijk. Opname in een

30

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

GGZ-instelling kan echter lang duren, gelet op het beschikbare aantal plekken dat geschikt is voor mensen die de Nederlandse taal niet machtig zijn. Omdat de gezondheidsfunctionarissen van een AZC toestemming moet geven voor plaatsing in de HTL, worden er minder asielzoekers geplaatst met ernstige psychiatrische problematiek. Het COA heeft een samenwerkingsovereenkomst met Veldzicht en maakt gebruik van het aanbod van GGZ instellingen. De zorg die deze klinieken kunnen bieden sluit niet altijd aan bij de zorg die de asielzoeker nodig heeft. In die gevallen wordt een asielzoeker toch in de HTL geplaatst, hoewel dat eigenlijk een minder geschikte plek is. Ten aanzien van verslavingsproblematiek wijst het onderzoek uit dat alcohol en drugs in mindere mate aanwezig zijn op de HTL omdat de bewoners het terrein niet kunnen verlaten. Om die reden speelt verslavingsproblematiek een minder grote rol in vergelijking met het Inspectieonderzoek uit 2018. Als bewoners wel psychische hulp of verslavingszorg nodig hebben, dan duurt het vaak lang voor het hulptraject gestart kan worden in verband met het aantal beschikbare plekken voor mensen die geen Nederlands spreken. Bovendien is voor deze vrijwillige trajecten altijd de medewerking en inzet van de betreffende asielzoeker nodig. Het is niet gegarandeerd dat de asielzoeker deze medewerking verleend.

Ook bij bewoners van de PON is er sprake van multi-problematiek: verslaving en psychiatrische ziektebeelden. Net als bij volwassenen het geval is, blijkt het ook bij jongeren lastig te zijn om aansluiting te vinden bij de reguliere hulpverlening. Dat leidt dan tot onveilige situaties. Zo is er het voorbeeld van een jongen van zeventien die op 15 december 2020 een suïcidepoging ondernam, op grond waarvan de rechter hem een machtiging tot gedwongen opname oplegde. Pas op 31 december kon voor hem een geschikte plek in een kliniek worden gevonden.

3.4 Samenwerking en informatie-uitwisseling Bij de aanpak van overlast wordt nauw samengewerkt door diensten uit de vreemdelingen-, strafrecht- en de jeugdketen; het COA, Nidos, de politie, de IND en de DT&V. Als diensten samenwerken, is het van belang dat er overeenstemming bestaat over het gezamenlijke doel, dat activiteiten op elkaar worden afgestemd en dat relevante informatie wordt verzameld, vastgelegd en uitgewisseld. Locaties volwassen asielzoekers Uit het onderzoek blijkt dat op de bezochte AZC’s waar volwassen asielzoekers worden opgevangen eenmaal per twee weken een Lokaal Keten Overleg (LKO) plaatsvindt. In dit overleg wordt onder andere de strategie ten aanzien van de aanpak van overlast besproken. De samenwerking in LKO verband wordt als positief ervaren door de deelnemende diensten. De diensten zijn zich ervan bewust dat ze geen van allen het probleem alleen kunnen oplossen en elkaar nodig hebben bij de aanpak van overlast. Uit het onderzoek blijkt dat het COA, de DT&V, de IND en de politie elkaar over het algemeen goed weten te vinden. De stappen ten aanzien van de overlastgever worden op elkaar afgestemd. Omdat medewerkers van de DT&V doorgaans werkkamers op het AZC hebben, zijn de lijntjes met de medewerkers van het COA kort. In enkele gevallen, zoals in Utrecht, heeft ook de politie een spreekkamer op het AZC.

De ervaring is dat de IND-medewerker niet veel op het AZC aanwezig is, waardoor deze wat meer op afstand is. Desalniettemin blijkt dat voor ieder AZC wel bekend is welke IND-medewerker aanspreekpunt is en weten medewerkers elkaar te vinden bij vragen. Gebleken is dat diensten over het algemeen op één lijn zitten als het erom gaat op welke manier de overlast moet worden aangepakt, hoewel accentverschillen mogelijk zijn. Zo zijn er voorbeelden dat medewerkers van het COA liever nog eens een goed gesprek aangaan met een asielzoeker die overlast veroorzaakt, terwijl de

31

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

politie voorstander is van een hardere lijn. Over het algemeen worden dit soort verschillen in inzicht opgelost door in of buiten LKO verband met elkaar in gesprek te gaan. De Inspectie heeft geconstateerd dat er bij alle betrokken diensten een sterke motivatie is om de overlast aan te pakken, waardoor medewerkers in een goed gesprek vaak nader tot elkaar komen als het gaat om de manier waarop de overlast moet worden aangepakt. HTL Op de HTL wordt nauw samengewerkt door diensten uit de vreemdelingen- en strafrechtketen; het COA, de politie, de IND en de DT&V. Als diensten samenwerken, is het van belang dat er overeenstemming bestaat over het gezamenlijke doel, dat activiteiten op elkaar worden afgestemd en dat relevante informatie wordt verzameld, vastgelegd en uitgewisseld. Het LKO vindt éénmaal per veertien dagen plaats. Aan dat overleg wordt deelgenomen door COA, de politie, de IND en de DT&V. In het LKO vindt informatie-uitwisseling plaats over de zaken van de vreemdelingen die op de HTL verblijven. Ook is er nauw contact met de wijkagent, de ketenmariniers en de gemeente. Uit het onderzoek blijkt dat de samenwerking in het LKO goed verloopt; de diensten weten elkaar goed te vinden, en er is overeenstemming over de individuele aanpak en begeleiding van de asielzoekers die in de HTL worden opgevangen.

Locaties minderjarige asielzoekers Uit het onderzoek blijkt dat er eenmaal per veertien dagen LKO wordt gehouden op de door de Inspectie bezochte locaties waar minderjarigen worden opgevangen. Aan deze overleggen wordt in elk geval deelgenomen door COA, AVIM en de DT&V. Bij sommige locaties nemen ook Nidos en de IND deel, maar dat is niet overal het geval. Hoe de samenwerking verloopt, verschilt erg per locatie, zo blijkt uit het onderzoek. Op iedere locatie zijn de diensten het erover eens dat de overlast of het negatieve gedrag van de overlastgever moet worden aanpakt, maar over de wijze waarop dat het beste kan gebeuren lopen de meningen uiteen. In de regel zullen medewerkers van COA of Nidos liever eerst nog een correctiegesprek met een overlastgever voeren, en zijn medewerkers van de politie en de DT&V voorstander van hardere maatregelen. Het verschilt per locatie of medewerkers dat zien als een aanleiding om het gesprek met elkaar aan te gaan of dat het leidt tot moeilijk te overbruggen verschillen van mening. Ook blijkt uit het onderzoek dat op sommige locaties de mentoren van COA en de voogden van Nidos niet op één lijn zitten voor wat betreft de aanpak en de begeleiding van de overlastgever. Hierbij speelt een rol dat de verschillende diensten andere uitgangsposities en doelen hebben.

Voor COA is het vooral belangrijk dat de opvang op een veilige en humane manier vormgegeven wordt en dat medewerkers veilig hun werk kunnen doen. Nidos beoogt het individuele belang van de jongere te behartigen en de politie draagt zorg voor de openbare orde. Uit het onderzoek blijkt verder dat de voogd van Nidos soms niet wordt geïnformeerd door de politie in geval een AMV buiten de regio aangehouden wordt voor een strafbaar feit. In de eigen regio zijn de lijntjes korter. Andersom gebeurt het ook dat er in de avonduren en in het weekend de eigen voogd van de AMV niet bereikbaar is voor de politie. De Nidos medewerkers die op de PON-locatie in Almere werkzaam zijn, hebben geen structureel overleg met de politie. Als er bespreekpunten zijn, hebben Nidos en de politie hierover contact met elkaar. Gebleken is dat deze samenwerking op een open en constructieve wijze plaatsvindt.

32

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

Informatie-uitwisseling Uit het onderzoek blijkt dat het COA, de politie, de IND en de DT&V op lokaal niveau elkaar in principe goed weten te vinden en zowel tijdens het LKO als daarbuiten relevante informatie met elkaar delen. Ten tijde van de uitvoering van dit onderzoek constateerde de Inspectie dat er een vraagstuk was tussen de politie en het COA over informatie-uitwisseling. Op 9 november 2020 heeft het COA een intern bericht verstuurd waarin aangegeven wordt dat het verstrekken aan AVIM / de politie van lijsten met daarop persoonsgegevens van alle bewoners per direct niet meer is toegestaan. Er wordt een uitzondering gemaakt voor het verstrekken van gegevens in het kader van de meldplicht en opsporingsactiviteiten. De politie drong echter aan op een proactieve informatiedeling, bijvoorbeeld als het gaat om bejegeningsgegevens en CTERindicaties. De politie stelde deze informatie nodig te hebben in het kader van haar toezichtstaak, om bijvoorbeeld tijdens een incident beter te kunnen deescaleren. Op 3 december 2020 heeft het COA het eerdere bericht verduidelijkt door te stellen dat informatie in het LKO mag worden gedeeld voor zover het relevant is voor de taakuitoefening.

De actuele stand van zaken is dat er in de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV), een ketenvoorziening waarin vreemdelingengegevens worden opgeslagen, een mogelijkheid wordt geboden om informatie uit te wisselen.30 Ten aanzien van de informatiedeling tussen Nidos en de diensten uit de vreemdelingen- en strafrechtketen wijst het onderzoek uit dat Nidos niet altijd alle informatie met deze diensten mag delen, gelet op de vertrouwensband tussen de voogd en de AMV. Informatie-uitwisseling met andere Europese landen Zoals beschreven leiden overlastgevers een zwervend bestaan door Europa. Uit de interviews blijkt echter dat er tussen de Europese landen weinig sprake is van informatie-uitwisseling over de vreemdelingen die onderdeel uitmaken van de groep. Als een vreemdeling zich meldt bij de IND om een asielverzoek in te dienen, voert de AVIM het identificatie- en registratieproces uit, waarbij alleen bestuursrechtelijke informatie uit onder andere het informatie-uitwisselingssysteem Eurodac wordt opgevraagd uit andere landen. Het gaat er dan bijvoorbeeld om of de vreemdeling in een ander land asiel heeft gevraagd, en zo ja, onder welke personalia. Strafrechtelijke informatie wordt pas opgevraagd als de asielzoeker in Nederland verdacht wordt van een strafbaar feit. Dat gebeurt via het European Criminal Record Information System (ECRIS).

Het feit dat strafrechtelijke informatie niet direct bij aankomst van een vreemdeling in Nederland bekend wordt bij de autoriteiten, leidt tot een gebrek aan handelingsperspectief bij het COA, Nidos, de politie, de IND en de DT&V. Overlastgevers kunnen hun overlastgevende en/of criminele gedrag in Nederland voortzetten. Omdat hun geschiedenis in een andere Europees land niet bekend is, kunnen zij telkens met een schone lei beginnen. Uit het onderzoek blijkt dat sommige overlastgevers in andere landen al ernstige strafbare feiten hebben gepleegd, bijvoorbeeld zeden- en geweldsdelicten. Ook blijkt uit het onderzoek dat de diensten in de vreemdelingen- en strafrechtketen niet of nauwelijks contact hebben met zusterorganisaties in Europa. Hierdoor missen de diensten informatie over het gedrag van een vreemdeling, eventuele antecedenten, maar mogelijk ook gegevens over de identiteit en/of documenten waarmee de identiteit kunnen worden vastgesteld. Ketenmariniers en de top-X lijst De vier ketenmariniers hebben de taak aan te sturen op een gezamenlijke zerotolerance aanpak van overlastgevers en goede samenwerking tussen alle 30

Brief van de staatssecretaris van VenJ aan de tweede kamer van 29 januari 2020, kenmerk 3181786.

33

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

betrokken partijen. De ketenmariniers hebben de afgelopen periode ervaring opgedaan als het gaat om maatregelen die lokaal kunnen worden opgelegd door diensten uit de migratie- en strafrechtketen, gemeenten, winkeliers en openbaarvervoersbedrijven. Daarnaast hebben zij gewerkt aan verbeterd toezicht in winkels en het OV en de invoering van winkel- en reisverboden. Uit het onderzoek blijkt dat zowel gemeenten als het middenmanagement van het COA, Nidos, de politie, de IND en de DT&V baat hebben bij het feit dat de ketenmariniers zijn aangesteld. De ketenmariniers brengen diensten met elkaar in verbinding en wijzen op bestaande mogelijkheden om de overlast aan te pakken. Als kanttekening wordt geplaatst dat ketenmariniers niet in alle gevallen doorzettingsmacht hebben. Hierdoor kunnen zij eventuele ondervonden knelpunten in de samenwerking niet altijd zelf oplossen en zijn zij afhankelijk van de betrokken diensten om het aangekaarte probleem aan te pakken. Op 1 mei 2020 hebben de ketenmariniers de Top-X aanpak ingevoerd, met als doel het goed in beeld houden van de meest overlastgevende asielzoekers. Van mei tot en met september 2020 hebben in totaal circa 610 unieke personen op de landelijke Top-X lijst gestaan. Het aantal unieke personen dat maandelijks op de lijst stond, varieerde in deze periode tussen de 328 en 351 personen.

Uit het onderzoek blijkt dat medewerkers van het COA, Nidos, de politie, de IND en de DT&V de Top-X lijst een geschikt middel vinden om de meest notoire overlastgevers in beeld te houden. In een enkel geval wordt een kanttekening geplaatst bij de actualiteit van de lijst.

3.5 Beleving omwonenden De komst van een AZC kan een grote impact hebben op de oorspronkelijke bewoners van een stad of dorp. Zo blijkt uit het onderzoek bijvoorbeeld dat de gemeente Cranendonck 21.000 bewoners heeft en dat sinds een aantal jaar in AZC Budel 1500 asielzoekers opgevangen worden, waaronder ook asielzoekers uit veilige landen. Een deel daarvan zorgt voor overlast en criminaliteit. De politie in Budel signaleert een groot verschil als het gaat om asielzoekers die naar Nederland komen uit levensbehoud en veilige landers. Asielzoekers met een meer kansrijke aanvraag veroorzaken nauwelijks overlast, maar de acceptatie van deze groep komt in het geding door overlastgevers. De politie ervaart dat er bij inwoners van de gemeente Cranendonck in toenemende mate maatschappelijke onrust en kritiek op de aanwezigheid van het AZC in de gemeente is. Bewoners vinden het moeilijk om zich publiekelijk negatief te uiten, maar de wijkagent merkt in individuele gesprekken dat inwoners van de gemeente kritiek hebben op het Nederlandse asielbeleid. De overlast is soms objectief, als het bijvoorbeeld gaat om het aantal winkeldiefstallen. Daarnaast is er de persoonlijke beleving van de overlast. Reacties van omwonenden op overlast zijn niet altijd genuanceerd en in lokale WhatsApp groepen worden door bewoners soms stevige uitspraken gedaan.

De politie en het COA gaan hierover in gesprek met de bevolking. Uit de interviews blijkt dat de gemeente Hoogeveen, waar de HTL is gehuisvest, een grote kerkelijk gemeenschap heeft waar veel sympathie bestaat voor de opvang van vluchtelingen. Tijdens de periode dat de EBTL in Hoogeveen gehuisvest was, was er veel overlast en criminaliteit. Vooral in het winkelcentrum vlakbij de locatie was sprake van winkeldiefstallen. Dat leidde tot een mindere bereidheid bij de bevolking om asielzoekers op te vangen. Dit terwijl de overlast werd veroorzaakt door slechts enkele bewoners van de EBTL en nauwelijks door de grotere groep asielzoekers van het naastgelegen reguliere AZC. Sinds het strakkere regime op de HTL is er nauwelijks sprake van overlast en criminaliteit door asielzoekers in de gemeente Hoogeveen, zo blijkt uit het onderzoek. Op verzoek van de gemeente worden in het reguliere AZC geen veilige landers en Dublinclaimanten opgevangen omdat de ervaring uit het verleden was dat deze groepen de meeste overlast

34

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

veroorzaken. In het reguliere AZC wonen nu asielzoekers die een kansrijker asielverzoek hebben ingediend, wat de rust in Hoogeveen ten goede komt en waardoor het draagvlak voor de opvang van asielzoekers onder de bevolking toeneemt. Uit informatie van de politie blijkt dat de omwonenden van de PON-locatie van Nidos geen hinder ondervinden van het feit dat daar minderjarigen worden opgevangen die elders overlast veroorzaakten. Zowel de politie als Nidos onderhouden contact met buren en andere omwonenden om in te kunnen grijpen als er sprake zou zijn van overlast.

35

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

4 In dit onderzoek heeft de Inspectie zich gericht op de maatregelen die overlast en criminaliteit door zowel minderjarige als meerderjarige asielzoekers moeten beperken. Hierbij staat de volgende onderzoeksvraag centraal: geven het COA, Nidos, de politie, de IND en de DT&V voldoende uitvoering aan de maatregelen die erop gericht zijn om overlast en criminaliteit door asielzoekers te beperken? In hoofdstuk 3 zijn de bevindingen van het onderzoek beschreven. Deze bevindingen raken meerdere processen, organisaties en soorten opvanglocaties. In dit hoofdstuk analyseert de Inspectie de bevindingen op basis van thema’s die uit de bevindingen naar voren komen. Voor elk thema zullen deelconclusies worden getrokken. De deelconclusies zullen bij elkaar een antwoord geven op de onderzoeksvraag. Op basis van deze conclusies worden aanbevelingen geformuleerd.

4.1 Analyse en conclusies De groep overlastgevers Asielzoekers kennen een grote diversiteit aan nationaliteiten. Uit het onderzoek blijkt ook dat overlast wordt veroorzaakt door asielzoekers van diverse nationaliteiten. Het onderzoek toont echter aan dat binnen de groep overlastgevers, asielzoekers uit Marokko, Algerije, Libië en Tunesië sterk oververtegenwoordigd zijn. Dit zijn, behoudens Libië, zogenoemde veilige landen, wat inhoudt dat asielzoekers uit die landen weinig kans maken op een asielvergunning en om deze reden weinig perspectief hebben op rechtmatig verblijf in Nederland. Deze groep zorgt voor de meeste overlast voor zowel medewerkers, medebewoners en omwonenden van alle in dit onderzoek betrokken vormen van opvang. Deelconclusie 1 Het merendeel van overlast en criminaliteit wordt veroorzaakt door kleine groep asielzoekers die grotendeels afkomstig is uit veilige landen. Deze overlastgevers zijn op alle in dit onderzoek betrokken soorten opvanglocaties aanwezig.

Toerusting De omgang met en de aanpak van de overlastgevers vraagt om de juiste kennis, middelen en bevoegdheden. In dit onderzoek heeft de Inspectie daarom gekeken of organisaties voldoende toegerust zijn om overlastgevende asielzoekers effectief te begeleiden. Uit het onderzoek blijkt dat de medewerkers van het COA en Nidos opgeleid zijn om asielzoekers te begeleiden. Daarbij zijn de teams van zowel het COA als Nidos versterkt met gedrags- en/of verslavingsdeskundigen. Echter blijkt uit het onderzoek ook dat de beschikbare opleiding en kennis, ondanks de beschikbare ondersteuning, niet altijd aansluit bij de begeleiding van de overlastgevers en de daaraan verbonden verslavings- en/of psychiatrische problematiek. Medewerkers van het COA en Nidos zijn namelijk opgeleid om asielzoekers te begeleiden, niet om

36

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

mensen met verslavings- en/of psychiatrische problematiek op een juiste manier te begeleiden. Deze moeilijke werksituatie zorgt voor demotivatie bij medewerkers en een hoog ziekteverzuim bij het COA. Hierdoor komt de continuïteit van de personele inzet, die juist bij de aanpak van overlast van groot belang is, in het geding. Dit maakt de begeleiding en aanpak van overlastgevers (nog) moeilijker. Naast de aanwezigheid van juiste kennis is het belangrijk dat medewerkers op effectieve wijze kunnen ingrijpen bij overlast. Toereikende bevoegdheden en vaardigheden zijn daarom van belang. Uit het onderzoek blijkt dat COA medewerkers op een AZC onvoldoende consequenties kunnen verbinden aan overlastgevend gedrag. Een eerste stap in een AZC is in de regel een correctiegesprek, maar dit wordt als weinig effectief ervaren door medewerkers van opvanglocaties. Met name de overlastgevers zijn niet gevoelig voor een dergelijk gesprek. COA-medewerkers hebben daarnaast de mogelijkheid om ROV-maatregelen op te leggen als een asielzoeker overlast veroorzaakt. Uit het onderzoek blijkt dat de ROV-maatregelen niet aansluiten bij de overlastgevers. Omdat overlastgevers vaak in het bezit zijn van geld, is een straf als inhouding van leefgeld niet effectief.

In het verleden bestond de mogelijkheid om een overlastgever (tijdelijk) een het ontzeggen van de opvangvoorzieningen te geven, maar dit is als gevolg van jurisprudentie niet meer mogelijk. De time-out plekken die ter vervanging van het ontzeggen van de opvangvoorzieningen zijn gekomen, worden als weinig afschrikkend gezien. Bovendien hebben medewerkers van het COA niet de bevoegdheid om een overlastgever fysiek te begrenzen als de situatie escaleert. Als een asielzoeker veel overlast veroorzaakt, is het mogelijk om hem een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen en hem in de HTL te plaatsen. Uit het onderzoek blijkt dat dit een positief effect heeft op de rust op het AZC waar de overlastgever verbleef. Plaatsing in de HTL is echter geen eenvoudig en snel proces. Bovendien doen overlastgevers regelmatig afstand van hun recht op opvang en vertrekken zij voordat ze in de HTL worden geplaatst, of kort daarna. Omdat zij dan uit het zicht van de overheid verdwijnen, is niet duidelijk of zij hun overlastgevende gedrag elders voortzetten. Uit het onderzoek blijkt dat HTL en PON-locaties goed in staat zijn de overlast terug te dringen. Op de HTL-locatie zijn in vergelijking met het inspectieonderzoek uit 2018 meer middelen beschikbaar om overlast te beperken. Zo mogen vreemdelingen niet zonder geldige reden het terrein van de HTL verlaten en kan dit ook strikt gehandhaafd worden.

Het feit dat de overlastgevers voornamelijk op de HTL-locatie verblijven heeft positieve gevolgen voor de overlast binnen en buiten de HTL. Een ander gevolg van het feit dat de overlastgevers de locatie niet makkelijk kunnen verlaten is dat er minder alcohol en drugs aanwezig is, wat zorgt voor meer rust op de HTL. De medewerkers komen daardoor ook meer toe aan het begeleiden van de bewoners, niet enkel het begrenzen. De aanwezigheid van de medewerkers van de DV&O is positief, omdat zij bevoegd zijn zo nodig fysiek te begrenzen en daardoor situaties kunnen de-escaleren. In geval van een incident met hoge impact kan een asielzoeker in een time-out kamer worden geplaatst, maar medewerkers hebben geen middelen om de betrokken persoon daar te houden. Uit het onderzoek blijkt ook dat de aanpak in de PON een positief effect heeft. Dat komt vooral door de intensiteit en de kwaliteit van de begeleiding, als ook door de kleinschaligheid van de locatie. Gegevens van de politie en Nidos tonen aan dat bewoners op het PON nauwelijks meer overlast veroorzaken en/of crimineel gedrag vertonen. Wel blijft het, net als bij volwassenen het geval is, voor AMV’s lastig om aansluiting te vinden bij de reguliere hulpverlening. Dit kan leiden tot onveilige situaties.

Specifiek voor de minderjarige overlastgevers wijst het onderzoek uit dat sommige minderjarigen zich melden bij het aanmeldcentrum van de IND in Ter Apel en geen

37

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

asielverzoek willen indienen. Hoewel deze jongeren geen asielverzoek hebben ingediend, worden ze opgevangen in de asielopvanglocaties van het COA. Ook wordt een voogd van Nidos aangewezen om tijdelijk in het ouderlijk gezag te voorzien. De Inspectie constateert dat de opvanglocaties van het COA niet aansluiten bij de vreemdelingrechtelijke positie en zorgbehoefte van deze minderjarigen. Zoals uit deelconclusie 2 is gebleken zijn medewerkers van het COA en Nidos namelijk niet opgeleid om overlastgevers met verslavings- en/of psychiatrische problematiek te begeleiden. Deelconclusie 2 Medewerkers van COA-opvanglocaties zijn doorgaans goed toegerust voor de begeleiding van asielzoekers. Zij zijn daarentegen niet goed toegerust voor de begeleiding van de overlastgevers omdat ze onvoldoende effectieve middelen tot hun beschikking hebben om het gedrag van overlastgevers te begrenzen. Op de PON en HTL-locaties leidt intensieve begeleiding van overlastgevers, in combinatie met de kleinschaligheid van de locatie, tot aanzienlijk minder overlast en criminaliteit. Daarnaast werken op de HTL medewerkers die gedrag fysiek mogen begrenzen en wordt de vrijheidsbeperkende maatregel die aan overlastgevers is opgelegd strikt gehandhaafd. Op alle soorten locaties is sprake van overlastgevers die verslaafd zijn en/of psychiatrische problematiek hebben.

Medewerkers zijn onvoldoende toegerust om overlastgevers met multi-problematiek veilig en adequaat te begeleiden. Om de duur van de overlast te beperken, dienen overlastgevers zo kort mogelijk in de opvang voor asielzoekers te verblijven. Daarom is de afspraak dat de IND de asielaanvraag van een overlastgever met voorrang behandelt. Als de IND het asielverzoek van de overlastgever afwijst, kan de DT&V werken aan vertrek uit Nederland, zodat de overlastgever zo snel mogelijk Nederland verlaat. Uit het onderzoek blijkt dat de IND niet in alle gevallen het asielverzoek van overlastgevers direct behandelt. Hierdoor kunnen overlastgevers hun overlastgevend gedrag langer blijven voortzetten. Tot vertrek uit Nederland komt het in de praktijk nauwelijks, wat vooral te maken heeft met het feit dat de landen van herkomst in sommige gevallen niet meewerken aan afgifte van een tijdelijk reisdocument bij gedwongen vertrek. Ook vertrekken de overlastgevers vaak al uit de COA-opvang voordat hun asielprocedure helemaal is behandeld en kunnen ze om die reden niet worden uitgezet. Tot slot vormt bij minderjarige overlastgevers een knelpunt dat de noodzakelijke adequate opvang in het land van herkomst niet gerealiseerd kan worden. Ook ziet de Inspectie een verbeterpunt als het gaat om een specifieke groep minderjarige overlastgevers die geen asielverzoek hebben ingediend.

Omdat de zaak van de minderjarige dan niet bekend is bij de IND, kan de IND het dossier ook niet overdragen aan de DT&V, waardoor het vertrektraject niet wordt gestart.

38

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

In sommige regio’s wordt dit opgelost en draagt toch de IND, of in sommige gevallen de politie, de zaak over aan de DT&V. In andere regio’s zijn echter nog geen oplossingen voor dit knelpunt geïmplementeerd. De Inspectie constateert daarom dat er geen vaste werkafspraken zijn om het vertrektraject van deze overlastgevers direct in gang te zetten. Deelconclusie 3 Er is winst te behalen als het gaat om het versneld afhandelen van asielaanvragen door de IND. Er ontbreken vaste werkafspraken als het gaat om het direct starten van het vertrektraject van minderjarige overlastgevers die geen asielverzoek indienen, maar wel in de COA-opvang verblijven.

Tot het moment dat een overlastgever terug kan keren naar zijn land van herkomst of de COA-opvang verlaat, zouden stafrechtelijke maatregelen de overlast door asielzoekers moeten beperken. Het onderzoek wijst uit dat de reactie vanuit het strafrecht niet aansluit bij het gedrag van de overlastgevers. Het is voor overlastgevers eenvoudig de tenuitvoerlegging van straffen te vermijden, omdat zij relatief kort in Nederland zijn. Bij het jeugdrecht vormt een probleem dat de minderjarige overlastgevers regelmatig van COA locatie verhuizen, waardoor het strafrechtelijke traject moet worden overgedragen aan het arrondissement waar de overlastgever op dat moment verblijft. Tegelijkertijd zijn uit het onderzoek enkele good practices naar voren gekomen die de strafrechtelijke aanpak van de overlastgevers ten goede komen. Het (super)snelrecht dat in sommige regio’s plaatsvindt zorgt ervoor dat de overlastgevers wel snel voor de rechtbank verschijnen. Het opstellen van een sfeer Proces-verbaal wordt gezien als een effectief middel om vervolgens tot een passende strafmaat te komen. In sommige politieregio’s zijn, binnen de wettelijke mogelijkheden, goede ervaringen met het uitlezen van telefoons als een overlastgever wordt aangehouden in het kader van het strafrecht. Dit levert namelijk aanwijzingen op over de identiteit en de nationaliteit van de overlastgever.

De Inspectie heeft geconstateerd dat deze good practices nog niet in alle regio’s worden toegepast en ziet hier mogelijkheden om de reactie van het strafrecht beter te laten aansluiten bij de aanpak van overlast. Deelconclusie 4 De strafrechtelijke reactie op overlastgevers sluit vaak niet goed aan bij wat nodig is om overlast en criminaliteit door asielzoekers aan te pakken. De politie kan binnen de bestaande mogelijkheden effectiever optreden. De mogelijkheden worden niet op alle locaties toegepast.

Samenwerking en informatie-uitwisseling Door de complexiteit van de aanpak van overlastgevers is een goede samenwerking tussen de betrokken diensten van belang. Uit het onderzoek blijkt dat op de in het onderzoek betrokken locaties periodiek een LKO plaatsvindt. In dit overleg wordt onder andere de strategie ten aanzien van de aanpak van overlast besproken en

39

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

informatie uitgewisseld. De samenwerking in LKO verband wordt als positief ervaren. Hetzelfde geldt voor de aanstelling van ketenmariniers en het in gebruikstellen van Top-X lijsten. Gebleken is dat diensten doorgaans op één lijn zitten als het erom gaat op welke manier de overlast moet worden aangepakt. Eventuele accentverschillen worden opgelost in de regel opgelost door in of buiten LKO verband met elkaar in gesprek te gaan. Hoe dit proces verloopt, verschilt erg per locatie. De accentverschillen worden veroorzaakt omdat de betrokken diensten werkzaam zijn in de vreemdelingen-, jeugd- en strafrechtketen. De taken en verantwoordelijkheden taken en verantwoordelijkheden die daaruit voortkomen sluiten niet altijd goed op elkaar aan. Dit kan leiden tot verschillende inzichten over de begeleiding van overlastgevers. Uit het onderzoek blijkt dat de groep overlastgevers ook in andere Europese landen zorgt voor overlast en/of criminaliteit. Uitwisseling van gegevens hierover vindt echter nauwelijks plaats. Dit terwijl soms sprake is van ernstige in het buitenland gepleegde delicten. Deze informatie kan de medewerkers voorzien van een handelingsperspecief ten aanzien van de betrokken overlastgever. Ook op dit punt constateert de Inspectie verbetermogelijkheden.

Deelconclusie 5 Het COA, Nidos, de politie, de IND en de DT&V beschouwen de aanpak van overlast door asielzoekers als een gezamenlijke taak. Hierdoor is de samenwerking doorgaans goed. Het feit dat er sprake is van samenwerking tussen de vreemdelingen-, de jeugd- en de strafrechtketen zorgt voor verschil in inzicht over de wijze waarop de overlast moet worden aangepakt. De uitwisseling van internationale gegevens over antecedenten van asielzoekers kan verbeterd worden. Op basis van bovenstaande deelconclusies komt de Inspectie tot de volgende eindconclusie. Eindconclusie De Inspectie constateert dat het COA, Nidos, de politie, de IND en de DT&V stappen hebben gezet in de aanpak van overlast en criminaliteit die wordt gepleegd door asielzoekers. In het onderzoek naar overlastgevers uit 2018 heeft de Inspectie geconstateerd dat de EBTL locaties onvoldoende waren toegerust om hun taak uit te voeren. De situatie op de huidige HTL is vergeleken met 2018 aanzienlijk verbeterd. Ook is er een aantal andere ontwikkelingen, zoals de aanstelling van de ketenmariniers, het hanteren van de top-X lijst en het PON project van Nidos, die de aanpak van overlastgevers ten goede komt. De Inspectie concludeert echter dat de huidige situatie op de AZC’s vergelijkbaar is met die op de EBTL’s in 2018. Op de AZC’s ontbreekt het aan effectieve middelen en expertise om overlast te begrenzen.

De aanpak van overlastgevers is complex. De Nederlandse overheid heeft,

40

Vervolgonderzoek naar de aanpak van overlastgevende asielzoekers

inhou dsop gave

gezien de motivatie van overlastgevers om naar Europa te komen en de daadwerkelijke mogelijkheden die zij hebben, weinig invloed op de oorsprong van het probleem. Tegelijkertijd is de opvang van overlastgevers die in Nederland verblijven een moeilijke opgave door de problematiek die in veel gevallen bij de overlastgevers aanwezig is. Echter kunnen straf- en vreemdelingrechtelijke middelen beter benut worden om de overlast te beperken.

4.2 Aanbevelingen Op basis van bovenstaande conclusies doet de Inspectie de volgende aanbevelingen. Aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid: •

• •

bezie of de huidige middelen, bevoegdheden en expertise van medewerkers van het COA toereikend zijn om passende consequenties te verbinden aan overlastgevend gedrag; bezie of de opvang in COA locaties van minderjarige overlastgevers die geen asielverzoek hebben ingediend passend is. onderzoek de mogelijkheden om binnen de Europese Unie te komen tot uitwisseling van strafrechtelijke informatie over de overlastgevers.

Aan de IND: •

behandel asielaanvragen van overlastgevers met voorrang.

Aan de politie: •

houd aandacht voor het toepassen van het volledige spectrum van de huidige strafrechtelijke mogelijkheden als het gaat om overlastgevers.

Aan de IND, de DT&V en de politie: •

maak afspraken over het starten van het vertrektraject van minderjarige overlastgevers die geen asielaanvraag hebben ingediend, maar wel op een COA locatie verblijven.

41

Missie Inspectie Justitie en Veiligheid De Inspectie Justitie en Veiligheid houdt voor de samenleving, de ondertoezichtgestelden en de politiek en bestuurlijk verantwoordelijken toezicht op het terrein van justitie en veiligheid om inzicht te geven in de kwaliteit van de taakuitvoering en de naleving van regels en normen, om risico’s te signaleren en om organisaties aan te zetten tot verbetering. Hiermee draagt de Inspectie bij aan een rechtvaardige en veilige samenleving.

Dit is een uitgave van: Inspectie Justitie en Veiligheid Ministerie van Justitie en Veiligheid Turfmarkt 147 | 2511 DP Den Haag Postbus 20301 | 2500 EH Den Haag Contactformulier | www.inspectie-jenv.nl April 2021

Aan deze publicatie kunnen geen rechten worden ontleend. Vermenigvuldigen van informatie uit deze publicatie is toegestaan, mits deze uitgave als bron wordt vermeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Boxmeer&id=f6646702-fab2-4e3a-aba0-6811123ff291