2021-R-523a Beleidskader Windenergie Gemeente Boxmeer
Tekst van het document
5.3.2 Materiaalgebruik Bij de aanleg en onderhoud van een windturbine staat duurzaamheid voorop. De constructie (bouwactiviteit), het daaropvolgende onderhoud én de ontmanteling mogen niet schadelijk zijn voor de omgeving. Materialen zijn zoveel mogelijk van lokale bron en zo min mogelijk vervuilend. Het is belangrijk dat de gebruikte materialen na het verstrijken van de vergunningstermijn kunnen worden gerecycled, voor zover mogelijk.
5.3.3 Aantonen financiële uitvoerbaarheid Teneinde te voorkomen dat projecten worden gestart waarvan uiteindelijk blijkt dat zij om financiële redenen toch niet kunnen worden gerealiseerd, wordt op voorhand een (beknopte) financiële onderbouwing in de vorm van een basis businesscase gevraagd. De initiatiefnemer moet in ieder geval inzichtelijk maken dat een project uitvoerbaar is. In de financiële onderbouwing kan worden omschreven hoe een project gefinancierd wordt (eigen vermogen/ vreemd vermogen/ participatie) en hoe rekening is gehouden met de bijdrage in het omgevingsfonds. Ook moet duidelijk worden of de netaansluiting financieel uitvoerbaar is en of de ontmanteling van het windpark na de exploitatietermijn kan worden bekostigd.
5.3.4 Tijdelijkheid Een windpark wordt gezien als een tijdelijke invulling. Vandaar dat gemeente Boxmeer alleen medewerking verleent met een maximale instandhoudingstermijn van 25 jaar. Belangrijk daarbij is dat de onderliggende (agrarische) bestemming van de betreffende gronden blijft gelden. In afwijking van deze bestemming kan gedurende een periode van 25 jaar een windpark worden geëxploiteerd. Hierbij sluiten we aan op het provinciale beleid zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening. Na het verstrijken van de termijn dienen de windturbines volledig (inclusief fundament) afgebroken en verwijderd te worden. Het afbreken van de windturbines en het terrein in originele staat terug te brengen, is de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de windturbines. Een financiële zekerheidsstelling voor de opruimkosten zal in een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer worden vastgelegd.
25
6 Vervolgproces De ontwikkeling van windparken is nog relatief nieuw en hebben een duidelijk zichtbare impact op de fysieke leefomgeving. Het is daarom belangrijk dat er een zorgvuldige afweging/beoordeling plaatsvindt. In dit hoofdstuk wordt gekeken naar het vervolgproces. Uitgangspunt voor projecten van grote windturbines is dat, grotendeels in lijn met het beleid voor zon, een inschrijfronde wordt georganiseerd voor initiatieven. De precieze invulling van dit proces en de openstelling van de inschrijfronde is op dit moment nog niet bekend en wordt pas na de aanstaande herindeling tot de nieuwe gemeente Land van Cuijk verder geconcretiseerd. Ter indicatie wordt hieronder een aantal te verwachten stappen nader toegelicht. Dit geeft houvast voor inwoners en initiatiefnemers.
6.1 Stap 1: Vooroverleg (ambtelijk) De initiatiefnemer stelt een onderbouwing op waaruit blijkt dat het initiatief voldoet aan de randvoorwaarden zoals opgenomen in dit beleidskader. De initiatiefnemer gaat hiermee in overleg met de gemeente om een eerste indruk te krijgen van de haalbaarheid. Na vooroverleg kan de initiatiefnemer zelf besluiten of ze doorgaan naar stap 2.
6.2 Stap 2: Opstarten procesparticipatie Op basis uitkomsten vooroverleg informeert initiatiefnemer de directe omgeving (bewoners en bedrijven binnen een straal van 1.000 meter) over het initiatief. De initiatiefnemer inventariseert de wensen en opmerkingen en wijst op mogelijkheden om het plan daarop aan te passen. Daarbij worden ook de participatiemogelijkheden besproken en actief gezocht naar de meest kansrijke en gunstige vorm van participatie in verband met het initiatief. Van deze acties en inspanningen wordt een verslag gemaakt door initiatiefnemer. In dit verslag staat beschreven hoe het initiatief is ontvangen en in hoeverre het contact heeft geleid tot bijstelling van het planvoornemen.
6.3 Stap 3: Indienen principeverzoek Na de opstart van de procesparticipatie kan de initiatiefnemer het formele principeverzoek indienen. Vooralsnog verwachten we dat een initiatiefnemer de volgende gegevens overlegd: •
Beschrijving van het initiatief;
•
Haalbaarheidsscan (zie Kader 6.1);
•
Participatievoorstel (zie Kader 6.2);
•
Verslag opstart procesparticipatie (zie stap 2).
Kader 6.1 Haalbaarheidsscan
De haalbaarheidsscan geeft inzicht in de haalbaarheid van het project. Deze haalbaarheidsscan bevat in principe een beleidsanalyse, een analyse van de huidige situatie en een eerste analyse van relevante (milieu)aspecten (zoals onder meer geluid, slagschaduw, externe veiligheid, natuur, cultuurhistorie en archeologie, landschappelijk beeld, maar ook beoogd opgesteld vermogen, situering windturbines en elektriciteitsopbrengst). De haalbaarheidsscan geeft ook inzicht in aandachtspunten en onderzoeksvraagstukken voor het (eventuele) vervolgproces.
26
Kader 6.2 Participatievoorstel
Het participatievoorstel beschrijft in een eerste voorstel de (bovenwettelijke) participatiemogelijkheden die worden aangeboden aan de bewoners en de bedrijven en overige belanghebbende in de directe omgeving. Het participatievoorstel gaat in op procesparticipatie (informatie, communicatie en consultatie) en financiële participatie. Als minimaal vereiste geldt dat de NWEA gedragscode wordt gevolgd ten aanzien van communicatie en financiële participatie.
6.4 Stap 4: Principebesluit Op dit moment is nog niet bepaald aan hoeveel windenergie-initiatieven de gemeente toestemming wil geven in een eventuele eerste inschrijfronde na de herindeling tot de nieuwe gemeente Land van Cuijk. Verwachte insteek is dat ingediende initiatieven in eerste instantie zelfstandig worden beoordeeld op kwaliteit. Wanneer er meer dan het vooraf bepaalde aantal initiatieven de eerste kwaliteitstoets doorstaan zal er een onderlinge vergelijking van de plannen plaats vinden. Om te komen tot een rangorde zal hoogstwaarschijnlijk worden gewerkt met een waarderingssysteem. Daarbij kan worden gekeken naar (maatschappelijke) meerwaarde, energieopbrengst, afstand tot woningen, aantal woningen binnen een bepaalde afstand, afstand tot natuur, afstand tot verdeelstation, enz. Het initiatief of de initiatieven die het beste worden gewaardeerd worden ter besluitvorming aan het college van B&W voorgelegd. Na een positief principebesluit start het vervolgtraject (zie stap 5).
6.5 Stap 5: Vervolgtraject Na een positief principebesluit wordt met de initiatiefnemer of initiatiefnemers afspraken gemaakt over het vervolgtraject. Afhankelijk van de omvang, aard en ligging van het beoogde project: •
dient bepaald te worden wie formeel het bevoegd gezag is (zie Kader 6.3). Als de provincie formeel bevoegd gezag is dan zal overdracht van bevoegdheid worden gevraagd. Gemeente Boxmeer wil graag de regie houden over elk (windenergie)project dat in de gemeente geïnitieerd wordt. De gemeente is het beste in staat de belangen van de inwoners te behartigen en aan te sturen op een zo breed mogelijk draagvlak.
•
is een (vorm)vrije m.e.r. beoordeling nodig of wordt gekozen voor het opstellen van een projectMER (zie Kader 6.4).
Kader 6.3 Bevoegd gezag
Op basis van de Elektriciteitswet 1998 is de bevoegdheid voor windprojecten als volgt geregeld: •
voor een windturbine of een klein windpark, waarbij het gaat om een vermogen van minder dan 5 MW is de gemeente bevoegd gezag;
•
voor windparken tussen 5 en 100 MW is de provincie bevoegd gezag. De provincie mag deze bevoegdheid aan de gemeente overdragen als het ook geen voordelen biedt dat de provincie het zelf uitvoert;
•
voor windparken van meer dan 100 MW is het Rijk bevoegd gezag (de rijkscoördinatieprojecten).
27
Kader 6.4 Milieueffectrapportage
m.e.r. = procedure van de milieueffectrapportage MER = het milieueffectrapport Hoe zit het met windturbines en m.e.r.-plicht in het kort: •
1-2 windturbines: geen m.e.r.-beoordeling of MER (want: geen windpark volgens het Besluit m.e.r.);
•
<15 MW: vormvrije (m.e.r.) beoordeling
•
windpark van ≥15 MW of ≥10 windturbines: m.e.r.-beoordeling (categorie D22.2 Besluit MER)
•
windpark van ≥ 20 windturbines: MER-plicht voor plan en besluit (categorie C22.2 Besluit MER).
Er kan altijd vrijwillig gekozen worden voor het opstellen van een MER. Deze vrijwillige keuze kan onder meer bepaald worden door: •
het aantal windturbines en op voorhand te verwachten impact op de omgeving;
•
ter onderbouwing van verschillende keuzeopties voor inrichting/opstelling van het windpark;
•
ambtelijke of politieke wens;
•
toch al een MER nodig vanwege passende beoordeling;
•
voorstel van de initiatiefnemer.
Los van de bovenstaande technische vereisten zal ook de procesparticipatie verder worden opgepakt. Dit betekent het in overleg met de directe omgeving en andere belanghebbenden verder uitwerken van het participatievoorstel en de daadwerkelijke inrichting van het gebied.
6.6 Stap 6: Beoordeling plan Voorafgaand aan de indiening van de aanvraag en na doorlopen van het participatieproces worden de concept-stukken (in ieder geval de ruimtelijke onderbouwing en het participatieplan) ambtelijk beoordeeld. Voorafgaand wordt een exploitatie- en planschadeovereenkomst tussen gemeente en aanvrager gesloten. Hierin worden in ieder geval afspraken gemaakt over: •
de proces- en financiële participatie;
•
het verwijderen van het windpark na afloop van de omgevingsvergunningsperiode;
•
de vergoeding van gemeentelijke procedurekosten;
•
het verhalen van eventuele planschade bij de aanvrager.
6.7 Stap 7: Indienen en afhandelen aanvraag Na positieve beoordeling van de ruimtelijke onderbouwing en het participatieplan kan voor het verkrijgen van de benodigde vergunningen een besluitvormingsprocedure doorlopen worden. Gemeenten in de provincie Noord-Brabant kunnen op grond van de Interim omgevingsverordening uitsluitend medewerking verlenen aan windenergieprojecten met inzet van het instrument ‘omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan’. Voor de verdere afhandeling van de aanvraag geldt de zogenaamde ’uitgebreide omgevingsvergunningprocedure’ (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Hiervoor staat een doorlooptijd van 26 weken.
28
Onderdeel van de uitgebreide omgevingsvergunningprocedure is een zogenaamde ‘verklaring van geen bedenkingen’ van de gemeenteraad. Zonder deze verklaring van geen bedenkingen (vvgb) kan het college van burgemeester en wethouders (bevoegd gezag) de omgevingsvergunning niet verlenen. Kader 6.5 Omgevingswet
De bovenstaande procedure gaat na inwerkingtreding van de Omgevingswet mogelijk wijzigen. De gemeente zal voor windparken boven de 5 MW een zogenaamde projectprocedure als bedoeld in artikel 5.55 Omgevingswet moeten volgen. De projectprocedure is een procedure waarbij projecten worden voorbereid met een aantal extra stappen ten opzichte van de openbare voorbereidingsprocedure, namelijk (bekendmaking) voornemen, verkenning en (optionele) voorkeursbeslissing. Daarnaast dient ook participatie vroegtijdig een verplicht onderdeel te zijn van de procedure. Hier is in het onderhavige beleidskader al rekening mee gehouden.
29
Bijlage 1: Afspraken voor ‘Elektriciteit’ in woord en beeld
30
Bijlage 2: Nadere toelichting belemmeringen en afstanden windturbines Diverse (milieu)aspecten spelen een rol in de verkenning van de mogelijkheden voor plaatsing van windturbines. De meest relevante aspecten zijn: •
Hinder voor de leefomgeving (geluid en slagschaduw)
•
Externe veiligheid
•
Natuur
•
Luchtvaart en defensie
Op basis van de wet- en regelgeving worden deze aspecten ‘vertaald’ naar algemene uitgangspunten en vuistregels voor de aan te bevelen afstanden tot windturbinelocaties. Hinder voor de leefomgeving Windturbines kunnen hinder voor de leefomgeving veroorzaken in de vorm van geluid en slagschaduw. De mate van hinder is van verschillende factoren afhankelijk; voor een eerste verkenning van de mogelijkheden kan gebruik worden gemaakt van vuistregels. Een algemene vuistregel is dat een windturbine, met afmetingen vergelijkbaar met de referentieturbine1, op een afstand van 400 meter van een geluidgevoelig object2 kan worden geplaatst. Buiten deze afstand kan er, eventueel met beperkte mitigerende maatregelen, doorgaans aan de normen3 voor windturbinegeluid worden voldaan. Grote windturbines produceren niet automatisch meer geluid dan een kleinere windturbine. De geluidproductie verschilt voornamelijk tussen verschillende type windturbines. Ook voor slagschaduw wordt in een deze eerste verkenning uitgegaan van 400 meter, met name omdat geluid over het algemeen het bepalende aspect van de twee is. Voor slagschaduw kan doorgaans met toepassing van mitigatie (en een minimale afstand van 400 meter) aan de normen voor slagschaduw worden voldaan. In Figuur 1 zijn de contouren om gevoelige objecten binnen en rondom de gemeente weergegeven.
De gevoelige objecten zijn in beeld gebracht op basis van recente data van het Kadaster.
1
Ashoogte 150 meter en rotordiameter 150 meter Geluidgevoelige objecten zijn onder andere gevoelige gebouwen (zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven) en geluidgevoelige terreinen (zoals woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Zie ook: https://www.infomil.nl/onderwerpen/geluid/regelgeving/activiteitenbesluit/geluidsgevoelige/ 3 Lden = 47 dB en Lnight = 41 dB. Deze norm geldt voor geluidgevoelige objecten. Lden staat voor Level day-evening-night en is de Europese maat om de gemiddelde geluidsbelasting over een etmaal uit te drukken. 2
31
Figuur 1 Gevoelige objecten en 400 meter contour
32
Om de exacte effecten van het windturbinegeluid en slagschaduw op een specifieke locatie in beeld te brengen, is nader onderzoek vereist. Dit gebeurt op basis van specifieke windturbineposities en – afmetingen. Een dergelijke exercitie kan in een latere fase worden uitgevoerd voor een concreet project. Dit onderzoek is tevens noodzakelijk in het kader van het Activiteitenbesluit en geeft de wettelijk toegestane geluid- en slagschaduwcontouren weer van het specifiek aan te vragen windturbinetype en opstelling, evenals mogelijke voorzieningen die zijn benodigd om de eventuele hinder te reduceren. In deze verkenning naar kansrijke gebieden is nog geen sprake van een specifiek windturbinetype of uitgekristalliseerde opstellingen. Er zijn dan ook geen specifieke berekeningen uitgevoerd. Kader 1 Molenaarswoningen
Molenaarswoningen zijn woningen die in tegenstelling tot gevoelige objecten onderdeel uitmaken van een windenergieproject en daarmee bij de ‘inrichting’ horen. Voor deze woningen geldt dat ze bij het windpark horen, zoals een agrariër die bij zijn/haar boerderij woont. Hier hoeft niet voldaan te worden aan de normen voor geluid en slagschaduw. Wel geldt dat er sprake dient te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan het aanmerken van molenaarswoningen of bedrijfswoningen zijn tevens regels verbonden. Op grond van de wet en de jurisprudentie dient er tussen woning en inrichting (het windpark) een onderling technische, organisatorische of functionele binding te bestaan, dienen woning en inrichting in elkaars onmiddellijke nabijheid te zijn gelegen en dient er verband te zijn tussen het aantal turbines en aantal molenaarswoningen. Verder heeft een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State er toe geleid dat niet elke woning als molenaarswoning kan worden aangemerkt. De relatie tussen de betreffende molenaarswoningen en het windpark moet duidelijk en aantoonbaar aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldoen. De aanwijzing van molenaarswoningen dient daarom zorgvuldig en per geval nader te worden onderzocht. Of sprake is of kan zijn van molenaarswoningen zal op het niveau van een concreet project moeten worden bepaald.
Externe veiligheid Bij de plaatsing van windturbines is veiligheid voor de omgeving belangrijk. Door het afbreken van de gondel, mastbreuk of het afbreken van een (deel van een) blad van een windturbine kan gevaar ontstaan. Dat risico neemt af naarmate de afstand tot de windturbine groter wordt. In de Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW4) en bijbehorende Handleiding Risicoberekening Windturbines5 staan de richtlijnen voor het berekenen van generieke toetsafstanden. In Tabel 1 staan de toetsafstanden op basis van de in het rapport gehanteerde referentieturbine met een ashoogte van 150 meter en een rotordiameter van 150 meter. Tabel 1 Objecten met bijbehorende toetsafstanden (conform HRW)
4 5
Object
Toetsafstand (in meter)
Richtlijn HRW
Hoogspanning
225 meter
Ashoogte + halve rotordiameter OF werpafstand bij nominaal toerental
Buisleidingen
225 meter
Ashoogte + halve rotordiameter OF werpafstand bij nominaal toerental
Kwetsbare objecten
225 meter
Ashoogte + halve rotordiameter OF werpafstand bij nominaal toerental
Risicobronnen
225 meter
Ashoogte + halve rotordiameter
Versie januari 2020 Versie oktober 2019
33
Object
Toetsafstand (in meter)
Richtlijn HRW
Hoofdwegen
75 meter
Halve rotordiameter
Hoofdvaarwegen
75 meter
Halve rotordiameter
Spoorwegen
83 meter
Halve rotordiameter + 7,85 meter (afgerond naar 8 meter)
Primaire waterkeringen
225 meter vanaf kernzone
Ashoogte + halve rotordiameter OF werpafstand bij nominaal toerental vanaf de kernzone
Secundaire waterkeringen
75 meter vanaf kernzone
Halve rotordiameter vanaf de kernzone
Buiten de toetsafstanden is er in principe geen sprake van een (aanvullend) veiligheidsrisico. De praktijk leert dat windturbines soms geplaatst kunnen worden op kortere afstand dan de toetsingsafstand van objecten op basis van nader (veiligheids)onderzoek, mitigerende maatregelen en overleg met de eigenaar of beheerder van het object of de infrastructuur. Voor kwetsbare objecten (woningen, ziekenhuizen, grote kantoren, scholen etc.) geldt dat het aanhouden van 400 meter contour voor hinder (zie vorige paragraaf) voldoende is om aan de eisen uit de HRW te voldoen. Figuur 2 geeft een overzicht van de aanwezigheid van infrastructuur en overig relevante objecten in de gemeente in relatie tot externe veiligheid. Binnen de gemeente bevinden zich meerdere risicobronnen en zijn er verschillende infrastructuurnetwerken aanwezig (snelwegen, hoogspanning, spoorwegen, vaarwegen, primaire waterkeringen en buisleidingen).
34
Figuur 2 Externe veiligheid en infrastructuur
35
Natuur Windturbines kunnen effect hebben op de ecologische waarden van natuurgebieden en op specifieke flora & fauna. De bescherming van natuur komt voort uit de Wet natuurbescherming. Voor deze eerste verkenning naar kansrijke gebieden wordt alleen gekeken naar waardevolle natuurgebieden in en rondom de gemeente. In een volgend stadium zal specifieker moeten worden gekeken naar de effecten van windturbines op soorten (met name vogels en vleermuizen) die zich binnen en buiten de gemeente bevinden. Deze natuurtoets zal moeten worden uitgevoerd op basis van specifieke turbineposities en afmetingen en op basis van gedetailleerde informatie over het voorkomen en gebiedsgebruik van soorten. Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden kennen een beschermingsregime met een externe werking, dit betekent dat ook windturbines buiten deze gebieden van invloed kunnen zijn op de natuurlijke waarden waarvoor deze gebieden zijn aangewezen. Zoals te zien in figuur 3 liggen er twee Natura 2000-gebieden binnen de gemeente, te weten de Oeffelter Meent in het noordoosten en de Boschhuizerbergen in het zuidoosten. In een vervolgfase zal nader onderzoek moeten worden gedaan naar de effecten van een specifieke windturbineopstelling op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Kader 2 Externe werking
Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de instandhoudingsdoelen van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt ‘externe werking’ genoemd. Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effect ontstaat door ruimtelijke overlap tussen het invloedsgebied van een instandhoudingsdoelstelling en een invloedsgebied van de activiteit (in dit geval een windpark) buiten het Natura 2000-gebied waarvoor de instandhoudingsdoelstelling gevoelig is. Een voorbeeld van externe werking zijn vogels, die broeden in een verder weg gelegen beschermd natuurgebied en die foerageren in of nabij het gebied van de activiteit. Als het een voor de vogelkolonie essentieel foerageergebied betreft, kan een verstoring hiervan leiden tot negatieve effecten in het Natura 2000-gebied. Naast foerageergebieden, kunnen ook vliegroutes onder externe werking vallen.
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Voorheen werd het ‘NNN’ de ‘Ecologische hoofdstructuur’ (EHS) genoemd. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Is er wel een significant negatief effect op deze kenmerken en waarden, dan geldt het ‘nee, tenzij-regime’. Een project kan dan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven zijn en als sprake is van een groot openbaar belang. Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking.
36
Figuur 3 Natura 2000 en NNB
37
Luchtvaart en defensie Figuur 4 geeft een overzicht van de relevante obstakel- of toetsingsvlakken en luchtvaartroutes met betrekking tot de luchtvaart in en rondom de gemeente. De zuidzijde van de gemeente ligt binnen het obstakelvlak en de opstijg- en aanvliegroute van militaire luchthaven Best (vliegbasis De Peel) en vliegveld Weeze. Binnen dit vlak zijn windturbines niet toegestaan. Een groot deel van de gemeente wordt ook overlapt door een ander toetsingsvlak, het zogenaamde “Outer Horizontal”, van de militaire luchthaven Best. Op 13 augustus 2020 liet het Ministerie van Defensie per mail aan Pondera weten dat dit soort toetsingsvlakken bij militaire luchthavens een nieuwe ontwikkeling betreffen en hoge bouwwerken en andere hoge obstakels (vanaf ca. 150 meter) binnen deze zone getoetst moeten worden op hun effecten voor het luchtverkeer. Volgens Defensie is men op dit moment nog bezig met aanpassing van de regelgeving, zoals een mogelijke opname in de Rarro (Regeling algemene regels ruimtelijke ordening). In het kader van deze analyse is de ligging binnen het toetsingsvlak van luchthaven Best niet op voorhand als ‘harde’ belemmering voor windturbines beschouwd, maar als aandachtspunt. Defensieradar Om de goede werking van radar in Nederland te kunnen garanderen zijn in het Rarro regels opgenomen om verstoring van radarsignalen door windturbines te voorkomen.
Op vliegbasis Volkel en in Eindhoven staat momenteel een verkeersleidingradar. In het Gelderse Herwijnen een gevechtsleiding radar. Er geldt voor hoge objecten een onderzoeksplicht naar mogelijke verstoring van de radar. Tot een afstand van 15 kilometer rond de luchthaven, die oploopt van 49 meter (radarhoogte nabij de luchthaven) naar 114 meter (aan de rand van de 15 km zone) is de kans op een positieve uitkomst van een dergelijk verstoringsonderzoek gering. Daarbuiten (tot 75 km van de posten) is de kans aanzienlijk groter op een positieve uitkomst. Hoe groter de afstand hoe beter, maar uiteindelijk zal een project specifiek onderzoek inzage moeten bieden in de daadwerkelijke effecten. Het noordwestelijke deel van de gemeente ligt binnen de 15 km zone (500-voetszone) van de verkeersleidingradar op vliegbasis Volkel. Plaatsing van windturbines binnen deze zone is lastig, maar niet op voorhand uit te sluiten. Er zal onderzoek moeten worden uitgevoerd op basis van concrete opstelpunten.
38
Figuur 4 Aanvliegroutes en radar
39
Conclusie ruimtelijk-technische analyse Door de technisch-ruimtelijke belemmeringen zijn windturbines op een groot deel van het grondgebied van gemeente Boxmeer niet toegestaan. Voor de witte/lichtgroene delen gelden op voorhand geen technischruimtelijke belemmeringen en is de ontwikkeling van windenergie niet onmogelijk. Figuur 5 geeft aan welke ruimte op basis van het ontbreken van harde belemmeringen in principe beschikbaar is voor windturbines van 150 meter ashoogte en 150 meter rotordiameter.
40
Figuur 5 Belemmeringen windenergie op basis van technisch-ruimtelijke analyse
41
Bijlage 3: Participatiewaaier
42