CConstaterende datBoxmeer (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-R-502o Rapport DLV Advies

Commissievergadering 7 oktober 2021, gemeente Boxmeer (tot 2022)Bij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Landgoed Waterpompstation3.618 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Oostwijk 5 5406 XT Uden

Postbus 511 5400 AM Uden

0413 33 68 00 info@dlvadvies.nl

www.dlvadvies.nl

DEELONDERZOEK GEZONDHEID

E.J.L. van Kessel Teammanager 06 53 40 80 00

Datum 16-06-2021

DLV Bouw, Milieu en Techniek BV - KvK 09090426

INHOUD 1 2

INLEIDING ........................................................................................................................................ 3 VOLKSGEZONDHEID EN VEEHOUDERIJ..................................................................................... 4 2.1

3

GEZONDHEIDSEFFECTEN VEEHOUDERIJEN............................................................................. 6 3.1

3.2

4

Geur..........................................................................................................................................6 3.1.1

Inleiding ....................................................................................................................... 6

3.1.2

Toets woon- en leefklimaat.......................................................................................... 6

3.1.3

Omgekeerde werking .................................................................................................. 7

Fijn stof en endotoxinen ...........................................................................................................7 3.2.1

Fijn stof ........................................................................................................................ 7

3.2.2

Endotoxine................................................................................................................... 8

GEZONDHEIDSEFFECTEN GEITENHOUDERIJ ........................................................................... 9 4.1 4.2 4.3

4.4 4.5 5

Onderzoeken volksgezondheid en veehouderij .......................................................................4

Ligging en invloedsfactoren......................................................................................................9 Geur....................................................................................................................................... 10 Fijn stof en endotoxinen ........................................................................................................ 11 4.3.1

Fijn stof ...................................................................................................................... 11

4.3.2

Endotoxinen............................................................................................................... 11

Q-koorts ................................................................................................................................. 12 Omgekeerde werking geitenhouderij..................................................................................... 12

CONCLUSIES................................................................................................................................. 14

2

1

INLEIDING

Ten westen van Boxmeer ligt een voormalig drinkwaterpompstation. Dit pompstation is gesloten door Brabant Water en als één geheel (panden, technische installaties en omliggend terrein) verkocht. De initiatiefnemer heeft het terrein gekocht met het doel het cultureel erfgoed te herontwikkelen en het terrein samen met enkele omliggende percelen te ontwikkelen tot een nieuw landgoed. Dit deelonderzoek maakt onderdeel uit van de ruimtelijke onderbouwing. In deze onderbouwing moeten onder andere de mogelijke gezondheidseffecten ten gevolge van veehouderijen beoordeeld worden. Vanwege het GGD-advies van 2017 om binnen een straal van 2 km van geitenhouderijen terughoudend om te gaan met nieuwe ontwikkelingen, wordt specifiek ingegaan op de mogelijke effecten van de geitenhouderij. Binnen een straal van 2 km rondom het plangebied is slechts één geitenhouderij aanwezig en deze ligt op ca. 890 m afstand (Sassekamp 6 te Rijkevoort) ten opzichte van het dichtstbijzijnde punt met bestemming wonen. Binnen 1 kilometer van het initiatief zijn maximaal 5 veehouderijen gelegen, 1 pluimveebedrijf, 3 rundveebedrijven en het eerder genoemde geitenbedrijf. In dit rapport worden de mogelijke gezondheidseffecten door veehouderijen beoordeeld (geur, fijn stof en endotoxinen) en wordt daarnaast specifiek ingegaan op de effecten ten gevolge van de geitenhouderij.

Voor een beschrijving van het initiatief, het plangebied en andere relevante beleidskaders en wettelijke kaders wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing. Deze rapportage is als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegd.

3

2

VOLKSGEZONDHEID EN VEEHOUDERIJ.

2.1

ONDERZOEKEN VOLKSGEZONDHEID EN VEEHOUDERIJ

Het RIVM, Wageningen UR, IRAS en NIVEL hebben gezamenlijk het onderzoek “Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden” (VGO) uitgevoerd en in juli 2016 zijn de resultaten van dit onderzoek bekend gemaakt. In het VGO is onderzocht of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben, maar een verminderde longfunctie kunnen hebben. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij. In het vervolgonderzoek “Veehouderij en gezondheid omwonenden (aanvullende studies)” (VGO2) van juni 2017 worden de resultaten uit het VGO bevestigd. Uit aanvullende studies volgen sterke aanwijzingen dat fijn stof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Daarnaast wordt in VGO2 een statistisch significante relatie gevonden tussen het wonen nabij een geitenhouderij (variërend van 1,5 tot 2 kilometer) en een verhoogd risico op het krijgen van longontsteking. Vanwege de onduidelijkheid rondom de causaliteit heeft het Ministerie van LNV opdracht gegeven tot vervolgonderzoek (VGO3). Naar verwachting wordt dit onderzoek in 2022 afgerond.

Op 22 oktober 2018 is het deelrapport ‘Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartsenpraktijken 2014-2016’ aan de Tweede kamer aangeboden. Dit rapport maakt onderdeel uit van de reeks vervolgonderzoeken in het kader van VGO3. De resultaten van dit deelonderzoek wijzen op een associatie tussen het wonen in de nabijheid van een geitenhouderij en een verhoogd risico op longontsteking. Er is ook naar pluimvee en andere diersoorten gekeken, maar daar zijn geen consistente verbanden gevonden met longontsteking. In afwachting van vervolgonderzoek heeft de provincie Noord-Brabant besloten om geen nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen toe te staan. Deze zogenaamde ‘geitenstop’ heeft geen rechtstreekse invloed op het mogelijk maken van gevoelige bestemmingen in de omgeving van een geitenhouderij, maar indirect werkt het verbod wel door in een ruimtelijk plan, de zogenaamde omgekeerde werking. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient de gemeente een afweging te maken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Een wettelijk toetsingskader voor de effecten op de volksgezondheid ontbreekt. Er bestaan geen concrete normen of aan te houden afstanden die in acht genomen moeten worden bij ruimtelijke plannen.

Uit de VGO-onderzoeken blijkt een correlatie tussen de afstand van omwonenden tot veehouderijen in de buurt en gezondheidsklachten van deze omwonenden. Leemten in kennis m.b.t. de causaliteit (oorzaak en gevolg) leiden er toe dat er vooralsnog geen beoordeling kan zijn van risico’s die verbonden zijn aan extra blootstelling op een planlocatie. De inzet van het kabinet is gericht op het generiek verminderen van emissies van fijn stof en ammoniak om zo in brede zin gezondheidswinst te boeken (brief Minister van LNV aan de Tweede Kamer, 3 augustus 2018). De herbestemming ziet niet toe op een toename van emissies en ook niet op toevoeging van nieuwe bronnen van emissies, maar op een toename van blootstelling. Deze toename van blootstelling is echter in omvang beperkt. Een dergelijke lichte toename van het aantal blootgestelden kan door nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid en regelgeving gericht op een generieke afname van emissies, worden gecompenseerd.

4

Een combinatie van wettelijke maatregelen voor veehouderijen heeft als gevolg dat komende jaren de milieubelasting verder omlaag gaat en het woon- en leefklimaat zal verbeteren. De veehouderijen die deelnemen aan de Stoppersregeling Actieplan Ammoniak en Veehouderij zijn op 1 januari 2020 gestopt met de varkens- en/of pluimveetak of voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting (Beh). In de periode 2024 moeten stallen ouder dan 15 jaar (Intensief) en 20 jaar (rundveestallen) gaan voldoen aan de Verordening Natuurbescherming NoordBrabant door toepassing van emissiereducerende stalsystemen. Ook in deze periode gaan meerdere veehouderijen stoppen en zal ook de geitenhouderij aan de Sassekamp 6 extra maatregelen voor het verlagen van emissies moeten gaan treffen. .

5

3

GEZONDHEIDSEFFECTEN VEEHOUDERIJEN

3.1 3.1.1

GEUR INLEIDING

Geurhinder treedt op als de herhaaldelijk waargenomen geur als onaangenaam wordt beoordeeld en het welbevinden daardoor negatief wordt beïnvloed. Geur kan verschillende gezondheidseffecten oproepen bij de mens: (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten en stressgerelateerde lichamelijke gezondheidsklachten. De meest voorkomende en beschreven gezondheidseffecten van geur zijn de effecten van (ernstige) hinder. Hoe hinderlijk mensen een geur vinden hangt onder andere af van de aangenaamheid, duur, frequentie en intensiteit van de geur. Ook de gewenning, het tijdstip en de vermijdbaarheid van de blootstelling spelen een belangrijke rol. Ook beïnvloeden persoonsgebonden eigenschappen de ervaren hinder. Of de hinder ook tot gezondheidsklachten leidt is persoonsgebonden en afhankelijk van de persoonlijke ‘stressverwerking’. 3.1.2

TOETS WOON- EN LEEFKLIMAAT

Bij de beoordeling van ruimtelijke initiatieven nabij veehouderijen moet sprake zijn van een “aanvaardbaar woon- en leefklimaat”. Bij het opstellen van een bestemmingsplan zal moeten worden aangetoond dat de ontwikkeling past binnen de randvoorwaarden die worden gesteld vanuit het geldende geurbeleid. De GGD (Gemeentelijke Gezondheidsdienst heeft toetsingswaarden geformuleerd met betrekking tot het achtergrondniveau voor geur. In het buitengebied wordt een achtergrond van maximaal 10 OU/m³ geadviseerd. Uit de bij de Geurverordening behorende kaart blijkt het achtergrondniveau deels tussen 5 en 10 en deels zelfs beneden 5 OU/m³ te bedragen.. Er is dus geen sprake van een overschrijding van de advieswaarde van de GGD.

6

Veehouderijen met vaste afstand Voor een veehouderij met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld (onder andere melkrundvee) gelden minimale afstanden tussen een geurgevoelig object en een veehouderij van 50 meter (bebouwde kom/woongebieden) en 25 meter (buitengebied). De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde veehouderij bedraagt minimaal 1.000 meter. Gelet op vorenstaande vormt geurhinder uit stallen van veehouderijen geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling. 3.1.3

OMGEKEERDE WERKING

De beoogde woningen zullen voor veehouderijen in het gebied rondom de planlocatie geen beperkende werking hebben. Ten aanzien van het aspect geur zijn deze beoogde woningen niet het meest bepalende geurgevoelige object. Toevoeging van de extra woningen hebben geen beperkende effecten voor veehouderijen in het gebied 3.2 3.2.1

FIJN STOF EN ENDOTOXINEN FIJN STOF

De achtergrondconcentraties van fijn stof (PM10) liggen in de omgeving van de planlocatie onder de wettelijke grenswaarden, dat wil zeggen niet meer dan 35 dagen met een daggemiddelde concentratie boven 50 µg/m3 en een jaargemiddelde concentratie die niet hoger is dan 40 µg/m 3. Hier is het rekenresultaat van de ISL3a opgenomen.

De achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) bedraagt in het plangebied slechts 17-18 (2021). Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Afgelopen jaren zijn de achtergrondconcentraties fijn stof gedaald en naar verwachting zet deze trend de komende jaren door. Het aspect fijn stof vormt geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving.

7

3.2.2

ENDOTOXINE

Tegelijk met het VGO-rapport is in juli 2016 het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a)’ bekend gemaakt. Dit rapport beschrijft het resultaat van metingen aan de emissies van endotoxinen uit de veehouderij. Endotoxinen zijn deeltjes van de celwand van (dode) gramnegatieve bacteriën. Endotoxinen vormen een onderdeel van het fijn stof dat afkomstig is uit veehouderijen. Vooruitlopend op de ontwikkeling van een landelijk toetsingskader heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ (Toetsingskader endotoxinen) opgesteld. Uitgangspunt van het toetsingskader is de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 voor endotoxinen. In het toetsingskader zijn afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld, aan de hand waarvan op basis van de fijn stofemissie in kilogrammen per jaar kan worden bepaald welke afstand tot gevoelige objecten moet worden aangehouden. Naast de individuele contouren per bedrijf moet ook de cumulatie met andere bedrijven in de omgeving betrokken worden in de beoordeling. In het toetsingskader is niet voorzien in een berekeningswijze voor cumulatie, zodat uitgegaan moet worden van een kwalitatieve beoordeling.

Om toch een beeld te geven van de cumulatieve endotoxinenblootstelling zijn de afstandsgrafieken voor een 30 EU/m3 belasting, d.w.z. de bij de grafieken behorende vergelijkingen, wiskundig vertaald naar formules. Met deze formules kan de belasting op een object door emissie van een veehouderij berekend worden. Dit geeft een indicatie van waar de advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk overschreden wordt. Aan de Sassekampweg 4 is een vleeskuikenhouderij gevestigd. Deze heeft de hoogste vergunde fijn stofemissie van de in de nabijheid gelegen bedrijven (vergund 2.381 kg fijn stof). Om aan de adviesgrenswaarde te voldoen is een minimale afstand van 298 meter noodzakelijk. Deze bedraagt 890 meter. Dit is het worstcasescenario, de andere in de nabijheid gelegen bedrijven hebben een vergunde fijn stofemissie tussen de 14 en 95 kg.

Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van gezondheidsrisico’s ten gevolge van endotoxinen. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het aspect endotoxinen vormt geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving.

8

4 4.1

GEZONDHEIDSEFFECTEN GEITENHOUDERIJ LIGGING EN INVLOEDSFACTOREN

Binnen een straal van 2 km is slechts één geitenhouderij aanwezig. Deze is gevestigd aan de Sassekampweg 6 op ca. 890 meter ten westen van het plangebied. Daarnaast is er tussen de geitenhouderij en het plangebied een dicht begroeide bosstrook van 650 meter breed gelegen.

Het is niet mogelijk één veilige afstand aan te geven. De Gezondheidsraad geeft aan dat hiervoor geen wetenschappelijke onderbouwing is. De lokale omstandigheden verschillen daarvoor te sterk. De volgende omstandigheden zijn van invloed op het optreden van eventuele gezondheidseffecten: Dichtheid aan veehouderijen: Veedichte gebieden worden in het VGO-onderzoek geassocieerd met een afname van de longfunctie en aandoeningen van de luchtwegen. De geitenhouderij ligt op relatief grote afstand van het plangebied. Er is door het toevoegen van een woning sprake van een beperkte toename aan blootstelling, maar de extra blootstelling aan emissie uit de geitenhouderij is heel beperkt en zeker gezien de bufferende werking van de grote bosrand. Landgebruik en windrichting: De aanwezigheid van vegetatie, gebouwen en andere structuren hebben invloed op de verspreiding van stoffen in de atmosfeer. Tussen het plangebied en de betreffende geitenhouderij ligt zoals eerder genoemd een enorme hoeveelheid aan bosvegetatie. De meest voorkomende windrichting is zuidwest. Het plangebied ligt ten oosten van het bedrijf en ligt ten opzichte van de geitenhouderij niet in de meest voorkomende windrichting. Emissies: Relevante emissies uit de geitenhouderij zijn geur, fijn stof, endotoxinen en Q-koorts. De emissies en omvang worden in navolgende paragrafen nader toegelicht.

9

4.2

GEUR

Het meenemen van geurhinder door geitenhouderijen in ruimtelijke plannen stuit op hetzelfde gebrek aan inzicht in de causaliteit om de aanvaardbaarheid in het licht van de volksgezondheid te kunnen beoordelen. Gezien de ligging van de geitenhouderij op 890 afstand van het plangebied en de hiervoor beschreven invloedsfactoren, kan geconcludeerd worden dat de geitenhouderij geen substantiële bijdrage heeft aan de geurbelasting ter plaatse van het plangebied. Gerekend vanaf de dichtstbijzijnde woonbestemming bedraagt de geurbelasting vanuit de geitenhouderij 1,6 Oue.

Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van gezondheidsrisico’s ten gevolge van geur. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat en het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving.

10

4.3 4.3.1

FIJN STOF EN ENDOTOXINEN FIJN STOF

Geitenhouderijen zijn, in vergelijking met pluimvee-, varkens- en rundveebedrijven, geen grote bronnen van emissies van fijn stof (PM10). Uit emissieberekeningen die de GGD heeft uitgevoerd, blijkt dat de concentratie fijn stof binnen de eerste 200-300 meter van een intensieve veehouderij daalt tot het achtergrondniveau. Dit geldt onder verschillende voorwaarden, zoals ruwheid, beginconcentratie en windrichting. De bronbijdrage van de geitenhouderij aan de fijn stof achtergrondconcentratie ter plaatse van het plangebied is, gezien de afstand van 890 m en aanwezigheid van een grote bosrand tussen geitenhouderij en het plangebied, te beschouwen als verwaarloosbaar. Het aspect fijn stof vormt geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling. 4.3.2

ENDOTOXINEN

De Gezondheidsraad hanteert een maximale belasting van 30 EU/m³. Er is geen onderzoek of adviesafstand voor geitenhouderijen beschikbaar dat aangeeft of en op welke afstanden de norm van 30 EU/m3 wordt overschreden. De WUR heeft uitstoot van fijnstof en endotoxinen uit geitenstallen gemeten. Hieruit blijkt dat vergeleken met gemiddelde pluimvee- en varkensstallen geitenstallen beduidend minder fijnstof en endotoxinen uitstoten. Ten aanzien van geitenhouderijen schept het geurbeleid ook voldoende afstand voor een aanvaardbaar woon- een leefklimaat ten aanzien van endotoxinen. Wel is het zo dat bij situaties met veel nabijgelegen veehouderijbedrijven door een opeenstapeling van endotoxine-uitstoot ook bij geitenstallen de 30 EU/m3 kan worden overschreden. Hiervan is geen sprake in de omgeving van het plangebied. Sassekamp 6 heeft een vergunde fijn stofemissie van 95 kg. Om aan de adviesgrenswaarde te voldoen is een minimale afstand van 61 meter noodzakelijk. Deze bedraagt 890 meter.

De endotoxine-uitstoot vanuit de geitenhouderij zal gezien de beperkte fijn stofemissie en grote afstand tot het plangebied met de aanwezige vegetatie niet leiden tot een verhoogd gezondheidsrisico ten gevolge van (extra) endotoxinenblootstelling. Geconcludeerd wordt dat de geitenhouderij ten aanzien van het aspect endotoxinen geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

11

4.4

Q-KOORTS

De Q-koorts uitbraak in de periode 2007-2010 heeft in Noord-Brabant ernstige gevolgen gehad. Dit heeft bijgedragen aan de zorgen van omwonenden van veehouderijen over hun gezondheid. Q-koorts is een infectieziekte die kan worden overgedragen van dieren op mensen. Q-koorts wordt veroorzaakt door de Coxiella burnetii, verder aangeduid als Q-koortsbacterie. Besmetting ontstaat meestal door inademen van lucht waar de bacterie in zit. Q-koorts is in principe niet overdraagbaar van mens op mens. Wetenschappelijk gezien is een risico nooit volledig uit te sluiten. Als volgens de experts de kans dat een bepaald effect optreedt erg laag is, wordt dat aangegeven met 'onwaarschijnlijk'. Op dit moment is het onwaarschijnlijk dat een omwonende Q-koorts vanuit een geitenbedrijf oploopt. Alle geiten op bedrijven met meer dan 50 dieren worden verplicht gevaccineerd tegen Q-koorts en er mogen geen ongevaccineerde dieren worden aangevoerd. Om de aanwezigheid van de Q-koortsbacterie op een bedrijf te monitoren, wordt de tankmelk door de Gezondheidsdienst voor Dieren gecontroleerd. Sinds juli 2016 is de Q-koortsbacterie op geen enkel bedrijf in de melk aangetroffen. De Q-koortsbacterie is nog wel in het milieu aanwezig. Q-koortsbacteriën kunnen onder allerlei omstandigheden overleven en er zijn maar weinig bacteriën nodig om een infectie op te lopen.

Herkauwers zijn de belangrijkste gastheren van de Q-koortsbacterie, maar ook andere diersoorten kunnen besmet raken en de bacterie verspreiden. Daardoor zullen incidentele besmettingen en ziektegevallen ook de komende jaren voorkomen, net als in de periode voor de Q-koortsuitbraak. Dit gegeven staat echter los van geitenhouderijen. Een infectie kan op geitenhouderijen alleen nog uit de omgeving komen en zal in dat geval slechts een of enkele gevaccineerde geiten betreffen. Daarom is het onwaarschijnlijk dat een omwonende vandaag de dag Q-koorts krijgt vanuit een geitenbedrijf. Het is ook onwaarschijnlijk dat omwonenden door opslag of afvoer van geitenmest worden besmet. Mest uit geitenstallen moet of direct in een afgedekte vrachtwagen naar een erkend composteerbedrijf worden afgevoerd of minstens 30 dagen afgedekt worden opgeslagen. Afdekken zorgt voor een composteringsproces waardoor de temperatuur van de mest zo ver stijgt dat Q-koortsbacteriën, die eventueel in de mest zouden zitten, het niet overleven. Besmetting met Q-koorts vanuit een geitenbedrijf is door verplicht vaccineren en andere wettelijke verplichtingen binnen de geitenhouderij onwaarschijnlijk geworden. Geconcludeerd wordt dat het aspect Q-koorts geen belemmering vormt voor de beoogde planontwikkeling en er geen sprake is van een (verhoogd) gezondheidsrisico. 4.5

OMGEKEERDE WERKING GEITENHOUDERIJ

In opdracht van het BPO speerpunt Veehouderij is in 2017 een memo opgesteld door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid. Meerdere gemeenten hadden het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid vragen gesteld over de vergunningverlening en de doorwerking in de ruimtelijke ordening (omgekeerde werking) in relatie met het geitenmoratorium en de bepalingen in de Verordening ruimte NoordBrabant. Naar aanleiding van de vragen heeft het ondersteuningsteam een memo opgesteld. In dit memo wordt op de eerste plaats het hoe en waarom van het moratorium geitenhouderij uitgelegd. Het moratorium is er gekomen op verzoek van gemeenten en verwerkt in de Verordening ruimte NoordBrabant. De regels en de reikwijdte voor de vergunningverlening worden behandeld. Daarbij wordt ook ingegaan op vergunningaanvragen van geitenhouderijen die niet onder de reikwijdte van de verordening vallen. Milieuregels werken ook door in de ruimtelijke ordening (omgekeerde werking). 12

Op basis van deze memo is Brabant door de regionale kopgroep Intensieve Veehouderij een volgend advies gegeven. 1.

Een uitbreiding van het aantal geiten in bestaande stallen is niet wenselijk, tenzij er in gezondheidskundige zin geen bezwaar tegen de uitbreiding bestaat (stand still).

2.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet het risico op longontstekingen meegewogen worden. Er is echter geen algehele stop op ontwikkelingen rondom een geitenhouderij. De kopgroep geeft colleges het volgende advies mee: a. Stel een kaart op met de cirkels van 2 km rondom geitenhouderijen om een overzicht te hebben waar een aanvullende afweging van het risico op longontstekingen noodzakelijk is. Alleen binnen een cirkel is dat nodig. b. Zorgvuldigheid en maatwerk in die afweging is noodzakelijk. Een individuele afweging is altijd noodzakelijk. Ook met het oog op de juridische houdbaarheid. c.

Ga met ontwikkelingen die te maken hebben met het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen terughoudend om. Dat betekent ook dat andere objecten of plannen, na een afweging, kunnen doorgaan.

d. Informeer aanvragers en inwoners over het risico (bijvoorbeeld door het opnemen van een paragraaf in het besluit). Ad 1. Uitbreiding van een geitenhouderij is in onderhavig plan niet aan de orde. Ad 2. Onder a) Onder b) Onder c) Onder d)

Er is een geitenhouderij gelegen binnen een cirkel van 2 kilometer. Een individuele afweging is gemaakt in dit deelonderzoek, met name ook de ligging van het plangebied met de grote hoeveelheid vegetatie beperkt de risico’s. Het plan voorziet niet in het huisvesten van de genoemde kwetsbare groepen. Initiatiefnemers zijn zich terdege bewust van de aanwezigheid van een geitenhouderij. Initiatiefnemers zullen hier in de toekomst ook mogelijke nieuwe bewoners proactief over informeren, met de toevoeging dat het voornemen een generatielange bewoning beoogd door de familie.

Geconcludeerd wordt dat het aspect omgekeerde werking geen belemmering vormt voor de beoogde planontwikkeling.

13

5

CONCLUSIES

Het plangebied ligt in een omgeving met een lage dichtheid aan veehouderijen. Veehouderijen liggen op relatief grote afstand van het plangebied. Binnen 2 km rondom het plangebied ligt slechts één geitenhouderij (op 890 m afstand). De voorgenomen ontwikkeling betekent een beperkte toename van blootstelling aan emissies van veehouderijen. Deze extra blootstelling is heel beperkt. Een dergelijke lichte toename van het aantal blootgestelden wordt gecompenseerd door nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid en regelgeving gericht op een generieke afname van emissies uit veehouderijen. Het effect op de toename van de blootstelling is gering vanwege de lage veedichtheid in de omgeving en de afstand tot de geitenhouderij en overige veehouderijen. Aangezien tussen de aanwezige veehouderijen en het plangebied al bestaande gevoelige objecten dichterbij liggen, zal het plan vanuit de omgekeerde werking ook geen beperkende effecten hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen in het gebied. Ten aanzien van de geitenhouderij is in dit onderzoek een zorgvuldige afweging voor de locatie gemaakt. Op alle relevante aspecten wordt een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd ter plaatse van het plangebied, uitgangspunt voor een goede ruimtelijke ordening.

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Boxmeer&id=96a1a749-60e4-43a5-a726-ffb071a2b9d6