CConstaterende datBoxmeer (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-R-481a Toelichting ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

Raadsvergadering 1 april 2021, gemeente Boxmeer (tot 2022)Bij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Provincialeweg 4b te Vortum-Mullem8.024 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1.

2.

3.

4.

INLEIDING

1

1.1

Aanleiding en doel

1

1.2

Plangebied

1

1.3

Geldend bestemmingsplan

1

1.4

Ontwikkeling

2

BELEIDSKADER

3

2.1

Rijk

3

2.2

Provincie

5

2.3

Regio

7

2.4

Gemeente

8

UITVOERINGSASPECTEN

12

3.1

Milieuaspecten

12

3.2

Fysieke aspecten

15

3.3

Economische en financiële aspecten

17

3.4

Handhaafbaarheid

18

JURIDISCHE VERANTWOORDING

19

4.1

Algemeen

19

4.2

Toelichting op de regels

19

5.

(VOOR)OVERLEG

20

6.

ADVIEZEN EN RAPPORTEN

20

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel

Op het perceel Provincialeweg 4b te Vortum-Mullem is een glastuinbouwbedrijf gevestigd. Op het perceel staat een kassencomplex met bijbehorende bedrijfswoning. In verband met de plannen om het bedrijf te beëindigen is gezocht naar de meest geschikte mogelijkheid tot herontwikkeling van dit perceel. Gezien de ligging binnen de bebouwde kom en gezien de bestemmingen van de omliggende percelen is een herontwikkeling voor woningbouw het meest logisch. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in wijziging van de bestemming van “agrarisch” naar “wonen”.

1.2

Plangebied

Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen gemeente Boxmeer, sectie T, nummers 344, 345 en 385. Het grenst aan één zijde aan de Provincialeweg en aan de andere zijde aan De Steeg. De totale oppervlakte bedraagt ± 6700 m².

1.3

Geldend bestemmingsplan

Op het plangebied is het bestemmingsplan “Vortum-Mullem”, vastgesteld op 23 maart 2017, van toepassing. De volgende bestemmingen zijn van toepassing: - Enkelbestemming “Agrarisch” - Dubbelbestemming “Archeologie-2” - Dubbelbestemming “Archeologie-3”.

Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

1

1.4

Ontwikkeling

In het voorliggende plan wordt de bestemming van de bestaande bedrijfswoning gewijzigd naar burgerwoning. Tevens worden bouwmogelijkheden voor 3 nieuwe woningen opgenomen. Twee nieuwe woningen worden georiënteerd op de Provincialeweg, één op De Steeg.

2

Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

2.

BELEIDSKADER

2.1

Rijk

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is begin 2012 in werking getreden en geeft weer de volgende ambities voor Nederland die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen richting 2040.  Nederland behoort in 2040 tot de top 10 concurrerende landen van de wereld door een goede ruimtelijk-economische structuur voor een excellent vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers. Dit betekent o.a. een optimale internationale bereikbaarheid van stedelijke regio’s in 2040 en uitstekende logistieke verbindingen van de mainports Rotterdam en Schiphol, brainport Zuidoost Nederland en de greenports met Europa en de rest van de wereld.  De gebruikers van de wegen, spoorwegen en vaarwegen beschikken in 2040 over optimale ketenmobiliteit door een goede verbinding van de verschillende mobiliteitsnetwerken via multimodale knooppunten (voor personen en goederen) en door een goede afstemming van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling.  De woon- en werklocaties in steden en dorpen sluiten in 2040 aan op de (kwalitatieve) vraag en locaties voor transformatie en herstructurering worden zoveel mogelijk benut.  Nederland biedt in 2040 zijn inwoners een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit, zowel in stedelijk als landelijk gebied.

Daarnaast is Nederland in 2040 blijvend beschermd tegen overstromingen en heeft Nederland de bestaande (inter)nationale unieke cultuurhistorische waarden en een natuurnetwerk dat de flora- en faunasoorten in stand houdt.  Nederland kent in 2040 een robuust internationaal energienetwerk en de energietransitie is substantieel ver gevorderd. Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur.  Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat.  Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het op 30 december 2011 in werking getreden Besluit algemene regels ruimtelijk ordening (Barro) beschrijft een aantal projecten en stel per project regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Het gaat onder meer de volgende nationale belangen: 1. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 2. Rijksvaarwegen; 3. Defensie; 4. Natuurnetwerk Nederland; 5. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 6. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 7. Elektriciteitsvoorziening; 8.

Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; 9. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 10. Kustfundament; 11. Grote rivieren; 12. Waddenzee en waddengebied; 13. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Sinds 1 oktober 2012 gelden er via het Barro landelijke regels voor het bestemmen van primaire waterkeringen en de bijbehorende beschermingszones.

Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

3

2.1.3 Nationaal Waterplan en Nationaal Bestuursakkoord Water In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009-2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. De klimaatverandering en de daarmee samenhangende stijging van de zeespiegel, nattere winters en hogere neerslagentiteiten in de zomerperioden vragen een ander waterbeheer in de 21e eeuw en meer ruimte voor water. Het Nationaal Bestuursakkoord Water, afgesloten in 2003, geactualiseerd in 2008 en met een looptijd tot 2015, en het Bestuursakkoord Waterketen dat in 2007 is afgesloten met een looptijd tot 2011, hebben de basis gelegd voor het huidige Bestuursakkoord Water (2011). Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten hebben afgesproken dat de regionale watersystemen in 2015 op orde moeten zijn. Samenwerking en afstemming tussen de overheden is hierbij erg belangrijk. In het NBW is afgesproken dat water een medesturend aspect is binnen de ruimtelijke ordening en dat het watersysteem ‘op orde’ moet worden gebracht.

Dit betekent dat het watersysteem robuust en veerkrachtig moet zijn en moet voldoen aan de normen voor wateroverlast, nu en in de toekomst. De watertoets vormt hierbij een waarborg voor de inbreng van water in de ruimtelijke ordening. Een bijlage bij het NWP is het stroomgebiedbeheerplan (SGBP) voor de Maas. Dit beheerplan geeft onder meer een beschrijving van het stroomgebied Maas, de doelen voor de oppervlakte- en grondwaterlichamen en een samenvatting van de maatregelen die genomen gaan worden. 2.1.4 Het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) In 2001 verscheen de kabinetsnota ‘Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid’, beter bekend als het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4). In dit beleidsplan wordt voor zeven grote milieuproblemen beschreven dat over dertig jaar forse moeilijkheden worden verwacht wanneer nationaal en internationaal ingrijpen uitblijft: verlies aan biodiversiteit klimaatverandering overexploitatie van natuurlijke hulpbronnen bedreigingen van de gezondheid bedreigingen van de externe veiligheid aantasting van de leefomgeving mogelijk onbeheersbare risico’s. In NMP4 licht het kabinet het te voeren milieubeleid toe. Het NMP4 wil een einde maken aan het afwentelen van milieulasten op de generaties na ons en op mensen in arme landen. Want met de huidige manier van produceren en consumeren schuiven we nog steeds onze milieulasten door naar anderen.

Volgens het NMP moet het lukken binnen 30 jaar te zijn overgestapt naar een duurzaam functionerende samenleving. Conclusie: het Rijksbeleid levert geen belemmeringen op voor het plan.

4

Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

2.2

Provincie

2.2.1 Structuurvisie Noord-Brabant De Wet ruimtelijke ordening vraagt overheden om hun belangen duidelijk in een structuurvisie te definiëren. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben daartoe in 2010 de Structuurvisie ruimtelijke ordening vastgesteld. Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze Structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Belangrijke beleidswijzigingen hebben betrekking op de realisatie van natuur en de transitie naar zorgvuldige veehouderij in Brabant. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. Die is: “samenwerken aan kwaliteit”. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren. In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijk structuren: de groenblauwe mantel, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.

De provincie heeft geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkeld, maar geeft haar visie op het landschap vorm in de “uitwerking gebiedspaspoorten”. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze kunnen worden versterkt. Er zijn ook deelstructuurvisies opgesteld voor specifieke onderwerpen. 2.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Een structuurvisie is niet direct juridisch bindend voor burgers en overheden. Toch kan het in het kader van de ruimtelijke ordening van provinciaal belang zijn om bepaalde aspecten veilig te stellen. De provincie heeft daartoe een Verordening Ruimte opgesteld, de juridische vertaling van de Structuurvisie. De op 18 maart 2014 in werking getreden Verordening Ruimte 2014 bevat in hoofdzaak algemene regels die de gemeente in acht moet nemen bij het opstellen van met name bestemmingsplannen buiten het stedelijk gebied. Per 5 november 2019 is de Verordening Ruimte vervangen door de Interim omgevingsverordening (IOV) Noord-Brabant. Het plangebied is gelegen binnen de begrenzingen van het bestemmingsplan “Vortum-Mullem” en maakt als zodanig deel uit van de bebouwde kom van Vortum-Mullem. Volgens de kaarten behorende bij de IOV is het plangebied echter gelegen buiten bestaand stedelijk gebied.

In verband hiermee zal de gemeente een verzoek bij de provincie indienen om ten behoeve van deze ontwikkeling de begrenzing van het stedelijk gebied aan te passen. Het voornemen om dit verzoek in te dienen is tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Het onderhavige terrein is op de kaarten behorende bij de IOV tevens aangeduid als “aardkundig waardevol gebied” en “cultuurhistorisch waardevol gebied”. Het terrein is echter in de bestaande situatie vrijwel volledig bebouwd met bedrijfsbebouwing (kassen) ten behoeve van een agrarisch bedrijf. De genoemde waarden zijn in de bestaande situatie al niet meer zichtbaar. Door de gewenste ontwikkeling zullen de genoemde waarden dus ook niet (verder) aangetast worden. Er is eerder sprake van een verbetering omdat er flink veel bebouwing verdwijnt en het terrein landschappelijk wordt ingepast. Bevordering ruimtelijke kwaliteit Het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit is in de Structuurvisie Noord-Brabant benoemd als een van de principes voor ruimtelijke ontwikkeling. Aandachtspunten daarbij zijn:  zorgvuldig ruimtegebruik: een verbod voor nieuwvestiging, herstructureren, inbreiding  concentreren van bebouwing en voorzieningen  rekening houden met omliggende functies en waarden  verbeteren van landschap (in brede zin van het woord).

Het terrein is voor een klein deel ( 240 m²) gelegen in bestaand stedelijk gebied op grond van de IOV. De rest van het terrein is gelegen in gemengd landelijk gebied. Hoewel het de bedoeling is om het terrein binnen het bestaand stedelijk gebied te brengen, is artikel 3.9 (kwaliteitsverbetering van het landschap) van de IOV van toepassing. Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

5

De ontwikkeling valt onder categorie 3 van de Regeling kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Boxmeer 2019. Dit houdt in dat een berekende kwaliteitsverbetering van het landschap ( 20% van de grondwaardevermeerdering) van toepassing is. Het huidige agrarische bouwblok is 6.700 m² groot. Hiervan is 240 m² gelegen in bestaand stedelijk gebied. De waarde van grond behorende tot een agrarisch bouwblok is in de regeling gewaardeerd op € 15,-- per m². De waarde van grond behorende bij wonen is in de regeling gewaardeerd van €100,-- tot € 250,-- per m² (afhankelijk van de grootte van het perceel). Voor sloop van bebouwing is een bedrag vastgesteld van € 25,-- per m². Hiermee rekening houdend leidt dit tot de volgende berekening, rekening houden met de staffeling uit de tabel: Perceelgrootte: 6.700 m² – 240 m² = 6.460 m² Waardevermeerdering: 1000 m² x (250-15) x 20% = 1500 m² x (150-15) x 20% = 3960 m² x (100-15) x 20% = Totaal:

€ 47.000,-€ 40.500,-€ 67.320,-€ 154.820,--

Inbreng door sloop kassen (AF) 5000 m² x € 25,-- =

€ 125.000,--

Resteert

€ 29.820,--

Op grond van de Regeling kwaliteitsverbetering dient dit bedrag allereerst besteed te worden aan een goede landschappelijke inpassing van het terrein. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarvan de uitvoering door middel van een anterieure overeenkomst is gewaarborgd. De tegenwaarde voor dit inpassingsplan is vastgesteld op € 8482,50. Het daarna nog resterende bedrag dat verschuldigd is op grond van de Regeling kwaliteitsverbetering (€ 21.337,60) is door de aanvrager gestort in het landschapsfonds van de gemeente.

Conclusie: het provinciaal beleid levert geen belemmeringen op voor het plan..

6

Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

2.3

Regio

2.3.1 Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap Aa en Maas Het beleid van het waterschap Aa en Maas is vastgesteld in het Waterbeheersplan 2016 - 2021. Dit plan kent de volgende hoofddoelstelling: 'Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant en waarbij de veiligheid is gewaarborgd.' Voor een duurzaam waterbeheer hanteert het waterschap een vijftal doelstellingen:  zorg voor een duurzame watervoorziening  zorg voor een veilig en bewoonbaar gebied (minimaliseren van wateroverlast)  zorg voor gezond, natuurlijk en schoon water  vergroten van de ecologische en landschappelijke betekenis van water (belevingswaarde)  optimaliseren van de inspanningen voor de waterbeheerder. 2.3.2 Keur 2015 De Keur is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap. Maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen (o.a. agrariërs, tuinders). De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot, of het plaatsen van een duiker of brug.

Medewerkers van het waterschap controleren de naleving van de Keur en overtredingen worden bestraft. 2.3.3 Regionaal Convenant duurzaam (ver)bouwen Noordoost-Brabant Het regionaal convenant Duurzaam Bouwen is tot stand gekomen in samenwerking met vijf woningbouwcorporaties (waaronder Mooiland, Brabant wonen en Wonen Vierlingsbeek), 11 gemeenten (waaronder Boxmeer) en de lokale vertegenwoordiging van BouwendNederland (vereniging van bouw- en infrabedrijven) en Uneto-VNI (installatiebedrijven). Met het afsluiten van dit convenant willen de partijen realiseren dat alle nieuwbouw en renovaties in de woningbouw duurzaam worden uitgevoerd. Duurzaam bouwen richt zich met name op het toepassen van verantwoorde materialen, zuinig omgaan met energie en water en het creëren van een gezond binnenklimaat. Duurzaam bouwen levert niet alleen meer comfort op, het zorgt ook voor lagere woonlasten. Bovendien gaat de kwaliteit van de woning omhoog. Algemene ambities van het convenant zijn:  energiezuinig (ver)bouwen en het terugdringen van energie- en woonlasten;  het verbeteren van de levensloopbestendigheid van en in gebouwen;  het bewustmaken van de eindgebruiker van de meerwaarde van duurzame gebouwen en de mogelijkheden voor het terugdringen van energielasten. De duurzaamheid van een woning kan uitgedrukt worden in GPR prestatieniveaus.

GPR is een meetinstrument bestaand uit vijf modules (energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde). Per module kan een score tussen 0 en 10 worden gehaald. Hoe duurzamer de woning des te hoger de GPR-score. Alle nieuwe woningen die door de aan het convenant deelnemende partijen gerealiseerd worden, moeten over de vijf thema’s een gemiddelde GPR-score van tenminste 7 halen. 2.3.4 Beleidsvisie externe veiligheid gemeenten Land van Cuijk Samen met de gemeenten in het Land van Cuijk is een tweede regionale beleidsvisie externe veiligheid opgesteld. De beleidsvisie richt zich op het beheersen van externe veiligheidsrisico’s in de vijf gemeenten. In de visie van de gemeenten in het Land van Cuijk moeten groepsrisicovraagstukken integraal, dat wil zeggen in onderlinge afstemming tussen alle betrokken beleidsvelden, worden beoordeeld. Pas wanneer de verantwoording met de volwaardige inbreng van alle beleidsvelden heeft plaatsgevonden, kan sprake zijn van integrale besluitvorming. Voorwaarde om dit te bereiken is dat alle aspecten vroeg in het planvormingsproces worden meegenomen. In deze beleidsvisie zijn de risicosituaties geprioriteerd aan de hand van criteria die voor de ruimtelijke ordening, milieubeheer en rampenbestrijding belangrijk zijn.

Deze prioritering kan bij de beoordeling van lokale initiatieven en ontwikkelingen richting geven aan de interne advisering bij de gemeenten. Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

7

2.4

Gemeente

2.4.1 Volkshuisvesting Artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt, dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling. Uit een in 2012 uitgevoerd woonwensenonderzoek is gebleken dat de meeste (90%) huishoudens in het Land van Cuijk geen concrete verhuisplannen hebben. Degenen die wel een verhuiswens uitspreken, willen vooral in de eigen kern c.q. gemeente blijven wonen. Hieruit blijkt dus vooral een taak om bouwactiviteiten te richten op de lokale behoefte. Er is geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat deze wens in de laatste jaren gewijzigd is. Begin 2013 (in Boxmeer op 28 maart) hebben de vijf gemeenteraden in het Land van Cuijk, met medeweten van de provincie, de “Woningmarktstrategie Land van Cuijk (deel 1 strategiedocument en deel 2 achtergronddocument) vastgesteld. Hierin is geconstateerd dat er binnen de regio sprake is van (relatief) lokale woningmarkten. Blijkens het onderzoek concurreren woningbouwprojecten binnen de gemeente niet met projecten in de andere gemeenten in het Land van Cuijk. Bouwactiviteiten in de regio die zich richten op de lokale behoefte, zijn echter wel van belang om het voorzieningenniveau van de regio op peil te houden.

Daarnaast heeft ‘uit de pas lopen’ bij de lokale behoefte ongewenste effecten op de lokale woningmarkten. Daarom stellen de gemeenten van het Land van Cuijk het bouwen naar (lokale) behoefte als een gedeeld (regionaal) belang. Door te concluderen dat het betreffende woningbouwproject voorziet in de actuele lokale behoefte, wordt tegelijkertijd geconcludeerd dat voorzien wordt in de actuele regionale behoefte, zoals bedoeld in artikel 3.1.6, lid 2. In mei 2017 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant een nieuwe bevolkingsen woningbehoeftenprognose gepresenteerd met daaraan gekoppeld een indicatie van de toename van de woningvoorraad per gemeente tot 2020 en een doorkijk tot 2040. De provincie gaat uit van een woningvoorraad in de gemeente Boxmeer van 12.575 woningen op 1 januari 2022 en 12.990 woningen op 1 januari 2027. Gezien de voorraad op 1 januari 2020 (12.529) moeten in de periode 2020 tot en met 2026 nog ongeveer 461 woningen gebouwd worden waarvan ongeveer 46 woningen tot en met 2021. De tot 2027 te bouwen woningen zijn naar rato van het aantal inwoners over de elf kernen verdeeld: Beugen 5,5% Boxmeer 46,7% Groeningen 1,3% Holthees 1,6% Maashees 3,1% Oeffelt 7,8% Overloon 12,5% Rijkevoort 5,5% Sambeek 5,2% Vierlingsbeek 8,8% Vortum-Mullem 2,0%. In Vortum-Mullem moeten in de periode tot en met 2026 nog circa 9 woningen gebouwd worden.

Het voorliggende plan voorziet in de toevoeging van 3 woningen en past dus binnen het bouwprogramma van de gemeente Boxmeer. 2.4.2 Gemeentelijk beleid hogere geluidsgrenswaarden De nieuwe Wet Geluidhinder die per 1 januari 2007 van kracht is geworden, verplicht de gemeenten lokaal geluidbeleid ten aanzien van de Hogere Waarde procedure op te stellen. De (geluid) wetgeving geeft handvatten voor het ontwikkelen, opstellen en uitvoeren van lokaal geluidbeleid. Het geluidbeleid van de Gemeente Boxmeer is vastgelegd in de op 16 april 2013 vastgestelde Geluidnota. Aan de nota is beleid voor industrielawaai toegevoegd. Hiermee wil de gemeente Boxmeer het toelaten van geluidproducerende bedrijvigheid reguleren. De gemeente wil voor haar grondgebied, en zeker bij nieuwe ontwikkelingen, een zo optimaal mogelijke kwaliteit realiseren. Dit wordt mede gerealiseerd door gebiedsgericht milieubeleid. In de Gemeente Boxmeer zijn hiervoor zes gebiedstypen gedefinieerd. De ligging van deze gebiedstypen is weergegeven op een gebiedstypenkaart.

8

Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

Per gebiedstype wordt er door de gemeente een ambitieniveau en een basisniveau voor de geluidkwaliteit en milieugezondheidskwaliteit (GES-scores ) gehanteerd. De niveaus worden passend gevonden bij de functie van het gebied en zijn leidend bij het toelaten van nieuwe ontwikkelingen. De gebiedsgerichte ambitie- en basisniveaus bewegen zich binnen de kaders van de vigerende wet- en regelgeving. Voor wegverkeerslawaai worden voor bepaalde gebiedstypen de wettelijke mogelijkheden volledig benut, voor andere gebiedstypen wordt hier terughoudender mee omgegaan. Op onderdelen is vanuit oogpunt van realisme een versoepeling, vereenvoudiging, accentverschuiving of verduidelijking doorgevoerd. Het beleid is vertaald naar te maken afwegingen voor een praktische toepassing in twee uitwerkingsnota’s een voor wegverkeerslawaai en een voor industrielawaai. De uitwerkingsnota’s bevatten de vertaling van de ambities naar te maken afwegingen en te stellen voorwaarden bij het maken van ruimtelijke plannen en nemen van besluiten. De landelijke Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02 9

geluidwet- en regelgeving voor vooral RO/verkeer is zeer complex. Invulling van de gemeentelijke beleidsvrijheid kan dat niet veranderen. Daarom zijn de afwegingen en voorwaarden die in de wetgeving staan samengevat in een stroomschema. Dit vergemakkelijkt het toepassen van het beleid in de dagelijkse uitvoeringspraktijk. Door het stroomschema te doorlopen, wordt gestructureerd de afwegingen van het beleid gevolgd. De woningen die gebouwd zullen worden aan de Provincialeweg vallen binnen gebiedstype B en liggen binnen de invloedssfeer van deze weg, De ambitiewaarde voor dit gebied is vastgesteld op 48 dB en de basiswaarde op 58 dB. De woning die gebouwd zal worden aan De Steeg valt binnen gebiedstype C. De ambitiewaarde voor dit gebied is vastgesteld op 43 dB en de basiswaarde op 53 dB. Uit een gehouden akoestisch onderzoek (rapportage 21 november 2019) is gebleken dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de basiswaarden nergens overschrijden. Voor geluid afkomstig van het verkeer op de Provincialeweg geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de twee nieuwe woningen de voorkeurgrenswaarde van 48 dB overschrijdt (tot 51 dB). De maximale ontheffingswaarde van 63 dB in stedelijk gebied wordt nergens overschreden.

Omdat geluidreducerende maatregelen (bron- en overdrachtsmaatregelen) vanwege financiële, stedenbouwkundige en fysieke redenen niet mogelijk is hebben burgemeester en wethouders voor deze twee woningen een ontheffing voor een hogere grenswaarde verleend. Voor de omzetting van de bestemming van de bestaande bedrijfswoning en voor de nieuwe woning aan De Steeg hoeft geen hogere waarde te worden aangevraagd. 2.4.3 Gemeentelijk waterplan Het gemeentelijk waterplan beschrijft de visie op water in samenhang voor het gehele watersysteem en de waterketen. Op 6 augustus 2013 heeft het college van B & W het waterplanprojectenboek 2014-2016 vastgesteld. Dit uitvoeringsprogramma is in zeer nauwe samenwerking met het waterschap Aa en Maas opgesteld. Samen met het waterschap streeft de gemeente Boxmeer ernaar om gezamenlijke waterdoelen en streefbeelden voor het totale watersysteem en de totale waterketen tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten te realiseren. De gemeente wil op zijn minst voldoen aan de verplichtingen die vanuit hogere overheden op de gemeente afkomen: de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water (Stedelijke wateropgave), de “Wet gemeentelijke watertaken” etc. In het waterplan zijn zeven waterdoelen geformuleerd: 1. Een veilig en gezond (grond)watersysteem in 2015. 2. Een veerkrachtig en duurzaam (grond)watersysteem in 2015. 3.

Een optimaal functionerende waterketen in 2015. 4. Water als ordenend principe. 5. Recreatie en educatie. 6. Effectieve waterorganisatie. 7. Waterbewustzijn en watercommunicatie. 2.4.4 Welstandsnota 2014 Op 1 januari 2003 is de Woningwet gewijzigd. Een van de wijzigingen had betrekking op de uitoefening van het welstandstoezicht. Ingevolge de Woningwet moeten bouwplannen beoordeeld worden op basis van vooraf vastgelegde welstandscriteria waarin zo concreet mogelijk moet staan wat het criterium ‘redelijke eisen van welstand’ inhoudt. De beleidsregels van de gemeente Boxmeer zijn in 2004 vastgelegd in de Welstandsnota, die op 16 juli 2014 vervangen is door de op 3 juli 2014 door de gemeenteraad vastgestelde Welstandsnota 2014. In de Welstandnota 2014 zijn drie welstandsniveaus te onderscheiden:

10

Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

De bestaande bedrijfswoning valt onder welstandsniveau 1 en bebouwingstype H2 (historisch dorps bebouwingslint); de overige delen van het plangebied vallen onder welstandsniveau 2 en bebouwingstype G3 (boerenerf, agrarisch buitengebied).

Voor de te bouwen woning aan De Steeg zal tegelijk met de vaststelling van het bestemmingsplan de welstandsnota gewijzigd worden. Het bouwperceel voor deze woning zal de aanduiding “welstandsvrij” krijgen.

Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

11

3.

UITVOERINGSASPECTEN

3.1

Milieuaspecten

3.1.1 Bedrijfshinder In de publicatie “bedrijven en milieuzonering” (editie 2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zijn indicatieve richtafstanden voor woningbouw nabij verschillende typen bedrijven opgenomen. De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Binnen deze richtafstanden is hinder ten gevolge van het betreffende bedrijf niet uit te sluiten. Woningbouw binnen deze richtafstand is inpasbaar, indien aangetoond wordt dat (eventueel na het treffen van maatregelen) voor het betreffende bedrijf een kleinere richtafstand van toepassing is. Het plangebied is niet binnen een milieuzone van een bedrijf gelegen, waardoor er geen sprake is van bedrijfshinder. 3.1.2 Bodemkwaliteit De gemeente Boxmeer sluit in haar lokale bodembeleid aan bij het Besluit bodemkwaliteit en zet in op duurzaam gebruik van de ondergrond om de milieudoelstellingen zoals door de Rijksoverheid onder andere om te komen tot een afname van de CO2-uitstoot, een beheersing van (eventueel) aanwezige bodemverontreiniging per 2030 (landsdekkend beeld) het inzichtelijk maken van de diverse grondstromen en het tegengaan van verspreiding van bodemverontreiniging.

Met het gemeentelijk bodembeleid worden mogelijkheden geschapen om binnen het gemeentelijke beheersgebied op een milieuverantwoordelijke wijze met zo min mogelijk financiële consequenties secundaire grondstoffen opnieuw te gebruiken. Het bodembeleidsplan heeft betrekking op het grondgebied van de gemeente Boxmeer en biedt een overkoepelend kader. De bodemkwaliteitskaart en de regels voor grondverzet uit het bodembeheerplan (2006) zijn nog steeds geldig en het bodembeleidsplan verwijst naar de relevante delen en geeft daar waar nodig aanvullingen. Omdat op dit moment het kassencomplex er nog staat, is ervoor gekozen om nog geen bodemonderzoek uit te voeren. Wanneer een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning wordt ingediend zal de aanvrager een rapport van een verkennend onderzoek moeten overleggen. 3.1.3 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen oplopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:  Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);  Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);  Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor 12 Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Wanneer groepsrisicoverantwoording? Inrichtingen (Bevi) Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Buisleidingen (Bevb) Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1. het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2.

de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3. personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Weg, spoorweg of Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. binnenwater (Bevt) Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1. het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2. de toename minder is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 3. personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (artikel 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

Beleidsvisie externe veiligheid gemeenten Land van Cuijk De gemeente Boxmeer heeft samen met de gemeenten in het Land van Cuijk een regionale beleidsvisie externe veiligheid opgesteld. De beleidsvisie richt zich op het beheersen van externe veiligheidsrisico’s in de gemeenten Boxmeer, Cuijk, Grave, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis. De gemeenten hebben gekozen voor een gezamenlijke aanpak bij het opstellen van deze beleidsvisie omdat externe veiligheid veelal grensoverschrijdend is. Wanneer geen goede ruimtelijke scheiding van risico’s en risico-ontvangers wordt bereikt kunnen nieuwe knelpunten ontstaan. De gemeenten zetten daarom in op het maken van keuzes ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en streven naar een logische en verantwoorde scheiding tussen de risicovolle activiteiten en kwetsbare groepen. Bij de verantwoording van het groepsrisico wordt een brede afweging van belangen van diverse beleidsvelden verwacht. Het integrale karakter van deze groepsrisicoverantwoording maakt dat nadrukkelijk afstemming moet plaatsvinden tussen de beleidsvelden ruimtelijke ordening, milieubeheer en de rampenbestrijding. In de visie van de gemeenten in het Land van Cuijk moeten groepsrisicovraagstukken daarom integraal, dat wil zeggen in onderlinge afstemming tussen alle betrokken beleidsvelden, worden beoordeeld.

Pas wanneer de verantwoording met de volwaardige inbreng van alle beleidsvelden heeft plaatsgevonden, kan sprake zijn van integrale besluitvorming. Voorwaarde om dit te bereiken is dat alle aspecten vroeg in het planvormingsproces worden meegenomen. Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02 13

Beschouwing risicobronnen Om de risico’s in de omgeving van het plangebied te inventariseren is de nationale risicokaart geraadpleegd. Hieruit is gebleken dat in de omgeving van het plangebied één relevante risicobron aanwezig is, te weten de provinciale weg N 551. De risicocontouren van overige risicobronnen in de omgeving reiken niet over het plangebied. Conclusie Uit een door de Omgevingsdienst Brabant Noord gehouden onderzoek is gebleken dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Het groepsrisico is beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft eveneens advies uitgebracht en onderschrijfr deze conclusie. 3.1.4 Geur De op 1 januari 2007 ingegane Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is niet van toepassing, aangezien er geen geurcontouren over dit gebied liggen. 3.1.5 Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de wijziging van de 'Wet milieubeheer' in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:  negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken;  mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde);  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend.

NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium: < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling In onderhavig geval is sprake van maximaal 3 nieuwe woningen. Dit aantal is dusdanig laag dat gesproken kan worden van een Niet-in-betekenende-mate (NIBM) bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

14

Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

3.2

Fysieke aspecten

3.2.1 Archeologie In het voorjaar van 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxmeer de startnotitie archeologiebeleid vastgesteld. In die notitie is een aantal beslispunten vastgelegd ten aanzien van het toekomstige archeologiebeleid in de gemeente Boxmeer. Vervolgens zijn de beslispunten vastgelegd in een beleidsplan met bijbehorende beleidskaart, die uiteindelijk door de gemeenteraad op 14 mei 2009 zijn vastgesteld. Op de beleidskaart is het grondgebied van de gemeente Boxmeer verdeeld in vijf gebieden en voor vier gebieden zijn bestemmingsplanregels opgesteld: Waarde – archeologie 1: rijksmonument; Waarde – archeologie 2: archeologisch waardevol gebied A en B; Waarde – archeologie 3: archeologisch onderzoeksgebied A; Waarde – archeologie 4: archeologisch onderzoeksgebied B; Gebied met lage verwachting.

Het plangebied is voor een klein deel gelegen in “Archeologisch waardevol gebied A” en voor het overige in “Archeologisch onderzoeksgebied A”. In de bij dit plan behorende regels en verbeelding worden in verband hiermee de dubbelbestemmingen “Waarde-Archeologie-2” en “WaardeArcheologie-3” opgenomen. 3.2.2

Flora en fauna

Beleid Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier-en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan zijn er verschillende aspecten waar de gemeente aandacht aan dient te geven ten aanzien van natuurbescherming.

De volgende punten zijn van belang: inventariseren van beschermde soorten en gebieden (zo nodig via veldonderzoek); adequaat begrenzen en bestemmen van beschermde gebieden dan wel leefgebieden van beschermde soorten; opstellen van adequate voorschriften (met daarin vermeld welke handelingen wel of niet toelaatbaar zijn); Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02 15

toelichting bij bestemmingsplan (voor uitleg van voorschriften en verantwoording van keuzes). De gemeente zal op verschillende manieren en vanuit verschillende rollen rekening moeten houden met de bescherming van natuur: initiatiefnemer (bijvoorbeeld bij het opstellen van een bestemmingsplan); vergunningverlener (bijvoorbeeld de omgevingsvergunning); beheerder (beheer en onderhoud van openbare ruimte); handhaver (houden van toezicht op voorschriften uit vergunningen, bestemmingsplannen en eventueel Natura 2000-beheerplannen). Het plangebied Het onderhavige plangebied noch de directe omgeving is opgenomen in de lijst van gebieden waarop de gebiedsbescherming van toepassing is. Er behoeft dan ook alleen onderzocht te worden of er wettelijk beschermde soorten (die niet op basis van de AMvB zijn vrijgesteld van de Flora- en faunawet) zijn die negatieve effecten kunnen ondervinden van een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Het criterium om de invloed van een handeling of activiteit op een soort te beoordelen is dat de gunstige staat van instandhouding van de soort niet mag worden aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. Op de onderhavige locatie is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in een rapport d.d. 17 juni 2020.

De conclusie van het rapport is dat de voorgenomen activiteiten geen onevenredige directe of indirecte gevolgen op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantensoorten zullen hebben. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Conclusie: het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen initiatief. 3.2.3 Leidingen In het plangebied zijn geen leidingen met een planologisch relevante beschermingszone gelegen, noch overlapt een beschermingszone van een planologisch relevante leiding het plangebied. 3.2.4 Verkeer en parkeren Het plangebied is gelegen aan de Provincialeweg en De Steeg. De Provincialeweg is gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km per uur. Deze weg is er ruimschoots op berekend om het extra verkeer, afkomstig van de te bouwen woningen, te verwerken. De Steeg is een rustige, achteraf gelegen weg met weinig verkeersbewegingen.. De bouw van één nieuwe woning aan deze weg zal niet leiden tot een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen op deze weg.

Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. Zowel bij de bestaande (bedrijfs)woning als bij de nieuw te bouwen woningen moeten minimaal twee parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd worden. 3.2.5 Waterhuishouding Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de Startovereenkomst Waterbeheer op 14 februari 2001 door Rijk, provincie, gemeenten en waterschappen, werd de watertoets van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De watertoets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijke beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het ruimtelijke planvormingsproces om te komen tot een veilig, gezond en duurzaam watersysteem. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Het benutten van kansen en het combineren van functies wordt hierbij nagestreefd. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een aantal beleidsuitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het 16

Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer invulling te geven aan onder andere deze beleidsuitgangspunten:  Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater. Het vuile water wordt via de gemeentelijke riolering afgevoerd. Het schone water wordt verwerkt volgens de hierna genoemde afwegingsstappen.  Doorlopen van de afwegingsstappen 'hergebruik, infiltratie, buffering en afvoer'. Hergebruik van hemelwater in een zogenaamd grijswatersysteem kan overwogen worden bij grootschalige projecten, zoals scholen en bedrijfsgebouwen. De mogelijkheden voor infiltratie hangen af van onder andere de kwaliteit van het te infiltreren water, de grondwaterstand, de opbouw van de bodem en eventuele bodemverontreiniging. Als het schone water niet geïnfiltreerd kan worden, dan kan het gebufferd worden in (te realiseren) oppervlaktewater. Als ook bufferen niet kan, is afvoer de laatste optie. Hiermee wordt bedoeld het transporten van schoon water via een open of gesloten waterloop naar het watersysteem buiten het plangebied.  Hydrologisch neutraal bouwen. De gemeente hanteert een eigen berekeningssystematiek om te bepalen of en zo ja, hoe groot de berging moet zijn.  Water als kans. In nieuwe plannen voor grotere gebieden kunnen vijver, waterpartijen worden opgenomen.  Meervoudig ruimtegebruik.

Flauwe taluds geven bij voorbeeld ruimte voor buffering, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden.  Voorkomen van vervuiling. Om verontreiniging van bodem of oppervlaktewater te voorkomen, worden zo weinig mogelijk uitlogende of uitspoelbare materialen toegepast.  Wateroverlastvrij bestemmen. Nieuwe locaties worden in eerste instantie ‘hoog en droog’ gezocht. Is dit niet mogelijk, dan zal gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren.  Belangen van het Waterschap. a. Ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ’s en beekherstel: een EVZ moet gemiddeld 25 meter breed zijn. b. Aanwezigheid en ligging watersysteem: oppervlaktewateren worden bestemd als Water. c. Aanwezigheid en ligging waterkeringen: de kernzone krijgt de dubbelbestemming ‘waterkering’.

Voor de te bouwen woningen moet worden voorzien in een ondergrondse waterberging met een capaciteit van 45 mm/m² verhard oppervlak. Onder verhard oppervlak worden zowel dakvlak als de verhardingen rondom de woningen verstaan. Afkomend regenwater van een inrit moet ook op eigen terrein worden geborgen. 3.3

Economische en financiële aspecten

Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening moet gelijktijdig met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het verhaal van kosten anderszins is verzekerd en ook aan de voorwaarden van artikel 6.12 is voldaan. In het onderhavig plan worden ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Voor deze ontwikkelingen heeft de gemeente met de grondeigenaar een zogenaamde anterieure overeenkomst gesloten. Daarmee is verzekerd dat de kosten op de initiatiefnemer worden verhaald. Dit betekent dat voor dit bestemmingsplan vaststelling van een exploitatieplan niet nodig is.

Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

17

3.4

Handhaafbaarheid

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft geen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan geen handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: a. Voldoende kenbaarheid van het plan Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De Wro bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: in de bestemmingsplanprocedure zijn een aantal inspraakmomenten ingebouwd. b. Voldoende draagvlak voor het beleid en de regeling in het plan De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling in grote kring ondersteund wordt door de gebruikers van het plangebied. Uiteraard kan niet iedereen zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het bestemmingsplan is echter wel wenselijk. c. Realistische en inzichtelijke regeling Een juridische regeling dient inzichtelijk en realistisch te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. d.

Actief handhavingsbeleid Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de voorschriften worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. De gemeente voert een actief handhavingsbeleid. Medewerkers van de gemeente houden zich bezig met het toezicht op de naleving van de Woningwet en de Wro. Het hoofddoel is de controle van de naleving van de verleende vergunningen en het opsporen van illegale bouw.

18

Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

4.

JURIDISCHE VERANTWOORDING

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de regelgeving (regels en verbeelding). In de voorgaande hoofdstukken is reeds op enkele aspecten ingegaan. Uitgangspunt voor de regels is de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) en de op 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening.

4.1

Algemeen

Hoofdstuk 1 bevat de begrippen (artikel 1) en een bepaling over de wijze van meten (artikel 2); deze worden in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. Deze artikelen hebben een min of meer vaste opbouw. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, die van algemeen belang zijn voor het plan. Hoofdstuk 4 bevat tenslotte de overgangsregels en slotregel.

4.2

Toelichting op de regels

Hoofdstuk 1:

Inleidende regels

Begrippen In artikel 1 is een aantal begrippen nader gedefinieerd teneinde onduidelijkheid te voorkomen. Voor een aantal begrippen bevat de SVBP 2012 de begripsbepalingen; in enkele gevallen zijn de in de gemeente gebruikelijke definities opgenomen. Wijze van meten In artikel 2 wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden bij het beoordelen of de maatvoering in overeenstemming is met de regels. Ook bij de meetregels is de SVBP 2012 grotendeels leidend, aangezien ook de wijze van meten dwingend is voorgeschreven in deze Standaard. Hoofdstuk 2:

Bestemmingsregels

De regels van een bestemming worden als volgt opgevolgd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving, waarin een omschrijving gegeven wordt van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven, vervolgens worden, indien nodig, de andere aan de grond toegekende functies genoemd. Soms is het nodig een "nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving" op te nemen, waarin een verdere uitleg over de omschrijving van de bestemming wordt gegeven. 2. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3. In de specifieke gebruiksregels wordt beschreven hetgeen gerekend wordt tot een strijdig gebruik van zowel de grond als de bouwwerken. 4. Bij sommige bestemmingen wordt aangegeven in welke gevallen en onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning kunnen afwijken van de regels. 5. Indien nodig wordt geregeld dat voor het uitvoeren van sommige werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden een omgevingsvergunning nodig is. Hoofdstuk 3:

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel Met de anti-dubbeltelregel wordt geregeld dat grond die eerder bij een verleende vergunning is meegenomen niet nog eens meegenomen mag worden bij de verlening van een nieuwe vergunning. Algemene bouwregels In dit artikel zijn bepalingen met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen, alsmede een regeling waarin bepaalde onderwerpen uit de bouwverordening van toepassing verklaard worden. Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

19

Algemene afwijkingsregels Het gaat hierbij om een algemene afwijkingsmogelijkheid van de in de regels gegeven maten en normen met betrekking tot het bouwen. Algemene procedureregel De procedureregel schrijft voor op welke wijze een voornemen tot het stellen van nadere eisen kenbaar wordt gemaakt en wie, wanneer hierop kan reageren. Hoofdstuk 4:

Overgangsregels en slotregel

Overgangsregels In deze artikelen is een regeling opgenomen voor bestaande zaken en rechten die niet in overeenstemming zijn met de overige regelingen in dit bestemmingsplan en mits niet strijdig met het voorheen geldende bestemmingsplan met de daaronder begrepen overgangsbepaling. Voor deze bepaling is aansluiting gezocht bij het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening, waarin standaard overgangsregels voor bestemmingsplannen zijn opgenomen. Slotregel De slotregel bevat de titel van het bestemmingsplan.

5.

(VOOR)OVERLEG

Gezien de geringe omvang van het plangebied is besloten om geen voorontwerp- maar meteen een ontwerpbestemmingsplan in procedure te brengen. Het ontwerpbestemmingsplan is uiteraard wel gezonden naar de provincie en waterschap Aa en Maas.

6.

ADVIEZEN EN RAPPORTEN

De in deze toelichting genoemde rapporten en adviezen liggen niet ter inzage en zijn niet raadpleegbaar via internet. Wel kan per mail (gemeente@boxmeer.nl) of telefonisch (0485585911) aan de afdeling Ruimte en Economie worden gevraagd die rapporten en adviezen per mail en/of analoog toe te zenden. Het betreft de volgende rapporten/adviezen: -

20

Akoestisch onderzoek, rapport M&A Omgeving B.V. d.d. 21 november 2019 Flora- en fauna-onderzoek, rapport Exlan d.d. 17 juni 2020 Plan voor landschappelijke inpassing inclusief toelichting, Borgo Tuin- en landschapsarchitectuur, oktober 2019 Advies externe veiligheid, ODBN, 11 mei 2020

Ontwerpbestemmingsplan Provincialeweg 4b

NL.IMRO.0756.BP20VMuProv4b-ON02

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Boxmeer&id=c78e30d0-18ee-47d1-8c4b-da83eeac1a32