CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

8 6 Memo raden situatie Intervence 8 december 2020

Besluitvormende raadsvergadering 4 februari 2021, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel tot het instemmen met het beschikbaar stellen van een incidentele bijdrage van € 185.000 in 2021 voor de overgangsfase en de uitvoering van het scenario 3b, liquidatie van Intervence (portefeuillehouder wethouder Van de Plasse)1.999 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Geachte leden van de gemeenteraad, Op 26 november 2020 heeft de Bestuurscommissie inkoop jeugdhulp besloten om het contract met stichting Intervence niet te verlengen. Dat houdt in dat het contract op 31 december 2020 eindigt. Hierover bent u vorige week via een aparte memo geïnformeerd. Dit besluit heeft maatschappelijk tot veel vragen geleid, zowel bij het personeel als bij de cliënten van Intervence. Dit begrijpen we ook. We hebben daarnaast gemerkt dat er ook bij u veel vragen zijn en dat er behoefte is aan extra informatie over zowel het proces als de inhoud. Afgelopen jaren bent u op verschillende momenten via memo’s geïnformeerd over het scenario-onderzoek dat gedaan is naar de uitvoering van de GI-functie in Zeeland. Wij verwijzen u ook naar die eerdere memo’s. Door middel van deze memo gaan wij hier nader op in. Intervence is één van de Gecertificeerde Instellingen (GI) voor jeugdbescherming en jeugdreclassering in Zeeland. Deze organisaties hebben de uiterst belangrijke taak om gezinnen met complexe opvoed- en opgroeiproblematiek te ondersteunen en te begeleiden, specifiek wanneer de veiligheid of de ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. GI’s voeren de maatregelen van de Kinderrechter uit en is door de Zeeuwse gemeenten gecontracteerd om dit te doen. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de GI-functie.

Uit zorgvuldig onderzoek naar de mogelijkheden van Intervence om de GI-functie in Zeeland uit te voeren, is gebleken dat Intervence helaas geen stabiele organisatie is, zowel op financiële onderwerpen maar ook op onderdelen als kwaliteit en continuïteit van de begeleiding. Daarmee biedt Intervence een te onzekere basis om als uitvoeringsorganisatie de taken in Zeeland te blijven voeren. Daarom hebben wij als gemeenten op basis van de feiten uit het scenario -onderzoek uiteindelijk besloten om de jeugdbescherming en jeugdreclassering te borgen bij andere, al gecontracteerde GI’s. Bij dit besluit hebben wij nadrukkelijk oog voor de belangen van de organisatie, medewerkers, cliënten en de gemeentelijke verantwoordelijkheden. We willen benadrukken dat Intervence niet per 1 januari 2021 ophoudt met bestaan en dat betekent dat de ondersteuning vanuit Intervence aan de Zeeuwse jongeren en gezinnen dus ook niet per deze datum stopt. Er zal zeker nog een periode van 6-9 maanden nodig zijn waarin Intervence de maatregelen over moet dragen. De Zeeuwse gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk ervoor te zorgen dat Intervence dit ook kan doen . Hiervoor wordt een projectorganisatie opgericht onder begeleiding van een onafhankelijke procesbegeleider.

Langdurig overleg Al lange tijd zijn wij (de Zeeuwse gemeenten) en Stichting Intervence in gesprek over de dienstverlening en de bekostiging van de diensten. In februari 2019 is daarvoor een bestuursakkoord gesloten met de Raad van Toezicht van Intervence (RvT), de Zeeuwse gemeenten en het Ministerie van Justitie & Veiligheid (J&V). In dat bestuursakkoord is afgesproken dat Intervence gedurende twee jaar (2019 en 2020) een instandhoudingsbijdrage zou krijgen, waarna de organisatie de zorg binnen de gestelde financiële kaders zelfstandig zou moeten uitvoeren. Totaal betaalden wij in twee jaar een instandhoudingsbijdrage van € 1.442.000 (€ 838.000 over 2019 en € 604.000 over 2020). Hierover bent u geïnformeerd in de memo Situatie bevoorschotting van 13 mei 2020. Ook zijn in 2019 de tarieven voor de diensten verhoogd.

8 december 2020 1

Onderdeel van de afspraken in het bestuursakkoord was ook dat wij de GI Intervence structureel gingen bevoorschotten, op basis van toen geldende productiecijfers. De verrekening van de voorschotten met de werkelijke productie wordt dan aan het einde van elk boekjaar door de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland (IJZ) geregeld. Bij de verrekening van 2019 bleek dat er tot en met april 2020 een bedrag van € 1.218.000 te veel bevoorschot was en dat Intervence dit bedrag moest terugbetalen aan ons. Dit omdat de geleverde productie afweek van het bevoorschotte bedrag.

Gezamenlijk scenario-onderzoek Vanaf februari 2020 is er intensief over de zorgen rondom de GI Intervence gesproken met de RvT en de directeur-bestuurder van Intervence. Ook het Ministerie van J&V is daarbij betrokken evenals het OZJ1 (in de vorm van procesbegeleiding). U bent daarover geïnformeerd op 23 september 2020 in de memo Uitwerking scenario’s.2 In februari 2020 is geconstateerd dat de financiële situatie bij Intervence dermate zorgwekkend was, dat besloten is tot een scenario-onderzoek naar de uitvoering van de GI-functie in Zeeland in relatie tot de rol die Intervence daarin kan hebben. Zodat de 13 Zeeuwse gemeenten op basis van de juiste feiten een beslissing te kunnen nemen over de contractering van Intervence vanaf 2021. Het betreft de volgende scenario’s: 1. Intervence wordt gecontracteerd vanaf 2021 inzake GI-functies voor de Zeeuwse gemeenten. Intervence voert als zelfstandige GI deze werkzaamheden uit. Dit vindt plaats aan de hand van een helder meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen Intervence en de Zeeuwse gemeenten. 2. Intervence wordt overgenomen door een andere partij, waarna Intervence (als dochter of werkmaatschappij van een nieuwe eigenaar) de GI-werkzaamheden gaat uitvoeren voor de Zeeuwse gemeenten.

Dit vindt plaats aan de hand van een meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen de eigenaar van Intervence en de Zeeuwse gemeenten.

Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd, vanuit VNG en VWS ingericht De bestuurlijke gesprekken met Intervence vinden plaats door vaste personen namens de gemeenten. Dit zijn: - Wethouder Jack Werkman (Gemeente Sluis en coördinerend wethouder voor de Zeeuwse Jeugdregio en voorzitter van het Zeeuwse portefeuillehoudersoverleg Jeugd/Bestuurscommissie IJZ). Hij treedt in deze situatie ook op als woordvoerder namens de 13 Zeeuwse gemeenten. - Wethouder Albert Vader (Gemeente Vlissingen, plaatsvervangend voorzitter) - Wethouder Rene Ruissen (Gemeente Hulst en bestuurlijk kartrekker Vaart in Veiligheid). Zij zijn hierin ambtelijk ondersteund door: - Corette van Dijke (Directeur Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland) - Olga Idema (Programmamanager jeugd Zeeland, namens de 13 Zeeuwse gemeenten) 1 2

8 december 2020

2

3. De werkzaamheden van Intervence in Zeeland worden (eventueel stapsgewijs) afgebouwd, waarna de organisatie stopt. De werkzaamheden worden vanaf 2021 uitgevoerd door een andere GI.

In de bijlage ontvangt u de twee matrixen (niet openbaar), die een samenvatting geven van de resultaten van het scenario-onderzoek en een Oplegnotitie (niet openbaar) met de conclusie uit de matrixen. Deze stukken zijn samen met Intervence opgesteld. In de bijlage ontvangt u ook een tijdspad met daarin de opsomming van de gesprekken die in 2020 gevoerd zijn door de Kopgroep en de Bestuurscommissie. De verslagen van de overleggen van de Bestuurscommissie van 2019 en 2020 vindt u ook in de bijlage. Bevoegdheden Voor de helderheid zetten we de bevoegdheden van de 13 Zeeuwse gemeenten rondom de besluitvorming op een rij. 1. De gemeenten hebben de bevoegdheid voor het afsluiten van de contracten gedelegeerd (overgedragen) aan de Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland. In de praktijk gebeurt dit door de 13 wethouders Jeugd die samen de Bestuurscommissie vormen. De Bestuurscommissie besluit over de contractering. Dat betekent dat noch de colleges noch de gemeenteraad het besluit over de contractering van Intervence kunnen nemen. Dit is gebaseerd op een raadsbesluit van september 2014. In deze context is op 26 november 2020 besloten om het contract met Intervence niet te verlengen. 2. De colleges van B&W besluiten op 15 december 2020 over de uitvoering van scenario 3.

Voor de uitvoering van scenario 3 tijdens de transitieperiode van Intervence zijn er twee mogelijkheden: - Faillissement - Liquidatie Formeel ligt de verantwoordelijkheid van uitvoering van scenario 3 bij Intervence. Voor Intervence is het echter van belang vooraf te weten welke financiële ondersteuning (achtergestelde lening) zij van de gemeenten zal ontvangen om uitvoering te geven aan de keuze. Daarnaast wordt aan de colleges gevraagd om incidenteel financiële middelen beschikbaar te stellen voor de overdracht van de maatregelen naar de andere gecontracteerde GI’s. 3. De gemeenteraden besluiten op basis van het budgetrecht over de benodigde financiën voor de uitvoering van scenario 3. Voor uitvoering van scenario 3 is advies gevraagd aan de landsadvocaat. Daarnaast zijn ook adviezen in het kader van monitoring, continuïteit en kwaliteit aan de Jeugdautoriteit en de inspecties gevraagd.

8 december 2020 3

Raadsbrief Intervence Op 4 december 2020 heeft Intervence een feitenoverzicht gestuurd aan de gemeenteraden met een kopie naar de colleges. Naar aanleiding hiervan heeft de Inkooporganisatie een reactie opgesteld, die als bijlage wordt meegestuurd. Daarnaast zijn er diverse raadsvragen over dwang versus drang gesteld. Intervence stelt in het feitenoverzicht dat zij het met voldoende maatregelen wel zou redden. Intervence neemt daarvoor minimaal 150 drangcasussen in hun begroting mee en gaat ook uit van een minimum aan dwangmaatregelen. Landelijk beleid is echter dat drangcasussen 3 niet meer bij een GI belegd moeten worden. Reden hiervoor is dat het voor ouders en jongeren niet duidelijk is dat zij vrijwillige hulp ontvangen. Hierdoor ontstaat verwarring. Daarnaast is het niet wenselijk dat het aantal dwangmaatregelen stabiel blijft. We streven er juist naar om het aantal maatregelen naar beneden te halen met o.a. preventieve inzet, Vaart in Veiligheid en diverse lokale preventieve initiatieven. Financiën Er zijn bij Intervence zelf onvoldoende financiële middelen om het proces van uitvoering van scenario 3 vorm te geven. Intervence heeft een negatief eigen vermogen en dat maakt de kans op terugvordering van de teveel bevoorschotte bedragen zeer klein. Dit is een financieel risico waar rekening mee gehouden moet worden.

Intervence zal in de afbouwperiode volgens pxq betaald moeten worden. Dit geldt dan voor de casussen die zij nog oppakken. Dit zal afgebouwd gaan worden wanneer casussen en medewerkers overgaan naar de andere GI’s. Conform contract vraagt de transitieperiode van Intervence ook financiële middelen. In de bekostiging van Intervence hebben we de keuzemogelijkheden van: • Lening • Achtergestelde lening • Subsidie In deze afweging moet worden meegenomen dat het verstrekken van een lening kan leiden tot het benadelen van bestaande crediteuren, waardoor Intervence in de positie kan komen te besl uiten tot het direct aanvragen van een faillissement. Dat kan een verhoogd risico geven voor de continuïteit van zorg. Een achtergestelde lening is een krediet waarbij de verlener, in het geval van faillissement van de lener, wordt achtergesteld in zijn positie als schuldeiser: de achtergestelde schuldeiser komt in een faillissement in de volgorde van schuldeisers dus achter de concurrente ('gewone') schuldeisers zoals de werknemers en de banken. Door deze voorwaarden loopt de schuldeiser een hoger risico dat hij een deel van zijn verstrekte krediet niet terugbetaald krijgt. Een subsidie toekennen zou een langer traject met een openstelling voor meerdere partijen betekenen. Op basis van bovenstaande en ondanks dat het risico groot is dat de gemeenten de middelen niet

3

Dit zijn casussen in het vrijwillig kader, dus zonder dat de kinderrechter er aan te pas is gekomen.

8 december 2020

4

terug kunnen krijgen, worden de colleges geadviseerd om Intervence te financieren middels een achtergestelde lening.

Overdracht Contractueel moet Intervence actief meewerken aan de overdracht van de casussen en met de andere GI’s in overleg gaan over de overdracht van de medewerkers. Vooral voor de uitvoerende medewerkers (jeugdbeschermers, jeugdreclasseerders en gedragsdeskundigen) bestaat de kans dat zij in aanmerking komen voor een contract bij één van de andere GI’s. Voor de ondersteunende diensten is deze kans minder groot. Omdat alle maatregelen gebaseerd zijn op een uitspraak van de Rechtbank moet er bij de overdracht een nieuwe beschikking gevraagd worden bij de Rechtbank. In andere regio’s (o.a. Noord- Holland) is ervaring opgedaan om dat gefaseerd in een ‘bulk-aanvraag’ te organiseren. Het streven is om dergelijke afspraak ook met de Rechtbank Zeeland West-Brabant te maken. Daarom is het niet zeker hoelang de periode van de transitie zal gaan duren. We schatten op dit moment in dat het zo’n 6 tot 9 maanden in beslag zal nemen.

We vertrouwen er op dat we het vervolgtraject – in het belang van de kinderen, gezinnen en medewerkers – op een constructieve manier samen op kunnen pakken zodat de maatschappelijke onrust zoveel mogelijk wordt beperkt en we een goede oplossing vinden voor zowel cliënten en personeel.

Met vriendelijke groeten,

De portefeuillehouders Jeugd van de 13 Zeeuwse gemeenten

Jack Werkman, Sonja Suij, René Ruissen, Albert Vader, Carla Doorn, Chris Maas, Paula Schot, Anja Slenter, Joost de Goffau, Marga van de Plasse, Annebeth Evertz, Kees Verburg, Corniel van Leeuwen

8 december 2020 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10970766/1