8 3 Oplegger besluitvorming toekomst GI-functie Zeeland
Tekst van het document
Oplegger ten behoeve van besluitvorming toekomst GI-functie in Zeeland Van: Corette van Dijke, Sira Kamermans, Olga Iedema, Frank de Jonge Aan: Wethouders Zeeuwse gemeenten Aanleiding De afgelopen maanden heeft er onderzoek plaatsgevonden naar drie opties voor de toekomst van de GI-functie in Zeeland. Het betreft de volgende opties: 1. Intervence wordt gecontracteerd vanaf 2021 inzake GI-functies voor de Zeeuwse gemeenten. Intervence voert als zelfstandige GI deze werkzaamheden uit. Dit vindt plaats aan de hand van een helder meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen Intervence en de Zeeuwse gemeenten. 2. Intervence wordt overgenomen door een andere partij, waarna Intervence (als dochter of werkmaatschappij van een nieuwe eigenaar) de GI-werkzaamheden gaat uitvoeren voor de Zeeuwse gemeenten. Dit vindt plaats aan de hand van een meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen de eigenaar van Intervence en de Zeeuwse gemeenten. 3. De werkzaamheden van Intervence in Zeeland worden (eventueel stapsgewijs) afgebouwd, waarna de organisatie wordt opgeheven. De werkzaamheden worden vanaf 2021 uitgevoerd door een andere GI. U heeft aangegeven te willen weten hoe de uitvoering van de GI-functie in Zeeland er in de jaren 2021 en verder concreet uit zal zien.
Dit gaat onder meer over de kwaliteit, beschikbaarheid en kosten van de uitvoering van de GI-functie in de jaren 2021 en verder, zoals dit te verwachten is bij ieder van de geschetste opties. Voor ieder van de opties dienen de bestaande kwalitatieve en financiële kaders als uitgangspunt te worden gehanteerd. Deze zijn door de Zeeuwse gemeenten bepaald. Dit houdt onder meer in dat de werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd tegen gangbare tarieven en zonder instandhoudingsvergoeding. Onderzoek Scenario 1 en 2 zijn door Intervence, onder begeleiding van onderzoeksbureau EHdK uitgevoerd. Scenario 3 is onderzocht door Inkoopbureau Jeugdhulp Zeeland (IJZ) in samenwerking met de programmamanager Jeugd. • Scenario 1a, gebaseerd op de informatie aangeleverd in de rapportage EHdK (Bedrijfsplan Intervence, Middelburg/Amsterdam 1 september 2020). • Scenario 1b, gebaseerd op de aanlevering vanuit Intervence. • Scenario 2, overname van Intervence door Partners voor Jeugd, gebaseerd op het businessplan, mogelijke liquidatie van de stichting Intervence. • Scenario 3a, overname maatregelen GI Intervence door de al gecontracteerde GI’s bij faillissement van Intervence. • Scenario 3b, overname maatregelen GI Intervence door de al gecontracteerde GI’s, bij overname onderneming en liquidatie St. Intervence.
Uitgangspunten besluitvorming We baseren ons op de onderstaande uitgangspunten in volgorde van belangrijkheid. 1. Continuïteit van zorg. 2. Continuïteit van werkgelegenheid. 3. Uitwerken resultaten van Vaart in Veiligheid in relatie tot de structurele borging van GIfunctie. 4. Financiële verantwoordelijkheden van de partijen. 5. We lopen dit proces met begrip en erkenning van elkaars verantwoordelijkheden. Samenvatting matrix en kansen & bedreigingen Voor alle scenario’s geldt: De Jeugdwet verplicht gemeenten passende jeugdhulp aan te bieden. Als een gemeente (tijdelijk) nalaat de toegezegde jeugdhulp (via een derde) te leveren, kan zij tegenover een cliënt aansprakelijk zijn voor de schade die deze daardoor lijdt. Dat is het geval als het niet leveren van de jeugdhulp te wijten is aan de gemeente of aan een oorzaak die voor rekening van de gemeente komt. De schade die de cliënt claimt moet het rechtstreeks gevolg zijn van het nalaten van de gemeente. Overmacht kan het nalaten rechtvaardigen, als de gemeente aantoont alles te hebben gedaan om vervangende jeugdhulp te regelen. 1. Scenario 1a blijkt op basis van het onderzoeksrapport van EHdK niet haalbaar. Het rapport concludeert dat het niet mogelijk is om binnen de gestelde kaders (PxQ en zonder aanvullende instandhoudingsbijdrage) de organisatie Intervence in stand te houden. 2. Scenario 1b. (zie hiervoor de memo van mw.
Kamermans) Dit scenario behelst om op basis van de uitwerking van Vaart in Veiligheid over een aantal jaren (naar verwachting 3) wel een rendabele organisatie te kunnen bieden. Dit is echter niet gebaseerd op feiten en niet gebaseerd op een concreet uitgewerkt financieel beeld aangezien dit scenario samen met de betrokken partners van Vaart in Veiligheid uitgewerkt dient te worden. 3. Scenario 2 is geen optie gebleken. Na opstellen van de businesscase heeft Partners voor Jeugd (hierna PvJ) besloten geen aanbod te doen voor overname. Volgens PvJ is het benodigde bedrag te hoog en zijn de risico’s, ook bij toekenning van het benodigde bedrag, bij overname onacceptabel groot voor PvJ. De verwachting is dat een mogelijk vergelijkbaar onderzoek door JB West eenzelfde resultaat zal geven. 4. Scenario 3a betreft overname van de maatregelen van de GI Intervence door drie GI's én faillissement Stichting Intervence. De GI's gaan niet uit van een 'doorstart'. De gemeente neemt als opdrachtgever het besluit om Intervence in 2021 niet meer te contracteren. Dit betekent dat Intervence haar lopende maatregelen moet overdragen naar de andere drie gecontracteerde GI’s. De kinderrechter zal de maatregelen bij andere GI's beschikken. Het is niet te verwachten dat bij de toekenning van de maatregelen problemen zullen optreden.
Er zijn mogelijkheden te bedenken om toch een gezamenlijke overgangsperiode vorm te geven die ook Intervence kan ondersteunen bij het dragen van de verantwoordelijkheid én de collectieve wens om mensen te behouden voor de sector. Continuïteit van zorg is een risico omdat: - GI's pas na faillissement kunnen aangeven aan de curator dat zij de maatregelen en de medewerkers over kunnen nemen. - het de vraag is welk gedeelte van de medewerkers van Intervence die betrokken zijn bij het primaire proces bereid is om over te stappen naar een van de andere GI’s. Het vertrekrisico
wordt ook versterkt door de onzekere situatie (zie ook het voorgaande punt). Dit kan leiden tot een verstoring van de balans tussen zorgvraag en zorgaanbod door de GI’s die in Zeeland actief zijn. Eerder is al afgesproken dat dit risico door een passende manier van communiceren vanuit de bestuurder en MT verkleind kan worden. Contractueel is Intervence ertoe gehouden om zo snel mogelijk het werk over te dragen aan een andere gecontracteerde partij. Intervence is tot die tijd gehouden aan de continuïteit van het verlenen van zorg. De tarieven zijn passend na de overgangsperiode (november 2020 tot augustus 2021). Voor de overgangsperiode gaan we uit van een bedrag van € 1.275.000 voor de (incidentele) kosten voor de drie GI’s en een bedrag van tussen de € 1,2 en 1,5 miljoen voor de instandhouding van Intervence. Dit komt boven op de prijs voor de opgepakte maatregelen. De totale extra kosten komen dan in 2021 op max € 2.775.000. Partijen kunnen zich vinden in de verdere doorontwikkeling van Vaart in Veiligheid. Belangrijk is wel te beseffen dat bij faillissement de curator bepalend is. Dat betekent dat zakelijke overwegingen de overhand hebben bij de ontmanteling van Intervence.
Wat betreft het risico op overgang van onderneming is de informatie van de jurist van IJZ:” Overigens is het zo dat de regels van overgang van onderneming niet gelden als een onderneming failliet wordt verklaard. Echter, als de doorstart wordt voorbereid vóór het faillissement en de doorstart als het ware een “uitgemaakte zaak” is, kunnen de regels van een overgang van onderneming wel van toepassing zijn”. Dit is dus een belangrijk aandachtspunt als voor deze optie wordt gekozen. 5. Scenario 3b betreft overname maatregelen GI Intervence bij overname onderneming door drie GI's én liquidatie Stichting Intervence. De drie GI’s hebben aangegeven dat er wat hen betreft geen sprake is van overname van onderneming. Juridisch is er geen sluitend oordeel te geven of dit kan of niet. De letterlijke tekst van de juristen is: “Indien één van de GI’s slechts een gedeelte van de maatregelen overneemt en geen personeel, dan is vermoedelijk geen sprake van overgang van onderneming. De identiteit wordt namelijk in dat geval niet behouden, omdat geen personeel wordt overgenomen. Indien één van de GI’s een gedeelte van de maatregelen en een (belangrijk) gedeelte van het personeel overneemt, kan wel sprake zijn van overgang van onderneming indien de identiteit van de onderneming behouden wordt”. Ook dit scenario vraagt om goede juridische begeleiding.
Mocht blijken dat er toch sprake is van overname van onderneming, dan zijn de risico’s voor de overnemende partijen te groot. Zeker voor een organisatie als Briedis zou dit kunnen betekenen dat hun voortbestaan in gevaar komt. Aangezien Zeeland ook voor Briedis accounthoudende regio is, komt de jeugdregio dan voor een volgend probleem te staan. De tarieven zijn passend na de overgangsperiode (november 2020 tot augustus 2021). Voor de overgangsperiode gaan we uit van een bedrag van € 1.275.000 voor de (incidentele) kosten voor de drie GI’s en een bedrag tussen € 1,9 miljoen en € 2 miljoen voor de instandhouding van Intervence. Totale kosten komen dan in 2021 op max € 3.275.000. N.B. De bedragen voor scenario 3a en 3b zijn gebaseerd op berekeningen die zijn aangeleverd door respectievelijk Intervence (zie toegevoegde presentatie financiële verplichtingen) en de drie andere in Zeeland actieve GI’s gezamenlijk.