CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

8.1 Concept Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2024

Besluitvormende raadsvergadering 7 december 2023, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2024 (portefeuille burgemeester Dijksterhuis)22.456 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2024 De raad van de gemeente Borsele; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 november 2023, nummer […]; gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154, 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Alcoholwet, artikel 30c, tweede lid van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; overwegende dat: overwegende dat het gewenst is de Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2021 te vervangen door een actuele verordening; besluit de volgende verordening vast te stellen: Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2024

Inhoud Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen ........................................................................................................... 4 Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu ..................................................... 6 Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden ........................................................................6 Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen .................................7 Afdeling 3. Evenementen ..............................................................................................................................9 Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen ...........................................................................................12 Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet .....................................................................................................................................................................16 Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf ................................................17 Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden ...............................................................................................18 Afdeling 8.

Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade ..................................................19 Afdeling 9. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen ................................................................27 Afdeling 10. Consumentenvuurwerk...........................................................................................................27 Afdeling 11. Drugsoverlast ..........................................................................................................................28 Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester ...................................................................29 Hoofdstuk 3. Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. .......................................................... 33 Afdeling 1. Begripsbepalingen .....................................................................................................................33 Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke .................................................33 Afdeling 3. Beslistermijn, weigeringsgronden .............................................................................................36 Afdeling 4. Beëindiging exploitatie, wijziging beheer .................................................................................36 Hoofdstuk 4.

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente................................................................................................................................................ 38 Afdeling 1. Festiviteiten en geluid(hinder) ..................................................................................................38 Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging ...................................................................................38 Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden (Vervallen)...........................................................................38 Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast (Vervallen) ....................................................39 Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen (Vervallen) .....................................................................39 Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente .................................. 40 Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod ...............................................................................................40 Afdeling 2. Collecteren ................................................................................................................................42 Afdeling 3.

Venten .......................................................................................................................................43 Afdeling 4 Standplaatsen (Vervallen) ..........................................................................................................43 Afdeling 5. Snuffelmarkten..........................................................................................................................43 Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken ...................................................................................44 Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden ...................................44 Afdeling 8. Verbod vuur te stoken ..............................................................................................................45 Afdeling 9. Verstrooiing van as ....................................................................................................................45 Afdeling 10. Diefstalpreventie .....................................................................................................................46

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen .................................................................................. 47

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen weergegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze verordening of het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; c. Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; d. College: het college van burgemeester en wethouders; e. Bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; f. Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; g. Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; h. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. Motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; j. Parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; k.

Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; l. Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen; m. Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; n. Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; o. Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; p. Unielijst: de lijst met invasieve exoten, zoals deze wordt gepubliceerd door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit, op grond van de EU-exotenverordening. Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.In afwijking van hetgeen gesteld in het eerste en het tweede lid is de beslistermijn in de artikelen 2:25b, tweede en derde lid, en artikel 3:3, vijfde lid van toepassing indien het een vergunning betreft als genoemd in de betreffende artikelen.

Artikel 1:3 (Vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd, als: 1. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; a. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; b. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; c. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of d. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.

De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan niet ontvankelijk worden verklaard als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel 1:9 (Vervallen) Artikel 1:10 (Vervallen) Artikel 1:11 Bevoegd bestuursorgaan 1. Indien het een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf betreft in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 van deze verordening. 2. Zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, treedt de burgemeester op als bevoegd bestuursorgaan.

Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Het is verboden op een openbare plaats lachgas te gebruiken als daardoor hinder ontstaat. 3. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 4. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het vierde lid. 6. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 7.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:2 (vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen en openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5.

De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel 2:4 (Vervallen) Artikel 2:5 (vervallen) Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:7 (Vervallen) Artikel 2:8 (Vervallen) Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,5 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 5. Het verbod zoals opgenomen in artikel 2:10, eerste lid, geldt niet voor: a. evenementen waarvoor een vergunning is verleend op basis van artikel 2:25; b. terrassen waarvoor een vergunning is verleend op basis van artikel 2:34; c. standplaatsen als bedoeld in afdeling 6.2 van de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Borsele; d.

voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:11 (Vervallen) Artikel 2:12 (Vervallen) Artikel 2:13 (Vervallen) Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet. Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:16 Openbare straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. (niet opgenomen) Artikel 2:18 Rookverbod bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.

te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:18a Rookverbod op aangewezen plaatsen Het is verboden te roken: a. op alle openbare speelplaatsen in gemeente Borsele; b. voorts op door het bevoegde gezag aangewezen plaatsen in de openbare ruimte als aanvulling op de rookverboden bedoeld in artikel 10 van de Tabaks- en Rookwarenwet. Artikel 2:19 (Vervallen) Artikel 2:20 (Vervallen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 van deze verordening; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een full-contact vechtsportgala, -wedstrijd en -toernooi. 3. In deze afdeling worden de volgende evenementen onderscheiden (de categorisering is gebaseerd op de landelijke Handreiking Evenement en Veiligheid) : a. vergunningsvrij evenement (zgn.

0-evenement of klein evenement): klein evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Een melding volstaat; b. A-evenement: regulier of laag-risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer. Het is onwaarschijnlijk dat het evenement leidt tot verhoogde risico's en er is geen of nauwelijks inzet van hulpdiensten bij de voorbereiding of uitvoering nodig om risico's weg te nemen; c. B-evenement: aandacht of gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een gemiddelde impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer. Het is mogelijk dat het

5.

evenement leidt tot verhoogde risico's. De inzet van hulpdiensten bij de voorbereiding en/of uitvoering is nodig; d. C-evenement: risicovol of hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op het dorp en omgeving en/of (regionale) gevolgen voor het verkeer. Het is waarschijnlijk dat het evenement leidt tot verhoogde risico's en uitgebreide inzet van hulpdiensten bij de voorbereiding en uitvoering nodig is. 4. Onder risicoscan wordt in deze afdeling verstaan de door de burgemeester vastgestelde risicoscan op basis waarvan de indeling van evenementen in categorie A, B, of C plaats vindt, Onder organisator wordt in de afdeling verstaan een natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico het evenement is.

Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een A-, B-, of Cevenement te organiseren, toe te laten of feitelijk te leiden. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een full-contact vechtsportgala, -wedstrijd en -toernooi weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 3. De burgemeester kan besluiten, eventueel onder door hem te stellen voorschriften, dat geen vergunning als bedoeld in artikel 2:25 van deze verordening is vereist voor een door hem aangewezen evenement of categorie van evenementen, wanneer de burgemeester van oordeel is dat sprake is van een laag risicoprofiel. 4. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement met een laag risicoprofiel en als wordt voldaan aan de eisen zoals gesteld in artikel 2:25a van deze verordening. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6.

Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten, die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, is tijdens de duur van het evenement geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten vermeld zijn in de vergunning als bedoeld in het eerste lid. 7. Indien een aanvraag voor een vergunning voor een evenement in de periode vanaf 15 mei tot en met 15 september, met naar verwachting meer dan 500 bezoekers, wordt ingediend op een later tijdstip dan 1 november in het voorafgaand jaar, kan de burgemeester, in afwijking van artikel 1.8, besluiten de aanvraag niet ontvankelijk te verklaren. 8. Indien een aanvraag voor een vergunning voor een evenement voor een periode vanaf 1 januari t/m 15 mei of de periode vanaf 16 september t/m 31 december, met naar verwachting meer dan 500 bezoekers, wordt ingediend minder dan twaalf weken voor het tijdstip dat de aanvrager de vergunning nodig heeft, kan de burgemeester, in afwijking van artikel 1.8, besluiten de aanvraag niet ontvankelijk te verklaren. 9. Het vierde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 10. Het college kan met het oog op de belangen als vermeld in het tweede lid nadere regels stellen voor full- contact vechtsportevenementen. 11.

Op de aanvraag om een evenementenvergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:25a Vergunningsvrij evenement 1. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het een eendaags evenement betreft, waarbij: b. de activiteiten plaatsvinden tussen 08.30 uur en 24.00 uur, waarbij de opbouw van het evenement kan starten vanaf 06.00 uur op de dag dat het evenement plaatsvindt en de afbouwwerkzaamheden aanvangen direct na afloop van het evenement. De afbouwwerkzaamheden duren uiterlijk tot 01.00 uur;

c.

2.

3.

4. 5.

geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur en na 23.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 75 dB(A) en 85 dB (C) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object; of – er, met uitzondering van één grote partytent en/of kinderspeeltoestel met een oppervlakte van minder dan 25 m2 (zoals een springkussen), slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object; f. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; g. het evenement niet geheel of gedeeltelijk plaatsvindt op een zondag voor 13.00 uur; h. er een meerderjarige organisator is die geldt als aanspreekpunt voor toezichthouders en personeel van hulpdiensten; i. de organisator tijdens het evenement een ontvangstbevestiging van het feit dat hij een melding heeft gedaan kan tonen; j. De organisator is gedurende het gehele evenement aanwezig en bereikbaar op het telefoonnummer dat is opgegeven bij de melding.

Van het vergunningsvrij evenement wordt minimaal 2 weken doch uiterlijk 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan schriftelijk of digitaal een melding gedaan aan de burgemeester door de organisator die minstens 21 jaar oud is. De melding bevat de naam en adres van de organisator, het telefoonnummer en emailadres. De burgemeester kan binnen 7 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt. Het college kan met het oog op de belangen als vermeld in het derde lid nadere regels stellen voor (vergunningsvrije) evenementen.

Artikel 2:25b Indienen van een evenementenaanvraag 1. Het aanvragen van een evenementenvergunning wordt schriftelijk of langs elektronische weg, dan wel digitaal via de website van de gemeente ingediend, via een door de burgemeester beschikbaar gesteld aanvraagformulier. 2. De vergunningaanvraag voor een A-evenement wordt uiterlijk 12 weken voor de beoogde datum van het evenement ingediend. 3. De vergunningaanvraag voor een B- of C-evenement wordt uiterlijk 26 weken voor de beoogde datum van het evenement ingediend. 4. Bij de indiening van de vergunning aanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2 van deze verordening (beslistermijn), beslist de burgemeester op een aanvraag om een evenementenvergunning binnen de in de leden 2 en 3 genoemde termijnen. Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2.

Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde en veiligheid en zoals bedoeld in artikel 2:50a van deze verordening. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:26a Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen omtrent evenementen.

Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definities 1. Openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, kantine of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, niet zijnde een seksinrichting als bedoeld in artikel 3:1 van deze verordening, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was en waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Terras: een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3. Leidinggevende: a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend; b. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen; c.

de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting. 4. Paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf. 5. Barvrijwilliger: de natuurlijke persoon die, niet in dienstverband, alcoholhoudende drank verstrekt in een horecalokaliteit in beheer bij een paracommerciële rechtspersoon. 6. Exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtspersoon voor wiens rekening en risico het horecabedrijf of slijtersbedrijf wordt uitgeoefend. 7. Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d.

bedrijfskantine of -restaurant; of e. uitvaartcentrum. f. Verder is geen vergunning vereist voor sportkantines, (muziek)verenigingsgebouwen en kerkgebouwen, voor zover aan die exploitatie van de inrichtingen geen zelfstandige betekenis toekomt en deze gericht is op de bezoekers/gebruikers van de instelling, sport-, (muziek)vereniging of kerk waar de inrichting onderdeel van uitmaakt. 3. De burgemeester is bevoegd te bepalen dat voor bepaalde door hem aan te wijzen categorieën openbare inrichtingen geen vergunning is vereist. 4. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die een horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als:

a.

5. 6.

7.

8.

9.

zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28d. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vierde lid, onder a. De aanvraag om een exploitatievergunning voor een openbare inrichting waarvoor tevens een vergunning op basis van de Alcoholwet is aangevraagd wordt aangehouden, zolang nog niet op de aanvraag Alcoholwet is beslist. Indien het verbod, als genoemd in lid 1, op grond van lid 2 en lid 3 van dit artikel, niet voor een exploitant geldt, is de burgemeester bevoegd om maatwerkvoorschriften te stellen bij het exploiteren van zijn inrichting. Deze strekken slechts tot bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. De in de leden 2 en 3 genoemde vrijstelling van de vergunningplicht geldt niet voor de terrassen van: a. de in lid 2 bedoelde inrichtingen; b. de in lid 3 bedoelde bedrijfskantines en inrichtingen.

Op de aanvraag om een exploitatievergunning bedoeld in het eerste lid en de vrijstelling als bedoeld in lid 6 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:28a Inhoud exploitatievergunning en aanhangsel vergunning 1. De burgemeester vermeldt in een vergunning: a. de exploitant; b. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; c. de plaats waar de inrichting zich bevindt; d. de situering en de oppervlakte van de inrichting; e. de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden. 2. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden. 3. De vergunning en het daarvan onderdeel uitmakende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 2:28b, eerste lid, en de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 2:28b, derde lid, of een afschrift daarvan, zijn in de inrichting aanwezig. Artikel 2:28b Wijziging aanhangsel exploitatievergunning 1. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven; 2. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 3. De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag. 4. De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 2:31a van deze verordening gestelde eisen. Artikel 2:28c Nadere regels en voorschriften 1. De burgemeester kan: a.

bepalen dat het exploiteren van bepaalde categorieën van inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van de vergunningplicht is vrijgesteld; b. voor een bepaalde categorie inrichtingen of een bepaald gebied grenzen stellen aan de te hanteren sluitingstijden. 2. Het college kan: a. nadere regels stellen aan de onder lid 1 sub a genoemde vrijstelling; b. nadere regels ter zake van de in deze paragraaf bedoelde vergunning vaststellen. Artikel 2:28d Weigeringsgronden

1.

2.

3.

4.

In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 van deze verordening kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan; b. de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag overlegt of als de verklaring omtrent het gedrag hiertoe aanleiding geeft. c. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is of niet voldaan is aan de ingevolge artikel 2:31a van deze afdeling voor de exploitant en leidinggevenden geldende eisen. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: a. het karakter van de straat en de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen; b. de aard van de inrichting; c. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie; en d. de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant en/of leidinggevenden in deze of in andere inrichtingen, e. alsmede hun antecedenten.

Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder c, is niet van toepassing op exploitatievergunningen die louter betrekking hebben op de exploitatie van een terras.

Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. De sluitingstijden voor de vergunningsplichtige openbare inrichtingen worden geregeld in de vergunning. 2. De sluitingstijden voor niet vergunningsplichtige openbare inrichtingen zijn als volgt: a. voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, tweede lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel; b. alle overige niet vergunningsplichtige openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02.00 uur en 07.00 uur. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 5. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras. In het geval er voor een horecabedrijf geen exploitatievergunning is voorgeschreven kan de burgemeester ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid. 6. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. 7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd: tijdelijke sluiting en incidentele ontheffing sluitingstijd 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid de volksgezondheid en het milieu of in geval van bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden dan artikel 2:29 van deze verordening vaststellen of (tijdelijke) sluiting van de inrichting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren;

b. c. d.

zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras; dienst te doen c.q. werkzaamheden te verrichten in kennelijke staat van dronkenschap of kennelijk onder invloed van andere psychotrope stoffen.

Artikel 2:31a Eisen aan exploitant en leidinggevenden 1. De exploitant en leidinggevenden voldoen aan de volgende eisen: a. zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt; b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. zij staan niet onder curatele en zijn evenmin uit het ouderlijk gezag of de voogdij ontzet. 2. Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting niet aanwezig is: a. een op de vergunning vermelde leidinggevende, of - indien de inrichting wordt geëxploiteerd door een paracommerciële rechtspersoon - een barvrijwilliger; b. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:28a, eerste lid, is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist. 3. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op exploitatievergunningen die louter betrekking hebben op de exploitatie van een terras. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen 1. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. 2.

Overtreding van het verbod kan leiden tot (tijdelijke) sluiting van de inrichting zoals aangegeven in artikel 2:30 van deze verordening. Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel 2:34 Terrassen 1. Indien een aanvraag om een exploitatievergunning mede of uitsluitend betrekking heeft op een bij de inrichting behorend terras, kan de burgemeester aan de ingebruikname van het terras voorschriften verbinden, onder andere ten aanzien van: a. de inrichting, situering en het gebruik van het terras; b. gedragsregels die op het terras in acht moeten worden genomen; c. de aanwezigheid en inrichting van tappunten op het terras; d. de brandveiligheid. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:28d kan de burgemeester de ingebruikname van het terras weigeren: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. als dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer, gebruik en onderhoud van de weg; c.

als dat gebruik afbreuk doet aan een publieke functie van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan. 3. Alle voorzieningen ten behoeve van het terras moeten semi-permanent zijn. Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, zijn de exploitant en de leidinggevenden verplicht dit terstond of binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, op eigen kosten te verwijderen.

4.

5.

6.

7.

Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het bepaalde in het eerste en tweede lid is toegestaan. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd. Buiten de openingstijden van het terras zoals bepaald in artikel 2:29 lid 1 en bedoeld in artikel 2:29 lid 6, dient al het meubilair van het terras verwijderd te zijn, dan wel op zodanige wijze onderling met elkaar verbonden dat het niet te verplaatsen is. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het stellen van nadere regels ten aanzien van het bepaalde in dit artikel.

Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Alcoholhoudende drank; b. Horecabedrijf; c. Horecalokaliteit; d. Inrichting; e. Paracommerciële rechtspersoon; f. Sterke drank; g. Slijtersbedrijf; h. Zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artikel 2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op: a. zaterdag vanaf 1,5 uur (anderhalf uur) voor de aanvang tot 1,5 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, niet zijnde de uitoefening van het horecabedrijf, doch niet eerder dan 12.00 uur en tot uiterlijk 24.00 uur; b. zondag en feestdagen vanaf 1,5 uur (anderhalf uur) voor de aanvang tot 1,5 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, niet zijnde de uitoefening van het horecabedrijf, doch niet eerder dan 11.00 uur en tot uiterlijk 24.00 uur; c.

overige dagen vanaf 1,5 uur (anderhalf uur) voor de aanvang tot 1,5 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, niet zijnde de uitoefening van het horecabedrijf, doch niet eerder dan 17.00 uur en tot uiterlijk 24.00 uur; 2. Culturele Jongerencentra kunnen alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 1,5 uur (anderhalf uur) voor de aanvang tot uiterlijk 1,5 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, niet zijnde de uitoefening van het horecabedrijf, doch tot uiterlijk 02.00 uur. 3. De Stichting Handboogsportsport Accommodatie Ovezande en overige paracommerciële rechtspersonen kunnen alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 1,5 uur (anderhalf uur) voor de aanvang tot uiterlijk 1,5 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, niet zijnde de uitoefening van het horecabedrijf, doch tot uiterlijk 24.00 uur.

4.

5. 6. 7.

Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet, of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. De burgemeester is bevoegd bij bijzondere gelegenheden ontheffing van de sluitingstijd voor het horecabedrijf van de paracommerciële rechtspersoon te verlenen. De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent paracommercie. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven 1. De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank. 2. De vaststelling van de leeftijd geschiedt op de in artikel 20, derde lid, van de Alcoholwet bepaalde wijze. Artikel 2:34d Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven 1. Het is verboden in de uitoefening van een ander bedrijf dan het slijtersbedrijf zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren te verstrekken. 2. Het in het eerste lid vervatte verbod geldt niet ten aanzien van het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken aan particulieren van zwak-alcoholhoudende drank vanuit winkels, warenhuizen en andere locaties en ruimten als bedoeld in artikel18, tweede lid van de Alcoholwet. Artikel 2:34e Proeverijen in slijtlokaliteiten 1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2.

De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.

Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. b. Complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers: een inrichting, niet zijnde een woning, gericht op het tijdelijk verblijven van (inter)nationale werknemers. Artikel 2:36 Melding (wijzigingen) exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan melding te doen bij het college. De melding geschiedt via een daartoe vastgesteld formulier. Artikel 2:36a Vergunning exploitatie complexgewijze huisvesting (inter)nationale werknemers 1. Het is verboden complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers te exploiteren zonder exploitatievergunning van het college. 2. Het college weigert de exploitatievergunning als bedoeld in het eerste lid, indien: a. De vestiging of de exploitatie van de complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers in strijd is met het omgevingsplan;

b.

3.

4.

5. 6.

de aanvrager, voor zover het een natuurlijke persoon betreft, of in het geval de aanvraag wordt gedaan door een rechtspersoon de bestuurder dan wel zijn gevolmachtigde daarvan, of de beheerder van het complex: 1°. geen verklaring omtrent gedrag overlegt die ten hoogste drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; 2°. onder curatele staat dan wel uit het ouderlijk gezag of voogdij ontzet is; 3°. in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het college de exploitatievergunning onder voorwaarden (tijdelijk) verlenen, indien: a. de aanvraag aan alle gestelde indieningsvereisten voldoet. b. de aanvraag op basis van de systematiek voor de verdeling van exploitatie- vergunningen voor complexgewijze huisvesting een vergunning heeft toegekend gekregen. c. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers op ontoelaatbare wijze niet nadelig wordt beïnvloed.

Het college houdt daarbij rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers is of zal zijn gelegen, de aard van de complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. Het college weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid of trekt deze geheel in wanneer feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd of wanneer sprake is van: het benutten van voordelen uit strafbare feiten en het plegen van strafbare feiten. Het college trekt de exploitatievergunning in indien niet aan de gestelde voorwaarden zoals in de verleende exploitatievergunning staan vermeld wordt voldaan. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:36b Beleidsregels voor toekenning exploitatievergunning complexgewijze huisvesting Het college stelt beleidsregels op voor de verkrijging van de vergunning bedoeld in artikel 2:36a. Artikel 2:37 Verschaffing gegevens nachtregister 1. Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. 2. De exploitant of de feitelijk leidinggevende van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens een door de burgemeester vast te stellen model. 3. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in het tweede lid bedoelde register aan de burgemeester te overleggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.

Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38 Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen van wie de aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. 4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen. Artikel 2:41a Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw, niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 2:27 en artikel 3:1, of een bij dat gebouw behorend erf. 2. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaand gebouw of het bij dat gebouw beherende erf. 3.

Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft zolang de sluiting van kracht is. 4. Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw of waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. 5. Het is verboden een gebouw of erf waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, als bezoeker te betreden of daarin als bezoeker te verblijven. 6. Een sluiting voor onbepaalde tijd kan op aanvraag van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. Artikel 2:41b Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon

2.

3.

4.

5.

(gevolmachtigden), voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. leidinggevende/beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen, door de exploitant aangesteld, die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van deze bepaling van toepassing is. Voor deze aanwijzing gelden de volgende bepalingen: a. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. b. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of leidinggevende/beheerder onder druk staat. c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13524045/1