CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

7.1 Herziene tekst van de Gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden

Besluitvormende raadsvergadering 8 mei 2025, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel over de herziene tekst van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden (portefeuille burgemeester Dijksterhuis)6.928 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

1 alinea's met “portefeuille”: 63

1

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SAMENWERKING DE BEVELANDEN

Intitule Gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden De colleges van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland en Reimerswaal, ieder voor zover zij bevoegd zijn en elk college na verkregen toestemming van de raad; overwegende dat bij eensluidend besluit van de colleges van 21 mei 2013 is aangegaan de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden; dat vervolgens de colleges bij eensluidend besluit van 27 januari 2015 de taken en bevoegdheden voor de in de regeling aangegeven taakvelden hebben overgedragen aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden; dat de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022 is gewijzigd en dat als gevolg daarvan de geldende regeling moet worden aangepast; dat van die wijziging gebruik wordt gemaakt om het op 27 januari 2015 vastgestelde delegatiebesluit in de regeling op te nemen; overwegende dat: -

de gemeenteraad van Borsele bij besluit van XXXXX;

-

de gemeenteraad van Goes bij besluit van XXXXX;

-

de gemeenteraad van Kapelle bij besluit van XXXXX;

-

de gemeenteraad van Noord-Beveland bij besluit van XXXXX en;

-

de gemeenteraad van Reimerswaal bij besluit van XXXXX

toestemming als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen hebben verleend voor het wijzigen van deze gemeenschappelijke regeling door de onderscheiden colleges; gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Archiefwet; besluiten:

vast te stellen de navolgende (gewijzigde) gemeenschappelijke regeling: SAMENWERKING DE BEVELANDEN

2

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen 1. Deze regeling verstaat onder: a. De regeling: de gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden; b. Gemeenten: de aan de regeling deelnemende gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland en Reimerswaal; c. De wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen; d. Gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Zeeland; e. De werkorganisatie: de ambtelijke organisatie, werkzaam binnen de regeling. 2. Daar waar in deze regeling artikelen en bepalingen van enige wet of andere regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, dienen in die artikelen in plaats van ‘de gemeente’, ‘de raad’, ‘het college’ en ‘de burgemeester’ te worden gelezen onderscheidenlijk: ‘het openbaar lichaam’, ‘het algemeen bestuur’, ‘het dagelijks bestuur’ en ‘de voorzitter’.

Artikel 2 Openbaar lichaam 1. Er is een openbaar lichaam met de naam Samenwerking De Bevelanden. Het openbaar lichaam is een rechtspersoon en is gevestigd in de gemeente Goes. 2. Het rechtsgebied van de regeling omvat het grondgebied van de gemeenten. 3. Als de regeling diensten aanbiedt aan een andere gemeente dan de gemeenten, omvat het rechtsgebied van de regeling ook het grondgebied van die andere gemeente. 4. De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 3 Bestuursorganen De regeling kent de volgende bestuursorganen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Hoofdstuk 2 Belang, taken en bevoegdheden

Artikel 4 Belang 1. De regeling bevordert een duurzame, robuuste samenwerking met flexibiliteit binnen geldende marges door het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de gemeenten, het vergroten van het gemeenschappelijke kennisniveau en het inspelen op dwingende, bestuurlijke en maatschappelijke ontwikkelingen die op termijn de bestuurskracht van de individuele gemeenten sterk zullen beïnvloeden, met het doel: het vergroten van de bestuurskracht, met behoud van de huidige bestuurlijke schaal, door bundeling van ambtelijke expertise op operationeel, tactisch en/of strategisch niveau met als resultaat: verhoogde kwaliteit, continuïteit en efficiëntie. 2. De regeling behartigt de gemeenschappelijke belangen van de gemeenten.

3

Artikel 5 Taakvelden, taken en bevoegdheden 1. De behartiging van de in artikel 4 bedoelde belangen heeft betrekking op de volgende taakvelden: a. samenwerking op het gebied van ICT b. samenwerking op het gebied van informatievoorziening; c. samenwerking ten aanzien van P&O en salarisadministratie; d. samenwerking op het gebied van werk, zorg en inkomen. 2. Ter uitvoering van de in het eerste lid genoemde taakvelden worden de navolgende taken en bevoegdheden overgedragen aan het dagelijks bestuur van de regeling.

A Taakveld ICT A.1. Uitvoering taken en bevoegdheden Tot de uitvoering van de taken en bevoegdheden op het gebied van ICT behoren: a. het gevraagd en ongevraagd adviseren over ICT aan de gemeenten; b. het realiseren van ICT-projecten voor de gemeenten; c. het ondersteunen van de medewerkers van de gemeenten bij het gebruik van ICT; d. het beheer van de technische infrastructuur; e. het vertegenwoordigen van de colleges met betrekking tot ICT in overlegstructuren.

B Taakveld informatievoorziening B.1. Uitvoering taken en bevoegdheden Tot de uitvoering van de taken en bevoegdheden op het gebied van informatievoorziening behoren: a. het gevraagd en ongevraagd adviseren over informatievoorziening aan de gemeenten; b. het adviseren over het strategische en meerjarige informatiebeleid; c. het uitvoeren van het programma-, project-,inkoop- en contractmanagement; d. de uitvoering van de informatiebeveiliging; e. gegevensmanagement; f. functioneel applicatiebeheer; g. het vertegenwoordigen van de colleges in overlegstructuren.

C Taakvelden P&O en salarisadministratie C.1. Uitvoering taken en bevoegdheden Tot de uitvoering van de taken en bevoegdheden op het gebied van P&O en salarisadministratie behoort het voorbereiden van de besluitvorming, daaronder begrepen het gevraagd en ongevraagd adviseren, alsmede het bieden van (facilitaire) ondersteuning bij de uitvoering van de genomen besluiten. C.2. Behoud verantwoordelijkheden en bevoegdheden De gemeenten behouden hun verantwoordelijkheden en bevoegdheden ten aanzien van rechtspositionele besluiten, organisatiewijzigingen en/of ontwikkelingen van de gemeentelijke organisatie. De regeling kan een gemeente desgewenst daarin ondersteunen en/of faciliteren.

4

D Taakveld werk, inkomen en zorg (WIZ) D.1. Taken en bevoegdheden 1.

Ter uitvoering van het taakveld WIZ dragen de colleges alle uitvoerende taken en bevoegdheden, die bij of krachtens de hierna te noemen wetten, alsmede de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en uitvoeringsregelingen, aan de colleges zijn toegekend, over aan het dagelijks bestuur van de regeling: a. Participatiewet; b. Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004); c. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw); d. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz); e. Wet Inburgering 2021; f. Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening (Wgs); g. Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling gpk), op grond van artikel 49 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW).

2.

Ter uitvoering van het taakveld WIZ dragen de colleges de navolgende uitvoerende taken en bevoegdheden, die bij of krachtens de hierna te noemen wetten, alsmede de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en uitvoeringsregelingen, aan de colleges zijn toegekend, over aan het dagelijks bestuur van de regeling: a. verstrekkingen in het kader van art. 1.13 van de Wet kinderopvang (Wko); b. het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 285 eerste lid, onder f, en tweede lid van de Faillissementswet (Fw) in het kader van de Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen; c. de toekenning van maatwerkvoorzieningen in het kader van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); d. de toekenning van de maatwerkvoorziening Beschermd Wonen ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); e. de uitvoering van hoofdstuk 5 paragraaf 1, taakstelling huisvesting vergunninghouders, van de Huisvestingswet 2014; f. uitvoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi), voor zover dat betrekking heeft op het taakveld van WIZ.

3.

Tevens dragen de colleges aan het dagelijks bestuur van de regeling de taken en bevoegdheden over ten aanzien van de uitvoering van wet- en regelgeving die in plaats treedt van de hiervoor genoemde wet- en regelgeving, alsmede het ter zake geldende overgangsrecht.

D.2. Minimabeleid Aan het dagelijks bestuur van de regeling wordt de uitvoering overgedragen van het door de deelnemende gemeenten vastgestelde Minimabeleid, waaronder voor de gemeenten Goes, Kapelle, Borsele en Reimerswaal de uitvoering van de Verordening Declaratiefonds.

5

D.3. Subsidieverlening Aan het dagelijks bestuur van de regeling wordt de uitvoering overgedragen van de subsidieverlening met betrekking tot armoedebestrijding en inburgering. D.4. Samenwerking met andere partijen 1.

2.

Het bepaalde in onderdeel D.1. vindt waar mogelijk plaats in samenwerking met (keten)partners en derden die door de regeling worden ingeschakeld bij de uitvoering van genoemde regelingen. Het dagelijks bestuur van de regeling vervult hierbij de regiefunctie namens de colleges.

D.5. Advisering 1.

2.

Het dagelijks bestuur van de regeling kan gevraagd en ongevraagd het bestuur van de gemeenten adviseren over het te voeren beleid op het terrein van werk, inkomen, sociale zekerheid, minimabeleid, zorg en de ontwikkelingen op de lokale/ regionale arbeidsmarkt. Het dagelijks bestuur van de regeling adviseert het bestuur van de gemeenten in ieder geval ten aanzien van de gemeenschappelijke regeling de Betho in het kader van de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) en Participatiewet.

D.6. Algemene voorzieningen Wmo 1.

2.

Het dagelijks bestuur van de regeling signaleert en adviseert gevraagd en ongevraagd de colleges ten aanzien van algemene voorzieningen op het gebied van participatie en zelfredzaamheid in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het dagelijks bestuur van de regeling kan algemene voorzieningen op het gebied van participatie en zelfredzaamheid in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 met een bovengemeentelijk karakter initiëren in samenwerking met de colleges.

D.7. Vertegenwoordiging in overleg Het dagelijks bestuur van de regeling vertegenwoordigt binnen haar bevoegdheden de colleges in alle met bovengenoemde taken samenhangende overlegstructuren. D.8. Cliëntenraad Het dagelijks bestuur van de regeling onderhoudt de relatie met de cliëntenraad als vertegenwoordigend orgaan van de cliënten van de gemeenten. D.9. Behoud verantwoordelijkheden De uitvoering van het taakveld WIZ vindt plaats voor rekening en risico van de gemeenten. De gemeenten behouden hun verantwoordelijkheden ten aanzien van de verantwoording van de baten, lasten en debiteuren van het taakveld WIZ met uitzondering van subsidies die worden ontvangen van of via de arbeidsmarktregio in hun begroting en jaarrekening alsmede de verantwoording via de SiSa-bijlage.

6

3. Naast de in lid 2 bedoelde taken en bevoegdheden en hetgeen rechtstreeks door de wet aan het samenwerkingsverband is opgedragen, omvat de behartiging van de in artikel 4 bedoelde belangen in ieder geval de volgende taak en bevoegdheid: het treffen van een regeling voor het voeren van een secretariaat. 4. Aan de in lid 1 genoemde taakvelden kunnen bij eensluidende besluiten door de colleges taakvelden aan de regeling worden toegevoegd. Artikel 1, tweede lid, van de wet is op die besluiten van toepassing. 5. De regeling kan met instemming van het algemeen bestuur ook diensten aan andere gemeenten verlenen. Artikel 6 Bezwaarschriftencommissie Het algemeen bestuur is bevoegd tot het instellen van een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 7 Klachtrecht 1. Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een regeling over de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. 2. Voor de externe behandeling van klachten wordt aangesloten bij de Nationale Ombudsman.

Hoofdstuk 3 Het algemeen bestuur Artikel 8 Samenstelling algemeen bestuur 1. Het algemeen bestuur van de regeling bestaat uit tien leden, twee leden per gemeente, waaronder de voorzitter. 2. Ieder college van de gemeenten wijst de burgemeester en een wethouder aan. 3. In geval van langdurige afwezigheid van een lid van het algemeen bestuur wordt een plaatsvervanger aangewezen door het college. 4. De colleges van de gemeenten beslissen in beginsel binnen één maand na de benoeming van de wethouders van elke zittingsperiode over de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur. 5. Het algemeen bestuur wijst de burgemeester van de gemeente Goes aan als voorzitter en wijst ook diens plaatsvervanger aan. 6. De leden van het algemeen bestuur hebben, onverminderd het bepaalde in de leden 7 tot en met 11, zitting gedurende de zittingsduur van de colleges. 7. De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de leden van de colleges van de gemeenten aftreden. 8. Het lid dat tussentijds ophoudt lid van het college van burgemeester en wethouders te zijn, houdt daarmee ook op lid te zijn van het algemeen bestuur. Dit geldt ook voor de voorzitter. 9. Het lid dat ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het algemeen bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens of wier plaats dit lid is benoemd, zou hebben moeten aftreden. 10.

De leden van het algemeen bestuur die tussentijds ontslag nemen, stellen de voorzitter van het algemeen bestuur en ook het college die hem of haar heeft aangewezen hiervan schriftelijk op de hoogte. Het ontslag is daarmee onomkeerbaar. 11. De aanwijzing voor de vervulling van plaatsen die zijn opengevallen, vindt binnen twee maanden – nadat het ontslag onomkeerbaar is - plaats door het college die het aangaat.

7

Artikel 9 Bevoegdheden van het algemeen bestuur 1. Aan het algemeen bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen. 2. Het algemeen bestuur kan alle bevoegdheden delegeren aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet. 3. De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar: a. het aanwijzen van een voorzitter en diens plaatsvervanger en de overige leden van het dagelijks bestuur; b. het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzingen en de jaarstukken; c. het vaststellen van een reglement van orde; d. het vaststellen van de Financiële verordening en de Controleverordening; e. het vaststellen van een regeling tot instelling van een commissie ex artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, en een regeling voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht; f. het doen van voorstellen tot wijziging, toetreding, uittreding en opheffing van de regeling: g. het instellen van commissies als bedoeld in artikel 24, 24a en 25 van de wet; 4.

Het algemeen bestuur is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, als dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Artikel 10 Werkwijze 1. Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast. Dit reglement en ook de daarin aangebrachte wijzigingen worden zo spoedig mogelijk na vaststelling ter kennis gebracht van de colleges en de raden van de gemeenten. 2. Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee leden van het algemeen bestuur dit verzoeken (onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen). In het laatste geval vindt de vergadering binnen twee weken plaats. 3. De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op. 4. Tegelijkertijd met de oproep brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in Hoofdstuk Va van de Gemeentewet, genoemde stukken waaromtrent geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd. 5.

De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. 6. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde deel van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. 7. Uit de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing het bepaalde in artikel 20 (quorum voor opening van vergadering), artikel 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), artikel 26 (handhaving orde vergadering), artikel 28 (niet-deelname aan de stemming), artikel 29 (quorum voor geldige stemming), artikel 30 (tot stand komen besluit), artikel 31 (geheime stembriefjes), artikel 32 (overige stemmingen) en artikel 33 (ambtelijke bijstand leden van het algemeen bestuur). 8. Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. 9. Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een beslissing uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. 10. Als de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het negende lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen.

8

Artikel 11 Besloten vergadering In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over het meerjarenbeleidsplan, de begroting, begrotingswijzigingen, de jaarstukken en het liquidatieplan.

Hoofdstuk 4 Het dagelijks bestuur Artikel 12 Samenstelling 1. Het dagelijks bestuur bestaat ten minste uit een voorzitter en vier leden, met dien verstande dat in het dagelijks bestuur elk van de gemeenten vertegenwoordigd is. 2. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur. Zij worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur nadat overeenkomstig artikel 8 de leden van het algemeen bestuur zijn aangewezen. 3. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het algemeen bestuur zijn ook voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van het dagelijks bestuur. 4. De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die openvallen, vindt plaats binnen twee maanden na de melding van de opengevallen plaats. Artikel 13 Einde lidmaatschap 1. Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt als het lid ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur. 2. Na raadsverkiezingen treden de leden van het dagelijks bestuur af op de dag waarop de zittingsperiode afloopt van het college waaruit zij zijn benoemd. Zij blijven hun functie vervullen tot het moment dat in de opvolging is voorzien. Artikel 14 Werkwijze 1.

Het dagelijks bestuur vergadert minimaal vijf keer per jaar of zo dikwijls als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht, zulks onder opgave van de te behandelen onderwerpen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ingekomen. 2. Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten daarover mee aan het algemeen bestuur. 3. Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. 4. Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een beslissing uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. 5. Als de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het negende lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen. 6. Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast, dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd. 7. Voor de besluitvorming in het dagelijks bestuur en de verplichting tot geheimhouding zijn de bepalingen zoals die zijn opgenomen in de Gemeentewet voor het college van overeenkomstige toepassing. 8. Voor besluitvorming zijn minimaal drie leden van het dagelijks bestuur in de vergadering aanwezig.

9

Artikel 15 Taak De taak van het dagelijks bestuur is: 1. Het uitvoeren van alle taken en bevoegdheden die op grond van de in artikel 5 genoemde wetten en algemeen verbindende voorschriften aan de colleges van burgemeester en wethouders toekomen. 2. Voorts is het dagelijks bestuur belast met: a. het beheer van de eigendommen en geldmiddelen van de regeling; b. het houden van een voortdurend toezicht op het beheer en de exploitatie van de regeling, alsmede op al wat de regeling aangaat, waaronder de zorg voor de archiefbescheiden; c. het benoemen, schorsen en ontslaan van het personeel; d. het behartigen van de belangen van de regeling bij andere overheidslichamen en instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de regeling van belang is; e. het voorbereiden van al wat aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd, voor zover die voorbereiding niet aan anderen is opgedragen; f. het uitvoeren van besluiten van het algemeen bestuur. 3. Het dagelijks bestuur heeft de verplichting om het algemeen bestuur actief inlichtingen te verstrekken. Artikel 16 Intern 1. 2. 3. 4.

De leden van het dagelijks bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die nodig is voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur. Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen. De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.

Hoofdstuk 5 De voorzitter Artikel 17 Taak 1. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. 2. De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan. 3. De voorzitter vertegenwoordigt de regeling in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door deze aan te wijzen gemachtigde. 4. Als de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente, die partij is in een geding waarbij de regeling is betrokken, wordt de regeling door een ander, door het dagelijks bestuur aan te wijzen, lid van het dagelijks bestuur vertegenwoordigd.

10

Hoofdstuk 6 Overleg portefeuillehouders Artikel 18 Samenstelling en werkwijze 1. Per taakveld stelt het algemeen bestuur een overleg van portefeuillehouders in. Dit overleg is een vaste commissie van advies ten behoeve van het dagelijks bestuur en draagt zorg voor de advisering aan het dagelijks bestuur voor wat betreft de taakvelden. 2. Het overleg bestaat uit de portefeuillehouders van de gemeenten. 3. Het overleg kiest uit zijn midden een voorzitter. 4. Het overleg wordt voorzien van ambtelijke ondersteuning. 5. Bij afwezigheid kan een portefeuillehouder worden vervangen door een andere vertegenwoordiger van dezelfde gemeente. 6. Het lidmaatschap van het overleg eindigt op het tijdstip waarop de zittingsperiode van het college afloopt. 7. Het lidmaatschap eindigt ook bij beëindiging van het lidmaatschap van het college, waaruit het lid is aangewezen. 8. Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende portefeuillehouders bevoegd advies uit te brengen. 9. Het overleg van portefeuillehouders stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Hoofdstuk 7 Inlichtingen en verantwoording Artikel 19 Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur 1.

Het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de colleges en aan de raden van de gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen en het dagelijks bestuur verstrekken aan de colleges en aan de raden van de gemeenten alle inlichtingen die door een of meer colleges of raden dan wel een of meerdere leden van die raden worden verlangd. Die inlichtingen worden in dat geval ook verstrekt aan de overige colleges en raden. 3. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur verstrekt alle inlichtingen die door het college door wie hij is benoemd alsmede door de raad van de gemeente dan wel een of meerdere leden van die raad, worden verlangd. Artikel 20 Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur 1.

2.

Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan het college door wie hij is benoemd alsmede aan de raad van de gemeente dan wel een of meerdere leden van die raad, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid. Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door het college door wie hij is benoemd worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het college bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

11

Hoofdstuk 8 Personeel, directie en regiegroep Artikel 21 Personeel 1. 2. 3.

Bij de regeling is personeel werkzaam voor de uitvoering van de aan de regeling opgedragen taken, in dienstverband of op detacheringsbasis. Op het in dienst zijnde personeel is de Cao Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (Cao SGO) van toepassing. Het dagelijks bestuur kan in aanvulling op voornoemde cao voor het personeel aanvullende arbeidsvoorwaardenregelingen vaststellen.

Artikel 22 De directeur 1.

2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

De bestuursorganen van de regeling worden bijgestaan door een directeur. De directeur vervult ten behoeve van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur de functie van ambtelijk secretaris. De directeur heeft geen stemrecht. De directeur handelt in overeenstemming met het door het algemeen bestuur vastgestelde Organisatiebesluit gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden 2024 De directeur is belast met de dagelijkse leiding van de regeling. De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan. De directeur is bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden. Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur. De directeur wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het dagelijks bestuur. De directeur is verantwoording schuldig aan het dagelijks bestuur.

Artikel 23 Regiegroep 1. 2. 3. 4.

De gemeentesecretarissen (of de daarvoor aangewezen directieleden) van de gemeenten vormen een regiegroep. De regiegroep geeft namens de colleges van de gemeenten inhoud en vorm aan het opdrachtgeverschap aan de werkorganisatie. Tussen de regiegroep en de directeur is geen sprake van een hiërarchische verhouding. Voor de nadere uitwerking van de taak van de regiegroep stelt de regiegroep, in nauw overleg met de directeur en rekening houdend met de in artikel 9, derde lid, sub i, bedoelde instructie, een reglement vast.

Hoofdstuk 9 Het beleidsplan en het beleidsverslag Artikel 24 Beleidsplan en beleidsverslag Vervallen.

12

Hoofdstuk 10 Financiële bepalingen Artikel 25 Begrotingsprocedure 1.

2.

3.

4. 5.

6.

Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen voor de drie daarop volgende jaren aan de raden van de gemeenten. Het bepaalde in art.190 lid 1 van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). De raden van de gemeenten kunnen binnen twaalf weken na ontvangst van de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. Nadat deze is vastgesteld, stuurt het dagelijks bestuur de begroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen aan de raden van de gemeenten. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld.

Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen een programma van de eigen begroting kunnen worden opgevangen en/of die geen belangrijke beleidswijzigingen betreffen en/of geen structurele gevolgen hebben voor de begroting van het volgende jaar en/of volgende jaren.

Artikel 26 Bijdragen van de gemeenten 1.

2. 3. 4.

In de begroting staat welke bijdrage elke gemeente verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van de regeling. De vergoeding voor diensten van de gemeente aan de regeling wordt afzonderlijk in rekening gebracht bij de regeling. De gemeenten betalen bij wijze van voorschot op de vijftiende dag van de maand een/twaalfde deel van de in het eerste lid bedoelde bijdrage. De gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat de regeling over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Als aan het algemeen bestuur van de regeling blijkt dat een gemeente weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.

Artikel 27 Reserve 1. De regeling vormt een reserve ten laste van de gemeentelijke bijdragen aan de uitvoeringskosten conform de richtlijn die jaarlijks door het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten wordt vastgesteld. 2. Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op gemeentelijke verzoeken daaromtrent geeft het dagelijks bestuur toepassing aan afspraken tussen de gemeenten over het te vormen reserve.

13

Artikel 28 Jaarstukken 1. Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast het rapport van de met de controles belaste accountant. 2. De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de gemeenten toegezonden. 3. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt deze vast uiterlijk 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 4. De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli. 5. Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken verleent - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden 6.

Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden van de gemeenten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming. Hoofdstuk 11 Het archief Artikel 29 Archief 1. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995 vast te stellen regeling. 2. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het algemeen bestuur een archiefbewaarplaats aan. Artikel 30 Informatieveiligheid 1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft. 2. Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de gemeenten moeten voldoen. Artikel 31 Participatie 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid. 2.

Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken bij: a. ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; c. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d. inzake de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; e. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;

14

f.

indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving. 3. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt. Hoofdstuk 12 Toetreding, uittreding, wijziging, geschillen en opheffing Artikel 32 Toetreding 1. 2.

3.

Het college van de gemeente dat wenst toe te treden, richt het verzoek hiertoe aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur stuurt het verzoek als bedoeld in lid 1 na ontvangst door aan de colleges van de gemeenten onder overlegging van zijn advies over de toetreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden. Toetreding vindt plaats als de gemeenten daarmee instemmen.

Artikel 33 Aanvang uittredingsprocedure 1.

2.

3. 4.

De gemeente zendt, na verkregen toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen. Het algemeen bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept-uittredingsplan. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgend op het verstrijken van een termijn van drie jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit en de uittredende gemeente een andere opzegtermijn overeenkomen.

Artikel 34 Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. 2.

3.

4.

5.

Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende gemeente, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende gemeente. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende gemeente en het dagelijks bestuur. Als geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende gemeente. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast.

Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.

15

6.

7.

8.

Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 26 en vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende gemeente van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende gemeente de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het algemeen bestuur conform de voorkeur van de uittredende gemeente of de uittredende gemeente de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in een keer dient te betalen.

Artikel 35 Te vergoeden kosten, de uittreedsom 1.

2. 3.

4.

5. 6.

7.

8.

De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen, bedoeld in artikel 9, lid 4. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een gemeente zijn. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door GR Samenwerking de Bevelanden die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. Het algemeen bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende gemeente. De uittredende gemeente is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 34, lid 6, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 34, lid 8, anders is vastgelegd.

Kosten die de uittredende gemeente maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de uittredende gemeente. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 32, lid 5. Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 34 en relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft, kan het algemeen bestuur in overleg met uittredende gemeente besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de gemeente.

16

Artikel 36 Verplichtingen uittreder 1.

2.

De uittredende gemeente is gehouden zich in te spannen om de formatie van de regeling die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende gemeente overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.

Artikel 37 Wijziging 1. Voor zover elders in deze regeling niet anders is bepaald, wordt de regeling gewijzigd, als de colleges van tweederde van de gemeenten daartoe eensluidend besluiten. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de colleges van de gemeenten. 3. Voorstellen uitgaande van het algemeen bestuur worden toegezonden aan de colleges van de gemeenten, die binnen 12 weken na ontvangst een besluit nemen en dat direct aan het algemeen bestuur mededelen. 4. Voorstellen uitgaande van één of meer gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen binnen 12 weken aan de colleges van de gemeenten doet toekomen, waarna deze gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel. Artikel 38 Geschillen 1. Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 van de wet de beslissing van gedeputeerde staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie. 2. De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt. 3.

De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen. 4. De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden gemeenten tot overeenstemming te brengen. 5. Als het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil, wordt bij het verzoek om een beslissing van gedeputeerde staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd. Artikel 39 Ontbinding en liquidatie 1. De regeling kan worden ontbonden, op voorstel van het algemeen bestuur, gelezen artikel 9 van de wet, bij een daartoe strekkend besluit van de colleges van tenminste tweederde van de gemeenten. 2. Ingeval van een besluit tot ontbinding van de regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een tweederde meerderheid genomen, nadat de raden van de gemeenten in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

17

3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten over de financiële gevolgen van de ontbinding van de regeling. 4. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de ontbinding heeft voor het personeel. 5. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten alle rechten en verplichtingen van de regeling over de gemeenten te verdelen op een in het plan te bepalen wijze. 6. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. 7. Het besluit tot ontbinding of tot wijziging van de regeling wordt direct gezonden aan de gemeenten en gedeputeerde staten. 8. De organen van de regeling blijven ook na het tijdstip van ontbinding in functie, totdat de vereffening is voltooid. 9. Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van ‘in liquidatie’, zodat het opschrift komt te luiden: “gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden in liquidatie”. Hoofdstuk 13 Slotbepalingen Artikel 40 Inwerkingtreding 1. Het college van de gemeente Goes draagt zorg voor het inzenden van de regeling en van besluiten tot wijziging of opheffing daarvan aan gedeputeerde staten en de Kamer van Koophandel. 2. De regeling treedt in werking op de achtste dag na die van de bekendmaking. Artikel 41 Titel De regeling kan worden aangehaald als “gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden”.

Artikel 42 Evaluatie De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft met name betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd is eveneens onderdeel van de evaluatie. Artikel 43 Slotbepalingen 1. De bij besluit van 12 april 2019 aangegane gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden wordt ingetrokken. 2. In alle gevallen waarin de regeling niet voorziet beslist het algemeen bestuur. Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele d.d .XXXXX, G. Dijksterhuis, burgemeester.

J. Jansen, secretaris.

18

Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes d.d. XXXXX, C. van den Bos, burgemeester.

mr. H.E. Schild, secretaris.

Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kapelle d.d. XXXXX, C. Jansen op de Haar, burgemeester.

F.W. Leijnse, secretaris.

Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord-Beveland d.d. XXXXX, Drs. L. Meeuwisse, burgemeester.

Mr. B. Melis, secretaris.

Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Reimerswaal d.d. XXXXX, Drs. J.S. van Egmond, burgemeester.

Mr. MBA F.L.A.R. Marquinie, secretaris.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15409456/1