6.3 Artikelsgewijze toelichting Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2021
Tekst van het document
Artikelsgewijze toelichting Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2021 In vergelijking met de huidige APV zijn veel artikelen in de nieuwe APV gewijzigd. De meeste gevallen betreft het redactionele aanpassingen. Deze zijn conform de model-APV en behoeven geen toelichting. Een aantal actuele zaken, die al dan niet hebben geleid tot een inhoudelijke wijziging, worden hieronder toegelicht. Artikel 2:18a Rookverbod op aangewezen plaatsen Bij het voorstel tot wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet om het reclameverbod aan te scherpen (TK 2019-2020, 35504, nr. 3) heeft de Afdeling advisering van de Raad van State uiteengezet waarom gemeenten wel de bevoegdheid hebben om bij verordening regels te stellen over rookverboden. De minister van VWS heeft deze uitleg ten overvloede in de toelichting op het wetsvoorstel herhaald. Gemeenten lieten het ministerie van VWS weten dat zij het principe van de rookvrije omgevingen willen opnemen in decentrale regelgeving. Hierbij liepen gemeenten tegen juridische onzekerheden aan. Mag dit wel vanuit de landelijke Tabaks- en Rookwarenwet? In de toelichting van het wetsvoorstel dat nu bij de Tweede Kamer ligt, is nu expliciet gemaakt welke bevoegdheden gemeenten op dit punt hebben. Gemeenten kunnen onder andere via de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) plekken rookvrij maken.
Denk aan bushokjes of directe omgeving van schoolterreinen die per 1 augustus rookvrij moeten zijn. Handhaving van dit verbod vindt informeel plaats. Een gemeente kan echter niet het roken in de open lucht in of aan de gebouwen en inrichtingen die zijn genoemd in artikel 10 van de wet (bijvoorbeeld een dakterras) verbieden. Een dergelijke regeling zou artikel 10 van de wet in combinatie met artikel 6.2 van het Tabaks- en rookwarenbesluit doorkruisen. Ook gemeente Borsele wil haar kinderen het goede voorbeeld geven voor een rookvrije toekomst en derhalve is in artikel 2:18a eerste lid APV een algeheel rookverbod opgenomen voor alle openbare speelplaatsen in gemeente Borsele. Het tweede lid van dit artikel maakt het mogelijk door het bevoegd gezag in de toekomst nadere plaatsen aan te wijzen. Artikel 2:26 Ordeverstoring Dit artikel is met name een handvat voor de handhaving. Dit is belangrijk omdat slechts op deze wijze van een eenduidige en uniforme operationeel (handhavende) wijze tegen het voeren van dergelijke uiterlijke verschijningsvormen en kenmerken (als kleding, stickers, logo’s etc.) door de politie in de hele eenheid sprake zal kunnen zijn. Daarom wordt voorgesteld artikel 2.26 aan te passen en een nieuw artikel 2.50 in te voeren. Artikel 2:38 APV : Nachtregister (o.a.
recreatieparken) Een nachtregister geeft inzicht in wie zich op het terrein van een camping en/of park bevindt. Dit heeft meerwaarde op meerdere terreinen. In het geval van calamiteiten, weet de beheerder/calamiteitendienst wie er op het park aanwezig zijn. Ook kan het nachtregister een afschrikkende werking hebben op criminelen. Met een registratie in een nachtregister verliest men namelijk de anonimiteit en wordt het park niet als criminele ontmoetingsplaats gebruikt. Bijkomend voordeel is dat ook de gemeente dan toezicht kan houden op het nachtregister.
De eis voor het bijhouden van een nachtregister is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (artikel 438 lid 1). Voorstel is om deze deze eis ook op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening , artikel 2:38. De politie is toezichthouder op de naleving van de APV. Het doel tot de verplichting van het bijhouden van een nachtregister in art. 438 lid 1 Sr is om de opsporing of aanhouding van door de politie of justitie gezochte personen te vergemakkelijken. In de bestrijding van ondermijning, mensenhandel, prostitutie of het zoeken naar voortvluchtige personen biedt het digitaal register inzicht. De burgemeester kan nadere regels maken ten aanzien van de naleving van dit artikel. Landelijk is men bezig een toegankelijk systeem te ontwikkelen om een nachtregister bij te houden: te denken valt aan een subsidieregeling of gratis ter beschikking stellen. In verschillende steden wordt binnenkort een proef gehouden om dit vervolgens bij de overige gemeentes te implementeren. Artikel 2:44 APV: Vervoer inbrekerswerktuigen. Ongeoorloofd vervoeren dan wel bij zich hebben van gereedschappen/werktuigen. Redactioneel aangepast en in overeenstemming gebracht met de delictsomschrijving in het Wetboek van strafrecht 2:48a: Het gebruik van lachgas. De verkoop en het gebruik van lachgas is in Nederland in de afgelopen jaren toegenomen.
Het lachgas wordt steeds vaker als recreatief roesmiddel gebruikt, wat leidt tot risico’s voor de volksgezondheid, overlast en verkeersongevallen. Momenteel valt het middel onder de Warenwet en is dat vrij verkrijgbaar. De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de minister van Justitie en Veiligheid hebben op 12 december 2019 laten weten voornemens te zijn lachgas voor oneigenlijk recreatief gebruik te gaan verbieden door het op lijst II van de Opiumwet te plaatsen. De bepalingen in afdeling 11 (Drugsoverlast) zijn geschreven met het oog op de handhaving van de openbare orde/het voorkomen van overlast. Het gaat hierbij uitdrukkelijk (alleen) om overlast ten gevolge van drugshandel op straat.In deze artikelen wordt verwezen naar middelen uit lijst I en II van de Opiumwet, (hard- en softdrugs) en “daarop gelijkende waar”. Bij “daarop gelijkende waar” zou kunnen worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt, nog niet op de lijsten I of II voorkomen, maar waartegen wel moet worden opgetreden, zoals lachgas. Het is van belang om handhaving via deze bepalingen goed te motiveren. Vooralsnog liggen aan de verkoop en het gebruik van lachgas hogere regelingen aan ten grondslag (de Warenwet, De Drank- en Horecawet, de Opiumwet) met een motief dat is gelegen in de volksgezondheid.
De gemeentelijke wetgever kan niet in de regelgevende bevoegdheid van de landelijke wetgever treden en daar met hetzelfde motief (aanvullende) regels over vaststellen. Wanneer regels met betrekking tot de verkoop en het gebruik van lachgas worden gesteld vanuit het oogpunt van de openbare orde en de veiligheid, ligt er een ander motief aan ten grondslag. Gelet op de artikelen 172 en 149 van de Gemeentewet is dan geen sprake van strijd met de hiervoor genoemde hogere regelgeving. Er wordt daarmee voldaan aan het bepaalde in artikel 121 van de Gemeentewet. Analoog aan het in artikel 2:48 APV opgenomen verbod van openlijk drankgebruik (in aangewezen gebieden) kan de raad het verbieden om op bepaalde openbare plaatsen lachgas te gebruiken of bij zich te hebben. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de algemene verboden in de artikelen 2.47, 2,49 en 2.50 van de APV mogelijkheden
biedt om op te treden tegen hinderlijk gedrag op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke ruimten. Een bewijs dat er lachgas is gebruikt is dan niet nodig. In de praktijk is het moeilijk om dat gebruik aan te tonen. De VNG adviseert dan ook om in voorkomende gevallen gebruik te maken van de artikelen 2.47, 2.49 en/of 2.50. Verder kan de burgemeester bij evenementenvergunning zo nodig het voorschrift opnemen dat de organisator de redelijkerwijs mogelijke maatregelen neemt om verkoop en gebruik van lachgas op het evenemententerrein te voorkomen en tegen te gaan. Thans is het wenselijk de verkoop en gebruik van recreatief lachgas in de openbare ruimte tegen te gaan door het opnemen van het verbod op gebruik lachgas in een extra artikel 2:48a en het toevoegen van lachgas (op drugs gelijkende waar) in de artikelen 2:74a en 2:74b. Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht.
Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke. Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn – in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid).
Artikel 2:48b Vervoer lachgas In de VNG-ledenbrief ‘Lachgas’ van 14 mei 2020, https://vng.nl/brieven/lachgas gingen we in op de gevaren van oneigenlijk gebruik van lachgas en zetten we uiteen welke mogelijkheden de ModelAPV biedt om hiertegen te kunnen optreden. Bij onze jaarlijkse zomerupdate van de Model-APV (2020) hebben wij hiernaast nog een specifieke APV-voorbeeldbepaling opgenomen. Tegelijkertijd was de verwachting dat er eind 2020 een landelijke aanpassing van de opiumwetgeving zou hebben plaatsgevonden door lachgas aan lijst II bij de Opiumwet toe te voegen en de eigenlijke toepassingen van lachgas van het Opiumwetverbod uit te zonderen . Transport van meer dan 2 kilo lachgas wordt aangemerkt als bedrijfsmatig vervoer van gevaarlijke stoffen en is onderworpen aan voorschriften van de ADR, de Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en is slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Toelichting op de wijziging van de artikelen 2:48, 3:7 en aanverwante artikelen in de APV De Drank- en Horecawet is gewijzigd. De gewijzigde wet is per 1 juli 2021 in Werking getreden. De wet wordt voortaan aangeduid als Alcoholwet. Waar voorheen over Drank-en Horecawet werd gesproken is dit nu vervangen door “Alcoholwet”.
Artikel 2:50: Verbod uiterlijke kenmerken OMG Al vele jaren zijn er in Nederland veel hardnekkige problemen met zogenaamde Outlaw Motor Gangs (OMG’s). Het Openbaar Ministerie is een aantal civielrechtelijke procedures gestart om een
aantal van deze OMG’s te laten verbieden omdat de activiteiten van die clubs in strijd zijn met de openbare orde. Dit met wisselend succes. Inmiddels zijn een aantal OMG’s door de rechtbank verboden. Bij de verbodenverklaringen van deze OMG’s speelt de cultuur van wetteloosheid en geweld een belangrijke rol. Dit geldt ook voor het (ernstige) gevaar dat door leden van deze organisaties opnieuw gewelddadige strafbare feiten worden gepleegd en dat hun aanwezigheid een ondermijnende en ontwrichtende werking (kan) hebben op de Nederlandse samenleving. In de uitspraken werd bepaald dat de uiterlijke kenmerken van de verboden clubs uit de openbare ruimte geweerd moeten worden. Citaat uitspraak: “De rechtbank geeft aan dat met de verbodenverklaring een eind komt aan alles wat met het uiterlijk vertoon van de organisaties verband houdt, zoals de naam, logo’s en spreuken.” De uitspraken van de rechtbanken waarin OMG’s verboden worden verklaard kennen een tweeledige werking, een bestuursrechtelijke en strafrechtelijke. Bestuursrechtelijk heeft de uitspraak betreffende deze civiele verboden wel onmiddellijke (directe) werking. Voor een belangrijk deel hangt dit samen met de taken / werkzaamheden van gemeentes, bijvoorbeeld de sluiting van een clubhuis of weigeren van vergunningen. Daarnaast heeft het betrekking op het handhaven van de openbare orde.
De burgemeester heeft hierin een leidende rol, waarbij de politie nadrukkelijk verantwoordelijk is voor het toezicht en de handhaving van dit verbod tijdens de uitvoering. De handhaving van haar primaire politietaak. Echter zolang er nog hoger beroep of beroep in cassatie mogelijk is (en het verbod is nog niet onherroepelijk) is het strafrechtelijk niet of nauwelijks mogelijk om tegen die clubs op te treden als de leden in vol tenue (op hun motoren) aan het verkeer deelnemen of anderszins actief zijn. Wat kan helpen is een wettelijke grondslag in de APV. Geadviseerd wordt door de politie Zeeland-West Brabant (Staf Eenheid) om in alle 37 gemeenten in Zeeland-West-Brabant deze (aanvullende) verbodsbepalingen specifiek ook gericht op genoemde uitingen van OMG’s in de openbare ruimte in hun APV op te nemen. Hierbij is nadrukkelijk geadviseerd om dit te doen overeenkomstig de door hen voorgestelde (verbods)bepalingen.
Artikelen 2:55 en 2:56: Vuurwerk en carbid De Onderzoeksraad voor Veiligheid, de Nationale Politie, de VNG en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB) adviseren de regering knalvuurwerk, vuurpijlen en los siervuurwerk te gaan verbieden. Op dit moment is het nog niet duidelijk of dat advies wordt overgenomen. In de APV wordt nu, conform het model van de VNG, de bevoegdheid aan het college toegekend vuurwerkvrije zones aan te wijzen. Hoewel wij de voorkeur geven aan een centraal landelijk verbod, willen wij de mogelijkheid hebben om zelf vuurwerkvrije zones aan te wijzen, als het niet tot een landelijk verbod komt. Overigens zodra er een landelijk verbod komt vervalt de apvbepaling van rechtswege. Dan ligt het voor de hand de bepaling bij een volgende wijziging te schrappen. Voorstel is een nieuw artikel op te nemen met een algeheel verbod op carbidschieten (artikel 2:55 een algeheel verbod op carbidschieten in de openlucht). Er kan een ontheffing worden gevraagd met oud-en nieuw. Voordeel hiervan is dat aan de ontheffing voorschriften verbonden worden waar men zich aan moet houden. Daarnaast krijgt het college de bevoegdheid om nadere aanwijzingen te geven met betrekking tot het carbidschieten. In verband met de veiligheid is slechts ontheffing van het verbod mogelijk in de periode van 31 augustus vanaf 10.00 uur tot 17.00 uur.
Ook nieuw is de opgenomen verbodsbepaling op het vervoer van carbid (artikel 2:56). De artikelen zijn geplaatst in afdeling 8 (Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade). Omdat
carbid formeel geen vuurwerk is, is er niet voor gekozen om dit onderwerp te plaatsen onder afdeling 10 (Consumentenvuurwerk).
Artikel 2:59 en artikel 2:59a Aanlijn- en muilkorfgebod De bevoegdheid tot het opleggen van een aanlijngebod voor een gevaarlijke hond gaat van het college over naar de burgemeester. Dit ligt voor de hand omdat de burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde. Verder is dat ook conform het model van de VNG. In Borsele wordt overlast ervaren door honden die door hun baas worden getraind voor o.a. politie-doeleinden en als gevaarlijke honden worden beschouwd/ervaren. Handhaving kan door middel van artikel 2:59a lid c. Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Aan de zinssnede “Op drugsgelijkende waar” is “lachgas” toegevoegd. De bevoegdheid om ter bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat enkele gedragingen in de voorfase van ‘straathandel’ strafbaar te stellen wordt niet geraakt. In veel gemeenten is dit gedaan met een bepaling die naar inhoud en strekking vergelijkbaar is aan artikel 2:74 van de model-APV van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (hierna: model-APV). Wel geldt uiteraard dat lachgas na inwerkingtreding van het besluit om lachgas op lijst II bij de Opiumwet te plaatsen, niet langer aan te merken zal zijn als ‘daarop gelijkend waar’, maar als ‘middel als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet’.
Ook de nu al toegepaste bestuursrechtelijke handhaving door oplegging van een last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling van overtreding van het lokale verbod blijft mogelijk. Hetzelfde geldt ten aanzien van de in veel lokale verordeningen opgenomen ‘maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade’, naar inhoud en strekking vergelijkbaar met respectievelijk de artikelen 2:47, 2:49 en 2:50 van de modelAPV. Dergelijke meer algemene verboden gelden ongeacht de toedracht van de overlast gevende, gevaarlijke of schadelijke gedragingen. Of de toedracht voortvloeit uit de verkoop of het gebruik van lachgas, of in het geheel niet, doet niet ter zake. Artikel 2:78: Gebiedsontzegging In de concept verordening is een bepaling opgenomen met betrekking tot het opleggen van een gebiedsontzegging aan een persoon. Met de gebiedsontzeggingsbepaling kan de burgemeester optreden tegen personen die overlast veroorzaken in de openbare ruimte. Die persoon kan de toegang tot het gebied worden ontzegd. De gebiedsontzegging was in eerste instantie bedoeld voor gebruik bij overlast veroorzaakt door drugshandel en drugsgebruik. Maar het instrument kan ook worden toegepast bij andere vormen van overlast. Om onveiligheidsgevoelens en overlast zo nodig te kunnen verminderen, stellen wij voor om dit instrument toe te voegen aan de APV (artikel 2:78).
Klokluiden tijdens oud- en nieuwjaar Voorgesteld wordt het klokken luiden tijdens de jaarwisseling als collectieve festiviteit op te nemen (zie artikel 4:2 lid 1 jo art. 4:2 lid 4 van de APV. Het college maakt de aanwijzing ten minste 4 weken voor het begin van een nieuw kalender jaar bekend. In combinatie met artikel 4:5 lid 5 van de APV (onversterkte muziek) kan elk jaar met oud-en nieuw het nieuwe jaar worden ingeluid.
Artikel 4:7: Oplaten van ballonnen Aanwezigheid van ballonen bij evenementen en feesten kunnen heel feestelijk zijn, alleen als ze ergens aan vastgemaakt worden. Zo ook worden tijdens Koningsdag veel ballonnen opgelaten. De Koninklijke Bond van Oranjeverenigingen ontmoedigt voortaan het oplaten van ballonnen. Elke ballon die los de lucht in gaat en in de natuur terechtkomt, brengt ernstige schade toe aan natuur en milieu. Vissen, vogels en andere dieren zien de ballonresten aan voor voedsel en na het eten van de ballonresten kan dit tot verstikking en uithongering leiden. Hoewel er geen wettelijk verbod bestaat op het oplaten van ballonnen heeft de Tweede Kamer een motie van de Partij voor de Dieren aangenomen die gemeenten oproept actief het oplaten van ballonnen te ontmoedigen. Steeds meer gemeenten nemen sindsdien in hun APV een verbod op om ballonnen op te laten. De VNG stelt dat ballonnen vrij en legaal verkrijgbaar zijn. Er is geen direct gevaar voor de volksgezondheid of de veiligheid. Wel kan het oplaten van ballonnen schade toebrengen aan het milieu en de natuur. In de praktijk is een verbod lastig te handhaven, de boa zal de overtreder op heterdaad moeten betrappen. Wij hebben de indruk dat het oplaten van ballonnen vrijwel niet meer voorkomt. Echter bij de aanvraag van evenementen, bijvoorbeeld bij de opening van een nieuwe onderneming, de avondvierdaagse, etc.
wil men nog wel eens een verzoek indienen voor het oplaten van ballonnen. Voorgesteld wordt om een verbodsartikel op te nemen in artikel 4:7 wat tevens als argument dient dit niet toe te staan bij evenementen of andere verzoeken. Artikel 5:15 Ventverbod (o.a. lachgas) Eén van de wijzen waarmee in gemeenten ten aanzien van verkopers van lachgas wordt opgetreden is op basis van een ventverbod. In verschillende gemeenten bestaat een ventverbod dat naar inhoud en strekking vergelijkbaar is aan artikel 5:15 van de model-APV: venten is dan verboden op door burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde aangewezen plaatsen, dagen en uren (zie artikel 5:15 lid 1 APV). Hoewel handhaving van het ventverbod ogenschijnlijk overbodig wordt met het plaatsen van lachgas op lijst II bij de Opiumwet, komt deze mogelijkheid niet te vervallen. Een dergelijk ventverbod is in de eerste plaats niet ingegeven door wat er wordt verkocht, maar dat er enig goed wordt verkocht (gevent) op een plaats waar dat (voor de betrokkene) niet is toegestaan. Een dergelijk verbod is als aangegeven veelal ingegeven vanuit het oogpunt van de voorkoming van aantasting van de openbare orde (en mogelijk de bescherming van het woon- en leefklimaat): artikel 5:15 lid 4 APV. Met andere woorden: het object van het voorschrift (de genormeerde gedraging) is anders.
Bovendien is het motief dat daaraan ten grondslag ligt (bescherming van de openbare orde) een andere dan dat ten grondslag ligt aan het concept besluit van de regering om lachgas op lijst II bij de Opiumwet te plaatsen (dat is ingegeven vanuit de substantiële risico’s voor de (volks)gezondheid en schade voor de samenleving). De mogelijkheid om een ventverbod in te stellen en op grond daarvan óók ten aanzien van lachgasverkopers handhavend op te treden wordt dan ook niet geraakt door voornoemd besluit.