CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

6.2 Was-wordt overzicht herziening Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele

Besluitvormende raadsvergadering 16 september 2021, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel om de Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2011 in te trekken en de Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2021 vast te stellen (portefeuillehouder burgemeester Dijksterhuis)42.832 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Was-wordt overzicht herziening Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2011 intitulé Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2011 De raad van de gemeente Borsele

Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2021 intitulé Besluit van de raad van de gemeente Borsele tot vaststelling van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2021

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 november 2010;

De raad van de gemeente Borsele;

gelet op de artikelen 147, 149 en 149a van de Gemeentewet; overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving van de openbare orde; BESLUIT: vast te stellen de navolgende Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2011:

gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 16 september 2021; gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, artikel 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Alcoholwet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, Winkeltijdenwet artikel 3, en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet op de Veiligheidsregio’s artikel 64 tweede lid; besluit vast te stellen de volgende verordening: Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2021

Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 In deze verordening wordt verstaan onder: a. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b; b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 ; c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; d. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun besluit van 17 december 1985, nr. 2022/120; e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; f. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening; g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet ; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom; de bebouwde kom of kommen weergegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze verordening dan wel het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994]; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; c. college: het college van burgemeester en wethouders; college van burgemeester en wethouders; d. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid,) van de Bouwverordening gemeente Borsele 2012; e. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; f. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van

wordt een commercieel belang te dienen; i. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; h. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; i. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; j. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; k. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen; l. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. m. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; n. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; o. Unielijst: lijst met invasieve exoten, zoals deze wordt gepubliceerd door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit, op grond van de EU-exotenverordening.

Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. 3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of artikel 4:11.

Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om: a. een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, eerste lid, van deze verordening (plaatsen voorwerpen op of aan de weg); b. een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid van deze verordening (plaatsen voorwerpen op of aan de weg); c. een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a of artikel 2:12 (aanleggen van een weg); d. een vergunning/ontheffing als bedoeld in artikel 4:11a, vierde lid (kappen en/of rooien van bomen en struiken). 4. In afwijking hetgeen gesteld is in het eerste en het tweede lid is de beslistermijn in artikel 2:25b tweede en derde lid, en artikel 3:3, vijfde lid van toepassing indien het een vergunning betreft als genoemd in de betreffende artikelen.

Artikel 1:3 Indiening aanvraag

Artikel 1:3

(vervallen) Artikel 1:4 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

(vervallen) Artikel 1:4 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder dit verzoekt.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt.

Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunning of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1.8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid;

Artikel 1.8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan niet ontvankelijk worden verklaard als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel 1:9 Lex silencio positivo van toepassing Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening: a. 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen b. 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan (voor zover het gaat om activiteiten die niet onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vallen) c. 2:11 Aanleggen van een weg (voor zover het gaat om activiteiten die niet onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vallen) d. 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister (lid 2) e. 4:18 Recreatief nachtverblijf kampeerterreinen f. 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen g. 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen h. 5:8 Parkeren van grote voertuigen i. 5:13 Inzameling van geld of goederen j. 5:36 Verboden plaatsen as te verstrooien

Artikel 1:10 Lex silencio positivo niet van toepassing Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening: a. 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden b. 2:25 Vergunning evenement c. 2:29 Sluitingstijden horeca d. 2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen e. 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen f. 3:3 Vergunning seksbedrijf g. 4:6 Knalapparatuur en overige geluidhinder h. 4:11a Beschermwaardige bomen: verbod op vellen behoudens vergunning i. 4:12 Bestrijding van boomziekten j. 4:12a Bestrijding iepziekte k. 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. l. 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen m. 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen n. 5:15 Ventverbod o. 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

Artikel 1:11 Bevoegd bestuursorgaan 1. Indien het een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf betreft in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 van deze verordening;

2. Zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, treedt de burgemeester op als bevoegd bestuursorgaan.

Hoofdstuk 2. OPENBARE ORDE AFDELING 1. BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Het is verboden op een openbare plaats lachgas te gebruiken als daardoor hinder ontstaat. 3. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 4. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het vierde lid. 6. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 7.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

AFDELING 2. BETOGINGEN Artikel 2:2 Optochten (niet opgenomen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt;

Artikel 2:2 (vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 72 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel 2:4 Afwijking termijn (niet opgenomen)

Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (niet opgenomen) AFDELING 3. VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. AFDELING 4. VERTONINGEN E.D. OP DE WEG Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.

(niet opgenomen)

2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel 2:4 Afwijking termijn De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.3, eerste lid, genoemde termijn van 72 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (vervallen)

Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aanhuis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.

(vervallen)

Artikel 2:8 Dienstverlening (niet opgenomen) Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen (niet opgenomen)

AFDELING 5. BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden de weg, een weggedeelte of een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg of de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg of de openbare plaats; b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen. 3. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 4. In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 5. Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c.

overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is

Artikel 2:8 Dienstverlening (vervallen) Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. AFDELING 2. BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.

Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,5 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6. Het verbod zoals opgenomen in artikel 2:10, eerste lid, geldt niet voor: a. evenementen waarvoor een vergunning is verleend op basis van artikel 2:25; b. terrassen waarvoor een vergunning is verleend op basis van artikel 2:28 jo. 2:34; c. standplaatsen waarvoor een vergunning is

verleend. 6. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of de Wegenverordening Zeeland 2010. 7. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:11 : (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit; b. door het college in de overige gevallen. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Zeeland 2010, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. 5. Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

verleend op basis van artikel 5:18; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Wegenverordening Zeeland 2010. 8. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten niet zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of b. door het college in de overige gevallen. 3. Het verbod is niet van toepassing in de volgende gevallen: a.

als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht; b. bij het openbreken van de verharding en het graven en spitten in de weg ten behoeve van voorwerpen voor het opladen van elektrische voertuigen zoals laadpalen voor elektrische voertuigen, mits voldaan wordt aan de door de gemeente gestelde voorwaarden voor het plaatsen van laadpalen; c. in overige gevallen als minimaal drie weken voor aanvang van de werkzaamheden een kennisgeving is gedaan aan de gemeente en de werkzaamheden niet tot toelaatbare hinder van het wegverkeer leiden. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, Wegenverordening Zeeland 2010, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren van de gemeente Borsele.

5. Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. De omgevingsvergunning wordt verleend door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; 3 In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar op de weg; b. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere weg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. e. indien er sprake is van een uitweg waarbij alleen geparkeerd kan worden voor de voorgevelrooilijn van de woning. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de Wegenverordening Zeeland 2010.

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; of f. als hiervoor openbare voorzieningen aangepast moeten worden, zoals bestrating, verkeersborden, verlichting, brandwaterbluspunten; g. indien er sprake is van een uitweg waarbij alleen geparkeerd kan worden voor de voorgevelrooilijn van de woning. 3. De aanleg en/of verplaatsen van een inrit binnen de bebouwde kom geschiedt door en/of onder regie van de gemeente Borsele. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de Wegenverordening Zeeland 2010.

AFDELING 6. Veiligheid op de weg Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (niet opgenomen) Artikel 2:14 Winkelwagentjes (niet opgenomen)

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (niet opgenomen)

Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. (niet opgenomen) Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen (niet opgenomen)

Artikel 2:13 (vervallen) Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke (niet opgenomen) Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b.

voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:18a

Rookverbod op aangewezen plaatsen

Het is verboden te roken: a. op alle openbare speelplaatsen in gemeente Borsele;

b. voorts op door het bevoegde gezag aangewezen plaatsen in de openbare ruimte als aanvulling op de rookverboden bedoeld in artikel 10 van de Tabaks- en Rookwarenwet. Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (niet opgenomen) Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (niet opgenomen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn (niet opgenomen)

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. AFDELING 7. EVENEMENTEN Artikel 2:24 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van

Artikel 2:19 (vervallen) Artikel 2:20 (vervallen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b.

bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. AFDELING 3. EVENEMENTEN Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting

vermaak, met uitzondering van: a. bioscoopvoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; d. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties ; e. activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze verordening. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement). 3. In deze afdeling worden de volgende evenementen onderscheiden: a. klein evenement: meldingsplichtig evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 100 personen. b. A-evenement: regulier laag-risico-evenement. Er is sprake van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer. Het is onwaarschijnlijk dat het evenement leidt tot verhoogde risico's en er is geen inzet nodig van overheidsdiensten om risico's weg te nemen. De categorisering is gebaseerd op de Handreiking Evenementenveiligheid. c.

B-evenement: evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer. Het is mogelijk dat het evenement leidt tot verhoogde risico's. De categorisering is gebaseerd op de Handreiking Evenementenveiligheid. d. C-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op het dorp en/of regionale gevolgen voor het verkeer. Het is waarschijnlijk dat het evenement leidt tot verhoogde risico's en inzet van overheidsdiensten. De categorisering is gebaseerd op de Handreiking Evenementenveiligheid.

van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 van deze verordening; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een full-contact vechtsportgala, -wedstrijd en toernooi. 3. In deze afdeling worden de volgende evenementen onderscheiden (de categorisering is gebaseerd op de landelijke Handreiking Evenement en Veiligheid) : a. vergunningsvrij evenement (zgn. 0-evenement of klein evenement): klein evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Een melding volstaat; b.

A-evenement: regulier of laag-risicoevenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer. Het is onwaarschijnlijk dat het evenement leidt tot verhoogde risico's en er is geen of nauwelijks inzet van hulpdiensten bij de voorbereiding of uitvoering nodig om risico's weg te nemen; c. B-evenement: aandacht of gemiddeld risicoevenement, waarbij sprake is van een gemiddelde impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer. Het is mogelijk dat het evenement leidt tot verhoogde risico's. De inzet van hulpdiensten bij de voorbereiding en/of uitvoering is nodig; d. C-evenement: risicovol of hoog risicoevenement, waarbij sprake is van een grote impact op het dorp en omgeving en/of (regionale) gevolgen voor het verkeer. Het is waarschijnlijk dat het evenement leidt tot verhoogde risico's en uitgebreide inzet van hulpdiensten bij de voorbereiding en uitvoering nodig is.

4. Onder risicoscan wordt in deze afdeling verstaan de door de burgemeester vastgestelde risicoscan op basis waarvan de indeling van evenementen in categorie A, B, of C plaats vindt, 5. Onder organisator wordt in de afdeling verstaan een natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico het evenement is. Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij het indienen van de vergunningsaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; b. het evenement tussen 06.00 en 24.00 uur plaats vindt; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 24.00 uur; d. de organisator binnen twee werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester; e. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; f. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25m² per object. 4.

De burgemeester kan binnen twee werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten, die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, is tijdens de duur van het evenement geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten vermeld zijn in de vergunning als bedoeld in het eerste lid. 6. Indien een aanvraag voor een vergunning voor een evenement in de periode vanaf 15 mei tot en met 15 september, met naar verwachting meer dan 500 bezoekers, wordt ingediend op een later tijdstip dan 1 november in het voorafgaand jaar, kan de burgemeester, in afwijking van artikel 1.8, besluiten de aanvraag te weigeren. 7. Indien een aanvraag voor een vergunning voor een evenement voor een periode vanaf 1 januari t/m 15 mei

Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een A-, B-, of Cevenement te organiseren, toe te laten of feitelijk te leiden. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een full-contact vechtsportgala, -wedstrijd en -toernooi weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 3. De burgemeester kan besluiten, eventueel onder door hem te stellen voorschriften, dat geen vergunning als bedoeld in artikel 2:25 van deze verordening is vereist voor een door hem aangewezen evenement of categorie van evenementen, wanneer de burgemeester van oordeel is dat sprake is van een laag risicoprofiel. 4. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement met een laag risicoprofiel en als wordt voldaan aan de eisen zoals gesteld in artikel 2:25a van deze verordening. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6.

Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten, die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, is tijdens de duur van het evenement geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten vermeld zijn in de vergunning als bedoeld in het eerste lid. 7. Indien een aanvraag voor een vergunning voor een evenement in de periode vanaf 15 mei tot en met 15 september, met naar verwachting meer dan 500 bezoekers, wordt ingediend op een later tijdstip dan 1 november in het voorafgaand jaar, kan de burgemeester, in afwijking van artikel 1.8, besluiten de aanvraag niet ontvankelijk te verklaren. 8. Indien een aanvraag voor een vergunning voor een evenement voor een periode vanaf 1 januari t/m 15 mei of de periode vanaf 16 september t/m 31 december, met naar verwachting meer dan 500 bezoekers, wordt ingediend minder dan twaalf weken voor het tijdstip dat de aanvrager de vergunning nodig heeft, kan de burgemeester, in afwijking van artikel 1.8,

of de periode vanaf 16 september t/m 31 december, met naar verwachting meer dan 500 bezoekers, wordt ingediend minder dan twaalf weken voor het tijdstip dat de aanvrager de vergunning nodig heeft, kan de burgemeester, in afwijking van artikel 1.8, besluiten de aanvraag te weigeren. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

besluiten de aanvraag niet ontvankelijk te verklaren. 9. Het vierde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 10. Het college kan met het oog op de belangen als vermeld in het tweede lid nadere regels stellen voor full-contact vechtsportevenementen. 11. Op de aanvraag om een evenementenvergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:25a

Vergunningsvrij evenement

1. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a.

het een eendaags evenement betreft, waarbij:

b. de activiteiten plaatsvinden tussen 08.30 uur en 24.00 uur, waarbij de opbouw van het evenement kan starten vanaf 06.00 uur op de dag dat het evenement plaatsvindt en de afbouwwerkzaamheden aanvangen direct na afloop van het evenement. De afbouwwerkzaamheden duren uiterlijk tot 01.00 uur; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur en na 23.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 75 dB(A) en 85 dB (C) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkante meter per object; of – er, met uitzondering van één grote partytent en/of kinderspeeltoestel met een oppervlakte van minder dan 25 m2 (zoals een springkussen), slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object; f. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; g. het evenement niet geheel of gedeeltelijk plaatsvindt op een zondag voor 13.00 uur; h. er een meerderjarige organisator is die geldt als aanspreekpunt voor toezichthouders en personeel van hulpdiensten; i.

de organisator tijdens het evenement een ontvangstbevestiging van het feit dat hij een melding heeft gedaan kan tonen. j.

De organisator is gedurende het gehele

evenement aanwezig en bereikbaar op het telefoonnummer dat is opgegeven bij de melding. 2. Van het vergunningsvrij evenement wordt minimaal 2 weken doch uiterlijk 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan schriftelijk of digitaal een melding gedaan aan de burgemeester door de organisator die minstens 21 jaar oud is. De melding bevat de naam en adres van de organisator, het telefoonnummer en emailadres. 3. De burgemeester kan binnen 7 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 4. Er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt. 5. Het college kan met het oog op de belangen als vermeld in het derde lid nadere regels stellen voor (vergunningsvrije) evenementen. Artikel 2:25b Indienen van een evenementenaanvraag 1. Het aanvragen van een evenementenvergunning wordt schriftelijk of langs elektronische weg, dan wel digitaal via de website van de gemeente ingediend, via een door de burgemeester beschikbaar gesteld aanvraagformulier. 2. De vergunningaanvraag voor een A-evenement wordt uiterlijk 12 weken voor de beoogde datum van het evenement ingediend. 3. De vergunningaanvraag voor een B- of Cevenement wordt uiterlijk 26 weken voor de beoogde datum van het evenement ingediend. 4.

Bij de indiening van de vergunning aanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2 van deze verordening (beslistermijn), beslist de burgemeester op een aanvraag om een evenementenvergunning binnen de in de leden 2 en 3 genoemde termijnen. Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren

die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde en veiligheid en zoals bedoeld in artikel 2:50a van deze verordening. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:26a Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen omtrent evenementen. Afdeling 8. TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN Artikel 2.27 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. openbare inrichting: 1. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis; 2. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid; b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt. 2.

Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

AFDELING 4. TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTNGEN Artikel 2:27 Definities 1. Openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, kantine of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, niet zijnde een seksinrichting als bedoeld in artikel 3:1 van deze verordening, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was en waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Terras: een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt vo or de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3. Leidinggevende: 1°. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend; 2°. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin het horecabedrijf of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen; 3°.

de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van zodanig bedrijf in een inrichting; 4. Paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf;

5. Barvrijwilliger: de natuurlijke persoon die, niet in dienstverband, alcoholhoudende drank verstrekt in een horecalokaliteit in beheer bij een paracommerciële rechtspersoon. 6. Exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtspersoon voor wiens rekening en risico het horecabedrijf of slijtersbedrijf wordt uitgeoefend. 7. Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning indien: a de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag is. * 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.* 4.

Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: a een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; d. een bedrijfskantine of –restaurant. Verder is geen vergunning vereist voor sportkantines en verenigingsgebouwen. 5. De burgemeester is bevoegd te bepalen dat voor bepaalde door hem aan te wijzen categorieën openbare inrichtingen geen vergunning is vereist. 6. Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. * Lid 2 en 3 zijn verplaatst naar 2:28d

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant; of e. uitvaartcentrum. f. Verder is geen vergunning vereist voor sportkantines, (muziek)verenigingsgebouwen en kerkgebouwen, voor zover aan die exploitatie van de inrichtingen geen zelfstandige betekenis toekomt en deze gericht is op de bezoekers/gebruikers van de instelling, sport-, (muziek)vereniging of kerk waar de inrichting onderdeel van uitmaakt. 3. De burgemeester is bevoegd te bepalen dat voor bepaalde door hem aan te wijzen categorieën openbare inrichtingen geen vergunning is vereist. 4. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die een horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b.

de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 5. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vierde lid, onder a. 6. De aanvraag om een exploitatievergunning voor een openbare inrichting waarvoor tevens een vergunning op basis van de Alcoholwet is aangevraagd

wordt aangehouden, zolang nog niet op de aanvraag Alcoholwet is beslist. 7. Indien het verbod, als genoemd in lid 1, op grond van lid 2 en lid 3 van dit artikel, niet voor een exploitant geldt, is de burgemeester bevoegd om maatwerkvoorschriften te stellen bij het exploiteren van zijn inrichting. Deze strekken slechts tot bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. 10. De in de leden 2 en 3 genoemde vrijstelling van de vergunningplicht geldt niet voor de terrassen van: a. de in lid 2 bedoelde inrichtingen; b. de in lid 3 bedoelde bedrijfskantines en inrichtingen. 11. Op de aanvraag om een exploitatievergunning bedoeld in het eerste lid en de vrijstelling als bedoeld in lid 6 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:28a Inhoud exploitatievergunning en aanhangsel vergunning 1.

De burgemeester vermeldt in een vergunning:

a.

de exploitant;

b. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; c.

de plaats waar de inrichting zich bevindt;

d. de situering en de oppervlakte van de inrichting; e. de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden. 2. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden. NB: op termijn

hoeven onmiddellijk leidinggevenden niet meer op het aanhangsel te worden bijgeschreven volgens de Alcohowet. Het ministerie van VWS doet onderzoek naar de impact hiervan.

3. De vergunning en het daarvan onderdeel uitmakende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 2:28b, eerste lid, en de ontvangstbevestiging, bedoeld in artikel 2:28b, derde lid, of een afschrift daarvan, zijn in de inrichting aanwezig. Artikel 2:28b Wijziging aanhangsel exploitatievergunning 1. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven; 2. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 3.

De burgemeester bevestigt onverwijld

schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag. 4. De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon bedoeld in het eerste lid, niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 2:31a van deze verordening gestelde eisen. Artikel 2:28c Nadere regels en voorschriften 1.

De burgemeester kan:

a. bepalen dat het exploiteren van bepaalde categorieën van inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van de vergunningplicht is vrijgesteld; b. voor een bepaalde categorie inrichtingen of een bepaald gebied grenzen stellen aan de te hanteren sluitingstijden. 2.

Het college kan:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10491207/1