6.2 Bijlagen toelichting bestemmingsplan Kern 's-Gravenpolder gedeelte Schoolstraat 2021
Tekst van het document
Aeshna viridis
Bern II, HR IV
Insecten-libellen
noordse winterjuffer
Sympecma annulata ssp. braueri
Bern II, HR IV
Insecten-libellen
oostelijke witsnuitlibel
Leucorrhinia albifrons
Bern II, HR IV
Insecten-libellen
rivierrombout
Gomphus flavipes ssp. flavipes
Bern II, HR IV
Insecten-libellen
sierlijke witsnuitlibel
Leucorrhinia caudalis
Bern II, HR IV
Insectennachtvlinders
teunisbloempijlstaart
Proserpinus proserpina
Bern II, HR IV
Reptielen
gladde slang
Coronella austriaca ssp. austriaca
Bern II, HR IV
Reptielen
muurhagedis
Podarcis muralis ssp. brongniardii
Bern II, HR IV
Reptielen
zandhagedis
Lacerta agilis ssp. agilis
Bern II, HR IV
Vissen
steur
Acipenser sturio
Bern II, HR IV
Zoogdierenlandzoogdieren
hamster
Cricetus cricetus ssp. canescens
Bern II, HR IV
Zoogdierenlandzoogdieren
otter
Lutra lutra ssp. lutra
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
baardvleermuis
Myotis mystacinus ssp. mystacinus
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
bechsteins vleermuis
Myotis bechsteini
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
bosvleermuis
Nyctalus leisleri ssp. leisleri
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
brandts vleermuis
Myotis brandti ssp. brandti
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
franjestaart
Myotis nattereri
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
gewone grootoorvleermuis
Plecotus auritus ssp. auritus
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
grijze grootoorvleermuis
Plecotus austriacus ssp. austriacus
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
grote hoefijzerneus
Rhinolophus ferrumequinum ssp. ferrumequinum
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
grote rosse vleermuis
Nyctalus lasiopterus
Bern II, HR IV
33
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Schoolstraat 1-37 en 2-14 te ‘s Gravenpolder Zoogdierenvleermuizen
ingekorven vleermuis
Myotis emarginatus ssp. emarginatus
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
kleine dwergvleermuis
Pipistrellus pygmaeus
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
kleine hoefijzerneus
Rhinolophus hipposideros ssp. hipposideros
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
laatvlieger
Eptesicus serotinus ssp. serotinus
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
meervleermuis
Myotis dasycneme
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
mopsvleermuis
Barbastella barbastellus
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
noordse vleermuis
Eptesicus nilssoni ssp. nilssoni
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
rosse vleermuis
Nyctalus noctula ssp. noctula
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
ruige dwergvleermuis
Pipistrellus nathusii
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
tweekleurige vleermuis
Vespertilio murinus ssp. murinus
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
vale vleermuis
Myotis myotis ssp. myotis
Bern II, HR IV
Zoogdierenvleermuizen
watervleermuis
Myotis daubentoni ssp. daubentoni
Bern II, HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
bruinvis
Phocoena phocoena ssp. phocoena
Bern II, HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
dwergpotvis
Kogia breviceps
Bern II, HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
gestreepte dolfijn
Stenella coeruleoalba
Bern II, HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
gewone dolfijn
Delphinus delphis
Bern II, HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
gewone spitsdolfijn
Mesoplodon bidens
Bern II, HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
grijze dolfijn
Grampus griseus
Bern II, HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
kleine zwaardwalvis
Pseudorca crassidens
Bern II, HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
narwal
Monodon monoceros
Bern II, HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
orca
Orcinus orca
Bern II, HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
tuimelaar
Tursiops truncatus ssp. truncatus
Bern II, HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
witflankdolfijn
Lagenorhynchus acutus
Bern II, HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
witsnuitdolfijn
Lagenorhynchus albirostris
Bern II, HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
noordse vinvis
Balaenoptera borealis
Bon I, HR IV
34
Quickscan beschermde natuurwaarden project sloop woningen Schoolstraat 1-37 en 2-14 te ‘s Gravenpolder Zoogdierenzeezoogdieren
potvis
Physeter catodon
Bon I, HR IV
Amfibiëen
poelkikker
Pelophylax lessonae
HR IV
Vissen
houting
Coregonus oxyrinchus
HR IV
Weekdieren
bataafse stroommossel
Unio crassus
HR IV
Weekdieren
platte schijfhoren
Anisus vorticulus
HR IV
Zoogdierenlandzoogdieren
bever
Castor fiber ssp. albicus
HR IV
Zoogdierenlandzoogdieren
hazelmuis
Muscardinus avellanarius
HR IV
Zoogdierenlandzoogdieren
lynx
Lynx lynx ssp. lynx
HR IV
Zoogdierenlandzoogdieren
noordse woelmuis
Microtus oeconomus ssp. arenicola
HR IV
Zoogdierenlandzoogdieren
wilde kat
Felis silvestris ssp. silvestris
HR IV
Zoogdierenlandzoogdieren
wolf
Canus lupus lupus
HR IV
Zoogdierenvleermuizen
gewone dwergvleermuis
Pipistrellus pipistrellus
HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
butskop
Hyperoodon ampullatus
HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
dwergvinvis
Balaenoptera acutorostrata
HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
griend
Globicephala melas
HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
spitsdolfijn van gray
Mesoplodon grayi
HR IV
Zoogdierenzeezoogdieren
witte dolfijn
Delphinapterus leucas
HR IV
35
Bestemmingsplan "Kern 's-Gravenpolder, gedeelte Schoolstraat, 2021" Bijlagen bij de toelichting
Bijlage 3 Onderzoek aanwezigheid beschermde soorten
54
Onderzoek aanwezigheid beschermde soorten sloop woningen sloop woningen project sloop woningen Schoolstraat 1-37 en 2-14 te ‘s Gravenpolder
Onderzoek aanwezigheid beschermde soorten sloop woningen Schoolstraat 1-37 en 2-14 ‘s Gravenpolder
16 november 2020 Beveland Wonen Postbus 158 4460 AD Goes
Uitgevoerd en opgesteld door: Adviesbureau Wieland Liniestraat 13 4561 ZS Hulst 0612352169
&
Melk en Honingh Schoondijksedijk 35 4438 AE Driewegen 06-12883834
© Niets uit deze rapportage mag gekopieerd worden zonder schriftelijke toestemming van de auteur.
-1-
Onderzoek aanwezigheid beschermde soorten sloop woningen sloop woningen project sloop woningen Schoolstraat 1-37 en 2-14 te ‘s Gravenpolder
Inhoud 1
Inleiding ............................................................................................................................. 3
2
Huidige situatie en voorgenomen werkzaamheden ......................................................... 4
3
Methoden ......................................................................................................................... 6
3.1 Huismus ......................................................................................................................................... 6 3.2 Gierzwaluw .................................................................................................................................... 7 3.3 Vleermuizen .................................................................................................................................. 7
4
Resultaten en advies ......................................................................................................... 8
-2-
Onderzoek aanwezigheid beschermde soorten sloop woningen sloop woningen project sloop woningen Schoolstraat 1-37 en 2-14 te ‘s Gravenpolder
1
Inleiding Op verzoek van Beveland-Wonen is een onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten in huizen die gesloopt zullen worden. Het betreft de locatie Schoolstraat 1-37 en 2-14 te ’s Gravenpolder, zie figuur 1. Om vast te stellen of beschermde soorten gebruik maken van deze woningen is een gericht veldonderzoek uitgevoerd. De soorten waarop het onderzoek gericht was betroffen: huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Dit zijn soorten, of soortgroepen waarvoor het plangebied (te slopen woningen) in potentie geschikt is. De resultaten van dit onderzoek zijn in deze notitie verwerkt.
Figuur 1. Plangebied (rood) en studiegebied (blauw), in het rode gebied worden de maatregelen uitgevoerd.
-3-
Onderzoek aanwezigheid beschermde soorten sloop woningen sloop woningen project sloop woningen Schoolstraat 1-37 en 2-14 te ‘s Gravenpolder
2
Huidige situatie en voorgenomen werkzaamheden De betreffende locatie is gelegen in het dorp ‘s Gravenpolder. Het betreft de Schoolstraat 1-37 en 2-14 te ‘s Gravenpolder, in totaal 26 woningen. Het betreft woningen die sterk verouderd zijn en waar mogelijkheden zijn voor vogels om te broeden en waar potentiële dagverblijven voor vleermuizen aanwezig zijn. De werkzaamheden bestaan uit het slopen van bebouwing (inclusief schuurtjes, aanbouwen en tuinhuisjes) het verwijderen van bomen en struiken, bouwrijp maken van het terrein, realiseren van nieuwbouw. De sloop is gepland voor de winter 2020-2021. Foto 1. Overzicht van de te slopen huizen.
-4-
Onderzoek aanwezigheid beschermde soorten sloop woningen sloop woningen project sloop woningen Schoolstraat 1-37 en 2-14 te ‘s Gravenpolder
Foto 2. Overzicht te slopen huizen.
-5-
Onderzoek aanwezigheid beschermde soorten sloop woningen sloop woningen project sloop woningen Schoolstraat 1-37 en 2-14 te ‘s Gravenpolder
3 Methoden Het onderzoek is toegespitst op de te slopen bebouwing en het ontruimen van de tuinen. Standaard worden ook de omliggende straten meegenomen. Dit om een beeld te krijgen van de populatieomvang in de omgeving van het plangebied (gunstige staat van instandhouding en de verschillende functies), of er morgelijkheden zijn om alternatieve voorzieningen te plaatsen en of er reeds alternatieve mogelijkheden aanwezig zijn. Tijdens het onderzoek worden ook eventuele waarnemingen van andere beschermde soorten genoteerd. De data waarop onderzoeken zijn uitgevoerd staan vermeldt in tabel 1. Tabel 1. Onderzoeksdata Schoolstraat ‘s Gravenpolder. Datum
Tijd
weer
23 oktober 2019
19.00 uur 21.00 uur vleermuis dagverblijf en paarverblijf
Oost 2, 12 graden, droog.
19 april 2020
Ochtend mus
Oost 2, 15 graden, droog
4 mei 2020
Middag mus
Noord 2, 11 graden, droog
19 mei 2020
03:40 uur -05:40 uur vleermuis kraamverblijf en dagverblijf
Windstil, 11 graden, droog
23 mei 2020
Avond gierzwaluw
West 2, 16 graden
12 juni 2020
03:20 uur – 05:20 uur vleermuis kraamverblijf en dagverblijf
No 2, 15 graden, droog
18 juni 2020
Avond gierzwaluw
Zw2, 17 graden, droog.
4 juli 2020
Avond gierzwaluw
Zw 3, 17 graden, droog
22 aug 2020
20:45-00:45 vleermuizen (dagverblijf, paarverblijf, massa winterverblijf)
Windstil, 16 graden, droog.
12 sept 2020
20:00 – 22:00 vleermuizen (dagverblijf en paarverblijf)
Zw 4, 18 graden, droog
3.1 Huismus Tijdens het veldbezoek werd het plangebied met behulp van geluid en zicht geïnventariseerd. Daarbij werd gelet op geschikt foerageergebied, foeragerende dieren, vogels die met nestmateriaal of voedsel slepen en vogels die gebouwen invliegen. Er zijn per locatie 2 inventarisatierondes uitgevoerd in de periode 1 april – 15 mei. De inventarisaties werden overdag uitgevoerd tussen 2 uur na zonsopkomst en 2 uur voor zonsondergang. Minimaal 10 dagen tussen de inventarisatierondes.
-6-
Onderzoek aanwezigheid beschermde soorten sloop woningen sloop woningen project sloop woningen Schoolstraat 1-37 en 2-14 te ‘s Gravenpolder
3.2 Gierzwaluw Gedurende de veldbezoeken werd het plangebied geïnventariseerd vanaf anderhalf- tot twee uur voor tot even na zonsondergang. Hierbij werd gelet op laag door het plangebied vliegende en roepende vogels, vogels die de woningen in- en uitvlogen en het geluid van roepende jongen. Er zijn per locatie 3 inventarisatierondes uitgevoerd in de periode 15 mei tot 15 juli. De inventarisaties werden overdag uitgevoerd tussen 2 uur voor zonsondergang tot zonsondergang onder droge weersomstandigheden. Minimaal 1 inventarisatieronde was tussen 20 juni en 7 juli (periode met jongen). Minimaal 10 dagen tussen de inventarisatierondes. 3.3 Vleermuizen Tijdens de veldbezoeken werd op grond van geluid en zicht geïnventariseerd. Met behulp van een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (type: Petterson D240x, Batcorder en Songmeter SM4bat), werd de echolocatie die vleermuizen uitzenden hoorbaar gemaakt. Met behulp van het computerprogramma Batsound en Batexplorer werden de opnamen nader geanalyseerd. Door daarnaast zoveel mogelijk visueel waar te nemen werd de determinatie geverifieerd en werd het gedrag en daarmee vaak de functie van het gebied vastgesteld. Hiervoor is gebruik gemaakt van een warmtebeeldcamera type Pulsar XP50.
Gedurende het voorjaar (tussen mei en augustus) werden de bezoeken direct vanaf zonsondergang tot twee uur na zonsondergang of vanaf twee uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst uitgevoerd. Gedurende de nazomer (augustus tot oktober) werden de bezoeken tussen zonsondergang en een uur voor zonsopkomst uitgevoerd. In deze periode werd minimaal twee uur geïnventariseerd. Daarnaast is 1 maal onderzoek gedaan naar zwermgedrag (indicatie winterverblijf) rond middernacht tot 2 uur na middernacht in de periode 1 aug – 10 sept. De inventarisaties werden zowel postend als lopend uitgevoerd. Het plangebied en het omliggende gebied werden meerdere keren doorkruist. De inventarisatie is uitgevoerd volgens het Vleermuisprotocol 2017 zoals vastgesteld door Gegevensautoriteit Natuur. Het onderzoek is uitgevoerd door N.J. Honingh, E. Renema, A. Wieland, R. Wieland.
-7-
Onderzoek aanwezigheid beschermde soorten sloop woningen sloop woningen project sloop woningen Schoolstraat 1-37 en 2-14 te ‘s Gravenpolder
4
Resultaten en advies Tijdens de veldonderzoeken zijn geen nestplaatsen en foerageergebieden van huismussen en gierzwaluwen vastgesteld. Voor deze soorten hoeven in het kader van dit project dan ook geen maatregelen uitgevoerd te worden. Er zijn vijf verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen vastgesteld. Dit betreft de kopgevels van de volgende adressen: •
Schoolstraat 2
•
Schoolstraat 14
•
Schoolstraat 21
•
Schoolstraat 23
•
Schoolstraat 37
Voor de sloop dienen 20 vleermuiskasten geplaatst te worden op advies van een ecologisch deskundige. Er dient een gewenningsperiode in acht genomen te worden, zodat er voor de vleermuizen voldoende tijd is om de alternatieve voorzieningen te ontdekken. In nieuwbouw dienen dezelfde hoeveelheid voorzieningen aangebracht te worden, 20 stuks. Om te voorkomen dat dieren tijdens de sloop gedood worden dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden. Indien dit project (gedeeltelijk) uitgevoerd zal worden in de broedperiode, dient er rekening gehouden te worden met broedende vogels, dit geldt voor turkse tortel, kauw, koolmees, pimpelmees en heggenmus. Het is raadzaam om de tuinen al voor het broedseizoen beplantingsvrij te maken en eventuele nestkasten te verwijderen. De sloop van de woningen zal er niet toe leiden dat andere verblijfplaatsen verstoord worden door licht of trillingen. Deze dichtstbijzijnde verblijfplaatsen liggen op voldoende afstand (>50 meter) om verstoring door trillingen te voorkomen. De woningen worden gesloopt bij daglicht. Mitigerende maatregelen om te voorkomen dat vleermuizen gedood worden kunnen zijn: • Het maken van tochtgaten op hoeken van gebouwen, • Het handmatig verwijderen van gevelbeplating, • Handmatig verwijderen van dakpannen, • Het plaatsen van exclusion flaps op en tegen de schoorstenen.
Maatregelen dienen uitgevoerd te worden onder ecologische begeleiding. Dit wil zeggen een vleermuisdeskundige bepaalt in overleg met de sloper waar de maatregelen (veilig) uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen worden 1 week voor de sloop uitgevoerd. In de betreffende periode dient het minimaal 1 keer hoger dan 7 graden (bij 7 graden kunnen vleermuizen nog uitvliegen) te zijn bij zonsondergang. Dit is een temperatuur waarbij vleermuizen nog uit kunnen vliegen (Vleermuisprotocol 2017 en 2020). Vlak voor de sloop wordt er door een ecologisch deskundige nog een keer gecontroleerd of er vleermuizen (uitvliegers) aanwezig zijn.
-8-
Onderzoek aanwezigheid beschermde soorten sloop woningen sloop woningen project sloop woningen Schoolstraat 1-37 en 2-14 te ‘s Gravenpolder
De gunstige staat van instandhouding is voor de gewone dwergvleermuis niet in het geding. Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is de meest algemene vleermuis van Nederland. Ook in Zeeland komt de soort veel voor. In ’s Gravenpolder zijn meerdere dagverblijven aanwezig. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat er in de omliggende straten dagverblijven aanwezig zijn (’s Gravenstraat 30, ’s Gravenstraat 20, Raadhuisstraat 19 en Raadhuisstraat 27). Rondom de te slopen woningen zijn voldoende alternatieven aanwezig voor dagverblijven (Raadhuisstraat 1-37; ’s Gravenstraat 14-36; Schoolpad 2-10). Door het aanbrengen van alternatieve voorzieningen blijven er in de toekomst voldoende dagverblijven aanwezig waardoor de populatie op peil kan blijven. Vliegroutes en foerageergebieden worden niet aangetast, zie figuur 2. Figuur 2. Vliegroutes en foerageergebied van de gewone dwergvleermuis.
-9-
Bestemmingsplan "Kern 's-Gravenpolder, gedeelte Schoolstraat, 2021" Bijlagen bij de toelichting
Bijlage 4 Archeologisch onderzoek
64
ARTEFACT! RAPPORT 447
’s-Gravenpolder Kerkhoekstraat 49-55, Schoolstraat 1-37 en 2-14 Gemeente Borsele Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
ARTEFACT! RAPPORT 447
’s-Gravenpolder Kerkhoekstraat 49-55, Schoolstraat 1-37 en 2-14 Gemeente Borsele Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
G.P.A. Besuijen G.H. de Boer
Colofon Titel
’s-Gravenpolder Kerkhoekstraat 49-55, Schoolstraat 1-37 en 2-14. Gemeente Borsele. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen.
Auteur(s)
drs. G.P.A. Besuijen, ir. G.H. de Boer
Status rapport
Definitief
Datum
19 juli 2019
Projectnummer
2019ART48
Projectleider
drs. G.P.A. Besuijen
Projectmedewerkers
ir. G.H. de Boer (veldwerk)
Opdrachtgever
R&B Wonen
ISSN
2213-7424
Autorisatie
Naam
drs. J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA archeoloog)
Datum
19 juli 2019
Paraaf
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed! Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl
© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed, 2019 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies.
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
Inhoud Samenvatting ................................................................................................................................ 7 Administratieve Gegevens ........................................................................................................... 9 1
Inleiding
1.1
Aanleiding, Doel en Opzet van het onderzoek ................................................................. 13
1.2
Beleidskader .................................................................................................................... 14
1.3
Plangebied: afbakening en (toekomstig) grondgebruik ................................................... 16
2
Archeologisch Bureauonderzoek
2.1
Onderzoeksmethode ....................................................................................................... 19
2.2
Aardkundige Waarden .....................................................................................................20
2.2.1
Geologie, Landschap en Bodem ...............................................................................22
2.2.2
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) .............................................................. 26
2.3
Bewoningsgeschiedenis ................................................................................................... 27
2.4
Historische gegevens ....................................................................................................... 36
2.5
Archeologische Gegevens ................................................................................................ 43
2.6
Recent gebruik: verstoringen en luchtfoto’s..................................................................... 47
2.7
Archeologisch Verwachtingsmodel .................................................................................. 50
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1
Doel en methode ............................................................................................................. 53
3.2
Resultaten........................................................................................................................ 54
3.2.1
Geologie en bodem .................................................................................................. 54
3.2.2
Archeologie .............................................................................................................. 55
4
Conclusie en Advies
4.1
Conclusie ......................................................................................................................... 57
4.2
Advies .............................................................................................................................. 58
Bronnen ......................................................................................................................................59 Verklarende Woordenlijst ............................................................................................................ 63 Tijdstabel .................................................................................................................................... 67 Bijlage 1
Principetekening nieuwbouw
Bijlage 2
Boorstaten
5
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
Samenvatting R&B Wonen heeft het voornemen om in een plangebied aan de Kerkhoekstraat 49-55 (deelgebied A), Schoolstraat 1-37 (deelgebied B) en 2-14 (deelgebied C) in ’s-Gravenpolder in het kader van herstructurering van het woningbestand, de bestaande woningen te slopen om plaats te maken voor nieuwbouwwoningen (type pluswoning). De nieuwe woningen (Bijlage 1) worden niet onderkelderd en de funderingen worden aangelegd op een diepte van circa 1,25 m -mv. Van de huidige woningen is bekend dat deze niet onderkelderd zijn; de maximale aanlegdiepte van de funderingen is niet bekend maar bedraagt naar verwachting circa 1 m -mv. Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens is in het Archeologisch Bureauonderzoek voor het plangebied een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld dat vervolgens is getoetst door het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden dat: ⎯ De ondergrond binnen de drie deelgebieden tot de maximale boordiepte van 5 m -mv geheel bestaat uit heel uit jonge getijdenafzettingen (Laagpakket van Walcheren). ⎯ Voor de vroege prehistorie tot en met de Vroege Middeleeuwen geen verwachting geldt op de aanwezigheid van vindplaatsen.
De geologische niveaus waarop vindplaatsen uit deze perioden gelegen kunnen zijn, zijn hier als gevolg van mariene erosie niet meer aanwezig in de ondergrond. ⎯ Voor Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd een lage verwachting geldt op de aanwezigheid van vindplaatsen. In en op de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen zoals cultuurlagen en relevantie archeologische indicatoren waargenomen. Op basis van de resultaten van het onderzoek geldt voor de drie deelgebieden (A, B en C) van het plangebied een lage verwachting op het voorkomen van archeologische vindplaatsen. Dit gegeven en de resultaten van voorliggend onderzoek in beschouwing nemend, wordt de kans klein geacht dat bij voorgenomen werkzaamheden archeologische vindplaatsen verstoord kunnen raken. Zodoende wordt archeologisch vervolgonderzoek binnen het plangebied niet noodzakelijk geacht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding online via Archis of het vondstmeldingsformulier).
Om er voor te zorgen dat aan deze wettelijke plicht wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, wordt verzocht om navolgende tekst in het uitvoeringsbestek op te nemen: Archeologie Ondanks er bij het vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden werden aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem
7
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten onverwijld te melden bij de bevoegde overheid.
8
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
Administratieve Gegevens Onderzoeksvorm
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
Projectnaam
’s-Gravenpolder Kerkhoekstraat 49-55, Schoolstraat 1-37 en 2-14
Locatie Provincie
Zeeland
Gemeente
Borsele
Plaats
’s-Gravenpolder
Adres / Locatie
Deelgebied A: Kerkhoekstraat 49-55 Deelgebied B: Schoolstraat 1-37 Deelgebied C: Schoolstraat 2-14
Kadastrale percelen
Gemeente Borsele, Sectie AG, nr. 2132, 3668, 1423
RD-coördinaten X/Y Deelgebied A
Deelgebied B
Deelgebied C
Centrumcoördinaat Kaartblad
N
51.879 / 386.521
O
51.885 / 386.501
W
51.849 / 386.512
Z
51.853 / 386.489
N
51.708 / 386.496
O
51.727 / 386.438
W
51.627 / 386.444
Z
51.635 / 386.412
N
51.704 / 386.423
O
51.712 / 386.400
W
51.656 / 386.409
Z
51.665 / 386.384
51.796 / 386.426 65H
Oppervlakte Deelgebied A
809 m2
Deelgebied B
4273 m2
Deelgebied C
1310 m2
Beleidskader Vigerend bestemmingsplan
Kern ’s-Gravenpolder (2013): Dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2
Planologische aanleiding
Aanvraag omgevingsvergunning
Bekende waarden binnen plangebied AMK-status
Geen
Archis vondstlocaties
Geen
Zeeuws Archeologisch Depot
Geen
9
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
Opdrachtgever Naam
R&B Wonen
Contactpersoon
Mevr. M. Bakker
Adres
Postbus 30, 4450 AA Heinkenszand
Contactgegevens
T
0113-396465
E
MBakker@renbwonen.nl
Bevoegde Overheid Naam
Gemeente Borsele
Contactpersoon
Mevr. A. Elling
Adres
Postbus 1, 4450 AA Heinkenszand
Contactgegevens
T
0113 238496
E
aielling@borsele.nl
Adviseur Bevoegde Overheid Naam
Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband (OAS), Erfgoed Zeeland
Contactpersoon
Dhr. K-J.R. Kerckhaert
Adres
Postbus 49, 4330 AA Middelburg
Contactgegevens
T
0118 670611
E
k.kerckhaert@goes.nl
Beheer en plaats van vondsten en documentatie Naam
Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD), Erfgoed Zeeland
Contactpersoon
Dhr. J.J.H. van den Berg
Postadres
Postbus 49, 4330 AA Middelburg
Adres
Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg
Contactgegevens
T
0118 670618
E
depot@erfgoedzeeland.nl / jjh.vandenberg@erfgoedzeeland.nl
Digitaal
https://easy.dans.knaw.nl
Uitvoerder Naam
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed
Contactpersoon
Dhr. J.E.M. Wattenberghe
Adres
Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag
Contactgegevens
T
0115 851614
E
janwattenberghe@artefact-info.nl
10
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
Onderzoeksgegevens Uitvoeringsperiode
April-mei 2019
Archis onderzoeksmelding
4697559100
Nieuw aangetroffen vindplaats
Geen
11
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
1
Inleiding
1.1
Aanleiding, Doel en Opzet van het onderzoek
In opdracht van R&B Wonen heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in april en mei 2019 een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd voor een plangebied in ’s-Gravenpolder (gemeente Borsele), bestaande uit drie deelgebieden, die gelegen zijn aan de Kerkhoekstraat 49-55 (deelgebied A), Schoolstraat 1-37 (deelgebied B) en 2-14 (deelgebied C) (afbeelding 2 en 3). Op deze locaties zullen in het kader van herstructurering van het woningbestand van R&B Wonen in ’s-Gravenpolder de bestaande woningen worden gesloopt om plaats te maken voor drie nieuwbouwwoningen (type pluswoning). Mogelijke archeologische waarden binnen het plangebied worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 2. Binnen het gebied met waarde archeologie 2 geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 m2 én dieper reiken dan 0,40 m -mv. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad.
Omdat de genoemde vrijstellingsgrenzen worden overschreden dient in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning een archeologisch bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Afbeelding 1 Ligging van het plangebied (rode ster) in Nederland. boringen te worden voorgelegd. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen een omschreven gebied, om daarmee te komen tot een specifieke archeologische verwachting. Deze archeologische verwachting wordt, vervolgens, middels een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) getoetst. Tijdens dit onderzoek wordt het bureauonderzoek aangevuld met extra informatie over de bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. De resultaten van dit onderzoek geven een indicatie over de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Op basis van de gegevens uit zowel het bureauonderzoek als uit het veldonderzoek wordt een waardering en een inhoudelijk advies gegeven waarop een verantwoorde beleidsbeslissing genomen kan worden ten aanzien van (eventueel) vervolgonderzoek. De gegevens van dit onderzoek worden gepresenteerd in de voorliggende rapportage.
13
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
Het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek zijn uitgevoerd conform de eisen gesteld in de KNA Versie 4.1 en de aanvullende richtlijnen van de Provincie Zeeland.1
Afbeelding 2 Ligging van het plangebied in de regio. Bron ondergrond: Kadaster/ Esri 2019.
1.2
Beleidskader
Rijk Sinds 1 september 2007 is de herziene Monumentenwet 1988 van kracht. Middels de ‘Wet op de archeologische monumentenzorg’ (Wamz) is hiermee het verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het Europese Verdrag van Valletta beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. Deze wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De belangrijkste veranderingen als gevolg van deze nieuwe wetgeving betreffen: •
het streven naar behoud en bescherming van archeologische waarden in de bodem;
•
de archeologische monumentenzorg wordt een geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijk ordeningsproces;
1 Aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de Provincie Zeeland (2017): Hoofdstuk 1: Bureauonderzoek.
14
ARTEFACT! RAPPORT 447
•
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
de kosten van archeologische werkzaamheden komen in principe voor rekening van de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten (principe van ‘veroorzaker betaalt’).
Vóór 2016 waren er verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed, waaronder de Wet op de Archeologische Monumentenzorg. Sinds 1 juli 2016 zijn die samengegaan in één wet en is de Erfgoedwet van kracht. De belangrijkste verandering met betrekking tot archeologie stelt dat bedrijven of organisaties die archeologisch vooronderzoek of opgravingen doen daarvoor nu een certificaat dienen te hebben.
Provincie Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld . In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is. Daarnaast heeft de provincie in 2009 aanvullende richtlijnen opgesteld voor het uitvoeren van een Bureauonderzoek, onderzoek op veen en onderzoek op dagzomend en dun afgedekt dekzand. Deze werden in 2014 en 2017 geactualiseerd en aangevuld. In 2008 is de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland2 (POAZ) opgesteld die in 2016 is geëvalueerd.3 Naar aanleiding daarvan is ook de POAZ 2017-2020 opgesteld en gepubliceerd.4 Voor de periode 2017-2020 zijn de volgende kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland geselecteerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11.
Basale harde gegevens en diachrone datasets Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen Uitwerking oud archeologisch onderzoek Verdronken land en dorpen Onderzoek naar infrastructuur Verdedigingswerken in Zeeland Boerderijen en rurale nederzettingen Voedseleconomie van stad en platteland Religieuze en rituele verschijningsvormen Scheeps- en onderwaterarcheologie Publiekswerking van archeologisch onderzoek
Gemeente Met de komst van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007, vanaf 2016 opgenomen in de Erfgoedwet, is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren.
2 Hessing et al., 2008. 3 Van Dierendonck 2016. 4 Provincie Zeeland 2017.
15
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
Binnen het plangebied is het bestemmingsplan Kern ’s-Gravenpolder (2013) van de gemeente Borsele vigerend en geldt een dubbelbestemming waarde archeologie 2. In een dergelijke zone geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 m2 én dieper reiken dan 0,40 m -mv. Indien deze ondergrenzen overschreden worden, dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het plangebied is op de beleidsadvieskaarten van de gemeente Borsele, de Maatregelen-in-Lagen kaarten, op Laag 2 – Hollandveen Laagpakket en Laag 3 – Laagpakket van Wormer en Laag 4 – Pleistoceen dekzand (Laagpakket van Wierden) gelegen binnen een gebied waar geen verwachting (categorie 8) geldt op het aantreffen van vindplaatsen (Paleolithicum t/m Romeinse Tijd). Dit betekent dat deze niveaus hier door mariene invloeden zijn geërodeerd, waardoor eventuele vindplaatsen verloren zijn gegaan. Op Laag 1 – Laagpakket van Walcheren (Middeleeuwen en Nieuwe Tijd) is het plangebied gelegen binnen de gewaardeerde dorpskern van ’s-Gravenpolder, waar nederzettingssporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aanwezig kunnen zijn (categorie 3).
1.3
Plangebied: afbakening en (toekomstig) grondgebruik
Het plangebied bestaat uit drie deelgebieden die gelegen zijn in de dorpskern van ’s-Gravenpolder (afbeelding 3). Deelgebied A is gelegen ter plaatse van Kerkhoekstraat 49-55 (oneven nrs.); deelgebied B is gelegen ter plaatse van Schoolstraat 1-37; deelgebied C ter plaatse van Schoolstraat 2-14. De deelgebieden hebben een oppervlakte van respectievelijk, 809, 4273 en 1310 m2 en zijn momenteel nog bebouwd met rond de woningen voor- en achtertuinen (deels verhard). De huidige bebouwing van 26 woningen aan de Schoolstraat en vier woningen aan de Kerkhoekstraat zal worden gesloopt om plaats te maken voor 25 en respectievelijk drie nieuwe woningen (type Plus woning). De huidige woningen zijn niet onderkelderd. De maximale aanlegdiepte van de funderingen van de huidige woningen is niet bekend maar zal naar verwachting niet meer dan 1,00 m -mv bedragen. De nieuwe woningen worden niet onderkelderd en de funderingen worden aangelegd op een diepte van circa 1,25 m -mv. Een principetekening van het type Plus woning is afgebeeld in Bijlage 1.
16
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
Afbeelding 3 Ligging van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Topografische Kaart van Nederland. Bron: Kadaster/Esri 2019.
17
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
2
Archeologisch Bureauonderzoek
2.1
Onderzoeksmethode
Voorliggend Archeologisch Bureauonderzoek is uitgevoerd conform de eisen gesteld in de KNA Versie 4.1 en de aanvullende richtlijnen van de Provincie Zeeland.5 Om tot een specifieke archeologische verwachting te komen werden volgende werkzaamheden uitgevoerd: ⎯ Beschrijven van de opdracht en het beleidskader van voorliggend onderzoek; ⎯ het raadplegen van de gemeentelijke maatregelenkaart-in-lagen; ⎯ het vaststellen van het huidige en historische gebruik van het onderzoeksgebied en naaste
omgeving; ⎯ het bepalen van de landschappelijke (geologische en bodemkundige) kenmerken van het
⎯ ⎯ ⎯ ⎯ ⎯ ⎯ ⎯ ⎯
onderzoeksgebied aan de hand van bestudering van de bodem-, geologische en geomorfologische kaarten; het bestuderen van oude kaarten; het raadplegen van relevante literatuur; het raadplegen van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); het raadplegen van relevante literatuur en luchtfoto’s; het inventariseren van gegevens uit het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort; het raadplegen van de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Nederland; het raadplegen van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD); beschrijven van de bewoningsgeschiedenis en de historische ontwikkeling van het onderzoeksgebied en omgeving.
Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van de hieronder genoemde historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het onderzoeksgebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in het rapport. ⎯ Kaart van Zeeland. Jacob van Deventer, 1546; ⎯ Ostium Scaldis, Kaart van de Zeeuwse Delta uit het midden van de 16de eeuw, door C. ⎯ ⎯ ⎯ ⎯ ⎯ ⎯ ⎯ ⎯ ⎯
Sgrooten, 1573; Zelandiae comitatus. Het nieuwe aanzien van westelijk Staats-Vlaanderen. N. Visscher, 1656 ; Topographie de la Zelande, Le rouge (naar Visscher-Roman), 1748; Kaart van Zuid-Beveland door W.T. Hattinga, 1753; Kadastrale Kaart (Minuutkaart), 1811-1832; Topografische Militaire Kaart, Veldminuut Goes en Omgeving, door Hubar, 1857; Topografische Militaire Kaart (Bonnebladen): 1914; Topografische Kaart: 1950, 1960, 1972, 1984, 1993; Overzichtskaart van Zuid-Beveland door C. Dekker; Luchtfoto’s en satellietfoto’s 1959, 1971, 1989, 2003, 2005 en 2007 t/m 2018.
5 Aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de Provincie Zeeland (2017).
19
ARTEFACT! RAPPORT 447
2.2
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
Aardkundige Waarden
De omgeving van het plangebied behoort tot het zuidwestelijke zeekleigebied en is gelegen op ZuidBeveland. De geologische basis, die bepalend zal zijn voor het uitzicht van het huidige landschap, begint na het laatste glaciaal (Weichselien, Laat Paleolithicum, tot 9.700 v. Chr.). Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het Boreaal (Mesolithicum, 7.220 – 8.640 v. Chr.) zal de zeespiegel stijgen en zal het pleistocene landschap langzaam vernatten (afbeelding 4). Hierdoor begint zich op lager gelegen delen van het landschap een laag basisveen te vormen. Afbeelding 4 Curve van de Holocene zeespiegelstijging in het Zuidwestelijke kustgebied van Nederland. Bron: De Boer 2008, naar Kiden 1995.
Dit fenomeen deed zich eerst in het noorden van Beveland, maar de veengrens verschoof door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op naar het zuiden. Aan dit veenvormingsproces komt een einde in het Vroeg-Atlanticum (circa 6.000 v. Chr., LaatMesolithicum).6 Door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking liep het noordelijke deel van Zeeland geleidelijk onder water en ontstond een getijdengebied met platen, slikken en schorren. Grote delen van het pleistocene landschap werden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) werden in Zuid-Beveland bij een open kust gevormd in het Midden en Laat Atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). Deze afzettingen zijn overwegend zandig. Vanaf het Subboreaal stagneert de stijging van de zeespiegel in die mate dat de sedimentatie en de stijging elkaar in balans hielden. Er worden meer kleiige sedimenten afgezet. Deze klei is slap en bevat veel rietwortels. Deze wortels zijn een indicatie voor de veenvorming die begint plaats te vinden. Vanaf deze periode begon het getijdengebied geleidelijk te verlanden en plaatselijk begon er zich veen te vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het Midden-Subboreaal (LaatNeolithicum, 3.100 v.
Chr.) een quasi gesloten kustbarrière van strandwallen ontstond met daarachter een groot veenlandschap bestaande uit een veenmoeras met kleine vennen en veenstroompjes.7 Geologisch wordt het dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Het milieu veranderde in het Subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof.8 De aanwijzingen van bewoning tot in het Vroeg- Subatlanticum (IJzertijd, 250 v. Chr.) zijn vooral aangetroffen in het strandwallengebied. Pas vanaf het moment dat de mariene invloed volledig was afgenomen en delen van het hoog opgegroeide veen voldoende ontwaterd waren, werden delen van het veen bewoond. In de Vroeg-Romeinse tijd (in dit gebied ca. 50 n. Chr.), nam de 6 Van Rummelen 1978, 62-64. 7 Vos & van Heeringen 1997, 28. 8 Vos & van Heeringen 1997, 28.
20
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
bewoningsintensiteit in het gehele Zeeuwse kustgebied af. De bewoning verplaatst zich van het veengebied terug naar de strandwallen en langs de oevers van de huidige Oosterschelde.9 Deze rivier volgde grotendeels de huidige bedding, maar had mogelijk een brede zijarm die doorheen ZuidBeveland stroomde. Volgens Steur en Ovaa liep deze bedding vanaf het gebied ten noorden van Arnemuiden zuidwaarts tot bij Ellewoutsdijk. Hier boog hij om en liep naar het noordoosten richting Wemeldinge. Hierdoor werden ook Romeinse vindplaatsen in dit deel van Beveland verklaard.10 Door latere inbraken van de zee in het gebied is het bestaan van een dergelijke zijarm moeilijk te bewijzen. Volgens Vos en Van Heeringen betreft het echter geen brede rivierarm, maar ging het eerder om een netwerk van brede en smalle veenontwateringsgeulen die in verbinding stonden met de zee. In ieder geval is vanaf de MiddenRomeinse Tijd (ca. 70-270 n. Chr.) een intensieve bewoning van het veengebied vastgesteld. Grote delen van het veengebied werden ten behoeve van de grootschalige verbreiding van de bewoning ontwaterd. Dit deed men door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes en watergangen (afbeelding 5). De exploitatie van dit veengebied heeft wellicht een economische achtergrond.
De precieze aard van activiteiten op dit veen is tot nog toe echter niet volledig bekend. Afbeelding 5 Patroon met natuurlijke en
Doordat het ontwaterde veen ging inklinken kreeg antropogene getijdengeulen op Walcheren. Bron: de zee opnieuw vat op dit gebied. Vanaf het Fischer 1997, naar Brus et. al. 1986. Midden-Subatlanticum (Laat-Romeinse tijd, vanaf 270 n. Chr.) kon de zee verder en breder het achterland instromen waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstond. Dit resulteerde in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich hebben ingesneden werden zandige pakketten afgezet en de hoger gelegen veengronden werden afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand kwamen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland overal aan het oppervlak. In deze periode ontstaat ook de Honte, ten zuiden van Zuid-Beveland. Deze getijdengeul ontwikkelt zich geleidelijk tot een zeegat die de Schelde met de zee zal verbinden. De Honte als waterweg wordt dan ook een belangrijk economisch gegeven in de middeleeuwen. De bewoning op Zuid-Beveland in die periode situeert zich nog steeds op de hogere en drogere delen. In dit onbedijkte land waren dit de oeverwallen langs de kreken en, waar de kreken reeds volledig dichtgeslibd waren, de hoge inversieruggen. Ook het schorrengebied raakt stilaan voldoende opgeslibd waardoor het slechts tijdens stormvloeden weer onder water te staan.
Dit maakte deze gebieden ook economisch interessant. In die periode vindt er dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt ligt hier op schapenteelt en wolproductie. Vanaf de 11de en 12de eeuw beginnen de bewoners zich met dijken 9 Van Strydonck & de Mulder 2000, 79. 10 Dekker 1971, 12-14.
21
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
tegen het water te beschermen. Daarnaast worden er ook nieuwe gebieden ingepolderd. In het nieuw gewonnen land wordt naast landbouw ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen werd hoofdzakelijk gebruikt bij de productie van zout. Het weggraven van het veen had een aanzienlijke verlaging en erosie van het oppervlak tot gevolg.11 Deze erosie werd in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken. Dit had tot gevolg dat dijkdoorbraken tijdens een stormvloed catastrofale gevolgen kon hebben waarbij veel land verloren ging. Veel dorpen op Zuid-Beveland zijn verdronken in de stormvloeden van 1530 en 1532, zoals deze waarvan de resten nu nog te vinden zijn in het Verdronken land van Zuid-Beveland.
2.2.1
Geologie, Landschap en Bodem
Voor het verkrijgen van inzicht in de geologische opbouw van het plangebied en de directe omgeving, is gebruik gemaakt van de Geologische overzichtskaart (TNO 2006), de oudere Geologische Kaart van Nederland 1:50.000, Blad Beveland (Van Rummelen 1978, RGD), de Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000, blad 48 ged. Middelburg – 42 ged. Zierikzee – 47 Cadzand (Brus & De Lange 1986, StiBoKa/RGD), de Bodemkaart van Nederland 1:50.000, blad 48 oost Middelburg (Bazen 1987, StiBoKa). Een nadeel bij het gebruik is de relatieve grofschaligheid van deze kaarten. Deze informatie is niet bedoeld en ook niet bruikbaar voor een beoordeling op perceelsniveau. Wel bieden de kaarten kaders voor een globale inschatting van de geologische en de paleogeografische situatie. Het plangebied maakt deel uit van het zuidwestelijke zeekleigebied. Projectie op de Geologische Kaart van Nederland 1:50.000 – Blad Beveland (Van Rummelen 1978) leert dat de regio van het plangebied gekenmerkt wordt door grote brede getijdegeulen (gele zones) die omsloten zijn door komgebieden (donkergroene zones) (afbeelding 6). De komgebieden bestaan uit kleiige afzettingen die een veenpakket, oudere mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer en plaatselijk, daaronder het pleistocene dekzand (Laagpakket van Wierden) afdekken.
De brede getijdenkreken hebben na het verlanden zandige afzettingen achtergelaten die soms tot op aanzienlijke diepte aanwezig zijn. Oudere afzettingen zijn hier deels of geheel geërodeerd. Deze afzettingen lagen initieel wat lager in het landschap. Door inklinking als gevolg van ontwatering en door het afgraven van veen in de komgebieden, met bodemdaling als gevolg, zijn de kreekruggen geleidelijk hoger in het landschap komen te liggen (inversie), waarmee ze vanaf de Middeleeuwen een gunstige plaats voor bewoning boden. Het plangebied is gelegen in het gebied waar de voormalige getijdekreek die vanaf Goes in zuidelijke richting loopt samen kwam met de getijdenkreek ten zuiden van ’s-Gravenpolder liep, de Zwake, waarvan thans nog de gelijknamige restkreek aanwezig is. De beide kreken kennen verschillende stadia van ontwikkeling, waarbij de Zwake langer actief is geweest, doordat het gebied ten zuiden van ’s-Gravenpolder in een later stadium is ingepolderd dan het kernland van Zuid-Beveland, dat bekend stond als de Brede Watering Bewesten Yerseke. Hierdoor zijn in beide kreeksystemen in verschillende en overlappende perioden sedimenten afgezet.
Op de Geologische Kaart is het plangebied gelegen in een geelgroene zone met ruitjes en code D0.3b, wat betekent dat hier, vanaf het maaiveld of onder antropogene ophogingen, Afzettingen van Duinkerke IIIb gelegen zijn, met daaronder Afzettingen van Duinkerke IIIa, beide behorend tot het Laagpakket van Walcheren. Deze afzettingen reiken vrij diep, omdat ze zijn ontstaan bij het verlanden van de brede, voormalige getijdekreek. Door de erosieve werking van deze kreek zijn 11 Dekker 1971, 20.
22
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
oudere afzettingen die behoren tot het Hollandveen Laagpakket, het Laagpakket van Wormer en het Laagpakket van Wierden (pleistocene dekzand) hier niet meer aanwezig in de ondergrond.
Afbeelding 6 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland (Blad Beveland). Bron: Van Rummelen 1978.
Ten behoeve van dit onderzoek is het DINO-loket (TNO Geologische Dienst Nederland) geraadpleegd, als aanvulling op de hierboven beschreven informatie van de Geologische Kaart. Boringen uit het DINO-loket kunnen bruikbaar zijn om de diepteligging van de verschillende geologische lagen te achterhalen. Op basis van het GeoTOP v1.3 is een model te genereren van de bodemopbouw binnen het plangebied (puntlocatie), gebaseerd is op een interpolatie van boorgegevens uit de omgeving. Daarbij moet worden opgemerkt dat in de omgeving van het plangebied weinig boringen zijn gezet, waarmee het model hier grofschalig en beperkt betrouwbaar is. Ter hoogte van het plangebied bestaat volgens het gegenereerde ondergrondmodel de ondergrond tot meer dan 21 m -NAP uit afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, met daaronder pleistocene formaties. Dit betekent dat door de sterke erosieve werking van de voormalige getijdenkreken hier de afzettingen van het Hollandveen Laagpakket, het Laagpakket van Wormer en de top van het Laagpakket van Wierden (pleistocene dekzand) niet meer aanwezig zijn. Het ondergrondmodel maakt binnen het Laagpakket van Walcheren geen onderscheid tussen Duinkerke II-, IIIa en IIIb-afzettingen.
23
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
Afbeelding 7 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland (Blad 48 Middelburg). Bron: Brus & De Lange 1986.
Het plangebied is op de Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50.000 – Blad 48 Middelburg (Brus & De Lange 1986) gesitueerd in een ongekarteerd gebied, de bebouwde kern van ’s-Gravenpolder (afbeelding 7). Gelet op de omgeving zal het plangebied echter naar verwachting gelegen zijn binnen een blauwe zone met code 2M35. Dit betekent dat hier vlaktes van getijdenafzettingen gelegen zijn. In de omgeving, ten noorden en ten oosten en westen van ’s-Gravenpolder bevinden zich groene zones met code 3K33, duidend op inversieruggen. Het is, gelet op de situatie op de Geologische Kaart, waarschijnlijk dat de inversierug direct buiten de bebouwde kern niet gekarteerd is omdat deze daar nog wordt afgedekt met een getijdenafzetting.
24
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
Afbeelding 8 Projectie van het plangebied op een vergrote uitsnede van de Bodemkaart van Nederland (Blad 48 Oost Middelburg). Bron: Bazen 1987.
Op de Bodemkaart van Nederland 1:50.000 – Blad 48 Oost Middelburg (Bazen 1987) is het plangebied gelegen in een de ongekarteerde kern van ’s-Gravenpolder. Gelet op de omgeving zal het plangebied binnen de zone met code Mn15A vallen, wat betekent dat hier kalkrijke poldervaaggronden gelegen zijn, bestaande uit lichte zavel. Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie onderstaande tabel 1). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Gwt VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. Binnen het plangebied is grondwatertrap niet gekarteerd.
Gelet op de rond de dorpskern gelegen zones, zal hier echter sprake zijn van grondwatertrap zones VI. Dit houdt in dat de bodem hier goed ontwaterd is. Het is mogelijk dat de grondwaterstand plaatselijk lager is binnen bebouwd gebouwd, door de aanwezigheid van bebouwing en verharding.
25
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
Tabel 1 Indeling grondwatertrappen.
Grondwatertrap
I
II
III
IV
V
VI
VII
GHG in cm -mv
(< 20)
(< 40)
< 40
> 40
< 40
40 - 80
> 80
GLG in cm -mv
< 50
50-80
80-120
80-120
> 120
> 120
(> 160)
GHG gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG gemiddeld laagste grondwaterstand
Samenvattend kan uit bovenstaande gegevens afgeleid worden dat het plangebied gesitueerd is binnen de stroomgebieden van twee voormalige, brede getijdenkreken. Beide kreekbeddingen zijn door bodemdaling van het omliggende gebied ontwikkeld tot kreekruggen. Door de sterke getijdewerking in deze stroomgebieden heeft erosie plaats gevonden, waardoor naar verwachting geen oudere afzettingen dan die van het Laagpakket van Walcheren meer aanwezig zijn waarin vindplaatsen kunnen voorkomen. Het is echter niet uitgesloten dat oudere afzettingen nog deels aanwezig zijn, door de ligging aan de rand van de voormalige kreek. De hoger gelegen kreekruggen boden in de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd gunstige mogelijkheden voor bewoning.
2.2.2
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
In voorliggend onderzoek is het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) geraadpleegd. Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie verkregen digitale bestand geeft een beeld van het huidige reliëf in de omgeving van het plangebied. De lager gelegen gebieden hebben een blauwe en groene kleur, de hoger gelegen delen hebben een gele tot rode kleur. Kleine hoogteverschillen kunnen zo visueel in kaart worden gebracht, hetgeen belangrijk kan zijn voor de lokalisering van verdwenen nederzettingspatronen. Binnen stedelijke context blijkt het AHN, vanwege de bebouwing en nivellering, echter niet steeds een bruikbare bron, althans niet op perceelsniveau. Afbeelding 9 toont het AHN met het plangebied en de omgeving. Dit beeld laat duidelijk de brede kreekruggen zien waarop ’s-Gravenpolder is gelegen. Op deze ruggen varieert de maaiveldhoogte tussen 0,50 en 1,10 m +NAP. Daarbuiten ligt het lager gelegen komgebied, met een maaiveldhoogte tussen 0,20 en 1,50 m –NAP. Binnen de kreekruggen zijn vaak nog de lager gelegen restgeulen zichtbaar als smalle depressies. Dit betreft het laatst actieve delen van de voormalige getijdekreken die minder hoog opgeslibd zijn. Direct ten zuiden van ’s-Gravenpolder ligt een dergelijke restkreek die echter nog actief is: de Zwaakse Weel.
Het sediment rond deze restkreek dateert volgens de Geologische Kaart later (Duinkerke IIb afzettingen) dan de delen van de kreekrug daarbuiten (Duinkerke IIIb afzettingen). Het plangebied is gelegen in de bebouwde kern van ’s-Gravenpolder waar de hoogtemetingen van het maaiveld maar beperkt mogelijk zijn door de aanwezigheid van bebouwing. Het AHN biedt voor het plangebied op perceelsniveau zodoende geen aanvullende gegevens betreffende bodemverstoringen of de aanwezigheid van vindplaatsen. Wel laat deze kaart zien dat het plangebied op de kreekrug is gelegen, overeenkomstig de Geologische Kaart. Het maaiveld ligt ter plaatse van het plangebied rond 0,90 m +NAP.
26
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
Afbeelding 9 Projectie van het plangebied en omgeving op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: AHN – Het Waterschapshuis.
2.3
Bewoningsgeschiedenis
Deze paragraaf beschrijft de bewoningsgeschiedenis van de omgeving van het plangebied vanaf het Paleolithicum tot aan de periode waarvoor historische bronnen beschikbaar zijn, vanaf de 10de eeuw na Chr. Voor de perioden waar geen gegevens over de bewoningsgeschiedenis van dit gebied voorhanden zijn, wordt een beeld geschetst van het bredere regionaal kader, in dit geval ZuidBeveland dan wel Zeeland, waarin het plangebied zich bevindt. Ook wordt hier in samenhang met de bewoning en het landgebruik beknopt de landschappelijke ontwikkeling beschreven. Kennis van de bewoningsgeschiedenis van dit gebied is onontbeerlijk om een goed verwachtingsmodel op te stellen en de locatiekeuzefactoren per periode te bepalen.
Paleolithicum (circa 300.000 – 8.800 v. Chr.) In Zeeland zijn vondsten uit het Paleolithicum bijzonder schaars. De vroegste getuigen van menselijke aanwezigheid dateren uit het Midden-Paleolithicum (tot circa 35.000 BC) en bestaan uit enkele
27
ARTEFACT! RAPPORT 447
KERKHOEKSTRAAT 49-55, SCHOOLSTRAAT 1-37 EN 2-14
afslagen en werktuigen, waaronder vuistbijlen, uit vuursteen. Deze relicten van Neanderthalers werden echter enkel in verspoelde (Cadzand), opgebaggerde (Ellewoutsdijk) of in losse context (Nieuw Namen en Serooskerke) aangetroffen. De circa 150.000 jaar oude vuistbijl die nabij Serooskerke aangetroffen is werd gevonden op de slikken bij de Schelpenhoek. Hoe deze vuistbijl op de slikken terechtgekomen is blijft onbekend, volgens Jongepier is deze is vermoedelijk opgevist uit de Hammen (een geul voor de kust bij Serooskerke) en samen met de overige inhoud van de netten op de schorren gedeponeerd.12 Het enige bekende Nederlands Neanderthaleroverblijfsel betreft het fragment van een schedel die 15 kilometer voor de Zeeuwse kust werd met een schelpenzuiger is opgehaald.13 Ook van de daarop volgend periode, het Laat-Paleolithicum (35.000 tot 8.800 BC), werden de meeste artefacten in secundaire context waargenomen: zo werden op het strand van Cadzand aangespoelde, en op de akkers rond Nieuw Namen vuurstenen werktuigen gevonden.14 Een bijzondere exponent uit deze periode is de zogenaamde Lyngby-bijl, vervaardigd uit rendiergewei en opgebaggerd uit de Westerschelde nabij Ellewoutsdijk15. De meer dan 100 vuurstenen werktuigen van de Tjongercultuur die bij de bouw van een bejaardentehuis in Axel werden aangetroffen op een paleosol getuigen van de vroegste menselijke bewoning van Zeeland.
De langgerekte pleistocene dekzandruggen in het zuiden van Zeeuws-Vlaanderen nodigden blijkbaar uit tot het opslaan van kleine tijdelijke kampementen, getuige de spitsen, schrabbers, stekers en afslagen die werden verzameld. Bij het graven en boren van de Westerscheldetunnel kwamen ook de nodige dierlijke resten naar boven uit dit tijdperk.
Mesolithicum (circa 8.800 – 4.900 v. Chr.) Op het einde van de laatste IJstijd resulteerde een aangenamer klimaat in een veranderd landschap. In aanvang zal het huidige Noordzeebekken nog grotendeels droog hebben gelegen. Onder invloed van de klimaatwijziging veranderde en diversifieerde ook de dierenwereld. Het wild bestond onder andere uit oerrunderen, wisenten en edelherten, maar ook kleinere soorten als everzwijnen, bevers, otters en vogels. De mens was voor zijn dagelijks eten niet meer aangewezen op enkele diersoorten maar kon kiezen uit een breed voedselaanbod dat behalve door de jacht ook verkregen werd door te vissen en het verzamelen van noten en vruchten. Dit had grote gevolgen voor het nederzettingspatroon van de mens, aangezien hij niet langer over grote afstanden hoefde rond te trekken om in zijn onderhoud te voorzien, want voedsel was alom aanwezig in een dergelijk landschap. Kenmerkend voor het Mesolithicum is dat men zich voor de jacht aan de nieuwe samenstelling van de meer kleinere wildsoorten ging aanpassen. Men ging allerlei kleinere en lichtere wapens gebruiken, zoals vuurstenen pijlen, benen vishaken en gevlochten visfuiken. De overvloed aan bepaalde voedselbronnen in een bepaald seizoen leidt tot meer seizoensgebonden kampementen. Mensen konden nu ook langer op één plaats blijven, maar de bewoning was nog niet permanent.