CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

15.1 Beleidsnotitie kleine windturbines Borsele 2023

Besluitvormende raadsvergadering 7 december 2023, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel tot het kennisnemen van de beleidsnotitie ‘Kleine windturbines gemeente Borsele’; en het vaststellen van de beleidsregel ‘kleine windturbines gemeente Borsele 2023’ (portefeuille wethouder Witkam)5.108 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

DETAILS

BELEIDSNOTITIE KLEINE WINDTURBINES GEMEENTE BORSELE December 2023

1/24

DATUM KENMERK

December 2023 2020_0701002.02

PROJECT PROJECTLEIDER

Beleid kleine windturbines Borsele mr. ir. Hetty Wenting

OPDRACHTGEVER gemeente Borsele PROJECTNUMMER 20211568 AUTEUR STATUS

2/24

ir. Marieke Rekswinkel / mr. ir. Hetty Wenting Definitief

7.4 7.5

INHOUD 1. 2.

Inleiding Kleine windturbines

4 5

2.1 2.2 2.3

5 5 6

Testveld Schoondijke Grondgebonden turbines Turbines op het dak

Voorwaarden vanuit wet- en regelgeving Toelichting voorwaarden 7.5.1 Eigen behoefte 7.5.2 Hoogte 7.5.3 Afstandscriteria 7.5.4 Landschappelijke inpassing 7.5.5 Voorwaarden vanuit wet- en regelgeving

Bijlagen 3.

4. 5.

6. 7.

3/24

Beleid

7

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

7 7 7 8 9

Beleid Rijksoverheid Beleid Provincie Zeeland Beleid Regio Beleid gemeente Borsele Beleid andere gemeenten

Behoefte aan kleine windturbines Analyse voors en tegens kleine windturbines

9 10

5.1 5.2

10 11 11 13 13 14

Motivering voor het plaatsen van kleine windturbines Mogelijke belemmeringen 5.2.1 Ruimtelijke impact 5.2.4 Geluid en veiligheid 5.2.5 Schaduw en lichtschittering 5.2.6 Plaatsing bij hoge windturbines

Belangenorganisaties Kaders voor het plaatsen van kleine windturbines

14 15

7.1 7.2 7.3

15 15 15

Inleiding Algemene voorwaarden Ruimtelijke voorwaarden

Bijlage 1 Bijlage 2

Gemiddelde windsnelheden in Nederland Gespreksverslagen belangenorganisaties

16 16 16 16 16 17 17

1. INLEIDING Om de Nederlandse doelstellingen voor de groei in duurzame energie en vermindering van de CO2-uitstoot te halen, heeft het Rijk in het Klimaatakkoord afgesproken dat er duurzame elektriciteit op land (wind én zon) geproduceerd moet worden. Ook het provinciaal en regionaal beleid is erop gericht om te verduurzamen. Zeelandbreed vormt de Regionale Energiestrategie Zeeland de basis voor de duurzame energievoorziening en daarmee de basis voor de Borselse opgave en taakstelling. In provinciaal beleid zijn regels opgenomen voor turbines met een hogere tiphoogte dan 21 meter. Het plaatsen van lagere windturbines wordt aan gemeenten over gelaten. De gemeente Borsele heeft als doelstelling om in 2050 energieneutraal te zijn, dat wil zeggen dat in 2050 uitsluitend hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt en dat geen gebruik meer wordt gemaakt van fossiele energiebronnen. Daarvoor zijn ingrijpende maatregelen nodig in de energievoorziening. Grootschalige windturbines en zonnepanelen zijn momenteel de belangrijkste actuele en potentiële bron voor het opwekken van de benodigde duurzame energie. Het gemeentelijk beleid biedt geen ruimte voor zonneparken op agrarische gronden. Voor nieuwe windturbines is alleen nog ruimte in het Sloegebied. Dit geldt voor zowel grote als kleine windturbines.

Het huidige beleid van Borsele dat betrekking heeft op kleine windturbines is inmiddels 14 jaar oud en toe aan actualisatie. Het huidig ruimtelijk beleid laat alleen kleine windturbines toe in het Sloegebied. In het Sloegebied staat een aantal grote windturbines. De gemeenteraad heeft verzocht om te onderzoeken of het wenselijk is het beleid voor kleine windturbines te wijzigen en daarmee het huidige beleid te actualiseren. In deze beleidsnotitie zijn de resultaten van een eerste analyse opgenomen. Hierbij komen de volgende aspecten aan bod: vigerend beleid, uitvoering beleid en de nieuwe

4/24

behoefte aan kleine windturbines. Tot slot zijn de belangrijkste aspecten met betrekking tot het plaatsen van kleine windturbines beschreven. Hierbij richt de gemeente zich alleen op gebruik bij bedrijven in het buitengebied. De gemeente Borsele is gunstig gelegen wat betreft de windvoorziening. Door de ligging aan de Westerschelde en de aanwezigheid van open landschap is het een gunstige situatie voor windturbines. Dit betreft zowel de grote windturbines als de kleine. Ook kleine windturbines kunnen bijdragen aan een vermindering van de CO2 uitstoot. Er is momenteel een aantal (agrarische) ondernemers dat - buiten het Sloegebied kleine windturbines wil plaatsen. Doordat zij duurzaam willen ondernemen en door technologische en maatschappelijke ontwikkelingen, is er meer vraag naar duurzame energieopwekking binnen de gemeente Borsele. Dit geldt voor diverse vormen duurzame energieopwekking.

2. KLEINE WINDTURBINES Op basis van een analyse van beleid voor kleine windturbines in verschillende gemeenten kan worden geconcludeerd dat kleine windturbines over het algemeen een ashoogte (hoogte van de mast) hebben van maximaal 15 meter. De ashoogte is vergelijkbaar met een volwassen boom. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen grondgebonden turbines en turbines op het dak. Er zijn windturbines met een horizontale as (HAT, horizontale as turbine) en met een verticale as (VAT, verticale as turbine). Voor alle types geldt uiteraard dat ze het beste in windrijke gebieden geplaatst kunnen worden.

2.1

Testveld Schoondijke

De provincie Zeeland heeft, samen met een aantal andere partijen, tussen 2005 en 2012 een experiment op testveld Schoondijke uitgevoerd. Toentertijd was er weinig bekend over met name het rendement en de impact van kleine windturbines met een hoogte tot twintig meter. In een testopstelling met verschillende soorten kleine windturbines is gekeken of deze economisch, technisch en op het gebied van ruimtelijke ordening aantrekkelijk zijn. De test toonde destijds aan dat kleine windturbines in Nederland niet rendabel zijn, omdat de kosten voor de aanschaf te hoog waren tegenover de opbrengsten (vanwege lagere windsnelheden op lage hoogte).

de vorm en kwaliteit van de turbine. Ook de snelheid waarmee de wieken draaien bepalen veelal of er een rustig of juist onrustig beeld ontstaat (hoe langzamer hoe rustiger het beeld). Grondgebonden turbines kunnen ook bestaan uit VAT turbines. Het voordeel van deze turbine is dat de windturbine niet in de wind gedraaid hoeft te worden. Dit heeft voordelen voor omgevingen die veel wisselende windrichtingen hebben en waar veel turbulentie voorkomt. VAT turbines zijn erg geschikt voor een bebouwde omgeving, waar vaak windvlagen voorkomen en de windrichting veel varieert. Dit neemt niet weg dat ook deze turbines in het buitengebied geplaatst kunnen worden. Verticale as turbines worden ook wel ‘windwokkels’ genoemd. Deze turbine wekt energie op doordat de wind de wieken wegduwt. De rotor beweegt nooit sneller dan de wind. Over het algemeen zijn VAT turbines gemiddeld minder efficiënt. Op dit moment zijn de belangrijkste leveranciers van kleine turbines EAZ Wind en Hulst Innovaties.

De markt van kleine windturbines heeft zich inmiddels verder ontwikkeld waardoor kleine windturbines inmiddels wel rendabel zijn en het gebruik van kleine windturbines steeds aantrekkelijker wordt. De terugverdientijd ligt nu op circa 10 jaar, afhankelijk van het type turbine.

2.2

Grondgebonden turbines

Grondgebonden windturbines zijn meestal HAT turbines. De zogenaamde HAT turbines hebben wieken, en worden ook wel ’wiekturbines’ of ‘turbines van het propellertype’ genoemd. De verhouding tussen de wieken en de as bepaalt voor een groot deel

5/24

Grondgebonden windturbines 2x HAT turbines

Turbines op het dak met turbine in de dakcontour (ridgeblade)

Grondgebonden windturbine; een VAT turbine

2.3

Turbines op het dak

Op daken komen juist vooral VAT turbines voor. Er zijn ook voorbeelden van turbines met een horizontale as (HAT) op daken. Windturbines op een dak maken meestal teveel inbreuk op de ruimtelijke kwaliteit. Ze tasten de contour van de gebouwen aan en ogen als wezensvreemde elementen. Daarom zijn op daken vaak alleen turbines toegestaan die aansluiten bij de (kap)contour van het bouwvolume en architectonisch een eenheid vormen met het dak. HAT turbines op het dak

6/24

3. BELEID 3.1

Beleid Rijksoverheid

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat er in 2030 tenminste 35 terawattuur (TWh) duurzame elektriciteit op land (wind én zon) geproduceerd moet worden. Windenergie is een belangrijke vorm van duurzame energie om dit doel te halen. Daarnaast staat in het Energieakkoord dat provincies elk een aandeel verzorgen om een totaal van 6.000 MW aan windenergie te realiseren. Deze afspraken over windenergie op land zijn nodig om de Nederlandse doelstellingen voor de groei in duurzame energie en vermindering van de CO2-uitstoot te halen. Windmolens moeten volgens het Rijk: • voldoen aan alle geldende regelgeving o.a. op het gebied van geluid en veiligheid; • zo min mogelijk overlast veroorzaken; • zo goed mogelijk passen in het landschap; • rekening houden met natuuraspecten.

3.2

Beleid Provincie Zeeland

In de Zeeuwse Omgevingsvisie (2021) is aangegeven dat Zeeland 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is, overeenkomstig het in 2019 door alle Zeeuwse overheden ondertekende convenant Klimaatadaptatie Zeeland. De verschillende overheden zorgen hiermee samen voor een zo groot mogelijke beperking van schade door hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen. Voor 2030 is als doel gesteld dat in Zeeland tenminste 1800 MW aan duurzame energie wordt opgewekt. In de provinciale omgevingsverordening (2018) is vastgelegd dat nieuwe windturbines, met een hogere tiphoogte dan 21 meter, worden toegelaten binnen de daarvoor aangegeven windenergie concentratielocaties (waaronder het Sloegebied). Buiten de aangegeven windenergie concentratielocaties wordt de vervanging van een bestaande

7/24

windturbine met een hogere tiphoogte dan 21 meter, door een turbine met een hogere tiphoogte dan de bestaande, niet toegelaten.

3.3

Beleid Regio

In de Regionale Energie Strategie (RES) 1.0 Zeeland (2020) staat welke gebieden qua infrastructuur geschikt zijn voor de opwek van zonne- en/of windenergie, waarbij rekening wordt houden met ruimtelijke kwaliteit en andere maatschappelijke opgaven en acceptatie. Ook staat in de RES welke infrastructuur nodig is om het opwekvermogen aan het net te koppelen en wat daarvan de consequenties zijn (ruimtelijk, financieel, planmatig en voor de besluitvorming). In de RES 1.0 is de Zeeuwse aanpak en ambitie voor de energietransitie verwoord, opgesteld door de partners van het Zeeuwse Energie Akkoord. In navolging van het strategisch document is in 2021 het Uitvoeringsplan RES 1.0 opgesteld. Hiernaast werkt de provincie samen met het Zeeuwse industriële cluster aan de verduurzaming van de sector via Smart Delta Resources (SDR). In het Uitvoeringsplan RES 1.0 en SDR wordt nadrukkelijk stil gestaan bij verschillende vormen van energieopwekking, aanvullend op zonne- en windenergie. Voorbeelden hiervan zijn waterstof, kernenergie en ontwikkelingen rondom thorium. Hierbij wordt expliciet afgestemd met de verantwoordelijke partijen als het Rijk, maar ook netbeheerders TenneT en Enduris. Verder wordt in het Uitvoeringsplan RES 1.0 beschreven welke prioriteiten gekozen zijn, wie voor welke prioriteit verantwoordelijk is en hoe deze uitgevoerd gaan worden.

Onderdeel van de RES is een zogenaamde Regionale Structuur Warmte (RSW), waarin afspraken zijn gemaakt over de regionale verdeling van het warmteaanbod als voorbereiding op de Transitievisie Warmte (TVW).

Volgens het Nederlands Klimaatakkoord moesten alle gemeenten uiterlijk 2021 hun Transitievisie Warmte (TVW) gereed hebben. De Transitievisies Warmte zijn opgesteld en daarin staat per wijk en dorp welke duurzame warmtebronnen het meest kansrijk zijn. Ook staat er met welke wijken en dorpen vóór 2030 begonnen wordt om van het gas af te gaan, en welke later zullen volgen. Voor de wijken en dorpen waar begonnen wordt, worden als eerste Wijkuitvoeringsplannen (WUP’s) opgesteld. In de overschakeling naar duurzame warmte is een actieve rol van inwoners en inwonersgroepen van groot belang. Ook maakt een duurzame mobiliteitsstrategie, inclusief een tank- en laadinfrastructuur, onderdeel uit van de Zeeuwse RES.

3.4

Beleid gemeente Borsele

Het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Borsele is er op gericht om in 2050 energieneutraal te zijn. Dit wil zeggen dat in 2050 uitsluitend hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt en dat geen gebruik meer wordt gemaakt van fossiele energiebronnen.

8/24

3.5

Beleid andere gemeenten

Kapelle In de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Kapelle is vastgelegd dat kleine windturbines onder voorwaarden zijn toegestaan. Uitgangspunt is dat kleine windturbines geen nadelige effecten mogen hebben op het woon- en leefklimaat. Plaatsing van kleine windmolens moet in elk geval gekoppeld worden aan het bouwvlak/het erf en één geheel hiermee vormen. Om de ruimtelijke impact niet al te groot te laten zijn wordt voorgesteld om de maximumhoogte af te stemmen op de hoogte van de bebouwing. Veere In Buttinge, Grijpskerke in de gemeente Veere, staat een kleine windturbine bij een agrarisch bedrijf. De gemeente Veere heeft beleid betreffende windturbines tot 45 m: a. ter plaatse van de aanduiding 'windturbine' is een windturbine toegestaan met bijbehorende transformatoren tot een bouwhoogte van 45 meter. Goeree-Overflakkee De gemeente Goeree-Overflakkee heeft in 2020 beleid opgesteld voor kleine windturbines. Zij staat alleen zogenaamde ridgeblade-turbines op dak toe. (Zie foto onderaan pagina 6.) Diverse Friese en Groningse gemeenten In Friesland en Groningen worden in tal van gemeenten kleine windturbines bij agrarische bedrijven toegestaan. Hierbij gaat het om 1 tot 3 turbines, die veelal als aanvulling op zonnepanelen kunnen worden geplaatst, voor eigen gebruik.

9/24

4. BEHOEFTE AAN KLEINE WINDTURBINES Bij de gemeente Borsele komen verzoeken van ondernemers binnen voor het plaatsen van kleine windturbines. Deze ondernemers hebben nog geen concrete aanvraag ingediend. Het gaat hierbij om agrariërs, die ofwel een akkerbouw- ofwel een fruitteeltbedrijf ofwel een melkveehouderij hebben. Kleine windturbines zijn voor agrarische bedrijven interessant, omdat deze bedrijven veel energie verbruiken, ook in de tijden dat de zon niet schijnt. Juist op de momenten dat de zon niet schijnt, is er namelijk een behoorlijke kans op wind. Allen geven zij aan dat ze koeling voor hun producten gebruiken. Daarnaast worden ook ventilatoren gebruikt voor het drogen van producten. Op de bedrijven zijn veelal al zonnepanelen aanwezig. De koeling voor de gewassen wordt met name in de avonduren aangezet wanneer de zonnepanelen niet werken. Ook in het najaar en in de winter is er een grote behoefte aan een andere manier van energievoorziening. De combinatie van zonnepanelen met een windturbine is voor veel agrariërs ideaal. Verwacht wordt dat er in de toekomst alleen maar meer energie nodig is doordat bijvoorbeeld de voertuigen ook op duurzame energie gaan rijden. Ook afnemers, zoals supermarkten, stellen steeds meer eisen aan de duurzaamheid van bedrijven. Dit zullen waarschijnlijk in de toekomst harde voorwaarden worden om te mogen leveren.

Net als voor akkerbouwers en fruittelers zijn windturbines interessant voor melkveehouders. Verhoudingsgewijs zijn er in Nederland veel melkveehouders die een windturbine hebben geplaatst bij hun boerderij. Melkveehouders hebben relatief meer stroom nodig gedurende het hele etmaal en zijn daarmee ook gebaat bij de continue opwekking van energie, die zij direct kunnen gebruiken voor van hun eigen bedrijfsvoering. Daarnaast kunnen ook niet-agrarische bedrijven behoefte hebben aan aanvullende duurzame energie van kleine windturbines.

5. ANALYSE VOORS EN TEGENS KLEINE WINDTURBINES In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste aspecten met betrekking tot het plaatsen van kleine windturbines beschreven. Het hoofdstuk is opgedeeld in een paragraaf met motivering voor het plaatsen van kleine windturbines en een paragraaf over mogelijke belemmeringen. Door het formuleren van kaders kunnen de mogelijke belemmeringen worden beperkt. Eventuele kaders zijn niet in deze analyse uitgewerkt.

5.1

Motivering voor het plaatsen van kleine windturbines

1. Bijdragen aan duurzame energie/ energietransitie Kleine windturbines leveren in de vraagstukken omtrent energietransitie en duurzame energie slechts een kleine bijdrage aan de doelstellingen van het rijk, de provincie en de gemeenten om te verduurzamen. Ze leveren evenwel een kwalitatieve en een meer symbolische bijdrage aan duurzame energie. Kleine windturbines voorzien vooral in energie voor individuele bedrijven en reduceren de kosten voor energiegebruik voor deze bedrijven. Het gaat hierbij dus vooral om bedrijfsgebonden verduurzaming. 2. Behoefte Uit gesprekken met lokale agrariërs lijkt dat kleine windturbines vooral wenselijk zijn bij bedrijven die op andere tijdstippen energie nodig hebben dan dat zonnepanelen leveren. Zie ook hoofdstuk 4. Vanuit de provinciale overheid en vanuit supermarkten waar agrariërs aan leveren wordt steeds meer druk op bedrijven gezet om te verduurzamen. Deze behoefte komt ook voort uit het feit dat de energie van zonnepanelen nog niet vast kan worden gehouden. Binnen de gemeente Borsele bevinden zich op dit moment 116 agrarische bedrijven. Voor met name bedrijven die gebruik maken van koeling bieden windturbines

10/24

potentie. Ook voor niet-agrarische bedrijven kunnen windturbines potentie bieden. Het is afhankelijk van de voorwaarden die uiteindelijk worden gesteld voor de plaatsing van kleine windturbines hoeveel windturbines er daadwerkelijk geplaatst kunnen worden. 3. Rendement De ontwikkelingen op het gebied van kleine windturbines gaan hard waardoor het rendement steeds beter wordt. De verwachting is dat een investering in een kleine windturbine binnen 10 jaar wordt terugverdiend. Het rendement is echter wel afhankelijk van de aanwezigheid van wind. Een dichtbebouwde omgeving is niet aantrekkelijk voor het plaatsen van kleine windturbines. De energieopbrengst van kleine windturbines is beperkt: grofweg kan gesteld worden dat één tot drie kleine windturbines op jaarbasis genoeg energie opwekken voor één agrarisch bedrijf (afhankelijk van de energiebehoefte en hoe hard het waait). De te verwachten opbrengt van kleine windturbines ligt op dit moment, afhankelijk van de soort en de windsnelheid, tussen de 6.000 en 46.000 kWh/jaar. 4. Ruimtebeslag Het ruimtebeslag van kleine windturbines is zeer beperkt. Zeker als windturbines gekoppeld zijn aan erven, bedrijfsbebouwing en beplanting, is de impact op de ruimte gering. (zie 5.2.).

5.2

Mogelijke belemmeringen

5.2.1 Ruimtelijke impact Grote windturbines zijn door hun hoogte op grote afstand te zien. Ook kleine windturbines zijn vaak te zien vanuit de omgeving. Daarnaast trekt het snelle draaien van de wieken de aandacht. Afhankelijk van de locatie worden kleine windturbines door de beperkte ashoogte (15 meter) al snel onttrokken aan het zicht door bomen en hoge bebouwing. Dit is dus niet te vergelijken met de grote windturbines, met een ashoogte boven de 140 meter en een tiphoogte van meer dan van 200 meter. 5.2.2 Landschap Het plaatsen van kleine windturbines kan leiden tot verrommeling van het landschap. In een open landschap kan verrommeling makkelijker ontstaan en is dit ook op grotere afstand waar te nemen. Er dient voorkomen te worden dat landschappelijke- en cultuurhistorische waarden worden aangetast. Daarom is het van belang dat kleine windturbines nabij bedrijven/ bebouwing geplaatst wordt, omdat hier al sprake is van een vorm van verstoring van het landschap. Bij plaatsing van kleine turbines op (boeren)erven is het belangrijk dat er een duidelijke visuele relatie is tussen de turbine en de gebouwen en beplanting op dat erf. Daarnaast kan er per landschapstype sprake zijn van een verschil in inpassing. In open landschappen gaan de turbines horen bij het al bestaande gebouwde/groene ensemble van het (boeren)erf, dat als een eiland in de open ruimte ligt.

Omdat in een open landschap verrommeling makkelijker ontstaat en dit ook op grotere afstand waar te nemen is, is de locatie van de windturbine van extra groot belang. Het grootschalige polderlandschap in het westen van Borsele is een voorbeeld van zo’n open landschap. Bij een kleinschalig en intiem landschap gaan de turbines ook bij het (boeren)erf horen. In deze meer besloten landschapstypen worden de turbines vaak onttrokken aan het zicht door houtopstanden en wegbeplanting.

11/24

1. De Poel 2. Kleinschalige nieuwlandpolders 3. Herverkavelde oudlandpolders 4. Grootschalige polders 5. Westerschelde (Uit bestemmingsplan buitengebied Borsele)

open besloten besloten open

Deze 2 foto’s zijn van dezelfde windturbine gemaakt. Zelfs één enkele boom zorgt al voor een landschappelijke inpassing doordat deze de aandacht trekt en tevens zorgt voor een filtering van het beeld.

Deze 3 foto’s zijn gemaakt bij dezelfde boerderij, waarbij een kleine windturbine is geplaatst. Vanaf de voorzijde, waar veel erfbeplanting aanwezig is, is de turbine niet zichtbaar. Ook vanaf grotere afstand, met houtopstanden, is de turbine niet zichtbaar.

12/24

Windturbine bij boerderij in open landschap

In Borsele zijn de besloten ‘herverkavelde oudlandpolders’ en ‘kleinschalige nieuwlandpolders’ voorbeelden van kleinschalig landschap. Erfbeplanting vormt een onderdeel van het Zeeuwse landschap. Het verwijderen van deze erfbeplanting om plaats te maken voor een windturbine of om meer wind te vangen is ruimtelijk-visueel zeker niet wenselijk. Hier zal bij het uitwerken van beleid aandacht aan dienen te worden besteed. 5.2.3 Natuur Kleine windturbines kunnen impact hebben op de natuur en diersoorten verstoren. Op grond van de Wet natuurbescherming geldt een verbod voor het verstoren van beschermde soorten. De windturbines dienen op voldoende afstand tot Natura-2000 gebieden, Natuur Netwerk Nederland (NNN), weidevogel-, akkervogel- en ganzenfoerageergebied te liggen. Pilot Effecten kleine windturbines op vogels en vleermuizen Groningen Uit een kleinschalig onderzoek dat in opdracht van de provincie Groningen is uitgevoerd (Eindrapportage Pilot Project Effecten kleine windturbines op vogels en vleermuizen, Rapportnummer 20190408 43, 2019) blijkt dat kleine windturbines niet of nauwelijks verstoring veroorzaken ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen. Ook is de ervaring dat de realisatie van de kleine turbines een minimale hoeveelheden aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen en vogels tot gevolg heeft (maximaal 1 aanvaringsslachtoffer/windmolen/jaar).

Een en ander heeft te maken met de beperkte hoogte van de turbines, de locatie (dicht bij de bebouwing op en aansluitend op het erf) en de snelheid van de wieken. Eén van de onderzoeksvragen uit de pilot was verder of er gebieden of landschapstypen te onderscheiden zijn met extra hoge risico’s op verstoring of aanvaring. Op basis van de onderzoeksresultaten is er geen verschil in effecten te verwachten is binnen verschillende landschapstypes.

13/24

Soorten als Boerenzwaluw, Huiszwaluw, Spreeuw, Putter, Gierzwaluw, Houtduif, Holenduif en Torenvalk komen voor in diverse landschapstypes en zijn vooral gebonden aan (boeren)erven met bijbehorende beplanting. Ook voor vleermuizen zijn er geen duidelijke verschillen te verwachten tussen te onderscheiden landschapstypes binnen de provincie. Het zijn voornamelijk soorten die zowel in zowel open als meer besloten landschapstypen voorkomen. Een natuuronderzoek kan voor een specifieke locatie aangeven of mogelijk sprake is van verstoring van beschermde soorten. Met een natuurtoets wordt onderzocht welk effect de windturbine heeft. Worden beschermde soorten verstoord, verwond of zelfs gedood? Dan kan het reden zijn om de windturbine niet toe te staan. 5.2.4 Geluid en veiligheid Kleine windturbines produceren geluid, het ene type meer dan het andere. Voor nabijgelegen woningen kan er hierdoor hinder optreden. Wat betreft geluid moet voldaan worden aan de landelijke eisen en de eisen uit het Activiteitenbesluit (afdeling 2.8). Dit betekent bij geluidsgevoelige objecten dat overdag maximaal 47 dB en ’s nachts maximaal 41 dB geluid mag worden geproduceerd. In de vergunningverlening dient hiermee rekening gehouden te worden en te worden voldaan aan de geldende normen. In de praktijk wordt vaak een afstand van 60 tot 80 meter tot woningen van derden aangehouden (4 x ashoogte).

Er zijn minimale afstanden tussen windturbines en verschillende (beperkt) kwetsbare objecten (zoals woningen) vastgelegd; in verband met val- en werpgevaar dient voldoende afstand tot kwetsbare objecten worden aangehouden. 5.2.5 Schaduw en lichtschittering Slagschaduw bij kleine windturbines is beperkt. Kleine windturbines met een korte en smalle wiek (maximale wieklengte 2,5 meter) en een hoog aantal omwentelingen per minuut (150 tot 400) veroorzaken geen slagschaduw. Windturbines met een wieklengte tussen de 4,5 en 8 meter veroorzaken mogelijk wel slagschaduw. In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor hinder door slagschaduw en lichtschittering.

5.2.6 Plaatsing bij hoge windturbines Het plaatsen van kleine windturbines nabij grote windturbines geeft een heel onrustig beeld. Ook in verband met windvang is voldoende afstand tussen de windturbines noodzakelijk. Hierbij kan als vuistregel de onderlinge afstand tussen grote windturbines aangehouden worden. Dit betekent dat in het Sloegebied, waar de hoge windturbines zich bevinden, de situering van kleine windturbines minder voor de hand ligt. 5.2.7 Hoogspanning In het buitengebied van Borsele staan een aantal (nieuwe) hoogspanningsmasten. In verband met zicht en ook windvang is het niet wenselijk kleine windturbines in de buurt van hoogspanningsmasten te plaatsen. Er gelden geen wettelijke eisen voor het plaatsen van windturbines in de buurt van hoogspanningsleidingen. In de Handreiking Risico-zonering Windturbines is wel een richtlijn opgenomen voor het bepalen van een minimale afstand. Hierbij is de beveiliging en eventuele certificering van een windturbine van belang.1

1 ABRvS 201608033/1/R3, 24 januari 2018

14/24

6. BELANGENORGANISATIES De volgende belangenorganisaties zijn om advies gevraagd over deze beleidsnotitie: • ZLTO • Stichting Behoud de Zak van Zuid-Beveland • Zeeuwse Milieufederatie • Natuurmonumenten In de bijlagen zijn de verslagen opgenomen van de gevoerde gesprekken. De adviezen hebben geleid tot aanpassingen en aanvullingen van deze beleidsnotitie.

7. KADERS VOOR HET PLAATSEN VAN KLEINE WINDTURBINES 7.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aangegeven of en waar en onder welke voorwaarden kleine windturbines kunnen worden geplaatst. Hoewel kleine windturbines een kleine bijdrage leveren aan de totale energietransitie, spelen ze een belangrijke rol bij het verduurzamen van bedrijven. Dit leidt tot het uitgangspunt dat windturbines in principe in het gehele buitengebied van Borsele zijn toegestaan bij bedrijven. Er worden geen gebieden of landschapstypen uitgesloten. De meeste erven zijn geschikt voor plaatsing van een windturbine. Hierbij wordt dan uitgegaan van een ‘ja, mits’ benadering. De mits betekent dat er ook erven kunnen zijn die niet geschikt zijn.

7.3

Ruimtelijke voorwaarden

Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een kleine windturbine moet aan de volgende ruimtelijke voorwaarden voldoen: 4. De windturbine wordt geplaatst op het in het geldende bestemmingsplan of omgevingsplan aangeduide (agrarisch) bouwblok in het buitengebied. 5. Er mag niet meer dan één grondgebonden windturbine per bedrijf/agrarisch bouwblok worden geplaatst. 6. De maximale tiphoogte van de windturbine bedraagt 21 meter. 7. De afstand van een windturbine tot: a.

de meest nabijgelegen gevoelige objecten bedraagt niet minder dan vier maal de ashoogte van de windturbine;

Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een kleine windturbine moet aan de volgende algemene voorwaarden voldoen:

b.

buisleidingen met gevaarlijke stoffen bedraagt niet minder dan 25 meter, tenzij de leidingbeheerder dichterbij toestaat;

1. Er moet worden aangetoond dat de turbine nodig is om de energiebehoefte van het bedrijf op te vangen.

c.

bovengrondse hoogspanningsinfrastructuur bedraagt ten minste de maximale werpafstand bij twee keer het nominaal toerental van de kleine windturbine, tenzij de netbeheerder instemt met een kortere afstand;

d.

openbaar gebied is zodanig dat de wieken of de constructie van de kleine windturbine niet overhangt boven openbaar gebied.

7.2

Algemene voorwaarden

2. De energieopwekking van de kleine windturbine is enkel bestemd ten behoeve van het eigen gebruik en niet voor commerciële doeleinden. 3. De windturbines moeten aanvullend zijn op zonne-energie. Er moet worden aangetoond dat de maximale mogelijkheden voor zonne-energie op het dak zijn ingevuld.

8. De landschappelijke inpassing van een bedrijf mag niet ten koste gaan van een windturbine.

15/24

7.4

Voorwaarden vanuit wet- en regelgeving

Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een kleine windturbine moet in ieder geval aan de volgende wet- en regelgeving voldoen: 9. De eisen van het Bouwbesluit 2012/ Besluit bouwen leefomgeving. 10. De eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer/ Besluit activiteiten leefomgeving. 11. Het besluit externe veiligheid buisleidingen/ Besluit kwaliteit leefomgeving. 12. De overige regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan(nen)/ omgevingsplan. 13. De regels van de Wet natuurbescherming/ Omgevingswet en de daaruit volgende voorwaarden.

7.5

Toelichting voorwaarden

7.5.1 Eigen behoefte Uit landschappelijke overwegingen wil de gemeente het aantal windturbines beperkt houden. Ook moet extra druk op het net worden voorkomen. Om deze redenen heeft de gemeente besloten om alleen windturbines bij bedrijven in het buitengebied toe te staan, waarbij de voorwaarde is gesteld dat het opgestelde vermogen van de te plaatsen windturbine(s) is gericht op de eigen behoefte van het bedrijf. Het reeds neergelegde vermogen aan zonnepanelen wordt hierbij betrokken.

16/24

Voor het bepalen van het eigen gebruik wordt het gemiddelde energieverbruik van de afgelopen drie jaar als leidraad aangehouden. Dit zal middels een energieplan moeten worden aangetoond. Wanneer er plannen zijn die leiden tot meer energieverbruik dan wordt hiermee rekening gehouden. Daarnaast wordt gevraagd om vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit aan te tonen dat de maximale mogelijkheden voor zonne-energie zijn ingevuld. 7.5.2 Hoogte Voor de hoogte is aangesloten bij het provinciaal beleid, zoals dat geldt in 2023, waarin is vastgelegd dat windturbines met een hogere tiphoogte dan 21 meter alleen zijn toegestaan binnen de daarvoor aangegeven windenergie concentratielocaties. Indien het provinciaal beleid wijzigt en een hogere tiphoogte wordt vastgelegd, dan betekent het niet dat de beleidsregel kleine windturbines gemeente Borsele 2023 dan ook wijzigt. 7.5.3 Afstandscriteria De afstanden die zijn opgenomen in de voorwaarden komen uit het Handboek Risicozonering Windturbines (HRW). Het HRW vermeldt per type object een afstandscriterium. Verder geeft het HRW rekenmethodes waarmee de risicocontouren kunnen worden bepaald. Ligt het object buiten de vastgelegde afstand, dan is er voor de plaatsing van de windturbine in principe geen belemmering vanuit het oogpunt van veiligheid.

De afstand tussen een kleine windturbine en gasinfrastructuur (buisleidingen) bedraagt minimaal 25 meter. Indien een kleine windturbine buiten de 25 meter afstand wordt gerealiseerd, heeft de plaatsing van de windturbine geen effect op de veilige ligging en integriteit van de gasinfrastructuur. Wanneer de leidingbeheerder ermee instemt is een kleinere afstand dan 25 meter ook mogelijk.

Ten op zichtte van hoogspanningsinfrastructuur is ook een afstandseis opgenomen. Dit betreft de afstand die een rotorblad kan afleggen bij het losschieten van de kleine windturbine als deze twee keer zo snel draait dan maximaal mogelijk (nominaal toerental). Voor rekenvoorbeelden wordt verwezen naar de HRW. Om mensen tegen geluidhinder en tegen gezondheidseffecten door geluid te beschermen is de voorwaarde opgenomen dat een kleine windturbine op minimaal 4 x de ashoogte van de turbine geplaatst moet worden van de gevel van een gevoelig object zoals beschreven in de Wet geluidhinder. Het gaat hier bijvoorbeeld om gevoelige gebouwen zoals woningen. 7.5.4 Landschappelijke inpassing In het geldende bestemmingsplan/omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot landschappelijke inpassing. De gerealiseerde of nog te realiseren landschappelijke inpassing van een agrarisch bedrijf mag niet ten koste gaan van een windturbine. 7.5.5 Voorwaarden vanuit wet- en regelgeving De verschillende wetten en bijbehorende regelingen voorzien in regels om hinder van windturbines te voorkomen en om te zorgen dat wordt voldaan aan veiligheidsregels. Zo voorziet het Bouwbesluit in regels voor bouwwerken en dus ook in regels voor windturbines.

In het Activiteitenbesluit zijn onder andere geluidsnormen en normen over slagschaduw opgenomen en in de Wet natuurbescherming zijn regels opgenomen voor de bescherming van beschermde soorten en gebieden. In bestemmingsplannen kunnen regels opgenomen zijn ten behoeve van archeologie, cultuurhistorie en externe veiligheid.

17/24

Slagschaduw bij kleine windturbines is beperkt. Kleine windturbines met een korte en smalle wiek (maximale wieklengte 2,5 meter) en een hoog aantal omwentelingen per minuut (150 tot 400) veroorzaken geen slagschaduw. Windturbines met een wieklengte tussen de 4,5 en 8 meter veroorzaken mogelijk wel slagschaduw. In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor hinder door slagschaduw en lichtschittering. Door de plaatsing van windturbines kunnen ecologische belangen worden geschaad. Het gaat daarbij met name om effecten voor (beschermde) vogels of vleermuizen. Dit is op voorhand niet direct duidelijk en afhankelijk van de locatie. Bij elke aanvraag zal moeten worden getoetst aan de natuurbelangen om in beeld te brengen of voldaan wordt aan de Wet natuurbescherming. Met een natuurtoets (quickscan) moet worden onderzocht welk effect de windturbine heeft. Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Dan blijven vergelijkbare regels voor kleine windturbines gelden, maar deze zijn in andere wetgeving en regels terug te vinden.

Bijlage 1

Bijlage 2

Gemiddelde windsnelheden in Nederland

Gespreksverslagen belangenorganisaties 1. ZLTO 2. Stichting Behoud de Zak van Zuid-Beveland 3. Zeeuwse Milieufederatie 4. aanvulling Natuurmonumenten.

Gemiddelde windsnelheid in Nederland 2003 – 2013 (KNMI, RVO)

18/24

ZLTO

19/24

BZZB

20/24

21/24

ZMf

22/24

aanvulling Natuurmonumenten

23/24

Uit Borsatlas

24/24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13524144/1