12.3 Concept bijlage bij de toelichting Wegsleepverordening gemeente Borsele
Tekst van het document
Bijlage bij de toelichting Wegsleepverordening gemeente Borsele A. VEILIGHEID OP DE WEG EN VRIJHEID VAN HET VERKEER Als gevallen waarin verwijdering, overbrenging en inbewaringstelling van voertuigen in het belang van de veiligheid op de weg en de vrijheid van het verkeer (zie artikel 170, eerste lid, aanhef en onder a en b WVW 1994) noodzakelijk kunnen zijn, worden genoemd: Plaats op de weg Een voertuig is tot stilstand gebracht op een trottoir, voetpad of fietspad, tenzij het een fiets, bromfiets of invalidenvoertuig betreft. Laten stilstaan Een voertuig is tot stilstand gebracht: 1. op een kruispunt, rotonde of een overweg; 2. op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook; 3. op een oversteekplaats of binnen een afstand van 5 meter daarvan; 4. in een tunnel; 5. bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering of, indien die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord, tenzij het stilstaan dient voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers; 6. op de rijbaan langs een busstrook; 7. op een busbaan of een busstrook met uitzondering van een lijnbus; 8. langs een gele doorgetrokken streep of in strijd met bord E2 van bijlage 1 RVV 1990; 9.
op de rijbaan, inclusief de invoeg- en uitrijstrook, van een autosnelweg of autoweg of – behoudens in noodgevallen - op de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm van zo’n weg. Parkeren Een voertuig is geparkeerd: 1. bij een kruispunt op een afstand van minder dan 5 meter daarvan; 2. voor een inrit of een uitrit; 3. buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg; 4. langs een gele onderbroken streep of in strijd met bord E1 van bijlage 1 RVV 1990; 5. op een wijze waardoor er sprake is van dubbel parkeren; 6. binnen een erf, waarbij – voorzover het een motorvoertuig betreft – geen gebruik is gemaakt van de parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangewezen; 7. op een weg waarvoor een gesloten verklaring geldt; 8. zonder dat de voorgeschreven voertuigverlichting in werking is gesteld.
Bevel of aanwijzing Een voertuig is tot stilstand gebracht in strijd met een bevel of een aanwijzing, gegeven door een daartoe bevoegd en als zodanig kenbare ambtenaar of ander persoon. Gevaarlijk of hinderlijk gedrag Een voertuig is overigens zodanig tot stilstand gebracht of geparkeerd dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt of kan worden gehinderd. B. Vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen Verwijdering, overbrenging en inbewaringstelling van voertuigen in het belang van het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen (zie artikel 170, eerste lid, aan hef en on der c WVW 1994 en artikel 2 Besluit) kunnen noodzakelijk zijn in het geval dat een voertuig is geparkeerd: 1. op een weg of weggedeelte waar door middel van bord E1 van bijlage 1 van het RVV 1990 of door middel van een gele onderbroken streep als bedoeld in artikel 24, lid 1 onder e RVV 1990 wordt aangegeven dat ter plaatse een parkeerverbod geldt; 2. op een weg of weggedeelte waar door middel van bord E2 van die bijlage of door middel van een gele doorgetrokken streep als bedoeld in artikel 23, lid 1 onder g RVV 1990 wordt aangegeven dat ter plaatse een verbod stil te staan geldt; 3.
op een parkeerplaats nader aangeduid door bord E4 van die bijlage (al dan niet met onderbord) voorzover: - het voertuig niet behoort tot de toegelaten categorie of groep voertuigen; - het voertuig op een andere dan de aangegeven wijze is geparkeerd; - het voertuig op andere dagen of uren dan aangegeven is geparkeerd; 4. op een taxistandplaats, nader aangeduid door bord E5 van die bijlage, tenzij het parkeren gebeurt met een taxi; 5. op een gehandicaptenparkeerplaats, nader aangeduid met bord E6 van die bijlage: - tenzij het parkeren gebeurt met een gehandicaptenvoertuig; - tenzij gebruik wordt gemaakt van een geldige en duidelijk zichtbaar aangebrachte gehandicaptenparkeerkaart; - die gereserveerd is voor een bepaald voertuig, tenzij het parkeren gebeurt met dat voertuig; 6. op een laad- en losplaats, nader aangeduid door bord E7 van die bijlage (met uitzondering van de aangegeven dagen of uren), tenzij de bestuurder van het voertuig bezig is met het onmiddellijk laden en lossen van goederen; 7. op een parkeerplaats, nader aangeduid door bord E8 van die bijlage voorzover het voertuig niet behoort tot de toegelaten categorie of groep voertuigen; 8. op een parkeerplaats, nader aangeduid door bord E9 van die bijlage en bestemd voor vergunninghouders, tenzij het parkeren gebeurt met het voertuig waarvoor een
parkeervergunning is afgegeven; 9. in een voetgangersgebied, nader aangeduid door bord G7 of C1 van die bijlage (eventueel: met uitzondering van aangegeven dagen en uren). Borsele, 29 augustus 2024. de raad voornoemd, de griffier de voorzitter