12.2 Marsroute Wet inburgering VZG
Tekst van het document
Memo marsroute Veranderopgave Inburgering (VOI) Zeeland & Goeree-Overflakkee
Inleiding Vanaf het voornemen van minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om een nieuwe Inburgeringswet te initiëren (1 juli 2018) bent u meegenomen in de hoofdlijnen ervan. In het VZG- overleg van 26 februari 2019 bent u vervolgens geïnformeerd over de opdracht van de coördinator statushouders in de Veranderopgave Inburgering. U is toen voorgesteld dat de coördinator samen met de Zeeuwse gemeenten de nieuwe Inburgeringswet zou voorbereiden en een marsroute zou bepalen. Hieronder wordt u geïnformeerd over deze marsroute. Om hiertoe te komen zijn de Zeeuwse gemeenten, Goeree-Overflakkee, stakeholders en de coördinator het afgelopen half jaar verschillende keren bij elkaar gekomen. Waarom een nieuwe wet? Uit evaluatie van Wet inburgering, die in 2013 van start ging, blijkt dat de huidige scheiding tussen participatie en inburgering niet effectief en doelmatig is1. Onder de huidige wetgeving is de inburgering de eigen verantwoordelijkheid van de statushouder (SH). Zij moeten zelf een inburgeringscursus selecteren en financieren deze met behulp van een lening bij DUO. Hierdoor is het voor gemeenten lastig om inzicht te krijgen in het verloop van de inburgering, om de kwaliteit van het inburgeringsonderwijs te waarborgen en om de begeleiding naar werk en opleiding af te stemmen op het inburgeringstraject.
Daarnaast is het systeem fraudegevoelig en eindigen veel inburgeringsplichtigen onder het niveau dat ze aan kunnen. De huidige wet schiet dus tekort. De nieuwe wet op hoofdlijnen In juli 2018 heeft minister Koolmees aangekondigd dat het inburgeringsstelsel aangepast wordt. In het nieuwe stelsel krijgen gemeenten regie op de inburgering, waardoor de mogelijkheden voor het inrichten van een duaal traject van inburgeren én leren/werken worden vergroot. Uitgangspunt is dat iedereen op een zo hoog mogelijk niveau inburgert en naar eigen niveau zo goed mogelijk participeert in de Nederlandse samenleving, het liefst via betaald werk. Naar verwachting gaat de nieuwe Wet Inburgering per januari 2021 in. Streven in de nieuwe wet is dat gemeenten een brede intake gaan afnemen die zowel gericht is op (arbeids)participatie als inburgering en dat zij de uitkomsten hiervan vastleggen in een persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP). Daarnaast worden gemeenten verantwoordelijk voor de inkoop van inburgeringscursussen bij door hen geselecteerde aanbieders. Er komen drie verschillende leerroutes: 1. de reguliere B1-route: algemeen voornemen is om de standaard taalnorm te verhogen van A.2 naar B1 en geen ontheffingen meer te verstrekken; 2. een onderwijsroute, gericht op het behalen van een Nederlands schooldiploma; 3.
een zelfredzaamheidsroute (Z-route), voor mensen voor wie de andere twee routes buiten bereik liggen. Ten slotte dienen statushouders in de beginperiode te worden ontzorgd. De meeste gemeenten hebben geen expertise meer in huis op het gebied van de inburgering sinds de wetswijziging van 2013. Met de invoering van de nieuwe inburgeringswet wordt de groep nieuwkomers waarvoor de gemeente verantwoordelijk is bovendien groter. Ligt voor gemeenten de focus nu op de integratie en (arbeids)participatie van uitkeringsgerechtigde statushouders2, na de invoering van de nieuwe inburgeringswet vallen naar alle waarschijnlijkheid alle inburgeringsplichtigen onder verantwoordelijkheid van de gemeenten, ook degenen die geen uitkering ontvangen. Denk hierbij aan nareizigers (= nareizende partner & familie van de statushouder) en huwelijksmigranten3 . Dat betekent substantieel meer werk voor gemeenten. 1
Inburgering: systeemwereld versus leefwereld, Evaluatie Wet inburgering 2013 (Significant, juni 2018). Asielzoekers die als vluchteling worden erkend, krijgen de vluchtelingenstatus. Zij worden ook wel vergunning- of statushouders genoemd. Statushouders krijgen een woonruimte toegewezen en mogen een opleiding volgen en werken in Nederland. Nagenoeg alle statushouders maken in eerste instantie gebruik van een Participatiewetuitkering om in hun levensonderhoud te voorzien en zijn zo in beeld van de gemeente. 3 Personen die naar Nederland komen om te trouwen met een al in Nederland wonende (autochtone) partner. Inburgering voor deze groep begint al buiten Nederland, doordat zij in het land van herkomst het basisexamen inburgering buitenland moeten afleggen. Eenmaal in Nederland dienen zij vervolgens het inburgeringsexamen te halen. Op dit moment vallen zij vaak buiten de scope van gemeenten omdat zij veelal deel uitmaken van een huishouden waar voldoende inkomen wordt vergaard. 2
1
Tegelijkertijd kan het goed nieuws zijn voor met name vrouwelijke nareizigers & huwelijksmigranten die nu vaak niet in beeld zijn bij gemeenten. Onder het huidige inburgeringsstelsel kunnen zij achter de spreekwoordelijke voordeur verdwijnen, geïsoleerd en niet geïntegreerd in de Nederlandse samenleving. Op dit moment is nog onduidelijk hoe Inburgerings- en Participatiewet zich tot elkaar gaan verhouden, evenals of organisaties als DUO en Blik op Werk (keurmerkverstrekker taalaanbieders) een rol krijgen in de uitvoering van de nieuwe Inburgeringswet.
Financiën Inmiddels heeft minister Koolmees een tussenstand VOI aan de kamer doen toekomen (d.d. 15 feb. 2019). Hieruit blijkt dat de ingangsdatum met een half jaar naar achteren is geschoven (1 januari 2021) én dat er door het kabinet zowel voor 2019 als voor 2020 middelen beschikbaar worden gesteld (20 mln per jaar) voor de zogenaamde ‘Ondertussengroep’. Hier wordt de groep van huidige inburgeraars onder verstaan, degenen dus die nog onder het oude inburgeringsregime vallen. Bijlage 1 laat zien dat het voor deze regio om bijna 1450 mensen gaat. De middelen zijn bedoeld voor gemeenten om deze groep in aanloop naar het nieuwe stelsel te begeleiden, ondersteuning te bieden en te activeren naar geschikt inburgeringsonderwijs. De impuls is ook bedoeld voor gemeenten om alvast toe te groeien naar de regierol op inburgering in het nieuwe stelsel. Bijlage 2. geeft inzicht in de hoeveelheid beschikbare middelen per gemeente in deze regio. De VNG heeft SZW 23 mei jl. verzocht de financiële gevolgen voor gemeenten na invoering van de wet in kaart te brengen. SZW heeft daar vooralsnog niet mee ingestemd.
Proces in de arbeidsmarktregio tot nu toe Om tijdig voor te kunnen sorteren op de nieuwe Wet inburgering (toen nog bedacht op 1 juli 2020), zijn in de 1e helft van januari individuele gesprekken gevoerd met Zeeuwse gemeenten over de Veranderopgave Inburgering en de situatie in hun gemeente. Deze informatie vormde input voor 3 plenaire sessies (29 januari, 5 februari en 5 maart) waarin de Zeeuwse gemeenten o.l.v. de coördinator statushouders van gedachten hebben gewisseld over wat zij inhoudelijk belangrijke aspecten vinden bij de hoofdthema’s van de wet, te weten: 1. Vroege en brede intake i.h.k.v. het Plan Inburgering & participatie (PIP); 2. Ontzorgen; 3. Ontwikkeling 3 leerroutes (B.1, Onderwijs en Z-route); 4. Ontwikkeling duale trajecten (inburgering én werk) i.h.k.v. het PIP. Verder is gesproken over óf en zo ja, hóe de Zeeuwse gemeenten zich willen samen voorbereiden op de wet. Vanaf de 4e plenaire sessie van 9 april jl. over de ‘Ondertussengroep’ is ook Goeree- Overflakkee aangesloten. Deze gemeente heeft namelijk aangegeven graag te willen optrekken met de Zeeuwse gemeenten v.w.b. de voorbereiding op de Veranderopgave Inburgering. Na overleg met Dhr. Van der Reest, wethouder centrumgemeente Goes, de Zeeuwse gemeenten, Divosa en de regiocoördinator van de arbeidsmarktregio Rijnmond, waartoe Goeree Overflakkee eigenlijk behoort, is dit verzoek gehonoreerd.
Afgesproken Werkwijze Informeren van de gemeenten over inhoud van de VOI én planvorming voor Zeeland gingen hand in hand in deze sessies. Goede voorbeelden van elders werden ingezet om met elkaar te discussiëren over de in Zeeland te hanteren uitgangspunten. De bijeenkomsten hebben geleid tot deze Marsroute VOI: voor ieder van de hoofdthema’s hebben de gemeenten aangegeven gezamenlijk het voorwerk te willen doen. Datzelfde geldt voor de Ondertussengroep. Dit vanuit het oogpunt van efficiency én Zeeuwse eenduidigheid richting inburgeraars. Na dit gezamenlijke voorwerk willen zij een keuze maken of zij ook in de vervolgactiviteiten samen willen optrekken (Zeeuws of subregionaal), of dat zij deze lokaal (dus iedere gemeente afzonderlijk) oppakken. Taakverdeling Tijdens de 3e plenaire bijeenkomst (5 mrt jl.) is afgesproken dat er 3 werkgroepen ingesteld worden om de VOI in Zeeuws verband voor te bereiden en een stakeholdersbijeenkomst te beleggen op 16 mei. Deze is voorbereid door de coördinator en de gemeenten Hulst, Middelburg, Tholen en GR De Bevelanden. Doel van laatstgenoemde bijeenkomst is om bij stakeholders kennis en ervaring op te halen en zo tot betere en gedragen planvorming te komen. Doel van de werkgroepen is om te komen tot een Zeeuwse basis op het genoemde onderdeel, die vervolgens samen of lokaal verder kan worden ingekleurd. De werkgroepen zijn: 2
✓ Werkgroep ‘De ondertussengroep’: Richt zich op het maken van plannen t.b.v. de huidige inburgeraars tot de ingangsdatum van de nieuwe inburgeringswet (1 jan. 2021). Op 9 april vond de gezamenlijke aftrap plaats. Looptijd werkgroep: 9 april t/m eind 2019, waarbij de nadruk ligt op 9 april tot aan zomerreces. Beoogde opleverdatum voor het VZG-overleg is 3 september 2019, zodat nog circa 1,5 jaar resteert om de ondertussengroep beter te begeleiden vanuit de gemeente en taalaanbieders dan dat nu gebeurt. De werkgroep bestaat uit: GR de Bevelanden, Middelburg, Goeree - Overflakkee en Terneuzen (vanaf juni). ✓ Werkgroep ‘Intake & ontzorgen’: Richt zich op een vroegtijdige en brede intake van inburgeraars i.h.k.v. het Plan Inburgering & Participatie (PIP). Het thema ‘Jongeren en opvoeding’ wordt in dit traject betrokken. Daarnaast richt deze werkgroep zich op het ontzorgen van statushouders in de beginperiode van huisvesting in een gemeente. Bij dit ontzorgen hoort ook een voorstel hoe SH te leren hun eigen financiële huishouding te doen. Deze werkgroep pakt dus de hoofdthema’s 1) en 2) van de nieuwe Inburgeringswet samen. Looptijd: na het zomerreces tot eind dec. 2019. De werkgroep bestaat uit: Tholen, Terneuzen, GR De Bevelanden, Middelburg en Vlissingen.
✓ Werkgroep ‘Taal & werk(ervaring)’: Richt zich op het voorbereiden van de 3 verplicht te ontwikkelen leerroutes voor inburgeraars en doet dit in samenhang met trajecten richting stage/werkervaringsplaats/dagbesteding/(vrijwilligers)werk. Deze werkgroep pakt dus de hoofdthema’s 3) en 4) samen. Looptijd: na het zomerreces tot eind dec. 2019. De werkgroep bestaat uit: Schouwen-Duivenland, Sluis, GR De Bevelanden en Middelburg. Voor de werkgroepen schrijft de coördinator statushouders een opdracht zodat iedere werkgroep op voorhand weet wat er moet worden opgeleverd. Elke werkgroep wordt getrokken door een aantal gemeenten en aangevuld met stakeholders die de gemeenten en coördinator raadzaam achten. De coördinator heeft een faciliterende en informerende rol en brengt de opbrengst van de werkgroepen naar de WAZ (ambtelijk) en het VZG-overleg (bestuurlijk). Vanuit ‘Aan de slag in Zeeland’, de arbeidsmarktregio, worden de coördinator en de werkgroepen ondersteund. De werkgroepen nemen onderstaande uitgangspunten als vertrekpunt. Deze werden opgehaald tijdens de eerdergenoemde sessies, in de individuele gesprekken die de coördinator SH medio januari 2019 voerde met de separate gemeenten en de stakeholdersbijeenkomst die op 16 mei jl. werd gehouden. Over de uitgangspunten bestaat brede consensus. Daarnaast hebben de sessies tal van (kleinere) aandachtspunten opgeleverd.
Deze vindt u terug in bijlage 3. Zij worden verwerkt in de opdracht aan de werkgroepen.
Inhoudelijke input op de hoofdthema’s Ten behoeve van de duidelijkheid wordt de opgehaalde informatie per hoofdthema van de nieuwe inburgeringswet weergegeven en niet per werkgroep. Rode draden in de marsroute zijn: maatwerk, cultuursensitiviteit, integraal werken, regievoering en aandacht voor vrouwelijke inburgeringsplichtigen.
1.Vroege en brede intake ihkv het Plan Inburgering & Participatie (PIP) Waar gaat het over Volgens de hoofdlijnenbrief van het Ministerie (juli 2018) van SZW moeten gemeenten zo vroeg mogelijk worden betrokken bij de inburgeraar die zich in hun gemeente gaat vestigen. Gemeenten gaan bij iedere inburgeraar een brede intake afnemen. Voor asielstatushouders geldt dat al begonnen wordt met de intake in het AZC na koppeling aan de gemeente. Er moet een doorlopende lijn worden gecreëerd vanuit het AZC naar de vestiging in de woongemeente, waarbij de tijd in het AZC optimaal wordt benut. Informatie vanuit het COA over individuele SH wordt alleen aan de gemeente verstrekt, niet aan derden. Uitgangspunt Zeeuwse gemeenten • Struikelblok om met dit verplichte onderdeel van de nieuwe Inburgeringswet aan de slag te gaan, is het ver weg gelegen zijn van 12 van de 14 AZC’s van waaruit statushouders momenteel aan Zeeland worden gekoppeld (Almere, Dronten etc). Alleen de AZC’s in Goes en Middelburg liggen in de regio. AZC Goes sluit november 2019 en Middelburg evalueert momenteel het huidige AZC. Pleidooi van Zeeland is om 3
• •
•
• •
AZC’s in de regio te houden en deze in te zetten voor opvang van de statushouders die gekoppeld zijn aan Zeeland. Uitgaande van de taakstellingscijfers van de afgelopen jaren zou een opvangcapaciteit van 500 mensen volstaan. In afwachting van bovenstaande is vooralsnog het uitgangspunt: Zodra een aan Zeeland gekoppelde SH in een Zeeuws AZC verblijft, kan er vroegtijdig een brede intake plaatsvinden en samen met de statushouder een PIP opgesteld worden. In de overige gevallen moet bezien worden wat mogelijk is. Het PIP is maatwerk en dynamisch, kan tussentijds worden bijgesteld en aangevuld. Er is aandacht voor alle leefgebieden, dus ook voor zaken als vrije tijd/sport en sociaal netwerk optuigen (bijv. aanhaken aan een Nederlands huishouden). Het moment waarop een start wordt gemaakt met vulling van het PIP moet in overleg met de casemanagers van het COA worden bepaald: statushouders moeten eerst kunnen landen. De één heeft daar meer tijd voor nodig dan de ander (o.a. door trauma door oorlog of vlucht, zorgen over achterblijvers, cultuurshock). Ook daarna kan het PIP bijgesteld worden op basis van nieuwe ontwikkelingen bij de SH of voortkomend uit casusoverleg van professionals en vrijwilligers die bij de SH zijn betrokken. Er wordt geïnvesteerd in de banden tussen COA en Zeeuwse gemeenten in het belang van individuele SH.
2. Ontzorgen Waar gaat het over Gemeenten krijgen de opdracht om SH de eerste periode een ontzorgend stelsel te bieden. Dit geldt voor alle gemeenten. Gemeenten betalen dan uit de bijstand de vaste lasten, zoals huur en energiekosten en de verplichte verzekeringen. De SH ontvangt wat resteert en ontvangt de toeslagen. De gemeente bepaalt als onderdeel van de PIP per asielstatushouder voor hoelang ontzorgen nodig is. Uitgangspunt Zeeuwse gemeenten • Een zekere periode van “ontzorgen” is nodig en gewenst, maar het moet maatwerk zijn wanneer je de statushouder loslaat. • Bij ontzorgen hoort niet alleen het inhouden van de vaste lasten maar ook het inregelen van kinderopvang, reiskostenvergoeding/vervoer om op studie/werk te komen e.d. • Ontzorgen heeft geen zin als je niet gelijktijdig SH leert om hun eigen financiële huishouding te doen. De te vormen werkgroep dient zich dus over beide aspecten te buigen.
3. Ontwikkeling 3 leerroutes: B.1, onderwijs- en Z-route Waar gaat het over Gemeenten gaan inburgeringstrajecten inkopen bij door hen geselecteerde aanbieders te weten de B1 route, de onderwijsroute en de Z-route. B.1 wordt de norm (ipv A.2 nu). Als blijkt dat na aanzienlijke inspanning en via objectieve toets, het B1 examen niet haalbaar is, kan teruggevallen worden op 1 of meerdere onderdelen van het examen op A2 niveau. De onderwijsroute is gericht op de onderwijspotentie van inburgeraars en het benutten daarvan. Een duurzaam perspectief op de arbeidsmarkt staat centraal en is vooral gericht op de groep tot 30 jaar. De Z-route is voor personen waarbij objectief is vastgesteld dat hun leervermogen dermate beperkt is, dat de reguliere examenroute geen optie is. Deze route richt zich met name op het bevorderen van de zelfredzaamheid in de Nederlandse samenleving. Gemeenten krijgen inburgeringsbudget van het Rijk en moeten garanderen dat er voldoende passend aanbod is voor de 3 leerroutes, dat dit aanbod inhoudelijk effectief en flexibel (i.c.m. werk) is en dat dit aanbod geënt is op de inburgerings- en participatiedoelstelling.
4
Uitgangspunt Zeeuwse gemeenten • In het programma van eisen voor formele taalaanbieders wordt opgenomen: ✓ Dat zij moeten samenwerken met informele taalaanbod dat vanuit de WEB-middelen beschikbaar is. De Zeeuwse gemeenten vinden het van het grootste belang dat inburgeraars zoveel mogelijk oefenmogelijkheden aangereikt krijgen zoals taalmaatjes, taalcafé’s en inloophuizen; ✓ 100% begrip (= aanschouwelijk maken wat je zegt met gebruik van concrete voorwerpen & beeldmateriaal. Er wordt pas verder gegaan met nieuwe leerstof als alles door de cursisten begrepen wordt.); ✓ Dat binnen de taalontwikkeling er een koppeling moet worden gemaakt met de praktijk; ✓ Behalve voor taalbegrip en woordenschat dient ook aandacht te zijn voor rekenen en digitale vaardigheden; ✓ Flexibiliteit in lesuren t.b.v. een goede koppeling met werk; ✓ Taallessen zowel klassikaal als individueel aangeboden moeten kunnen worden; ✓ Ontwikkel een voortraject op maat zodat SH kunnen doorstromen naar regulier onderwijs. • Er is in Zeeland vaktaal-aanbod in bepaalde branches (horeca, techniek, zorg etc.) zodat SH sneller in de branche van voorkeur aan de slag kunnen. • In iedere Zeeuwse gemeente is een totaalprogramma met een aantal programmalijnen voor de verschillende niveau’s van inburgering beschikbaar. Een programmalijn bestaat uit taal-/reken-/digitale vaardigheden, werknemersvaardigheden (bijv.
werkstage) en sociale vaardigheden (bijv. omgangsvormen in Nederland). Cultuursensitiviteit en positie van vrouwen worden hierin meegenomen. De doelgroep wordt betrokken bij het opstellen hiervan. • Tussentijds overstappen tussen leerroutes moet mogelijk zijn.
4. Duale trajecten inburgering & werk Waar gaat het over: Per inburgeringsplichtige nieuwkomer dient de gemeente een programma samen te stellen dat bestaat uit het leren van taal gecombineerd met (vrijwilligers)werk of studie. Dit is onderdeel van het eerder genoemde PIP. Gemeenten zullen dus slimme arrangementen van inburgeren en opleiding/werk moeten stimuleren zodat zowel aan de inburgerings- als aan de participatiedoelstelling wordt voldaan. Zowel de inburgeraar als de gemeente committeren zich aan de afspraken en gemeenten volgen de inburgeringsplichtigen in hun vorderingen. Er wordt gebruik gemaakt van de plichten en handhavingsinstrumenten die gelden op basis van de P-wet. Voor inburgeringsplichtigen die niet onder de P-wet vallen kijkt het Ministerie van SZW naar mogelijkheden voor gemeenten om te kunnen handhaven. Uitgangspunt Zeeuwse gemeenten • Een traject bieden dat recht doet aan inburgering en opleiding/werk maar waar ook de andere leefgebieden integraal worden meegenomen. Met oog voor maximale belastbaarheid van statushouders (bijvoorbeeld leer/werkweken van 32 uur) en op basis van individueel maatwerk. • Daar waar mogelijk moet op de werkvloer de verbinding gemaakt worden tussen inburgering en werk. In ieder geval bij de SW-bedrijven zou dat ingeregeld moeten worden & mogelijk ook bij grote werkgevers.
• Werktrajecten dragen bij aan integratie in de Nederlandse samenleving (heel solistische werkzaamheden of met alleen niet - Nederlands sprekende collega’s dragen hier minder aan bij). • In overheidsopdrachten zoals SROI worden statushouders meegenomen, conform het ‘Zeeuwse Beleidskader Social Return’ (mei 2019). • Ieder gemeente heeft een regievoerder op de statushouders. Dat kan de klantmanager, inburgeringsconsulent, casemanager zijn of nog iemand anders en mag variëren per gemeente. Als maar in iedere gemeente duidelijk is welke discipline regievoerder is. De regievoerder coördineert het overleg en samenwerking tussen de betrokken partijen rondom de SH. • Iedere werkgever heeft een vast aanpreekpunt bij het WSP en/of de gemeente en wordt door deze functionaris voorbereid op (verwachtingsmanagement, aandacht voor cultuurverschillen) en begeleid bij de plaatsing van statushouders (jobcoachen SH en ontzorgen werkgever). 5
•
•
Indien de nieuwe inburgeringswet hiervoor ruimte biedt, willen de gemeenten bij vestiging in de eigen gemeente inzetten op een voortraject waarin inburgeraars de kans krijgen zich te oriënteren op hun woonomgeving, de gemeente waarin ze zijn terecht gekomen, de bredere Nederlandse samenleving en plaatselijke werkgevers. Zo nodig krijgen SH een empowermenttraining aangeboden. Indien aan Zeeland gekoppelde SH zich in een Zeeuws AZC bevinden, kan na de voorinburgering door het COA (3 maanden) gestart worden met de officiële inburgering & (vrijwilligers)werk in afwachting van vestiging in de gemeente waaraan gekoppeld is.
5. De ondertussengroep Waar gaat het over SZW onderkent dat de voorgestelde wijzigingen voor een grote groep te laat komen. Gemeenten worden daarom financieel gefaciliteerd om werkwijzen te ontwikkelen die in lijn zijn met het huidige stelsel, maar ook recht doen aan het nieuwe stelsel. De middelen zijn bedoeld voor gemeenten om deze groep in aanloop naar het nieuwe stelsel te begeleiden, ondersteuning te bieden en te activeren naar geschikt inburgeringsonderwijs. De impuls is ook bedoeld voor gemeenten om alvast toe te groeien naar de regierol op inburgering in het nieuwe stelsel. Uitgangspunt Zeeuwse gemeenten • De beschikbare middelen moeten niet alleen ingezet worden voor extra taalaanbod, maar ook ten gunste komen aan randvoorwaardelijke zaken als voldoende (psychische) zorg, het bereiken van mensen uit de ondertussengroep die nu geïsoleerd thuis zitten, ontzorgen & voldoende tolkeninzet.
Ten slotte zijn er nog een aantal overkoepelende aandachtspunten: • Behalve met kosten t.b.v. regievoering en coördinatie gemeente (bijvoorbeeld inburgeringsconsulent, klantmanagers, jobhunters, jobcoach etc.) moet iedere gemeente ook rekening houden met middelen voor tolken en voor voldoende maatschappelijke begeleiding bij de voorbereiding van VOI. • Het niet vergoeden van reiskosten door de meeste Zeeuwse gemeenten en het niet kunnen studeren met behoud van uitkering is een fors obstakel in de duurzame uitstroom richting betaald werk op het niveau dat de statushouder aan kan (en Zeeland nodig heeft). Zowel vanuit statushouders, werkgevers als aanbieders wordt benadrukt dat verschillen in rechten en plichten tussen Zeeuwse statushouders vanuit verschillende gemeenten moeten worden vermeden. • Opgemerkt wordt dat veel werkgevers afhoudend zijn richting statushouders en statushouders op de werkvloer niet worden geaccepteerd. Ook willen sommige klanten (bijvoorbeeld in de zorg) niet geholpen worden door een SH. Op zowel de werkvloer en bij klanten is nog een cultuuromslag nodig. De politiek zou deze handschoen op kunnen nemen. • Aanbod op het terrein van gespecialiseerde (psychische) hulpverlening mist in deze regio.
Vanuit haar signaal- en voorlichtingsfunctie zou de GGD voorlichting over cultuursensitieve (psychische) zorg aan huisartsen, wijkteams en andere zorgverleners die regelmatig in contact komen met statushouders kunnen oppakken. Dat gebeurt op dit moment niet. • Februari jl. is een subsidie-aanvraag ingediend bij het AMIF (‘Nieuwe Zeeuwen’) t.b.v. meer financiële armslag voor Zeeuwse gemeenten in de begeleiding en arbeidstoeleiding van statushouders. Een aantal onderdelen van deze aanvraag passen goed in de nieuwe Inburgeringswet. Medio september wordt de uitslag verwacht. Mocht(en onderdelen van) de AMIF-aanvraag niet worden gehonoreerd, dan betekent dat dat er minder of geen ervaring opgedaan kan worden door de Zeeuwse gemeenten met deze goed bij de nieuwe Inburgeringswet passende onderdelen.
6
Doorkijkje verdere proces
Fase 1 Fase 2
3 sept. 2019 sept – dec. 2019
Fase 3
jan – mrt 2020
Fase 4
apr– dec 2020
Fase 5
1 jan 2021
Bespreking voorstel werkgroep Ondertussengroep in VZG overleg • Werkgroepen ‘Intake & Ontzorgenen ‘Taal& werk(ervaring)’ aan de slag • Uitrol voorstellen werkgroep Ondertussengroep • Zeeuwse afstemming over werkgroepopbrengsten: in fase 4 samen optrekken (Zeeuws dan wel subregionaal) of lokaal? • Bespreking voorstel werkgroepen in VZG-overleg (mrt/apr 2020) Uitrol werkgroepvoorstellen, zoals start eventuele aanbesteding leerroutes bij taalaanbieders en ROC Nieuwe Inburgeringswet van kracht
7